id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.634 Rolnummer: A. 142515/XIV-17051 Zaak: Arrest 163634 - - 16/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-31 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 06:44 Fiche Arrest nr 163.634 van 16 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing Arrest nr. 163.634 van 16 oktober 2005 is gewijzigd door arrest nr. 169.827 van 5 april
- RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.634 van 16 oktober 2005 in de zaak A. 142.515/XIV-17.
- In zake : XXX, in eigen naam en in naam van haar minderjarig kind XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. SMEETS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 15 B bus 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1965 en van Burundese nationaliteit, in eigen naam en in naam van haar minderjarige zoon XXX, geboren op 17 augustus 1994, op 9 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 augustus 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, en van het bevel van 9 september 2003 om het grondgebied te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 9 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 21 oktober 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 1 juni 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-17.051-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 13 september 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat F. SMEETS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij deed een aankomstverklaring in België op 27 augustus 2001 en werd toegelaten tot verblijf op 9 oktober
- Zij was in het bezit van een visum type C voor 90 dagen omwille van medische redenen in hoofde van haar zoon. 1.
- Op 19 september 2001 diende de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Zij legde voor zichzelf en haar zoon een medisch attest voor van 26 juli 2001, uitgaande van een arts van het Instituut voor Tropische Geneeskunde waarin wordt vermeld dat een terugkeer niet aangewezen is gezien het ontbreken van de vereiste medicatie en de nodige medische follow-up in het land van herkomst. 1.
- Op 9 augustus 2002 wordt het dossier voorgelegd aan de controlearts van de Dienst Vreemdelingenzaken. Op 19 augustus 2002 bevestigt een andere arts van het Instituut voor Tropische Geneeskunde aan de controlearts dat het verderzetten van de therapie noodzakelijk is en dat de antiretrovirale therapie en de nodige infrastructuur niet beschikbaar zijn in Burundi. 1.
- Op 20 augustus 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, XIV-17.051-2/8 van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) MOTIVERING De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9 § 3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: het verblijf in België wegens ziekte van betrokkene en zoon, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen aangezien voor beide personen de behandeling kan verder gezet worden in het land van herkomst en betrokkenen eveneens kunnen reizen Bijgevolg dient de vreemdeling: (...) Gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend (...).”. 1.
- Op 9 september 2003 wordt aan de verzoekende partij het bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) schending van artikel 9, 3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 3 van het EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn (de zgn. materiële motiveringsplicht) Doordat de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekster om machtiging tot verblijf te bekomen als onontvankelijk beschouwt op grond van de motivering dat de ingeroepen motieven, te weten het verblijf in België wegens ziekte van verzoekster en van haar zoon, geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen aangezien voor beide personen de behandeling kan verder gezet worden in het land van herkomst en betrokkenen eveneens kunnen reizen. Terwijl: Eerste onderdeel van het eerste middel: Artikel 9, 3 en het motiveringsbeginsel worden geschonden omdat de weergave van de door verzoekster ingeroepen motieven in feite niet aanvaardbaar is omdat het belangrijkste motief van verzoekster onvermeld blijft. Immers, de vermelding dat de levensbedreigende ziektetoestand van verzoekster en haar zoontje in Burundi niet kan behandeld worden (gestaafd met hiermee overeenstemmende vermeldingen in de bij de aanvraag gevoegde medische attesten) blijft onvermeld in de feitenweergave van de beslissing - terwijl uitgerekend dit element doorslaggevend is in de eigenlijke redengeving (‘aangezien voor beide personen de behandeling kan verder gezet worden in het land van herkomst’). Tweede onderdeel van het eerste middel: Artikel 9, 3 en het motiveringsbeginsel worden geschonden omdat het motiveringselement ‘aangezien voor beide personen de behandeling kan verder gezet worden in het land van herkomst’ niet aanvaardbaar is omdat
(1)het wordt tegengesproken door ernstige feitelijke elementen die namens verzoekster werden meegedeeld en omdat
(2)nergens uit blijkt op grond van welke feitelijke gegevens men tot deze conclusie is gekomen. Zoals hoger aangegeven (onder de feiten, punt 4.): Heeft verzoekster in haar aanvraag uitdrukkelijk als ‘buitengewone omstandigheden die het voor verzoekster en voor haar zoontje niet toelaten om deze aanvraag in te dienen in hun land van herkomst’ woordelijk gesteld (onze vetjes en onderlijning): ‘haar ziektetoestand, en de ziektetoestand van haar zoontje XXX, die het hen onmogelijk maakt om zich te verplaatsen, omdat wat XXX betreft zijn ziektetoestand de voortdurende aanwezigheid van zijn moeder vereist, en omdat het voor XXX niet mogelijk is om een verre reis te ondernemen; dezelfde levensbedreigende ziektetoestand, zowel wat haarzelf als wat haar zoontje betreft, die in hun land van herkomst niet kan behandeld worden;’ Daarnaast blijkt uit de bij deze aanvraag gevoegde medische attesten: XIV-17.051-3/8 wat betreft verzoekster: dat verzoekster lijdt aan een chronische aandoening, die niet geneesbaar is, met slechte levensverwachting, en waarvoor een geneeskundige behandeling bezig is; dat de nodige verzorging niét in haar van herkomst kan verdergezet worden; dat terugkeer naar het land van herkomst tegenaangewezen is 'gezien het ontbreken van de vereiste medicatie en de nodige medische (labo) follow-up in land van herkomst. Zonder medicatie is er risico op levensbedreigende complicaties’ en wat betreft haar zoontje XXX.: dat deze lijdt aan een ziekte die verbeterbaar is, maar met een slechte levensverwachting, en waarvoor een geneeskundige behandeling bezig is; dat de verzorging niét kan verdergezet worden in het land van herkomst; dat de permanente aanwezigheid van een familielid, in dit geval van verzoekster, zijn moeder, vereist is; dat één en ander hem verhindert te reizen; dat terugkeer tegenaangewezen is ‘gezien het ontbreken van de vereiste medicatie en de nodige medicatie (labo) follow-up in land van herkomst. Zonder medicatie is er risico op levensbedreigende complicaties.’ Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt op geen enkele wijze om welke reden aan deze feitelijke elementen wordt voorbij gegaan, laat staan op basis van welke feitelijke gegevens men tot de conclusie is gekomen dat de behandeling van moeder en dochter vandaag plots wél in Burundi kan worden verder gezet. Het is dan ook voor verzoekster - én voor de Raad - niet mogelijk om na te gaan op grond van welke gegevens de bestreden beslissing tot de conclusie is gekomen dat in Burundi een toegankelijke en adequate medische behandeling beschikbaar is, laat staan of deze informatie werd ingewonnen en verwerkt door een onafhankelijke deskundige, en of deze informatie actueel en volledig is en afkomstig is van een gezaghebbende en deskundige bron.”; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet); van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); van de materiële motiveringplicht; Overwegende dat de verzoekende partij bij haar aanvraag een medisch attest van 26 juli 2001 voegde waarin het volgende wordt vermeld: “Terugkeer TEGEN- AANGEWEZEN gezien het ontbreken van de vereiste medicatie en de nodige medische (labo)follow-up in land van herkomst. Zonder medicatie is er risico op levensbedreigende complicaties” (administratief dossier, stuk 9); Overwegende dat op verzoek van de controlearts van de Dienst Vreemdelingenzaken, een nieuw medisch attest werd opgemaakt door een andere arts waarin het volgende wordt vermeld: “(...) Verder zetten van deze therapie is dan ook noodzakelijk zoniet is een daling van de CD4 en een oplopen van de virale lading te verwachten waardoor het risico op levensbedreigende infecties en maligniteiten zeer groot wordt. XXX is afkomstig uit Burundi. Jammer genoeg is de antiretrovirale therapie daar niet beschikbaar. Ook de nodige infrastructuur (o.a. labo) voor een efficiënte opvolging is er niet voorhanden.” (administratief dossier, stuk 28); XIV-17.051-4/8 Overwegende dat uit de motieven van de eerste bestreden beslissing op geen enkele wijze blijkt, zoals de verzoekende partij uiteenzet, “om welke reden aan deze feitelijke elementen wordt voorbijgegaan, laat staan op basis van welke feitelijke gegevens men tot de conclusie is gekomen dat de behandeling van moeder en dochter (zoon) vandaag plots wel in Burundi kan worden verder gezet”; dat het voor de verzoekende partij en voor de Raad van State niet mogelijk is om na te gaan op grond van welke gegevens de minister van Binnenlandse Zaken tot de conclusie is gekomen dat de behandeling in Burundi kan worden verdergezet; dat evenmin kan worden nagegaan of deze informatie werd ingewonnen door een deskundige terzake, en of deze informatie actueel en volledig is en afkomstig is van een deskundige bron; Overwegende dat in de eerste bestreden beslissing niet wordt aangegeven op grond waarvan de minister van Binnenlandse Zaken tot de conclusie komt dat de ingeroepen medische redenen niet volstaan als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat de motivering van de eerste bestreden beslissing niet afdoende is en niet volstaat om te besluiten tot de onontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf; dat het eerste middel gegrond is; Overwegende dat het eerste middel leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat er bijgevolg niet wordt ingegaan op het tweede en het derde middel; Overwegende dat de tweede bestreden beslissing aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht in uitvoering van de eerste bestreden beslissing; dat de eerste bestreden beslissing immers vermeldt “Bijgevolg dient de vreemdeling gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend”; dat bijgevolg ook de tweede bestreden beslissing die haar rechtsgrond vindt in de tweede bestreden beslissing dient te worden vernietigd; 3. Overwegende dat de verzoekende partij een gegrond middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen leidt; dat er derhalve reden is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat er geen grond meer is om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen, XIV-17.051-5/8 BESLUIT: Artikel 1. De beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 augustus 2003 waarbij de aanvraag van de verzoekende partij om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk wordt verklaard, en het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 september 2003 om het grondgebied te verlaten, worden vernietigd. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-17.051-6/8 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.827 van 5 april 2007 in de zaak A. 142.515/XIV-17.051. In zake : XXX, in eigen naam en in naam van haar minderjarig kind XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. SMEETS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 15 B bus 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1965 en van Burundese nationaliteit, in eigen naam en in naam van haar minderjarige zoon XXX, geboren op 17 augustus 1994, op 9 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 augustus 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, en van het bevel van 9 september 2003 om het grondgebied te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 9 september 2003; Gelet op het arrest nummer 163.634 van 16 oktober 2005 waarbij de bestreden beslissingen worden vernietigd; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het opschrift en in de laatste alinea van paragraaf 2 van het arrest nr. 163.634 van 16 oktober 2005 een materiële vergissing is geslopen die dient te worden rechtgezet, zoals bepaald in de volgende artikelen, XIV-17.051-7/8 BESLUIT: Artikel 1. In het arrest nr. 163.634 van 16 oktober 2005 dient de datum in het opschrift te worden gelezen als volgt: “RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.634 van 16 oktober 2006 in de zaak A. 142.515/XIV-17.051.”. Artikel 2. De laatste zin van de laatste alinea van paragraaf 2 dient als volgt te worden gelezen: “Dat bijgevolg ook de tweede bestreden beslissing die haar rechtsgrond vindt in de eerste bestreden beslissing dient te worden vernietigd;”. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf april tweeduizend en zeven, door: Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-17.051-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.634 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div