id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.639 Rolnummer: A. 66220/IX-1518 Zaak: Arrest 163639 - - 16/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 06:44 Fiche Arrest nr 163.639 van 16 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.639 van 16 oktober 2006 in de zaak A. 66.220/IX-1518 In zake : Gert VERBELEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, p.a. de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gert VERBELEN op 31 oktober 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de ministeriële beslissing van 30 augustus 1995 waarbij hem met ingang van 1 oktober 1995 de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege wordt opgelegd; - de beslissing van 8 september 1995 waarbij hem met ingang van 1 oktober 1995 de graad ontnomen wordt, waarbij hij met definitief verlof geplaatst wordt en waarbij de periode van 27 december 1994 tot en met 30 september 1995, tijdens dewelke hij bij ordemaatregel geschorst was, van rechtswege wordt omgezet in een periode van non-activiteit bij tuchtmaatregel; Gelet op het arrest nr. 59.052 van 15 april 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-1518-1/44 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 11 november 1998 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories en de aanvullende laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. RONSE die, loco advocaat L. VAN HOUT verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker wordt op 3 december 1984 opgenomen in de rijkswacht. Op 26 november 1985 wordt hij benoemd tot wachtmeester. Hij is lid van de 2de Mobiele Groep, eskadron infanterie. 1.
- Op 20 september 1994 wordt een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld ten laste van verzoeker, Patrick VAN DEN BERGH en Leon SCHOUTE- DEN wegens “verduistering” (artikel 240 strafwetboek) en “valsheid in geschriften” (artikel 195 strafwetboek). IX-1518-2/44 1.
- Met een model B van 14 oktober 1994 doet de commandant van de de 2 Mobiele Groep een voorstel verzoeker te schorsen bij ordemaatregel voor een periode van vier maanden. 1.
- Met een nota van 17 oktober 1994 meldt de commandant van het eskadron infanterie van de 2de Mobiele Groep aan de hoofddirectie van het personeel van de generale staf dat tegen verzoeker een gerechtelijk onderzoek is ingesteld. 1.
- Op 19 oktober 1994 zendt de procureur des Konings te Antwerpen een afschrift van het strafrechtelijk dossier aan de commandant van het district Antwerpen “voor mogelijke korpstucht”. Hij meldt dat zijn ambt de klacht op strafrechtelijk vlak seponeert. 1.
- Met een nota van 25 oktober 1994 zendt de commandant van het district Antwerpen een proces-verbaal voor verduistering en valsheid in geschriften ten laste van 1WM SCHOUTEDEN, 1WM VAN DEN BERGH en WM VERBELEN aan de hoofddirectie van het personeel. Hij meldt dat het ambt van de procureur des Konings te Antwerpen de klacht seponeert op strafrechtelijk vlak en de zaak verwijst naar de korpstucht. 1.
- Met een nota van 4 november 1994 meldt de commandant van de rijkswacht aan de commandant van het eskadron infanterie van de 2de Mobiele Groep dat de procureur des Konings te Antwerpen de zaak in hoofde van verzoeker verwezen heeft naar de commandant van de rijkswacht overeenkomstig de bepalingen van artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973). 1.
- Op 17 november 1994 stelt de commandant van het eskadron infanterie van de 2de Mobiele Groep een inleidend verslag op, dat luidt als volgt: “...
- De feiten a. Op 20 Aug 94 was U als dienstoverste belast met de dien(s)t Pat ABT van 1400 tot 2200 Hr. Om 16.30 Hr ging U over tot de kontrole van twee kleurlingen welke zich verplaatsen met een voertuig met Franse nummerplaat. Beide personen namen de vlucht en konden niet meer geïntercepteerd worden. IX-1518-3/44 b. Terug bij het voertuig gekomen werd de kontrole verder gezet en werd het voertuig nagezien. Uit de uitgevoerde kontrole bleek één van beiden geseind wegens autodiefstal en bleek ook het voertuig geseind als gestolen. Tevens werd vastgesteld dat in de koffer nieuwe en dure merkhandtassen lagen. Vervolgens vroeg U versterking van een ploeg van Bde ANTWERPEN zoals voorgeschreven voor verdere afwerking en onderzoek. Na mededeling van de vaststelling aan deze ploeg begaf U zich naar de brigade om Uw PV op te stellen. (Cfr. Uw verklaring dd 26 Sep) c. In de brigade hebt U zich, in samenspraak met de kollega’s van de ploeg van de brigade één van de handtassen toegeëigend om ze nadien aan Uw echtgenote te schenken, waardoor U zich schuldig maakte aan verduiste- ring. d. Tevens blijkt dat U zich in Uw aanvankelijk PV (Nr 102288/94) beperkt tot de kwalificatie autodiefstal en tot de twee seiningen zonder enige melding te maken van de aangetroffen handtassen waarvan de herkomst op zijn minst verdacht was en waarvoor de nodige ambtsverrichtingen dienden uitgevoerd. e. De feiten maken het voorwerp uit van PV Nr AN 25 36 107183/94 opgesteld door de Comd Bde ANTWERPEN en werden bij het Parket het notitienummer 41579/94 toegekend. De zaak werd geseponeerd op strafrechtelijk vlak doch in toepassing van Art 24/40 van de Wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht, verwezen naar de Commandant van de Rijkswacht. f. Deze feiten zijn onverenigbaar met de staat van rijkswachter en zijn volledig in tegenstrijd met de verwachte onkreukbaarheid en integriteit.” 1.
- Op 23 november 1994 zendt de commandant van de 2de Mobiele Groep het inleidend verslag aan verzoeker. Hierin verwijst hij naar de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen; hij geeft een uiteenzetting van de feiten en hij deelt mee om welke redenen verzoekers eenheidscommandant van oordeel is dat een ontslag van ambtswege aangewezen is. Hij meldt tevens dat verzoeker of zijn verdediger op het verhoor door de groepscommandant kan verschijnen op 9 december
- 1.
- Op 1 december 1994 dient verzoeker een verweerschrift in met betrekking tot het inleidend verslag van 23 november
- Op 6 december 1994 stelt verzoekers verdediger een uitgebreid aanvullend verweer op. Hij stelt, onder meer, dat verzoeker bekent een handtas onder morele druk van 1WM VAN DEN BERGH mee huiswaarts genomen te hebben en dat verzoeker met klem ontkent initieel de bedoeling te hebben gehad om een handtas te ontvreemden. Hij laat tevens gelden dat verzoeker van bij het begin zijn spijt heeft betuigd over de feiten en vraagt dat de korpscommandant een lichte straf zou uitspreken gezien het gering aandeel van verzoeker in deze zaak. IX-1518-4/44 1.
- Op 13 december 1994 reageert de commandant van de immobiele groep op het verweer. Hierin stelt hij, onder meer, dat hij akkoord gaat dat 1WM VAN DEN BERGH aanleiding heeft gegeven tot de verduistering van de handtas- sen, dat 1WM SCHOUTEDEN als eerste diende te reageren op de uitlatingen van 1WM VAN DEN BERGH, hetgeen niet is gebeurd, maar dat in ieder geval wegens de sfeer gecreëerd binnen de onderzoeksploeg, verzoeker heeft toegeslagen en een handtas heeft verduisterd. Hij besluit als volgt : “Nadat een sfeer van ongenaakbaarheid werd gecreëerd door 1WM VAN DEN BERGH, en het stilzwijgend akkoord van 1WM SCHOUTEDEN heeft WM VERBELEN een handtas van het merk DELVAUX verduisterd. Blijft echter het feit dat zijn ploegmaat en jongere collega de verduistering zag aankomen en zich heeft teruggetrokken met de woorden : ‘Daar doe ik niet aan mee’. Als verzachtende omstandigheden wordt in aanmerking genomen dat hij een blanco strafblad heeft evenals een blanco gerechtelijk verleden. Zijn evaluatie- formulier is in grote mate beïnvloed door huidig feit, maar tevens rekening houdend met zijn individueel inlichtingsboekje moet gesteld worden dat WM VERBELEN niet boven het gemiddelde uitstijgt. Bij diverse gelegenheden heeft betrokkene zijn spijt uitgedrukt over het voorval. De verduistering werd hem aangekaart door een Plg oudere collega’s. De sociale gevolgen voor zijn huisgezin en hemzelf zullen catastrofaal zijn gezien de precaire financiële toestand waarin hij zich nu reeds bevindt. Ondanks de verzachtende omstandigheden meen ik dat dergelijke flagrante schending van de waarden, onkreukbaarheid en integriteit, niet kan. Het ontslag van ambtswege lijkt mij de enige gepaste maatregel.” 1.
- Op 22 december 1994 beslist de minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel voor een periode van vier maanden op te leggen. 1.
- Op 16 maart 1995 vindt de hoorzitting bij de onderzoeksraad plaats. Verzoeker en zijn verdediger evenals de opgeroepen getuigen zijn aanwezig. De verklaringen van de verschillende getuigen worden als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal. Kapitein-commandant HEIRBAUT geeft volgend verslag van de ten laste gelegde feiten : “Op 20 Aug 94 rond 1630 Hr, voert de patrouilleploeg, bestaande uit WM VERBELEN en WM VAN DEN BORRE een identiteitskontrole uit bij 2 negers, in de A. Van Dycklei te ANTWERPREN. De kontrole gebeurde op het ogenblik dat zij aanstalte maakten om in te stappen in een personenwagen RENAULT 21 met Nrpl 8389XE
- Na afgifte van de idenditeitsbescheiden wordt de patrouille verschalkt en beide personen kunnen gaan lopen. Na een korte vruchteloze opsporing keert de ploeg terug naar het achtergelaten voertuig en geeft aan het Hoofd MP de gegevens van het voertuig door ter kontrole. Het voertuig bleek gestolen te zijn. IX-1518-5/44 Het hoofd MP stuurt een onderzoeksploeg, bestaande uit 1WM SCHOUTEDEN en 1WM VAN DEN BERGH. Dat de patrouilleploeg de zaak niet afwerkt is een voorschrift van het Dist ANTWERPEN. Het proces-verbaal Nr 102288 opgesteld door de ploeg patrouille is summier, maar voldoet aan de voorschriften, zodat voorbedachtheid in hoofde van WM VERBELEN, door het niet vermelden van de aangetroffen handtassen, niet kan weerhouden worden. De inhoud van de koffer werd door de onderzoeksploeg meegenomen naar de brigade. De patrouilleploeg had haar PV van eerste vaststellingen opgesteld en kwam deze overhandigen aan de onderzoeksploeg. In dat lokaal, bij de tafel waar de handtassen en andere gevonden kledij geëtaleerd waren ontspon (zich) een diskussie over het al dan niet meenemen van een handtas. Ik geloof WM VERBELEN dat de eerste insinuaties in die richting van 1WM VAN DEN BERGH kwamen. Gesteund door de houding van de dienstoverste 1WM SCHOUTEDEN (niet verbale afkeuring) heeft hij toegehapt en is met een handtas vertrokken. Van een morele druk is m.i. geen sprake. Het gesprek werd door 1WM VAN DEN BERGH in een richting gestuurd, waarmee hij niet ongelukkig was. Dit leid ik af uit de houding van zijn collega die zich bewust van het gevaarlijke spel dat werd gespeeld, (...) verwijderde met de woorden ‘hier doe ik niet aan mee’. WM VERBELEN heeft de feiten bekend.” 1.
- Verzoeker verklaart dat hij onder de term “collegiale druk”, gebruikt in zijn verweerschrift, de morele druk verstaat waarmee een collega hem verbaal tot handelingen drijft die hij in beginsel niet zou uitvoeren. Hij verklaart wel degelijk wroeging gehad te hebben doch wist niet hoe hij de situatie kon redden zonder andere collega’s in gevaar te brengen. Kapitein-commandant HEIRBAUT gaat akkoord met de verzachtende omstandigheden, aangehaald door de verdedi- ging, maar aanvaardt de collegiale druk niet. Hij is van oordeel dat verzoeker de waardigheid van zijn ambt op het vlak van de integriteit en de onkreukbaarheid in het gedrang heeft gebracht en dat het ontslag van ambtswege de enige gepaste tuchtstraf is. 1.
- Op 27 april 1995 wordt de hoorzitting van de onderzoeksraad voortgezet. Uit het proces-verbaal blijkt dat de voorzitter verzoeker uitnodigt zijn verweermiddelen naar voor te brengen. Het “pleidooi van de verdediging” van verzoeker wordt bij het proces-verbaal gevoegd. Het heeft, onder meer, betrekking op de loop van de procedure en op de grond van de zaak. Met betrekking tot de zwaarte van de straf vraagt verzoeker om, rekening houdend met zijn sociale toestand, de definitieve ambtsontheffing niet uit te spreken. Kapitein-commandant HEIRBAUT bevestigt dat hij op het ogenblik der feiten tweede commandant was IX-1518-6/44 van de 2de Mobiele Groep, maar dat de titularis in die periode veelvuldig afwezig was. Hij stelt dat hij op de dag en het uur vastgesteld voor het verhoor de functie van korpscommandant ad interim vervulde, omdat de titularis korpscommandant afwezig was. Bijgevolg is hij van oordeel dat hij het recht had de zaak als commandant ad interim te behandelen. Hij merkt tevens op dat hij op 27 april 1995 optreedt als officier-verslaggever, aangeduid door de huidige korpscommandant kolonel VAN GEET. Kapitein-commandant HEIRBAUT gaat akkoord met het bestaan van verzachtende omstandigheden, aangehaald door de verdediging, doch stelt dat het feit van de verduistering uit eigen beweging blijft en dat dit een ernstige schending van de waarden van de rijkswacht inhoudt. De enige mogelijke straf hiervoor blijft voor hem het ontslag van ambtswege. Verzoeker vraagt de onderzoeksraad rekening te houden met zijn privé-situatie en hem een nieuwe kans te geven. Uit het proces-verbaal van de beraadslaging van 27 april 1995 blijkt dat aan de leden van de onderzoeksraad vragen werden gesteld en het antwoord bij geheime stemming werd gegeven. De onderzoeksraad beslist als volgt : Vraag 1 : Zijn de feiten bewezen ? 5 JA 0 NEEN Vraag 2 : Kunnen de feiten ten laste gelegd worden aan WM VERBELEN ? 5 JA 0 NEEN Vraag 3 : Heeft WM VERBELEN afbreuk gedaan aan de waardigheid van het ambt en van zijn staat van personeelslid van de rijkswacht ? 5 JA 0 NEEN Vraag 4 : Is het tuchtvergrijp bijzonder ernstig? 5 JA 0 NEEN Vraag 5 : Moet het ontslag van ambtswege worden opgelegd ? 4 JA 1 NEEN De onderzoeksraad brengt op 27 april 1995 het volgende advies uit : “D. De voorgestelde straf Gelet op het voorstel van de Korpscommandant dat een ontslag van ambtswege moet opgelegd worden om de redenen uiteengezet in het procedure- dossier, alsook tijdens de hoorzittingen van 16 maart 1995 en van 27 april
- Gelet op de verweermiddelen van de verdediging. Wat de staat van dienen van WM VERBELEN betreft : WM VERBELEN heeft een blanco strafblad en een blanco gerechtelijk verleden. Zijn staat van dienen is goed.WM VERBELEN stijgt niet uit boven het gemiddelde. Wat de verhouding tussen de hiërarchie en betrokkene betreft : IX-1518-7/44 De Korpscommandant verwijst terzake naar zijn gemotiveerd voorstel tot tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij tuchtmaatregel Wat de strafmaat betreft : Overwegende dat WM VERBELEN als eerste een handtas weggenomen heeft; dat het zich toeëigenen van (een) in beslaggenomen voorwerpen fundamen- teel in strijd is met de vereiste integriteit; dat het feiten betreft die betrekking hebben op de uitvoering van de gerechtelijke dienst die een belangrijke plaats inneemt in onze democratische rechtsstaat; dat de concrete omstandigheden met betrekking tot de familiale en persoonlijke toestand van WM VERBELEN geen afbreuk doen aan de bijzondere ernst van de feiten en de verantwoordelijkheid van betrokkene (zie ook punt B van onderhavig advies). Rekening houdend met alle voorgaande beschouwingen (zie punten A en D van onderhavig advies), inzonderheid voor wat de ernst van het tuchtvergrijp betreft, oordeelt de Raad, bij stemming, dat een ontslag van ambtswege moet opgelegd worden”. 1.
- Op 12 juni 1995 zendt de voorzitter van de onderzoeksraad het advies van de raad aan de commandant van de rijkswacht en aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Met een nota van 22 juni 1995 zendt de hoofddirectie van het personeel van de generale staf het dossier betreffende het verschijnen van verzoeker voor de onderzoeksraad en het advies uitgebracht door deze onderzoeksraad aan de minister van Binnenlandse Zaken. Hij wijst erop dat het advies van de minister van Justitie dient te worden ingewonnen daar de feiten werden gepleegd door een agent van gerechtelijke politie en rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. 1.
- Met een brief van 21 augustus 1995 zendt de minister van Justitie zijn eensluidend advies met betrekking tot het voorstel tot ontslag van ambtswege van verzoeker aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 30 augustus 1995 zendt de minister van Binnenlandse Zaken de volgende nota aan de commandant van de rijkswacht : “ONDERWERP: Definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege Betreft: WM VERBELEN Gert (...) Ref : (...)
- Advies van de Heer Minister van Justitie van 21 Augustus 1995
- Ik heb kennis genomen van de feiten uiteengezet voor de onderzoeksraad en de tenlasteleggingen hiervan aan WM VERBELEN. Meer bepaald : Op 20 augustus 1994, omstreeks 1630 uur, gaat een ABT-patrouille van de 2de Mobiele Groep, onder leiding van WM VERBELEN, te ANT- IX-1518-8/44 WERPEN over tot de identiteitscontrole van twee Zaïrezen die willen plaatsnemen in een voertuig, waarvan later bleek dat het gestolen was. De gecontroleerde personen konden ontsnappen. Een ploeg Mobiele Permanentie van het District ANTWERPEN, bestaande uit twee personeelsleden, krijgt omstreeks 17.00 uur de opdracht het onderzoek ter plaatse over te nemen. Bij het onderzoek van het voertuig worden ondermeer vier, vermoedelijk gestolen, handtassen met een waarde van elk ongeveer 20000 Fr, gevonden. De gestolen voorwerpen worden door de ploeg overgebracht naar een lokaal van de brigade ANTWERPEN. Tijdens de administratieve afhandeling van het onderzoek in dit lokaal kwamen de leden van de ABT-patrouille het lokaal binnen. Vervolgens grijpen de volgende feiten plaats : Tussen de leden van de ploeg Mobiele Permanentie en WM VERBELEN wordt een gesprek gevoerd over de waarde van de handtassen en over het feit dat het verdwijnen van één of meerdere handtassen toch niet zou uitkomen. Zijn collega van de ABT-ploeg neemt duidelijk afstand van de gesprekken en verwijdert zich. WM VERBELEN neemt als eerste een handtas weg, plaatst ze in zijn persoonlijke tas en verlaat het lokaal.
- Tevens heb ik kennis genomen van het advies van de onderzoeksraad omtrent de omschrijving van de feiten, meer bepaald dat het hier in hoofde van WM VERBELEN een afbreuk betreft aan de waardigheid van het ambt en van zijn staat van personeelslid van de rijkswacht en dat het tuchtvergrijp bijzonder ernstig is.
- Bijgevolg, wegens de redenen vermeld in het advies van de onderzoeks- raad, leg ik WM VERBELEN de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege op”. Deze beslissing vormt het eerste voorwerp van het onderhavig beroep. 1.
- Met een nota van 8 september 1995 meldt een officier van de hoofddirectie van het personeel aan de commandant van het district Antwerpen dat de minister van Binnenlandse Zaken met zijn beslissing van 30 augustus 1995 ten aanzien van verzoeker de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege heeft uitgesproken, dat de definitieve ambtsontheffing uitwerking zal hebben op 1 oktober 1995 en dat op dezelfde datum verzoeker zijn graad zal worden ontnomen, met toepassing van de bepalingen van artikel 20 van de wet van 27 december 1973, en met definitief verlof worden geplaatst. Met toepassing van de bepalingen van artikel 29 van de wet van 27 december 1973, wordt de periode van 27 december 1994 tot en met 30 september 1995, tijdens dewelke verzoeker bij ordemaatregel was geschorst, van rechtswege omgezet in een periode van non- activiteit bij tuchtmaatregel. Deze beslissing vormt het tweede voorwerp van het onderhavig beroep. IX-1518-9/44
- Overwegende wat de ontvankelijkheid betreft dat de verwerende partij terecht aanvoert dat het annulatieberoep niet uitgebreid kan worden tot de ministeriële beslissing van 22 december 1994 houdende een tijdelijke ambtsonthef- fing door schorsing bij ordemaatregel voor een periode van vier maanden en de ministeriële beslissingen die deze preventieve schorsingen hebben verlengd; dat die beslissingen immers met het bestreden tuchtstrafbesluit geen complexe verrichting vormen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), van artikel 24/21, § 2, van de wet van 27 december 1973, van de motive- ringsplicht en van de zorgvuldigheidsplicht, “Doordat in het aangevochten besluit van 30 augustus 1995 verwezen wordt naar het advies van de Minister van Justitie van 21 augustus 1995, zonder de inhoud van dit advies mede te delen en/of zonder dit advies zelf samen met het aangevochten besluit te betekenen. En doordat het aangevochten besluit van 30 augustus 1995 voorhoudt steun te vinden in het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 en in het advies van de Minister van Justitie van 21 augustus 1995 zonder dat de verwerende partij hiervan daadwerkelijk kennis heeft genomen en zonder dit advies aldus te hebben betrokken als beoordelingselement in het beslissingspro- ces. Terwijl bestuurshandelingen uitdrukkelijk en afdoende dienen gemotiveerd te zijn. En terwijl de motiveringsplicht oplegt dat de motieven van een beslissing en dus de inhoud van het advies (van de Minister van Justitie) worden opgenomen in het instrumentum zelf, minstens dat dit advies zelf tegelijkertijd met de beslissing wordt betekend. En terwijl de zorgvuldigheidsplicht oplegt dat daadwerkelijk kennis wordt genomen van verplichte adviezen en dat zulke adviezen daadwerkelijk bij de beoordeling worden betrokken. Zodat door het treffen van de aangevochten beslissing, de verwerende partij de in het middel aangehaalde wettelijke bepaling heeft geschonden, tekort is geschoten in haar motiveringsplicht en onzorgvuldig heeft gehandeld. Toelichting bij het eerste middel In de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 verwijst de verwerende partij naar het - verplicht - advies van de Minister van Justitie van 21 augustus 1995; op grond van artikel 24/21,§2 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de Rijkswacht diende de verwerende partij haar voorstel van straf voor advies voor te leggen aan de Minister van Justitie. Noch de inhoud, noch het advies zelf werden ooit aan verzoekende partij ter kennis gebracht. Aldus is de wet van 29 juli 1991 en de motiveringsplicht geschonden. Wat dat betreft is het middel reeds gegrond. IX-1518-10/44 Bovendien is de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 letterlijk en figuurlijk ‘voor-gemaakt’ door de Rijkswacht zelf en blijkbaar voor loutere ondertekening voorgelegd aan de verwerende partij; het volstaat terzake het lettertype en de typwijze van de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 van de Minister van Binnenlandse Zaken te vergelijken met het identieke lettertype en de identieke typwijze van de kennisgevingsbrief van 8 september 1995 van de Rijkswacht. Uit niets blijkt, en alleszins niet uit de aangevochten beslissing, dat de verwerende partij het advies van de Minister van Justitie heeft gevraagd, daadwerkelijk heeft verkregen en daarmee aldus daadwerkelijk heeft rekening gehouden als beoordelingselement in het beslissingsproces. Uit niets blijkt evenzeer, tenzij uit de loutere affirmatie in de aangevochten beslissing, nl. ’(...) tevens heb ik kennis genomen van het advies van de Onderzoeksraad (...)’, dat de Rijkswacht het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 ook daadwerkelijk heeft overgemaakt aan de verwerende partij, dat de verwerende partij dit advies ook daadwerkelijk heeft ontvangen en daarmede daadwerkelijk rekening heeft gehouden als beoordelingselement in het beslissingsproces. Het gebrek aan de neerlegging in het administratief dossier van het bewijs van de overmaking door de verwerende partij van het voorstel van straf voor advies van de Minister van Justitie en/of van het bewijs van ontvangst door de verwerende partij van het advies van de Onderzoeksraad én van het advies van de Minister van Justitie of van hun respektievelijk kennisgevingsbericht zal het gebrek aan zorgvuldigheid en de schending van de wet van 27 december 1973 aantonen. Wat dat betreft is het middel eveneens gegrond”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker geen belang heeft bij dit middel, aangezien het doel van de formele motiverings- plicht erin bestaat de betrokkene toe te laten kennis te nemen van de redenen van een ongunstige beslissing, terwijl uit de middelen en uit de stukken van het dossier blijkt dat hij de wettigheid van de motieven van de bestreden beslissing bestrijdt; dat volgens haar het advies van de minister van Justitie wel degelijk werd ingewonnen en het verzoeker geenszins in zijn belangen schaadt, aangezien het een eensluidend advies betreft, zonder enige verduidelijking die als motief van de bestreden beslissing zou kunnen dienen; dat wanneer een advies niet bij een beslissing gevoegd wordt, de motivering slechts dan niet afdoende is, wanneer zij enkel bestaat uit de verwijzing naar dat advies, terwijl te dezen de bestreden beslissing steunt op meerdere motieven, waarvan slechts één bestreden wordt; dat het gebrek aan vermelding van het akkoord van de minister in de aanhef of in de motieven van de beslissing geenszins de wet van 29 juli 1991 schendt, aangezien dit akkoord een voorafgaande formaliteit is en geen motief; dat volgens haar de zorgvuldigheidsplicht geenszins geschonden is, aangezien geen enkele bepaling, algemeen rechtsbeginsel of beginsel van behoorlijk bestuur een verplichting tot betekening van het advies oplegt; dat het voorgaande evengoed geldt voor het advies van de onderzoeksraad van 27 april 1995, waarvan verzoeker uitdrukkelijk IX-1518-11/44 gesteld heeft kennis te hebben genomen en wat ook blijkt uit de stukken gevoegd bij het verzoekschrift; dat uit het administratief dossier blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken dit advies ondertekend en in zijn onderzoek betrokken heeft, zodat de zorgvuldigheidsplicht bezwaarlijk geschonden kan zijn; dat zij ook verwijst naar overweging 3.
- van het arrest nr. 59.052 van 15 april 1996 over de vordering tot schorsing; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij niet betwist dat hij geen kennis heeft genomen van het advies van de minister van Justitie en dat dit advies niet samen met de bestreden beslissing aan hem betekend werd; dat hij betoogt dat dit advies hem wel degelijk betekend moest worden; dat de loutere vaststelling van deze schending volstaat om het bestreden tuchtstrafbesluit te vernietigen, zonder dat enige belangenschade moet worden bewezen; dat hij nog herhaalt dat het administratief dossier enkel het eensluidend advies van de minister van Justitie bevat, maar dat nergens blijkt dat het dossier voor advies aan de minister zou zijn toegezonden en evenmin dat de verwerende partij het advies heeft opgevraagd; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog in herinnering brengt dat de eventuele motieven, vermeld in het advies van de minister van Justitie, niet bij de bestreden beslissing werden gevoegd, dat hij door het louter toevoegen van het woord “eensluidend” in de bestreden beslissing, had kunnen oordelen dat het advies, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, geen bijkomende motieven bevatte; dat hij herhaalt dat hij geen enkele kennis had van het bestaan, noch van de inhoud van de motieven van het advies; dat hij ook nog betoogt dat het feit, dat niet-bindende adviezen niet onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 vallen, van geen belang is, aangezien hij vooralsnog niet de motivering van het advies van de minister van Justitie betwist, maar wel het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken, waarvan de motieven kenbaar moeten zijn; 3.5.
- Overwegende dat het doel van de motiveringsplicht erin bestaat dat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing, door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn; dat uit het dossier op voldoende wijze blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent; dat hij immers een afschrift van de beslissing van 30 augustus 1995, met de erin vermelde IX-1518-12/44 motieven, bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd; dat hij er dan ook geen belang bij heeft tegen de ministeriële beslissing van 30 augustus 1995 de schending van de formele motiveringsverplichting aan te voeren, aangezien hij de motieven ervan kent en er zich in rechte kan tegen verweren; Overwegende dat het gegeven dat de bestreden beslissing “voor- gemaakt” is door de rijkswacht zelf en voor loutere ondertekening voorgelegd is aan de minister van Binnenlandse Zaken, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat het om een onrechtmatige beslissing gaat; Overwegende dat uit het voorgelegde dossier onmiskenbaar blijkt dat het advies van de onderzoeksraad van 27 april 1995 door de voorzitter van de onderzoeksraad werd overgemaakt aan de minister van Binnenlandse Zaken met een brief van 12 juni 1995; dat de minister van Binnenlandse Zaken effectief kennis heeft genomen van dit advies van de onderzoeksraad hetgeen blijkt uit zijn uitdrukkelijke verklaring in de bestreden beslissing en uit het feit dat de minister een exemplaar ervan voor “gezien” heeft ondertekend; dat verzoeker niet aantoont dat de minister met dit advies geen rekening heeft gehouden; dat de minister de redenen vermeld in het advies van de onderzoeksraad in de bestreden ontslagbeslissing bijtreedt, hetgeen aantoont dat hij er daadwerkelijk rekening heeft mee gehouden; 3.5.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel eveneens de schending aanvoert van artikel 24/21, § 2, van de wet van 27 december 1973; dat hij in zijn toelichting verwijst naar het “verplicht” advies van de minister van Justitie; dat in voormeld artikel 24/21 van de wet van 27 december 1973 niet gehandeld wordt over een dergelijk advies; dat dit artikel overigens geen § 2 bevat; dat daarentegen artikel 24/24, § 2, van de wet van 27 december 1973 luidt als volgt: “De in artikel 24/13, § 1, 4/ tot 7/, bedoelde tuchtstraffen, worden pas uitgesproken wanneer het eensluidend advies of het advies van de Minister van Justitie is ingewonnen, indien de feiten die er ten grondslag aan liggen, respectievelijk door een officier van gerechtelijke politie of door een agent van gerechtelijke politie zijn gepleegd en rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie of van een andere opdracht waarvoor de rijkswacht onder het gezag staat van de Minister van Justitie. Het advies van de Minister van Justitie wordt verleend binnen een termijn van twintig werkdagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf hem wordt gedaan. Als deze termijn eenmaal verstreken is, wordt het advies geacht eensluidend te zijn of te zijn gegeven.”; dat de in artikel 24/13, § 1, 7/, van de wet van 27 december 1973 bedoelde tuchtstraf het ontslag van ambtswege is; dat krachtens voornoemd artikel 24/24, § IX-1518-13/44 2, het advies van de minister van Justitie geacht wordt eensluidend of gegeven te zijn; dat het “onontbeerlijk” karakter van dit advies in die zin reeds geheel ontkracht worden door de zienswijze van de wetgever; dat, waar de rechtspraak van de Raad van State ertoe strekt dat met de kennisgeving van de inhoud van een advies, de betrokkene zich inhoudelijk beter kan verdedigen, in dit geval vastgesteld moet worden dat de kennisgeving waar verzoeker op aandringt, hem geenszins een beter inzicht zou verschaft hebben omtrent de motieven van de bestreden beslissing; dat het louter toevoegen van het woord “eensluidend” hem er niet toe zou aangezet hebben de motieven van de bestreden beslissing beter te kunnen beoordelen; dat bijgevolg de formele motiveringsplicht niet geschonden werd; Overwegende dat de verwerende partij wel degelijk kennis had van het advies van de minister van Justitie, gezien de bestreden beslissing het vermeldt onder referte; dat dit advies geen aparte motivering vereiste, gezien niet- bindende adviezen, die geen definitief schadelijke gevolgen hebben, niet onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 vallen; dat het “eensluidend” karakter van het advies betekent dat de minister van Justitie zich geheel aansluit bij de beoordeling die de minister van Binnenlandse Zaken heeft gemaakt, hetgeen geen verdere uiteenzetting noodzaakt; 3.5.
- Overwegende dat geen enkele van de in het middel aangevoerde rechtsregels geschonden is; dat het middel derhalve niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het E.V.R.M.), van artikel 458 van het Strafwetboek, van artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973, van artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken (hierna: het koninklijk besluit van 28 december 1950), van het recht op een eerlijk proces, van het recht op fair-play en van de rechten van de verdediging, alsook machtsoverschrijding, “Doordat de Procureur des Konings de zaak voor ‘(...) mogelijke korpstucht (...)’ heeft doorverzonden aan de Kommandant van het Distrikt Antwerpen. En doordat de verwerende partij het tuchtonderzoek lastens verzoekende partij heeft geopend en/of gevoerd op grond van een voorgehouden verwijzing van de zaak door de Prokureur des Konings naar de Kommandant van de Rijkswacht en op grond van het door de Prokureur des Konings overgemaakt strafdossier van verzoekende partij én op grond van de door de Prokureur des Konings overgemaakte strafdossiers van twee andere personen. IX-1518-14/44 En doordat de verwerende partij bij het treffen van de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995, waarin zij het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 integraal tot het hare maakt, op determinerende wijze ‘(...) in het bijzonder (...)’ rekening houdt met voornoemde strafrechtelijke dossiers en met het strafrechtelijk dossier van verzoekende partij in het bijzonder. Terwijl de verwerende partij zich enkel rechtsgeldig op een doorverwijzing van de Prokureur des Konings kan beroepen wanneer zulks is geschied aan de Kommandant van de Rijkswacht en niet aan de Kommandant van het Distrikt (Antwerpen). En terwijl, behoudens miskenning van het beroepsgeheim, de Prokureur des Konings enkel gerechtigd is op eigen initiatief een betrokkene voor eventuele korpstucht door te verwijzen, maar niet het strafdossier van de betrokkene zelf en/of het strafdossier van anderen. En terwijl de verwerende partij slechts inzage en afschrift van het strafdossier van verzoekende partij en/of van het strafdossier van anderen kan verkrijgen mits de uitdrukkelijke machtiging van de Prokureur Generaal bij het Hof van beroep en dat de verwerende partij bij gebreke hieraan zich ervan dient te onthouden er gebruik van te maken op straffe van flagrante schending van de rechten van de verdediging. En terwijl éénieder recht heeft op de eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling en er geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan m.b.t. de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een demokratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het ekonomisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. En terwijl éénieder recht heeft op een eerlijk proces en op de vereiste fair- play inzake bewijsvoering. Zodat door het treffen van de aangevochten beslissing, de verwerende partij de in het middel aangehaalde Europees verdragsrechtelijke, wettelijke en reglementaire bepalingen heeft geschonden, de verzoekende partij een eerlijke en op fair-play gebaseerde procedure heeft ontzegd, de rechten van de verdediging heeft miskend en machtsoverschrijding heeft gepleegd. Toelichting bij het tweede middel M.b.t. de aangeklaagde feiten liep lastens verzoekende partij een strafrechte- lijk onderzoek en dit zowel voor verduistering (beweerde wegname van één in beslaggenomen handtas) als voor schriftvervalsing (beweerde vervalsing van een proces-verbaal). Onmiddellijk dient te worden opgemerkt, hetwelk door de verwerende partij trouwens niet wordt ontkend, dat schriftvervalsing niet ten laste van verzoeken- de partij kan worden gelegd. Verder dient opgemerkt dat de weggenomen handtas uiteindelijk werd terugbezorgd. Op 17 oktober 1994 besliste het ambt van de Prokureur des Konings het strafrechtelijk onderzoek te seponeren lastens verzoekende partij. Hij deelde deze beslissing mede niet aan de Kommandant van de Rijks- wacht maar aan de Kommandant van het Distrikt Antwerpen, samen met een afschrift van het strafdossier. Luidens artikel 24/40 van de wet van 27 decemer 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de Rijkswacht is het nochtans zo dat ‘(...) iedere strafrechtsmacht die belast wordt met de vervolging van een misdrijf dat weinig ernstig schijnt te zijn, mag het personeelslid- verdachte naar de kommandant van de Rijkswacht verwijzen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. IX-1518-15/44 Dezelfde bevoegdheid wordt verleend aan het Openbaar Ministerie, alsmede aan de Raadkamer en aan de Kamer van inbeschuldigingstelling (...)’ De gehele tuchtprocedure lastens verzoekende partij, met inbegrip van de drie Ministeriële beslissingen waarbij de tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel werd opgelegd en met inbegrip van de aangevoch- ten Ministeriële beslissing van 30 augustus 1995, werd in casu aangevat en doorgevoerd met verwijzing naar de toepassing van voornoemd artikel 24/40 van de wet van 27 december
- In de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995, d.w.z. in het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 dat de verwerende partij tot het hare heeft gemaakt, wordt uiteindelijk toegegeven dat voornoemde wettelijke bepaling niet kon worden toegepast en dat er verkeerdelijk naar werd verwezen. Op te merken valt dat ondanks deze toegeving in het voorstel van Kol. Comd. VAN GEET van 26 juli 1995 (!) - en dus nadat het advies van de Onderzoeks- raad van 27 april 1995 al gekend was - aan de verwerende partij om de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoekende partij te verlengen nog steeds beroep wordt gedaan op voornoemd artikel 24/40 van voormelde wet. Wat de schending of de verkeerde toepassing van de betrokken wetsbepa- ling betreft is het middel reeds gegrond. Maar er is meer, want niet alleen vermocht de verwerende partij het inderdaad niet zich te beroepen op de doorverwijzing door de Prokureur des Konings, bovendien kon de verwerende partij niet - vermits de uitdrukkelijke toestemming van de Prokureur Generaal van het Hof van beroep in casu ontbrak - inzage en kennis nemen van de betrokken strafdossiers, laat staan er gebruik van maken. De verwerende partij ontkent trouwens niet dat deze uitdrukkelijke toestemming ontbreekt, maar vergenoegt er zich mee in het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 aan te halen dat ‘(...) de Prokureur des Konings bij de mededeling van het strafdossier heeft gehandeld in uitvoering van de delegatie van bevoegdheid vanwege de Prokureur Generaal (...)’. Luidens het voorschrift van artikel 125 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken is het nochtans zo dat geen uitgifte of afschrift van de akten van onderzoek en rechtspleging mag worden afgeleverd tenzij na uitdrukkelijke machtiging van de Prokureur Generaal bij het Hof van beroep of van de Auditeur Generaal. Ook al om die reden is het middel gegrond. Bovendien is het zo dat krachtens vaststaande rechtspraak, zoals bevestigd door het Hof van Cassatie, de met miskenning van voornoemde reglementaire bepaling verkregen inlichting onwettig is, aldus een schending van de rechten van de verdediging alsmede van het E.V.R.M. uitmaakt, en dat de sankties die op grond van die onwettig verkregen inlichting zijn genomen, nietig zijn (cfr. Cass., 21 oktober 1991, Pas., 1992, I, 138). Op te merken valt dat in casu voor de lastens verzoekende partij getroffen tuchtsanktie luidens de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 zelf, waarin de verwerende partij het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 tot het hare maakte, ‘(...) in het bijzonder rekening gehouden dient te worden met de eerste verklaringen van 1 WM VAN DEN BERGH en 1 WM SCHOUTEDEN (bijlagen 1 en 2 bij het proces-verbaal nummer 107183/94 van 20 september 1994) en de twee eerste verklaringen van WM VERBELEN (bijlagen 3 en 5 van het proces-verbaal nummer 107183/94 van 20 september 1994 (...)’. Aldus verantwoordt de verwerende partij ten onrechte de getroffen - zwaarste - tuchtsanktie op basis van bepaalde stukken uit het strafdossier, waarover de verwerende partij niet reeds beschikte en die dus niet naderhand IX-1518-16/44 tot het strafdossier zijn gaan behoren en waarover de verwerende partij niet rechtmatig kon beschikken. Eens te meer is het middel op grond van het voorgaande gegrond”; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat noch de aangevoerde bepalingen, noch verzoekers rechten van verdediging geschonden werden; dat zij betoogt dat het door de procureur des Konings overgezonden document nergens artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973 vermeldt, zodat volgens haar de overzending niet noodzakelijk aan de commandant van de rijkswacht diende te gebeuren, te meer gezien artikel 24/27, § 4, van de wet van 27 december 1973 voorziet in de mogelijkheid tot rechtstreekse communicatie tussen de eenheidscommandant -te dezen de commandant van het rijkswachtdistrict Antwerpen- en de territoriaal bevoegde procureur des Konings en dat wanneer het door de procureur des Konings aan de eenheidscommandant gerichte document overgezonden werd aan de hoofddirectie van het personeel, om vervolgens, met de vermelding van voornoemd artikel 24/40, door de commandant van de rijkswacht teruggezonden te worden aan de eenheidscommandant, dit op rechtmatige wijze gebeurt, gezien de wettelijke tuchtrechtelijke bevoegdheden van de eenheids- en korpscommandant; dat, wat de vermeende onbevoegdheid van de procureur des Konings tot overzending van het strafdossier betreft, de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen uitdrukkelijk gesteld heeft: “De procureurs des Konings van het ressort zijn in principe gemachtigd in tuchtaangelegenheden afschriften van stukken uit gerechtelijke dossiers aan rijkswachtoverheden over te maken. De normale weg hiertoe gaat, volgens de huidige onderrichtingen, via mijn ambt, dit echter om redenen vreemd aan de toepassing van artikel125 Tarief in Strafzaken. Indien deze weg occasioneel niet gevolgd zou zijn, betekent dit bijgevolg niet dat de stukken zelf in hun geldigheid zouden aangetast zijn”; dat zij erop wijst dat deze zienswijze door de Raad van State in meer algemene bewoor- dingen herhaald werd en dat bovendien verzoeker niet het vereiste bewijs van belangenschade levert; dat zij ook nog stelt dat het beroepsgeheim geenszins geschonden werd, aangezien verzoeker niet aantoont dat hij daarover een klacht neergelegd heeft; dat zij ook nog verwijst naar overweging 3.
- van het arrest over de vordering tot schorsing; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij geenszins ontkent dat de bestreden beslissing uitsluitend steunt op verklaringen uit het gerechtelijk dossier, zowel wat het bewijs van de feiten betreft, als wat de verzwarende omstandigheid van het als eerste IX-1518-17/44 wegnemen van een handtas betreft en dat die verklaringen uit het gerechtelijk dossier gehaald werden zonder de uitdrukkelijke toestemming van de procureur- generaal; dat de bestreden beslissing het advies van de onderzoeksraad bijtreedt, waar deze stelt dat de procureur des Konings bij de overzending van het strafdossier gehandeld heeft in uitvoering van de bevoegdheidsdelegatie door de procureur- generaal; dat de brief van 28 november 1994 van de advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen aan de commandant van de rijkswacht die delegatie niet bevat, gezien er uitdrukkelijk in gesteld wordt dat het overzenden aan de rijkswacht van afschriften van stukken uit gerechtelijke dossiers in tuchtzaken via het ambt van de procureur-generaal dient te geschieden; dat, zelfs wanneer die brief toch als een bevoegdheidsdelegatie zou worden gezien, het koninklijk besluit van 28 december 1950 zulke delegatie in elk geval uitsluit; dat hij voorts betoogt dat het administra- tief dossier geen enkel stuk bevat waaruit blijkt dat de tuchtoverheid een afschrift heeft gevraagd van de gewenste stukken; dat hij ook nog stelt dat de verwerende partij niet ontkent dat de toestemming van de procureur-generaal een procedurever- eiste van openbare orde is en dat de bestreden beslissing uitsluitend steunt op de strafdossiers van hemzelf en de medebeschuldigden, wat volgens hem blijkt uit het advies van de onderzoeksraad en bijgetreden is door de bestreden beslissing, welke stelt dat in het bijzonder rekening gehouden dient te worden met de eerste verklaringen van 1 WM VAN DEN BERGH en 1 WM SCHOUTEDEN en de twee eerste verklaringen van WM VERBELEN; dat hij betoogt dat overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie de aldus verkregen verklaringen onwettig zijn, de rechten van verdediging en het E.V.R.M. schenden en leiden tot nietigheidssanc- ties; dat hij, wat de toepassing van het E.V.R.M. betreft, verwijst naar zijn derde en vijfde middel; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie herhaalt dat artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 duidelijk is en dat het auditoraatsverslag die duidelijke bepaling miskent; 4.5.
- Overwegende dat artikel 6.
- van het E.V.R.M. luidt : “Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. ... ”; dat artikel 6.
- van het E.V.R.M. niet van toepassing is op tuchtstrafbeslissingen tegen ambtenaren; dat in ieder geval aan de voorschriften ervan voldaan is doordat IX-1518-18/44 de betrokkene de mogelijkheid heeft bij de Raad van State een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een annulatieberoep in te dienen tegen beslissingen die hem benadelen; 4.5.
- Overwegende dat artikel 8.
- van het E.V.R.M. bepaalt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling; dat verzoeker niet aantoont, hoe voormelde rechten bij het nemen van de bestreden ontslagbeslissing zijn geschonden; 4.5.
- Overwegende dat artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt dat geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken gestraft worden met een gevangenis- straf en met een geldboete; dat verzoeker niet aantoont dat er klacht werd neergelegd wegens schending van het beroepsgeheim; 4.5.4.
- Overwegende dat artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973, ingevoegd door artikel 5 van de wet van 24 juli 1992, luidt : “Iedere strafrechtsmacht die belast wordt met de vervolging van een misdrijf dat weinig ernstig schijnt te zijn, mag het personeelslid - verdachte naar de commandant van de rijkswacht verwijzen om tuchtrechtelijk te worden gestraft. Dezelfde bevoegdheid wordt verleend aan het openbaar ministerie, alsmede aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling”; 4.5.4.
- Overwegende dat de procureur des Konings te Antwerpen op 19 oktober 1994 een afschrift van het strafrechtelijk dossier aan de commandant van het district Antwerpen gezonden heeft “voor mogelijke korpstucht” met de mededeling dat zijn ambt de klacht op strafrechtelijk vlak seponeert; dat in het document waarmee de procureur des Konings een afschrift van het strafdossier doorzendt niet uitdrukkelijk verwezen wordt naar artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973; dat, louter formeel gezien, de procureur des Konings te Antwerpen een afschrift van het strafdossier toegezonden heeft aan “de comman- dant van het rijkswachtdistrict” te Antwerpen en verzoeker niet verwezen heeft naar “de commandant van de rijkswacht”; dat met een nota van 25 oktober 1994 de commandant van het district Antwerpen een proces-verbaal voor verduistering en valsheid in geschriften ten laste van, onder meer, verzoeker aan de commandant van IX-1518-19/44 de rijkswacht, hoofddirectie van het personeel zendt; dat hij hierbij niet verwijst naar voormeld artikel 24/40; dat met een nota van 4 november 1994 de commandant van de rijkswacht aan de commandant van het eskadron infanterie van de 2de Mobiele Groep meldt dat de procureur des Konings te Antwerpen de zaak in hoofde van verzoeker verwezen heeft naar de commandant van de rijkswacht, overeenkom- stig de bepalingen van artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973; dat ook in het inleidend verslag van 17 november 1994 van de commandant van het eskadron infanterie van de 2de Mobiele Groep, in het inleidend verslag van 23 november 1994 van de commandant a.i. van de 2de Mobiele Groep en in het proces-verbaal van verhoor van 12 december 1994 gesteld wordt, duidelijk ten onrechte, dat de zaak verwezen werd naar de commandant van het rijkswachtkorps in toepassing van artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973; dat de onderzoeksraad derhalve in zijn advies van 27 april 1995 stelt dat “uit het proceduredossier blijkt dat de procureur des Konings de zaak zonder gevolg heeft gerangschikt en heeft doorgezonden naar de commandant van het district Antwerpen, en dus niet aan de commandant van de rijkswacht” en “dat er bijgevolg geen toepassing gemaakt wordt van artikel 24/40 van de wet van 27 december 1979 (lees : 1973), zoals verkeerde- lijk aangeduid in de nota Nr DPB/AL/775 van 4 november 1994” dat in de beslissing van 30 augustus 1995 nergens verwezen wordt naar de toepassing van artikel 24/40 van de wet van 27 december 1973; dat niet blijkt dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing op een doorverwijzing door de procureur des Konings zou beroepen; dat niet valt in te zien hoe artikel 24/40 zou zijn geschon- den; Overwegende dat bovendien moet worden vastgesteld dat het strafdossier, nadat het door de procureur des Konings werd geseponeerd en aan de commandant van het district Antwerpen werd toegezonden, door deze laatste op 25 oktober 1994 rechtstreeks aan de commandant van de rijkswacht werd toegezonden; dat de commandant van de rijkswacht het dossier voor “verwijzing naar de tucht van het korps” doorgezonden heeft aan de commandant van het eskadron infanterie van de 2de Mobiele Groep, zijnde de eenheidscommandant van verzoeker; dat het dossier aldus door de procureur des Konings aan de commandant van de rijkswacht werd gezonden, weliswaar niet rechtstreeks, doch via de commandant van het district Antwerpen; dat verzoeker niet aantoont dat deze wijze van overmaking van het dossier hem op enigerlei wijze zou hebben benadeeld; dat, zelfs in de veronderstelling dat artikel 24/40 door de bestreden beslissing of door de eraan voorafgaande procedure werd geschonden, verzoeker niet aannemelijk IX-1518-20/44 maakt dat zijn belangen hierdoor werden geschaad en op welke wijze zij werden geschonden; 4.5.4.
- Overwegende dat verzoeker in de toelichting bij zijn middel verwijst naar de ministeriële beslissingen waarbij de tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel werd opgelegd, die onwettig zouden zijn omdat zij verwijzen naar de toepassing van voornoemd artikel 24/40; dat de eventuele onwettigheid van de beslissingen van 22 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus 1995 momenteel evenwel niet meer kan aangevoerd worden, aangezien tegen deze beslissingen binnen de wettelijke beroepstermijn van zestig dagen geen ontvankelijk annulatieberoep werd ingediend; 4.5.
- Overwegende dat artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken luidt : “In criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken mag geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het Hof van beroep of de auditeur-generaal. Op haar verzoek echter wordt aan partijen een uitgifte van de klacht, de aangifte, de bevelschriften en de vonnissen verstrekt. (...)”; Overwegende dat in de brief van 28 november 1994, ondertekend door advocaat-generaal SIX, voor de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, gesteld wordt “dat de Procureurs des Konings van mijn ressort in principe gemachtigd zijn in tuchtaangelegenheden afschriften van stukken uit gerechtelijke dossiers aan de rijkswachtoverheden over te maken. De normale weg hiertoe, gaat volgens de huidige onderrichtingen, via mijn ambt, dit echter om redenen vreemd aan de toepassing van artikel 125 Tarief in Strafzaken. Indien deze weg occasioneel niet gevolgd zou zijn, betekent dit bijgevolg niet dat de stukken zelf in hun geldigheid zouden aangetast zijn”; dat krachtens artikel 144 van het Gerechtelijk Wetboek de procureur-generaal bijgestaan wordt door de advocaten- generaal en substituut-procureurs-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen; dat bijgevolg een advocaat-generaal niet anders zal optreden en handelen dan zijn procureur-generaal, gezien de leden van het openbaar ministerie immers een hiërarchisch gestructureerd korps vormen; dat verzoekers interpretatie van voornoemd artikel 125 dus afbreuk zou doen aan de eenheid van het openbaar ministerie, zoals die afgeleid moet worden uit de bepalingen van het Gerechtelijk IX-1518-21/44 Wetboek; dat de verwijzing naar het arrest Piraux, nr. 22.450 van 14 juli 1982, niet opgaat, aangezien het in dat concrete geval de mededeling van stukken tijdens het strafrechtelijk onderzoek betrof en niet, zoals in de onderhavige zaak, na de beëindiging van de strafprocedure; dat er bijgevolg een uitdrukkelijke, zij het algemene, machtiging is van de procureur-generaal volgens dewelke de bevoegde procureur des Konings in tuchtaangelegenheden afschriften van strafdossiers aan rijkswachtoverheden kan toezenden; dat er niet wordt ingezien waarom dergelijke algemene machtiging niet als rechtsgeldig kan worden beschouwd; 4.5.
- Overwegende, wat de schending van het fair-play-beginsel betreft, dat verzoeker niet aantoont en dat uit de stukken van het dossier ook niet blijkt dat de overheid te dezen met enige kwade trouw zou hebben gehandeld; 4.5.
- Overwegende dat uit het aangevoerde middel niet blijkt dat de rechten van verdediging werden geschonden en op welke wijze zij werden geschonden, noch dat er sprake is van “onwettige verklaringen”; 4.
- Overwegende dat geen enkele van de in het middel aangevoerde rechtsregels geschonden is; dat het middel derhalve niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M., van de artikelen 24/27, 24/28, 24/30, § 1, 24/30, § 3, 24/32 en 24/34 van de wet van 27 december 1973, van het recht op een eerlijk proces en van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter, alsook machtsoverschrijding; dat hij het middel als volgt adstrueert: “Doordat Kapitein-Kommandant HEIRBAUT het inleidend verslag heeft opgesteld en het verhoor heeft afgenomen als éénheidskommandant in de zin van de artikelen 24/27 en 24/28 van de wet van 27 december 1973 en Kapitein- Kommandant HEIRBAUT zichzelf als korpskommandant heeft geadiëerd in de zin van artikel 24/30,§1 en Kapitein-Kommandant HEIRBAUT als korpskom- mandant de Onderzoeksraad heeft geadiëerd met een verslag in de zin van de artikelen 24/30,§3 en 24/32 én doordat Kapitein-Kommandant HEIRBAUT op de zittingen van de Onderzoeksraad mondeling verslag heeft uitgebracht als korpskommandant of aangewezen officier in de zin van artikel 24/34 van voormelde wet. En doordat in de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 een artificiële opsplitsing wordt gemaakt van dezelfde persoon met verschillende hoedanigheden. Terwijl een ieder recht heeft op een eerlijk proces en op de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. En terwijl de wet van 27 december 1973 een tuchtprocedure heeft georganiseerd volgens welbepaalde voorschriften en met de nodige waarborgen IX-1518-22/44 van onafhankelijkheid en onpartijdigheid door het toevertrouwen van de diverse stadia van de procedure aan verschillende personen. Zodat door het treffen van de aangevochten beslissing, de verwerende partij de in het middel aangehaalde Europees verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen heeft miskend, verzoekende partij een eerlijk proces heeft ontzegd en de tuchtprocedure niet op onafhankelijke en onpartijdige wijze heeft gevoerd. Toelichting bij het derde middel In het advies van de Onderzoeksraad van 27 april 1995 die de verwerende partij met de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 tot het hare maakt, bevestigt de verwerende partij dat één en dezelfde persoon die in het kader van de tuchtprocedure lastens verzoekende partij is opgetreden, nu eens ‘(...) de hoedanigheid had van Korpskommandant ad interim op het ogenblik van het verhoor en op andere tijdstippen van de procedure (...)’ en dan weer ‘(...) op de hoorzitting van 27 april 1995 optreedt als Officier-Verslaggever van Kolonel VAN GEET, de nieuwe Korpskommandant van de betrokkene (...)’. Zowel naar de letter als inzonderheid naar de geest druist één en ander in tegen de uitdrukkelijke voorschriften van de geviseerde bepalingen van de wet van 27 december
- De wetgever heeft er inderdaad uitdrukkelijk voor geopteerd om het onderzoek van de zaak en het verhoor door een welbepaalde persoon te laten geschieden en heeft de overdracht ervan voorzien aan een andere persoon met het oog op het voorstellen van een bepaalde tuchtsanktie en het adiëren van de Onderzoeksraad, zoals ook een nog andere persoon fungeert als verslaggever. Doordat in casu één en dezelfde persoon zelfs drie onderscheiden hoedanig- heden vervult, is het door de wetgever beoogde welbepaald voorgeschreven behoorlijke procedureverloop grondig geschaad en getuigt de daarop getroffen aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 niet van de door het E.V.R.M. en door de wetgever bedoelde onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het middel is dus gegrond”; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat zij geen drieledige opdeling “ratione personae” vaststelt in de door verzoeker aangevoerde bepalingen, dewelke volgens haar te dezen correct werden toegepast, in die zin dat eenheidscommandant VAN BEEK na de kennisgeving van de seponering een inleidend verslag opgesteld heeft dat overeenkomstig voornoemd artikel 24/27, § 1, aan korpscommandant HEIRBAUT werd overgezonden, die het overeenkomstig artikel 24/30, § 2, aan verzoeker ter kennis gebracht heeft, waarna verzoeker overeenkomstig artikel 24/30, § 2, eerste lid, opgeroepen werd te verschijnen om gehoord te worden door dezelfde korpscommandant en de korpscommandant overeenkomstig artikel 24/30, § 3, tweede lid, de onderzoeksraad geadieerd heeft om een advies te verstrekken over het voorstel tot “ontslag van ambtswege” en overeenkomstig artikel 24/34 de korpscommandant bij de verschijning voor de onderzoeksraad mondeling verslag heeft uitgebracht; dat volgens haar verzoeker aldus een eerlijk proces gekregen heeft en dat in ieder geval verzoeker daarover in de loop van de tuchtprocedure geen opmerkingen gemaakt heeft, ondanks de IX-1518-23/44 uitdrukkelijke vraag dienaangaande; dat zij verwijst naar overweging 3.
- van het arrest over de vordering tot schorsing; 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat artikel 6 van het E.V.R.M. wel degelijk te dezen van toepassing is, gezien de meest gezaghebbende rechtsleer terzake voor een extensieve interpretatie van het verdrag pleit en uit de rechtspraak volgt dat slechts rekening dient te worden gehouden met wat uitdrukkelijk buiten de toepassing van voornoemd artikel 6 valt, meer bepaald het contentieux inzake het kiesrecht en het recht om verkozen te worden, de toekenning van de nationaliteit, het statuut van vreemdelingen, de toegang tot de openbare dienst en de fiscale verplichtingen; dat hij betoogt dat de verwerende partij geenszins ontkent dat in tuchtzaken de betrokkene ten volle moet kunnen genieten van onafhankelijke en onpartijdige rechters en ook niet dat te dezen één en dezelfde persoon opgetreden is tijdens de procedure; dat zelfs wanneer de stelling van de verwerende partij inzake de toegang tot de rechter juist zou zijn, quod non, hij de grief reeds uitdrukkelijk aangevoerd had tijdens het pleidooi van de verdediging van 10 maart 1995, waarop de verwerende partij gereageerd heeft in het proces-verbaal van de hoorzitting van de onderzoeksraad van 27 april 1995 onder punt 7 en in het advies van de onderzoeksraad van 27 april 1995; dat volgens hem uit dit proces-verbaal en dit advies blijkt dat weliswaar motieven werden aangevoerd waarom de korpscommandant afwezig was, zonder dat echter de schending van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid weerlegd wordt; dat hij van oordeel is dat overeenkomstig vaste rechtspraak en de meest gezaghebbende rechtsleer de geringste twijfel aangaande de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid dient te worden gesanctioneerd; 5.4.
- Overwegende dat, wat de eventuele schending van artikel 6 van het E.V.R.M. betreft, verwezen kan worden naar de bespreking van het tweede middel; 5.4.2.
- Overwegende dat de door verzoeker vermelde artikelen van de wet van 27 december 1973 luiden : Artikel 24/27 : “§
- De eenheidscommandant die na afloop van het eventuele voorafgaande onderzoek besluit dat een tuchtprocedure moet worden aangespannen, stelt ten laste van het personeelslid een inleidend verslag op. IX-1518-24/44 Dit inleidend verslag vermeldt nauwkeurig de feiten die het personeelslid worden verweten en die als een tekortkoming aan zijn ambtsplichten of aan de waardigheid van zijn ambt moeten worden beschouwd. Oordeelt de eenheids- commandant dat de feiten in aanmerking komen voor een van de straffen bedoeld in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/, dan richt hij het inleidend verslag aan zijn meerdere met de bevoegdheid van korpscommandant; in het tegenoverge- stelde geval brengt hij het ter kennis van het betrokken personeelslid. §
- Het inleidend verslag dat ter kennis van het personeelslid wordt gebracht, houdt de oproeping in om te verschijnen voor de eenheidscomman- dant. De datum van verschijning wordt vermeld in het verslag en moet, te rekenen van de dag volgend op de kennisgeving van het verslag, ten minste tien werkdagen later vallen. Het verslag vermeldt tevens de plaats waar het tuchtdossier zich bevindt, hetwelk alle stukken bevat in verband met de feiten. Het kan vanaf dat ogenblik ingezien worden door de betrokkene of door zijn verdediger. Op zijn verzoek ontvangt het personeelslid er een kopie van. Wenst het betrokken personeelslid zijn verweermiddelen geheel of gedeeltelijk in de vorm van geschreven besluiten in te dienen, dan moeten die, om ontvankelijk te zijn, aan de eenheidscommandant worden medegedeeld ten minste twee werkdagen voor de verschijning. §
- De eenheidscommandant neemt, uit eigen beweging of op verzoek van de betrokkene of van zijn verdediger, de verklaring op van elke nuttige getuige. Die verklaringen worden ten minste vier werkdagen voor de verschijning bij het dossier gevoegd. §
- De eenheidscommandant licht de territoriaal bevoegde procureur des Konings in over de opening en de afloop van een tuchtprocedure tegen een personeelslid, wanneer de feiten die er ten grondslag aan liggen rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie.”; Artikel 24/28 : “§
- Op de dag bepaald in het inleidend verslag, verschijnt het personeelslid voor de eenheidscommandant in persoon of laat hij zich vertegenwoordigen. De eenheidscommandant hoort het personeelslid of zijn verdediger in hun verweermiddelen. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgesteld. Dit proces-verbaal wordt door het personeelslid of door zijn vertegenwoor- diger en door de eenheidscommandant getekend en op elke bladzijde gepara- feerd. Weigert het personeelslid of zijn verdediger te tekenen, dan maakt de eenheidscommandant daar melding van. Een kopie van dit proces-verbaal wordt hun afgegeven. Acht hij de zaak in staat van wijzen, dan beslist de eenheidscommandant, uiterlijk de tweede werkdag volgend op de verschijning, over het bestaan van de tuchtrechtelijke fout en legt hij, in voorkomend geval, een van de straffen op, vervat in artikel 24/13, § 1, 1/ en 2/. Oordeelt hij dat de feiten in aanmerking komen voor een strengere straf, dan adieert hij de korpscommandant binnen dezelfde termijn. §
- Wanneer het personeelslid, alhoewel regelmatig opgeroepen, niet verschijnt noch vertegenwoordigd is zonder een geldige reden aan de eenheidscommandant te hebben meegedeeld, dan zet deze laatste de procedure voort die dan geacht wordt op tegenspraak te zijn gevoerd. Behalve in geval van overmacht moet de afwezigheid om gezondheidsrede- nen worden gestaafd met een geneeskundige verklaring afgegeven door een erkende geneesheer. IX-1518-25/44 §
- Iedere straf die door de eenheidscommandant wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van het personeelslid.”; Artikel 24/30 : “§
- De meerdere met de bevoegdheid van korpscommandant, die door een eenheidscommandant geadieerd wordt voor feiten die volgens hem strafbaar zijn met een van de straffen bedoeld in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/, doet, in voorkomend geval, ieder onderzoek instellen dat de inhoud van het inleidend verslag dat hem werd toegezonden, kan toelichten. Het verslag van dat onderzoek wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. §
- (...) §
- Oordeelt de korpscommandant, na afloop van de in § 2 bedoelde procedure, dat er geen reden is om een van de in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/, bedoelde straffen op te leggen, dan legt hij in voorkomend geval een van de straffen op, bedoeld in artikel 24/13, § 1, 1/ en 2/, volgens de procedure omschreven in artikel 24/28, § 1, vierde lid. Oordeelt hij dat een van de in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/, bedoelde straffen moet worden opgelegd, dan adieert hij de onderzoeksraad. Elke beslissing van de korpscommandant wordt met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid. De eenheids- commandant wordt er over ingelicht.”; Artikel 24/32 : “De onderzoeksraad wordt geadieerd door een verslag van de korpscomman- dant. Dit verslag bevat een bondige uiteenzetting van de feiten die als een tekortkoming aan de ambtsplichten of aan de waardigheid van het ambt moeten worden beschouwd en een gemotiveerd voorstel tot straf. Het proceduredossier, waarvan de samenstelling door de Koning wordt bepaald, wordt erbij ge- voegd.”; Artikel 24/34 : “§
- Op de dag bepaald voor de verschijning, brengt de korpscommandant die de onderzoeksraad heeft geadieerd of de officier die hij aanwijst, voor de raad en voor het betrokken personeelslid of zijn vertegenwoordiger mondeling verslag uit over de feiten die het betrokken personeelslid ten laste worden gelegd. Het personeelslid of zijn vertegenwoordiger worden vervolgens gehoord in hun verweermiddelen. Wanneer het personeelslid, alhoewel regelmatig opgeroepen door de voorzitter, zonder geldige reden niet aanwezig noch vertegenwoordigd is, wordt de procedure voortgezet en wordt zij geacht op tegenspraak te zijn gevoerd. Behalve in geval van overmacht moet de afwezigheid om gezondheidsrede- nen worden gestaafd met een geneeskundige verklaring afgegeven door een erkende geneesheer. De korpscommandant of de officier-verslaggever stelt naar gelang van het geval voor dat de onderzoeksraad zich zou uitspreken voor een van de straffen bedoeld in artikel 24/13, § 1, of voor het ontslag van het personeelslid van de beoogde tuchtvervolgingen. Na afloop van dit verslag, nodigt de voorzitter het betrokken personeelslid of zijn vertegenwoordiger uit hun verweermiddelen voor te dragen. IX-1518-26/44 Ieder nieuw stuk of nieuw element dat tijdens de zitting wordt aangebracht maakt het voorwerp uit van een debat. De voorzitter sluit de debatten en neemt de zaak in beraad. Op elk ogenblik van de procedure van de onderzoeksraad kan de onder- zoeksraad de korpscommandant gelasten een bijkomend onderzoek in te stellen of te doen instellen. §
- De onderzoeksraad geeft zijn advies binnen drie werkdagen die volgen op de sluiting van de debatten. Dit advies omvat : 1/ de uiteenzetting van de feiten en de eventuele tenlasteleggingen hiervan aan het betrokken personeelslid; 2/ de omschrijving van de feiten indien die bewezen worden geacht; 3/ de voorgestelde straf. De vaststelling bedoeld in 1/ bindt de overheid die bevoegd is om te straffen”; 5.4.2.
- Overwegende dat de door verzoeker vermelde bepalingen van de wet van 27 december 1973 niet de door hem bedoelde drieledige opdeling bevatten; Overwegende dat kapitein-commandant VAN BEEK, verzoekers eenheidscommandant, op 17 november 1994 een inleidend verslag heeft opgesteld dat dezelfde dag, overeenkomstig artikel 24/27, § 1, aan de korpscommandant wordt toegezonden; dat kapitein-commandant HEIRBAUT, korpscommandant a.i. van verzoeker, op 23 november 1994 het inleidend verslag ter kennis van verzoeker brengt, overeenkomstig artikel 24/30, § 2; dat eveneens overeenkomstig artikel 24/30, § 2, verzoeker opgeroepen wordt om te verschijnen en te worden gehoord door de korpscommandant; dat verzoeker op 12 december 1994 in het bijzijn van zijn verdediger gehoord wordt door kapitein-commandant HEIRBAUT; dat van dit verhoor een proces-verbaal wordt opgesteld; dat kapitein-commandant HEIRBAUT op 22 december 1994 de onderzoeksraad adieert, overeenkomstig artikel 24/30, § 3, tweede lid; dat voor de onderzoeksraad door kapitein-commandant HEIRBAUT, “officier-verslaggever van betrokkene”, op 16 maart 1995 verslag wordt uitgebracht over de ten laste gelegde feiten, overeen-komstig artikel 24/34, § 1, eerste lid; dat het proces-verbaal van de onderzoeksraad van 27 april 1995 vermeldt : “
- De officier-verslaggever bevestigt dat hij op het ogenblik der feiten tweede commandant was van de Tweede Mobiele Groep, maar dat de titularis in die periode veelvuldig afwezig was (projectleider ASTRID). Op de dag en het uur vastgesteld voor het verhoor, vervulde Kapitein-commandant HEIR- BAUT de functie van korpscommandant ad interim, omdat de titularis korpscommandant afwezig was. Bijgevolg had hij het recht de zaak als commandant ad interim te behandelen. Vandaag, 27 april 1995, treedt hij op als officier-verslaggever, aangeduid door de huidige korpscommandant Kolonel VAN GEET. IX-1518-27/44
- De Kapitein-commandant HEIRBAUT verklaart met betrekking tot de nota Nr. DPAD/69 van 3 maart 1982, aangehaald door de verdediging, dat deze nota achterhaald is door de richtlijnen van de commandant van de rijkswacht met betrekking tot de waarden van de rijkswacht en op dit ogenblik niet meer van toepassing is.
- De Kapitein-commandant HEIRBAUT gaat akkoord met het bestaan van verzachtende omstandigheden, aangehaald door de verdediging, doch stelt dat het feit van de verduistering uit eigen beweging blijft en dat dit een ernstige schending van de waarden van de rijkswacht inhoudt. De enige mogelijke straf hiervoor blijft voor hem het ontslag van ambtswege”; dat kapitein-commandant HEIRBAUT ter zake niet is opgetreden als eenheidscom- mandant, maar wel als korpscommandant ad interim en als officier-verslaggever, aangewezen door de korpscommandant; dat het feit dat kapitein-commandant HEIRBAUT zelf verslag heeft uitgebracht bij de onderzoeksraad, geenszins betekent dat deze laatste niet onpartijdig zou zijn; dat aldus niet blijkt dat de door verzoeker aangewezen wetsbepalingen werden geschonden; 5.4.
- Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State acht vermag te slaan niet blijkt dat het “recht op een eerlijk proces” en het “recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter” zijn geschonden; 5.4.
- Overwegende dat geen enkele van de in het middel aangevoerde rechtsregels geschonden is; dat het middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel; dat hij het middel als volgt adstrueert: “Doordat de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995, ondanks de door de verwerende partij zelf erkende ten nadele van verzoekende partij gecreëerde sfeer van ongenaakbaarheid, ondanks de door de verwerende partij in hoofde van verzoekende partij aanvaarde ruime verzachtende omstandigheden, ondanks de ten opzichte van verzoekende partij niet weerhouden betichting van valsheid in geschriften, ondanks de volledige seponering van de strafrechtelijke klacht, ondanks de teruggave van het beweerde verduisterde goed van beperkte waarde, en ondanks een tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaat- regel van negen maanden, toch de zwaarste tuchtsanktie oplegt, nl. de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege. Terwijl de overheid bij het opleggen van een sanktie, op redelijke wijze alle elementen bij de beoordeling moet betrekken. En terwijl de opgelegde sanktie evenredig moet zijn met de aangeklaagde ‘feiten’, die niet op zichzelf moeten beschouwd worden, maar die wel gekorrigeerd/gerelativeerd moeten worden aan de hand van een geseponeerd strafdossier, een blanco strafblad, een gunstige individuele fiche, aanvaarde verzachtende omstandigheden, het geringe karakter van het betrokken nadeel, de uitlokking van de daad, de geuite spijt van de dader en de reeds getroffen IX-1518-28/44 tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel met inhouding van een deel van de wedde gedurende negen maanden. Zodat door het treffen van de aangevochten beslissing de verwerende partij op onredelijke wijze heeft gehandeld en een onevenredige zware sanktie heeft opgelegd. Toelichting bij het vierde middel Op strafrechtelijk vlak werden de klachten opzichtens verzoekende partij wegens vermeende verduistering en vermeende valsheid in geschriften geseponeerd. Op tuchtrechtelijk vlak werd de aanklacht opzichtens verzoekende partij wegens valsheid in geschriften niet langer weerhouden wegens onbe- staande. Op 14 december 1994 erkende Kapitein-Kommandant HEIRBAUT dat de twee andere betrokken personen opzichtens verzoekende partij een ‘(...) sfeer van ongenaakbaarheid (...) hadden veroorzaakt en dat ten gunste van verzoe- kende partij (...) verzachtende omstandigheden (...)’ golden. In het verslag van 22 december 1994 ter adiëring van de Onderzoeksraad was zelfs sprake van ‘(...) ruime verzachtende omstandigheden (...)’ in hoofde van verzoekende partij. Uit het proceduredossier blijkt tevens het blanco strafblad, de gunstige individuele fiche, de oprecht geuite spijt van verzoekende partij en het verzoek om een ‘(...) nieuwe kans (...)’. In die omstandigheden en rekening houdend met de reeds getroffen tijdelijke (9 maanden !) ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel met inhouding van een deel van de wedde, is een definitieve ambtsontheffing bij ontslag van ambtswege, die het einde van verzoekende partij als Rijkswachter betekent, haar wellicht definitief elk ambt zal ontzeggen en haar ook als burger zwaar treft, een onredelijke en onevenredige maatregel. Het middel is gegrond”; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Raad van State zich bij zijn beoordeling niet in de plaats van de tuchtoverheid mag stellen, maar dat hij enkel mag nagaan of de door de tuchtoverheid opgelegde tuchtstraf niet kennelijk onredelijk is, rekening houdend met de specifieke context, de persoonlijke toestand van verzoeker en het belang van de dienst; dat zij, wat de specifieke context betreft, verwijst naar de consequente en overtuigde houding van verzoekers meerderen en de onderzoeksraad aangaande de te nemen maatregel alsook inzake het bewezen karakter van de feiten, de tenlastelegging, de afbreuk aan de waardigheid en de bijzondere ernst van de inbreuk, waarover de onderzoeksraad met unanimiteit gestemd heeft; dat zij aanvoert dat de meerderheid waarmee de onderzoeksraad de op te leggen tuchtmaatregel geadviseerd heeft aantoont dat die maatregel niet manifest onredelijk is; dat, wat de vermeende sfeer van ongenaak- baarheid betreft, zij van oordeel is dat de stukken van het administratief dossier, zoals ze samengevat zijn in het advies van de onderzoeksraad, dit afdoende weerleggen; dat de seponering van het strafdossier de overheid niet belet een tuchtprocedure in te leiden of de zwaarste tuchtsanctie op te leggen; dat noch de seponering van het strafdossier noch de teruggave van het “beweerde verduisterde IX-1518-29/44 goed van beperkte waarde” het weinig ernstig karakter van de bestreden beslissing aantoont; dat het feit dat de handtas naderhand toch werd teruggegeven evenmin de onredelijkheid van de beslissing kan aantonen; dat, wat de persoonlijke toestand van verzoeker betreft, deze bezwaarlijk gunstig genoemd kan worden, aangezien uit diens eerste verklaring blijkt dat hij thuis de handtas aan zijn echtgenote aangebo- den heeft, terwijl hij op de zitting van de onderzoeksraad van 27 april 1995 gesteld heeft dat het schenken van de handtas een loutere hypothese van de overheid zou zijn; dat verzoeker bezwaarlijk de feiten in zijnen hoofde kan minimaliseren, terwijl hij, ondanks de seponering, overtuigd is van het strafrechtelijk karakter van de handelingen van zijn collega VAN DEN BERGH -diefstal en heling-, en zelf bekend heeft tijdelijk in het bezit te zijn geweest van één van de vier handtassen en ze mee naar huis genomen te hebben; dat zij, wat de vlekkeloze loopbaan betreft, stelt dat de Raad van State reeds geoordeeld heeft dat een goede staat van dienst van 17 jaar een ontslag van ambtswege niet belet; dat de zwaarste sanctie van definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege enkel verantwoord is wanneer het verder in dienst houden van de betrokkene onmogelijk is, dat te dezen verzoeker onmiddellijk na zijn bekentenissen geacht werd niet meer waardig te zijn zijn ambt te bekleden en zodoende afbreuk te doen aan het aanzien van het rijkswachtkorps en aan het vertrouwen van het publiek, zodat hij in het belang van de dienst zo spoedig mogelijk uit de dienst verwijderd moest worden; dat verzoeker de opeenvolgende schorsingen bij ordemaatregel niet heeft bestreden, zodat hij zich neergelegd had bij het feit dat zijn aanwezigheid onverenigbaar was met het belang van de dienst en hij dus bezwaarlijk zijn daaropvolgende verwijdering uit het korps als manifest onredelijk kan beschouwen; dat waar de redelijkheid van de tuchtstraf beoordeeld moet worden in het licht van de goede werking van de dienst, de vertrouwensrelatie tussen de overheid en de ambtenaar en de tussen de overheid en haar klanten, de feiten publiciteit hebben gekregen en weerklank bij het parket; dat van de personeelsleden van de rijkswacht een onberispelijk gedrag verwacht wordt; dat uit de rechtspraak van de Raad van State en uit de stelling van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten voortvloeit dat de marginale toetsing door de rechter enkel de wijze van uitoefening van de beoordelingsvrijheid betreft en niet de inhoud of de vrije keuze zelf, zodat volgens haar het redelijkheidsbeginsel niet werd geschonden; dat zij verwijst naar overweging 3.
- van het arrest over de vordering tot schorsing; 6.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat uit de seponering van het strafdossier, uit de sfeer van ongenaakbaarheid IX-1518-30/44 en uit de teruggave van de goederen van beperkte waarde wel degelijk opgemaakt kan worden dat het niet evident was om de zwaarste tuchtstraf op te leggen; dat uit de memorie van antwoord blijkt dat de verwerende partij nooit de intentie gehad heeft verzachtende omstandigheden in haar beoordeling te betrekken; dat hij van oordeel is dat het feit dat hij het sereen verloop van het onderzoek niet wou beletten, nu niet tegen hem gebruikt kan worden; dat hij ook nog betoogt dat alle argumenten van de verwerende partij abstracte gegevens zijn, wat erop wijst dat zij geenszins verzachtende omstandigheden in haar beoordeling heeft betrokken; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat het auditoraatsverslag enkel verwijst naar voornoemd schorsingsarrest, zonder rekening te houden met zijn memorie van wederantwoord; 6.4.
- Overwegende dat de Raad van State zich, bij de beoordeling van de bestreden maatregel houdende zijn definitief ontslag, niet in de plaats van de tuchtoverheid mag stellen maar dat hij alleen een marginale controle kan uitoefenen; dat hij aldus bevoegd is om na te gaan of de door de tuchtoverheid opgelegde straf niet buiten elke redelijke verhouding tot de ten laste gelegde feiten staat; dat in de voorliggende zaak moet onderzocht worden of de verwerende partij, uiteraard rekening houdende met de specifieke context, de persoonlijke toestand van verzoeker én het belang van de dienst, redelijkerwijs tot de conclusie kon komen dat de zwaarste sanctie zich in casu opdrong; 6.4.
- Overwegende dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, namelijk verduistering, ongetwijfeld ernstige feiten zijn, die in principe niet verenigbaar zijn met de staat van lid van het rijkswachtpersoneel; dat dit strakke principiële standpunt in niets dient gerelativeerd te worden wanneer de abstracte tenlasteleggingen getoetst worden aan de concrete gegevens van de zaak; dat verzoeker de gepleegde feiten heeft bekend; dat zowel zijn hiërarchische meerderen als de onderzoeksraad de aan verzoeker ten laste gelegde feiten “ernstig” hebben bevonden; dat uit het dossier onomstotelijk blijkt dat, van zodra de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bekend waren, de vertrouwensrelatie tussen de rijkswacht en verzoeker verbroken was; dat indien er al binnen de onderzoeksraad verschillen- de meningen waren over de gepastheid van het ontslag van ambtswege (vier leden stemmen voor ontslag, één lid stemt tegen), dit er alleen op wijst dat deze sanctie zich niet evident opdrong, maar niet dat ze zich evident niet opdrong; IX-1518-31/44 6.4.
- Overwegende dat verzoeker een aantal gegevens aanbrengt die er, volgens hem althans, toe nopen te besluiten dat de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege een “onredelijke en onevenredige maatregel” is; Overwegende dat hij in dit verband, onder meer, verwijst naar de “gecreëerde sfeer van ongenaakbaarheid”; dat ter zake moet worden opgemerkt dat in het advies van de onderzoeksraad van 27 april 1995 geoordeeld werd dat dit niet kan worden beschouwd als een morele druk waaraan verzoeker niet kon weerstaan; dat hij eveneens verwijst naar de “volledige seponering van de strafrechtelijke klacht”; dat een strafrechtelijke seponering echter niet belet dat de overheid een tuchtrechtelijke vervolging instelt en dat eventueel de strengste tuchtmaatregel wordt opgelegd; dat de opportuniteitsoverwegingen die het openbaar ministerie in aanmerking neemt om tot een strafrechtelijke seponering te besluiten in beginsel niet gelden bij de uitoefening van de tuchtrechtelijke bevoegdheid; Overwegende dat, met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde argumenten van de “niet weerhouden betichting van valsheid in geschriften” en van de “teruggave van goederen van beperkte waarde”, vastgesteld moet worden dat in het advies van de onderzoeksraad de ernst van het tuchtvergrijp grondig werd besproken; dat de onderzoeksraad, onder meer, verwezen heeft naar de taak en de goede werking van het rijkswachtkorps en gesteld heeft dat “het vertrouwen dat de overheid in haar politieambtenaar stelt en het vertrouwen dat de rijkswacht naar haar klanten moet uitstralen volledig teloorgaat zo men niet blindelings en zonder twijfel op de integriteit van de personeelsleden mag vertrouwen”; dat verzoeker niet aantoont waarom het oordeel van de onderzoeks- raad over de ernst van het tuchtvergrijp kennelijk onredelijk is; dat verzoeker eveneens verwijst naar zijn “blanco strafblad, de gunstige individuele fiche, de oprecht geuite spijt en het verzoek om een nieuwe kans”; dat deze gegevens er niet kunnen toe leiden de bestreden ontslagbeslissing, die gesteund is op een eensluidend advies van de onderzoeksraad, als kennelijk onredelijk te omschrijven; dat verzoeker aanvoert dat hij voorafgaand aan de bestreden ontslagbeslissing reeds tijdelijk gedurende negen maand geschorst werd bij ordemaatregel met inhouding van een deel van zijn wedde; dat de voorafgaande schorsing van verzoeker geen tuchtmaatregel is, doch slechts een ordemaatregel, en niet verhindert dat nadien, na een volledig tuchton-derzoek, een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege wordt opgelegd; IX-1518-32/44 6.4.
- Overwegende dat, aangezien verzoeker niet aantoont dat de bestreden ontslagbeslissing kennelijk onredelijk is, het middel niet gegrond is; 7.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M. en van de verplichting om tuchtmaatregelen te treffen binnen een redelijke termijn; dat hij het middel adstrueert als volgt: “Doordat de verwerende partij pas op 30 augustus 1995 de zwaarst mogelijke tuchtsanktie oplegt nadat vier maanden eerder, op 27 april 1995, een advies door de Onderzoeksraad werd uitgebracht voor feiten die reeds werden gepleegd op 20 augustus 1994 en al aan het licht waren gekomen op 20 september
- En doordat verzoekende partij onderwijl reeds het voorwerp uitmaakte, gedurende negen maanden, van een tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel. Terwijl éénieder recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. En terwijl bij de beoordeling van het redelijk karakter van de termijn in tuchtzaken rekening dient te worden gehouden met de ten aanzien van de betrokkene reeds getroffen voorlopige maatregelen. Zodat door het treffen van de aangevochten beslissing, de verwerende partij de in het middel aangehaalde Europees verdragsrechtelijke bepaling heeft geschonden en haar beslissing niet binnen een redelijke termijn heeft genomen. Toelichting bij het vijfde middel In het dossier is geen enkel element voorhanden dat kan verantwoorden waarom verzoekende partij - die gedurende die tijd reeds getroffen was door een voorlopige ordemaatregel - bijna één jaar heeft moeten wachten op haar verdikt. De verwerende partij was reeds op de hoogte van de feiten sinds 20 september 1994 en de zaak was, op zichzelf, hoegenaamd niet komplex. De verwerende partij kan moeilijk staande houden dat een diepgaand onderzoek vereist was voor de beoordeling, nu in het advies van de Onder- zoeksraad van 27 april 1995, die zij tot het hare maakt, wordt toegegeven dat haar eigen onderzoek niets nuttigs of nieuws heeft opgeleverd aangezien zij zelf moet teruggrijpen naar de processen-verbaal van 20 september 1994 uit het strafdossier ! De verlopen termijn dient dan ook als onredelijk lang beschouwd te worden. Het middel is gegrond”; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de redelijke termijn in tuchtzaken niet enkel afhankelijk is van de complexiteit van de zaak en van de houding van de betrokkene en van de gerechtelijke overheden, maar ook van de concrete omstandigheden van de zaak, meer bepaald de mogelijkheid voor de overheid om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken teneinde uitspraak te kunnen doen; dat zij het bestaan van de redelijke termijnver- eiste erkent, maar van oordeel is dat het tuchtrechtelijk gesanctioneerde personeels- lid zelf concrete gegevens moet aanvoeren die de schending van de rechtsregel aantonen; dat zij betoogt dat in dit geval de redelijke termijn niet manifest IX-1518-33/44 overschreden werd, aangezien op 20 september 1994 een proces-verbaal werd opgesteld dat werd overgezonden aan de procureur des Konings, op 19 oktober 1994 de procureur melding heeft gemaakt van de seponering en van de mogelijkheid tot tuchtrechtelijke vervolging, op 17 november 1994 de tuchtprocedure werd ingeleid, op 27 april 1995 de onderzoeksraad zijn advies verstrekt heeft, op 12 juni 1995 dit advies overgezonden is aan de minister van Binnenlandse Zaken -op 22 juni 1995 aangevuld met het volledige dossier- , deze op 22 augustus 1995 kennis heeft genomen van het advies van de minister van Justitie en op 30 augustus 1995 de eindbeslissing genomen heeft; dat zij besluit dat op geen enkel ogenblik de overheid onredelijk lang getalmd heeft; dat zij ook verwijst naar overweging 3.
- van het arrest over de vordering tot schorsing; 7.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de redelijke termijnvereiste niet enkel voortvloeit uit de beginselen van behoorlijk bestuur, maar ook uit artikel 6, lid 1, van het E.V.R.M., waarvan hij de toepasselijkheid besproken heeft bij het derde middel; dat hij aanvoert dat bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening moet worden gehouden met het feit dat de bestreden beslissing dateert van 30 augustus 1995, terwijl de feiten dateren van augustus 1994 en de verklaringen, waarop de beslissing uitsluitend gebaseerd is, van 20 september 1994; dat wanneer vastgesteld zou worden dat de termijn tussen de vaststelling van de feiten op 20 september 1994 en het advies van de onderzoeksraad op 27 april 1995 redelijk is, geen aanvaardbaar motief kan aangevoerd worden waarom de verwerende partij nog 4 maanden getalmd heeft om enkel dit advies bij te treden in de bestreden beslissing; dat de redelijke termijn overschreden werd, aangezien het administratief dossier geen enkel concreet gegeven bevat waaruit de nodige diligentie blijkt bij de voortzetting van de tuchtprocedure na het advies van de onderzoeksraad op 27 april 1995 en aangezien de minister van Binnenlandse Zaken geen enkele bijkomende beoordeling heeft uitgebracht die zou kunnen beschouwd worden als een vorm van “bedenktijd”; 7.4.
- Overwegende dat, wat de eventuele schending van artikel 6 van het E.V.R.M. betreft, verwezen kan worden naar de bespreking van het tweede middel; 7.4.2.
- Overwegende dat artikel 24/38, § 1, derde lid, van de wet van 27 december 1973, bepaalt dat de tuchtvordering met het oog op de toepassing van een van de in artikel, 24/13, § 1, 4/ tot 7/, bedoelde straffen verjaart twee jaar na de IX-1518-34/44 datum waarop de feiten werden vastgesteld; dat, aangezien de feiten dateren van 20 augustus 1994 en de ontslagbeslissing dateert van 30 augustus 1995 de genoemde termijn van twee jaar niet overschreden is, zodat in ieder geval de ter zake geldende wetsbepaling niet is geschonden; 7.4.2.
- Overwegende dat daargelaten de vraag of een uitdrukkelijke bepaling inzake de na te leven termijnen niet uitsluit dat het optreden van het bestuur nog getoetst wordt aan de redelijke termijneis als beginsel van behoorlijk bestuur, de redelijkheid van de termijn met inachtneming van de concrete omstandigheden van de zaak moet worden beoordeeld en dat daarbij rekening dient te worden gehouden, onder meer, met de mogelijkheid welke de overheid heeft om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het haar mogelijk maken tot een bepaalde eindbeslissing te komen; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de feiten dateren van 20 augustus 1994, dat op 20 september 1994 met betrekking tot deze feiten een proces-verbaal werd opgesteld, dat op 19 oktober 1994 door de procureur des Konings het dossier op strafrechtelijk vlak werd geseponeerd en voor mogelijke korpstucht aan de rijkswacht werd toegezonden, dat op 17 november 1994 de tuchtprocedure werd gestart met een eerste inleidend verslag, dat verzoeker op 12 december 1994 door de korpscommandant werd verhoord, dat op 22 december 1994 het tuchtdossier werd toegezonden aan de voorzitter van de onderzoeksraad, dat verzoeker op 9 februari 1995 werd opgeroepen om te verschijnen voor de onderzoeksraad, dat verzoeker een eerste maal voor de onderzoeksraad verscheen op 16 maart 1995, waarna de zaak op vraag van de verdediging van verzoeker werd verplaatst van 6 april 1995 naar 27 april 1995, dat de onderzoeksraad zijn advies uitgebracht heeft op 27 april 1995, dat dit advies op 12 juni 1995 werd overgezonden aan de commandant van de rijkswacht en de minister van Binnenlandse Zaken, dat de hoofddirectie van het personeel (generale staf) op 22 juni 1995 het volledig dossier ter beslissing toezond aan de minister, dat op 21 augustus 1995 de minister van Justitie het wettelijk vereiste advies uitbracht en dat op 30 augustus 1995 de bestreden ontslagbeslissing werd genomen; Overwegende dat de Raad van State vaststelt dat de feiten zijn vastgesteld in een proces-verbaal van 20 september 1994 en dat de tuchtprocedure werd afgehandeld binnen een termijn van ongeveer één jaar na de feiten, zonder dat er in de loop van het besluitvormingsproces ontoelaatbare hiaten waren; dat de redelijke termijn om tot een beslissing te komen niet werd overschreden; IX-1518-35/44 7.4.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 8.
- Overwegende dat verzoeker een zesde middel aanvoert : “afgeleid bij wege van gevolgtrekking. Uit de onbevoegdheid van de auteur van de akte. Uit de schending van de waarborgen die gelden in tuchtzaken en uit de schending van de rechten van de verdediging. En met toepassing van artikel 159 van de Grondwet uit de onwettigheid van de Ministeriële beslissingen van verwerende partij van 23 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus 1995 en uit het beginsel patere legem quam ipse fecisti”; dat hij het middel adstrueert als volgt: “Doordat de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 de gevolgak- ten zijn van de aangevochten Ministeriële beslissing van verwerende partij van 30 augustus
- En doordat de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 met terugwerkende kracht een ordemaatregel omzetten in een tuchtmaatregel, zonder naleving van de terzake geldende waarborgen in hoofde van verzoeken- de partij en zonder recht op verdediging. En doordat de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 werden getroffen door de Rijkswacht zelf. En doordat de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 voorhouden steun te vinden in de Ministeriële beslissingen van 23 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus 1995, die getroffen werden zonder advies van de Onderzoeksraad. Terwijl de onwettigheid van de aangevochten Ministeriële beslissing van 30 augustus 1995 de onwettigheid met zich moet meebrengen van de aange- vochten beslissingen van 8 september
- En terwijl voor om het even welke tuchtsanktie de betrokkene recht heeft op de volheid van de rechten van de verdediging. En terwijl met de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 bijkomende tuchtsankties worden opgelegd waarvoor enkel de Minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Minister van Justitie, bevoegd was. En terwijl de Ministeriële beslissingen van 23 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus 1995 onwettig zijn, bijgevolg op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten en aldus niet de rechtmati- ge grondslag kunnen vormen voor de aangevochten beslissingen van 8 september 1995, vermits de drie kwestieuze Ministeriële besluiten niet werden voorafgegaan door het advies van de Onderzoeksraad, alhoewel de verwerende partij zich zulks had opgelegd. Zodat ingevolge de onwettigheid van de Ministeriële beslissing van 30 augustus 1995 de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 onwettig zijn bij wege van gevolgtrekking, zij getroffen werden met miskenning van de waarborgen in tuchtzaken en met schending van de rechten van de verdediging en zij de vereiste grondslag ontberen wegens de onwettigheid van de Ministeri- ele beslissingen van 23 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus
- Toelichting bij het zesde middel Indien de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 onwettig is, dan zijn de beslissingen van 8 september 1995 die voorgesteld worden als de gevolgtrekking ervan, uiteraard ook onwettig. Dit schept uiteraard geen probleem : de gebeurlijke schorsing van de Ministeriële beslissing van 30 augustus 1995 zal ook de schorsing met zich moeten meebrengen van de beslissingen van 8 september
- IX-1518-36/44 Indien daarentegen de aangevochten beslissing van 30 augustus 1995 als wettig zou worden beschouwd, dan is het nog zo dat de beslissingen van 8 september 1995 op zichzelf onwettig zijn, aldus dienen gesanktionneerd te worden en heeft verzoekende partij belang bij de schorsing ervan. Vooreerst is het zo dat deze beslissingen een ordemaatregel met terugwer- kende kracht omzetten in een tuchtsanktie, zonder dat verzoekende partij zich als dusdanig daartegen heeft kunnen verdedigen. Bij een ordemaatregel stelt zich immers de schuldvraag niet en is het bijzonder moeilijk hiertegen op te komen, juist omdat het geen tuchtmaatregel is. De omzetting met terugwerkende kracht in een tuchtmaatregel ontneemt verzoekende partij aldus een recht op verdediging. In die zin is het middel al gegrond. Verder is het zo dat deze beslissingen een bijkomende tuchtsanktie opleggen die de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing van 30 augustus 1995 niet had getroffen en waarvoor de Rijkswacht onbevoegd was om ze zelf te treffen. Ook in die zin is het middel gegrond. Tenslotte is het zo dat zelfs indien een ordemaatregel zonder eerbiediging van de rechten van de verdediging en van rechtswege, dus zonder expliciete tussenkomst van de Minister van Binnenlandse Zaken, zou kunnen worden omgezet in een tuchtmaatregel, dan nog veronderstelt zulks de wettigheid van de omgezette ordemaatregel zelf. In casu was verzoekende partij driemaal het voorwerp van een bij Ministeriële beslissing getroffen ordemaatregel, waarbij zij getroffen werd door een tijdelijke ambtsontheffing door schorsing. Geen enkele van die drie Ministeriële beslissingen is voorafgegaan door een advies van de Onderzoeks- raad. Nochtans schreef Kapitein-Kommandant HEIRBAUT op 22 december 1994 in zijn verslag aan de Voorzitter van de Onderzoeksraad dat ten opzichte van verzoekende partij ‘(...) de schorsing bij ordemaatregel werd reeds voorgesteld aan de C.G.D., die de Onderzoeksraad gevraagd heeft hierover advies uit te brengen (...)’. Nochtans maken de drie kwestieuze Ministeriële besluiten geen gewag van zulk een advies van de Onderzoeksraad. De desbetreffende Ministeriële besluiten werden aldus getroffen met schending van de regels die men zichzelf had opgelegd zodat ze onwettig zijn en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten. Een onwettige ordemaatregel kan uiteraard niet op geldige wijze worden omgezet in een tuchtmaatregel zoals de aangevochten beslissingen van 8 september 1995 voorhouden te doen. Het middel is bijgevolg gegrond”; 8.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker nergens aanvoert op welke wijze zijn rechten van verdediging geschonden zijn en erop wijst dat loutere opportuniteitskritiek geen ontvankelijk middel oplevert; dat zij, wat de door verzoeker aangevoerde schending van de voorafgaande schorsingen bij ordemaatregel betreft, verwijst naar haar bespreking van de ontvankelijkheid van de zaak; dat zij betoogt dat de schorsing bij ordemaatregel, die niet in een tuchtmaatregel wordt omgezet, van rechtswege vervalt, ook wanneer ze niet IX-1518-37/44 uitdrukkelijk wordt ingetrokken, zodat volgens haar de beslissing tot omzetting het lot zal volgen van de eventueel vernietigde beslissing zodat verzoeker geen belang heeft deze ordemaatregel afzonderlijk aan te vechten; dat zij verwijst naar overweging 3.
- van het arrest over de vordering tot schorsing; 8.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt, wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, dat de akte van 8 september 1995, waarbij met terugwerkende kracht een ordemaatregel wordt omgezet in een tuchtmaatregel, een tuchtmaatregel is; dat door het retroactief karakter van de akte van 8 september 1995, de ministeriële beslissingen van 23 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus 1995 omgezet werden van ordemaatregel in tuchtmaatregel; dat de verwerende partij geenszins betwist dat de akte van 8 september 1995 onlosmakelijk verbonden is met voornoemde ministeriële beslissingen en er een complexe rechtshandeling mee vormt; dat hij voorts betoogt dat de Raad van State reeds geoordeeld heeft dat een ordemaatregel in afwachting van de tuchtprocedure niet met een afzonderlijk annulatieberoep bestreden moet worden en samen met de annulatie van de tuchtmaatregel in een verzoekschrift gevorderd mag worden; dat hij niet de nietigverklaring vordert van voornoemde ministeriële beslissingen, maar wel vraagt dat zij op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing verklaard zouden worden; dat overeenkomstig de meest gezaghebbende rechtsleer de Raad van State verplicht is op grond van artikel 159 van de Grondwet de wettigheid na te gaan van de beslissing van 8 september 1995 die verzoeker vanaf 27 december 1994 op non-actief bij tuchtmaatregel zet; Overwegende dat verzoeker, wat de gegrondheid van het middel betreft, aanvoert dat de verwerende partij niet betwist dat wegens de beslissing van 8 september 1995 voornoemde ministeriële beslissingen als tuchtmaatregelen kunnen beschouwd worden; dat hij betoogt dat een tuchtstraf enkel kan opgelegd worden nadat de betrokkene gehoord is en na advies van de onderzoeksraad en van de minister van Justitie, terwijl dat bij het nemen van de beslissing van 8 september 1995 niet gebeurd is; dat de noodzaak van het advies van de onderzoeksraad ook blijkt uit het administratief dossier, gezien kapitein-commandant HEIRBAUT op 22 december 1994 in zijn verslag aan de onderzoeksraad schreef dat “de schorsing bij ordemaatregel [...] reeds [werd] voorgelegd aan de C.G.D., die de onderzoeks- raad gevraagd heeft hierover advies uit te brengen”; dat, zelfs wanneer de wet de onderzoeksraad niet zou opleggen een advies uit te brengen, in onderhavige zaak IX-1518-38/44 de verwerende partij zichzelf die verplichting had opgelegd voor de bedoelde schorsingen bij ordemaatregel, die nadien omgezet werden in een tuchtmaatregel; 8.4.
- Overwegende dat de door verzoeker aangevoerde eerste vijf middelen die betrekking hebben op de wettigheid van zijn ambtshalve ontslag van 30 augustus 1995, niet gegrond zijn; dat er dan ook geen grond is om de beslissing van 30 augustus 1995 nietig te verklaren; dat indien de beslissing van 30 augustus 1995 niet wordt vernietigd, er geen grond is om de beslissingen van 8 september 1995 wegens de onrechtmatigheid van de beslissing van 30 augustus 1995 te vernietigen; dat het echter in principe mogelijk is dat de beslissingen van 8 september 1995 zelf onrechtmatig zijn, zodat ze om die reden kunnen worden vernietigd; dat het zesde middel betrekking heeft op de onrechtmatigheid van de beslissingen van 8 september 1995; 8.4.
- Overwegende dat, na het verstrijken van de beroepstermijn van zestig dagen, de beslissingen met betrekking tot de schorsing bij ordemaatregel niet meer ontvankelijk kunnen worden aangevochten, ook niet ter gelegenheid van het beroep tegen de beslissing waarbij verzoeker een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege werd opgelegd, en ook niet bij wijze van exceptie gesteund op artikel 159 van de Grondwet; dat de eventuele onwettigheid van de beslissingen van 22 december 1994, 21 april 1995 en 21 augustus 1995 niet meer in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van de wettigheid van de beslissing van 8 september 1995; 8.4.
- Overwegende dat de nota van 8 september 1995 van de hoofddirectie van het personeel, onder meer, inhoudt dat de periode van 27 december 1994 tot en met 30 september 1995 tijdens dewelke verzoeker bij ordemaatregel was geschorst, van rechtswege wordt omgezet in een periode van non-activiteit bij tuchtmaatregel; dat deze beslissing gesteund is op artikel 29, achtste lid, van de wet van 27 december 1973, zoals vervangen door artikel 9 van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht; dat deze bepaling luidt: “Wordt de ambtshalve pensionering, het ontslag van ambtswege, de afzetting als bepaald in artikel 19 van het Strafwetboek of de ontzetting zonder uitstel van een der rechten opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek uitgesproken, dan wordt de schorsing (bij ordemaatregel) omgezet in een non-activiteit bij tuchtmaatregel”; IX-1518-39/44 dat het hier een gebonden bevoegdheid betreft; dat immers indien één van de genoemde maatregelen, onder meer het ontslag van ambtswege, wordt uitgesproken, de overheid verplicht is de schorsing bij ordemaatregel om te zetten in een non- activiteit bij tuchtmaatregel; dat zij ter zake over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de voorwaarde opdat, overeenkomstig artikel 29, achtste lid, van de wet van 27 december 1973, een schorsing bij ordemaatregel van rechtswege wordt omgezet in een non-activiteit bij tuchtmaatregel, erin bestaat dat het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken; dat aan deze voorwaarde voldaan is door de ontslagbeslissing van 30 augustus 1995; dat de wettelijke voorwaarde derhalve vervuld was om op 8 september 1995 te beslissen de schorsing bij ordemaatregel om te zetten in een non-activiteit bij tuchtmaatregel; dat, aangezien de wettelijke voorwaarde vervuld was, het onnodig was om verzoeker te horen in zijn verdediging; dat verzoeker trouwens in de toelichting bij zijn middel niet aantoont op welke wijze zijn rechten van verdediging, door de toepassing van artikel 29, achtste lid, van de wet van 23 december 1973, in concreto zouden zijn geschonden; 8.4.
- Overwegende dat uit het dossier niet blijkt dat de beslissing om de schorsing bij ordemaatregel om te zetten in een non-activiteit bij tuchtmaatregel formeel werd genomen door de minister van Binnenlandse Zaken; dat uit het dossier wel blijkt dat de nota van 8 september 1995 ondertekend werd door majoor VANDECAVEY van de hoofddirectie van het personeel van de generale staf; dat in artikel 29, achtste lid, van de wet van 27 december 1973 niet bepaald wordt dat de beslissing tot omzetting van de schorsing bij ordemaatregel in een non-activiteit bij tuchtmaatregel, moet worden genomen door de minister van Binnenlandse Zaken; dat artikel 29, eerste lid, uitdrukkelijk bepaalt dat het de minister van Binnenlandse Zaken is die beslist met betrekking tot de schorsing bij ordemaatregel; dat artikel 24/24, § 1, tweede lid, van de wet van 27 december 1973 bepaalt dat, wanneer het een onderofficier betreft, het ontslag van ambtswege wordt opgelegd door de minister van Binnenlandse Zaken; dat, aangezien geen enkele wettelijke bepaling uitdrukkelijk voorschrijft dat het de minister van Binnenlandse Zaken is die met betrekking tot de omzetting bedoeld in artikel 29, achtste lid, dient te beslissen, aangenomen kan worden dat de hoofdofficier van de hoofddirectie van het personeel, die belast is met de functie van directeur van het personeelsbeheer, ter zake bevoegd is; dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen concrete gegevens aanvoert die tot de conclusie nopen dat deze officier niet bevoegd is; IX-1518-40/44 8.4.
- Overwegende dat uit geen enkele bepaling blijkt dat de minister van Justitie, voor de toepassing van voormeld artikel 29, achtste lid, van de wet van 27 december 1973, wettelijk verplicht is een advies uit te brengen; 8.4.
- Overwegende dat het niet ter zake dienend is dat de beslissingen met betrekking tot de schorsing bij ordemaatregel zouden zijn genomen zonder het advies van de onderzoeksraad, aangezien dit enkel de onwettigheid van de schorsingsbeslissingen kan tot gevolg hebben; dat de onwettigheid van deze beslissingen, bij gebrek aan een ontvankelijk verzoekschrift, niet meer in aanmerking kan worden genomen; 8.4.
- Overwegende dat, aangezien verzoeker geen gegevens aanvoert met betrekking tot de onwettigheid van de beslissing van 8 september 1995 in de mate hem op 1 oktober 1995, met toepassing van artikel 20 van de wet van 27 december 1973, de graad wordt ontnomen en hij met verlof wordt geplaatst, het zesde middel niet gegrond is; 9.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in een zevende middel de schending aanvoert van de artikelen 39, § 2, 41, § 1, en 42 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna: de bestuurstaalwet) en van de motiveringsplicht; dat hij betoogt dat het verplicht advies van de minister van Justitie van 22 augustus 1995 uitsluitend in het Frans werd opgesteld en geen enkel motief bevat waarom het eensluidend is, terwijl voornoemde bepalingen van de bestuurstaalwet stellen dat, inzake personeelskwesties, de betrekkingen tussen de centrale diensten, evenals alle akten die de betrokkene aanbelangen, in de taal van het personeelslid dienen te geschieden, te dezen in het Nederlands; dat hij erop wijst dat het advies nr. 3.062 van 17 december 1960 van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht dit bevestigt; dat hij voorts betoogt dat artikel 58 van de bestuurstaalwet bepaalt dat alle administra- tieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of inhoud strijdig zijn met de bepalingen van die wet, nietig zijn en dat hij bijgevolg van oordeel is dat de bestreden beslissing waar zij steunt op een nietig en niet gemotiveerd advies, eveneens nietig is wegens miskenning van de bestuurstaalwet; 9.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat de bestuurstaalwet van openbare orde is en er na een vastgestelde schending geen regularisatie mogelijk is; dat hij dan ook besluit dat “hic et nunc” vastgesteld moet IX-1518-41/44 worden dat de bestreden beslissing onwettig en nietig is, omdat een op straffe van nietigheid voorgeschreven substantiële vormvereiste niet werd nageleefd; 9.
- Overwegende dat, wat de schending van de motiveringsplicht betreft, verwezen wordt naar de bespreking van het eerste middel; Overwegende dat de bestuurstaalwet volgende terzake dienende bepalingen bevat: Art.17 : “§
- In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel- Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid: A. Indien de zaak gelocaliseerd of localiseerbaar is: 1/ uitsluitend in het Nederlandse of in het Franse taalgebied: de taal van dat gebied; (...)”; Art.39 : “§
- In hun binnendiensten en in hun betrekkingen met de gewestelijke en plaatselijke diensten uit Brussel-Hoofdstad, gedragen de centrale diensten zich naar artikel 17, § 1, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld onder A, 5/ en 6/, en B, 1/ en 3/, van genoemde bepaling. §
- In hun betrekkingen met de plaatselijke en gewestelijke diensten uit het Nederlandse, het Franse en het Duitse taalgebied, gebruiken de centrale diensten de taal van het gebied. Zij gebruiken het Nederlands in hun betrek- kingen met de diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten. (...)”; Art.41 : “§
- De centrale diensten maken voor hun betrekkingen met de particulier gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. (...)”; Art.42 : “De centrale diensten stellen de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in die van de drie talen waarvan de belangheb- bende particulier het gebruik vraagt. (...)”; IX-1518-42/44 Art.58 : “Zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten. Onverminderd de toepassing van artikel 61, § 4, lid 3, wordt de nietigheid van die handelingen en verordeningen vastgesteld op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij, door de overheid van wie de handelingen en verorde- ningen uitgaan, hetzij naar gelang van het geval en de rangorde van hun respectieve bevoegdheden, door de toezichthoudende overheid, de hoven en rechtbanken of de Raad van State. Wanneer aldus wordt vastgesteld dat handelingen of reglementen nietig zijn wegens hun vorm, worden zij door de overheid, waarvan zij uitgaan, vervangen door bescheiden die naar de vorm regelmatig zijn: die vervanging heeft uitwerking op de datum van het vervangen bescheid.(...)”; Overwegende dat voornoemd artikel 39, § 2, van de bestuurstaal- wet de betrekkingen van de centrale diensten -de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt- met de plaatselijke en gewestelijke diensten betreft en de artikelen 41, § 1, en 42 de betrekkingen van de centrale diensten met particulieren; dat de hier aan de orde staande problematiek betrekking heeft op het advies van de minister van Justitie aan de minister van Binnenlandse Zaken, zijnde een betrekking tussen twee centrale diensten; dat bijgevolg niet de voornoemde artikelen 39, § 2, 41, § 1, en 42 van de bestuurstaalwet in aanmerking moeten worden genomen, maar wel artikel 39, § 1, krachtens hetwelk de centrale diensten zich in hun binnendien- sten gedragen naar artikel 17, § 1, van dezelfde wet; dat krachtens artikel 17, § 1, wanneer de zaak uitsluitend gelocaliseerd of localiseerbaar is in het Nederlandse taalgebied, het Nederlands gebruikt moet worden; dat de onderhavige zaak in het Nederlands afgehandeld diende te worden; dat aldus het Franstalig advies van de minister van Justitie een vormgebrek uitmaakt dat aanleiding geeft tot toepassing van artikel 58 van de bestuurstaalwet; Overwegende dat artikel 58, derde lid, van de bestuurstaalwet de bevoegde overheid toelaat een nietige akte te vervangen; dat de minister van Justitie op 15 februari 1999 in die zin gehandeld heeft door een advies, met volledig dezelfde strekking als het advies van 22 augustus 1995, maar opgesteld in het Nederlands, over te zenden aan de minister van Binnenlandse Zaken; dat daarmee het vormgebrek, dat de wettigheid van de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf initieel aantastte, retroactief ongedaan gemaakt is, zoals artikel 58, derde lid, van de bestuurstaalwet mogelijk maakt; dat het middel niet gegrond is, IX-1518-43/44 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-1518-44/44 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div