← België

Arrest 163695 - - 18/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.695 Rolnummer: A. 177566/IX-5449 Zaak: Arrest 163695 - - 18/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 06:46 Fiche Arrest nr 163.695 van 18 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.695 van 18 oktober 2006 in de zaak A. 177.566/IX-

  1. In zake : Jurgen VERGAERT, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRE, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jurgen VERGAERT op 12 oktober 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 9 september 2006 van de minister van Landsverdediging waarbij hij bij ordemaatregel voor de duur van drie maanden geschorst wordt, evenals van het ministerieel besluit van 28 september 2006 waarbij het voornoemd besluit bekrachtigd wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006, om 11.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van kolonel militair administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-5449-1/7 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker sinds 2 mei 2002 bij de Krijgsmacht in dienst is als kandidaat-beroepsvrijwilliger; dat hij thans de graad van eerste soldaat bekleedt; dat de minister van Landsverdediging met een bij hoogdringendheid getroffen besluit nr. 87.259 van 9 september 2006 verzoeker bij ordemaatregel voor de duur van drie maanden geschorst heeft; dat dit besluit verwijst

(1)naar een gerechtelijk onderzoek tegen verzoeker voor “ernstige feiten die ruimschoots werden becommentarieerd in de media, derwijze dat de militairen en de ambtenaren van het departement en zeker de personen waarmee hij samenwerkt, redelijkerwijze geacht worden kennis te hebben genomen van de ten laste gelegde feiten”,
(2)naar de mogelijkheid dat de aanwezigheid van verzoeker “de tucht in het gedrang brengt” in zoverre de personen met wie hij ambtshalve samenwerkt terughoudend zullen worden of misschien zelfs helemaal niet meer met verzoeker zullen willen samen- werken evenals
(3)naar het feit dat “de ten laste gelegde feiten uitgebreid besproken werden in de pers” zodat “een aanzienlijk deel van de burgerbevolking niet zal begrijpen waarom betrokkene (...) nog steeds aanwezig is in de schoot van Landsverdediging”, hetgeen de goede naam van Landsverdediging in het gedrang brengt “zolang deze feiten hem ten laste gelegd worden”; dat overeenkomstig artikel 14, § 2, derde lid, van de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht, het bij hoogdringendheid getroffen ministerieel besluit van 9 september 2006 op 28 september 2006 door de minister van Landsverdediging bekrachtigd is -het besluit nr. 87.288-, nadat verzoeker in de gelegenheid gesteld werd gehoord te worden, een recht waarvan verzoeker evenwel geen gebruik gemaakt heeft; dat de ministeriële besluiten van 9 en 28 september 2006 het voorwerp vormen van de onderhavige vordering;
  1. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; IX-5449-2/7 3.
  2. Overwegende, wat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker gewag maakt van een moreel en een materieel nadeel; Overwegende, wat het moreel nadeel betreft, dat verzoeker wijst op de aantasting van zijn eer en zijn goede naam; dat hij betoogt dat hij “nu reeds publiekelijk veroordeeld wordt voor het vermeend aankleven van een ‘extreemrechtse ideologie’ en voor daden/feiten die hij zou gepleegd hebben zonder dat in concreto één dergelijk feit wordt aangevoerd, zonder dat de beslissing deugdelijk gemotiveerd wordt alsof (hij) een verwerpelijk sujet is dat aan de publieke verachting moet worden blootgesteld”; dat hij dat nadeel des te ernstiger vindt bij de bedenking dat tegen militairen, die bij de gemeenteraadsverkiezingen kandidaat zijn geweest op lijsten die door de partij van de minister van Landsverdediging als extreem-rechts gekwalificeerd werden, geen maatregelen genomen zijn terwijl dat wel het geval is tegen hem omdat hij in een onderzoek genoemd wordt maar zonder dat zijn naam ooit in de pers genoemd is en het enkel gaat om het “vermeend aankleven van een opinie”; Overwegende, wat het materieel nadeel betreft, dat verzoeker stelt dat hij door de bestreden beslissingen “zijn ambt kan verliezen en dit nooit opnieuw kan bekomen”; dat hij te dien aanzien wijst op het feit dat de schorsing bij ordemaat- regel hem in het kader van zijn vorming voor de toetreding tot het beroepskader als een uitstel wordt aangerekend dat maximaal één jaar kan duren, zodat hij “uiteindelijk zijn hoedanigheid van militair (zal) verliezen” of minstens dat hij voor die periode “geen uitstel om andere redenen meer (zal kunnen) bekomen”; dat volgens hem de schorsing van de beslissing, zo onregelmatig als zij is, kan beletten dat de schade die hij nu reeds ondergaat “nog belangrijker wordt”; Overwegende dat verzoeker ook nog stelt dat de “verlenging van een preventieve schorsing” om een striktere beoordeling van het nadeel vraagt; dat hij terloops ook erop wijst dat de schorsing “gemakkelijk meer dan een jaar kan duren”, gelet op “de traagheid van het gerecht in vele gelijkaardige onderzoeken”; 3.
  3. Overwegende dat de verwerende partij, ter zake van het moreel nadeel, erop wijst dat een schorsing bij ordemaatregel bedoeld is om de goede werking van de dienst te verzekeren zonder dat het vermoeden van onschuld daarbij in vraag wordt gesteld en dat dergelijke maatregel daarom in beginsel geen moreel IX-5449-3/7 nadeel veroorzaakt, dat het aan de verzoeker toekomt om het tegendeel te bewijzen maar dat hij daar niet in slaagt; dat zij zulks als volgt toelicht: de verwijzing naar een ‘publieke veroordeling’ is een niet gestaafde bewering; zo daarmee verwezen wordt naar de aandacht van de pers voor het gerechtelijk onderzoek, dan volgt het nadeel niet uit het bestreden besluit, maar uit het instellen van het gerechtelijk onderzoek of uit de wijze waarop de media hun persvrijheid gebruiken; verzoeker verduidelijkt voorts niet op welke wijze het feit dat de minister in de door verzoeker genoemde omstandigheden geen ordemaatregel zou genomen hebben tegen militairen die kandidaat waren bij de gemeenteraadsverkiezingen, zijn moreel nadeel zou vergroten; Overwegende, wat het aangevoerde materieel nadeel betreft inzake de aanrekening van de bestreden schorsing op het uitstel dat hij in het kader van zijn vorming kan verkrijgen en dat maximaal één jaar kan bedragen, dat de verwerende partij dat nadeel niet moeilijk te herstellen acht, aangezien de verwerende partij na een vernietigingsarrest de situatie van verzoeker zal moeten regulariseren en zij dan geen rekening zal mogen houden met de duur van de schorsing; dat zij ook stelt dat het nadeel verbonden aan het verlies van zijn ambt, eigenlijk niet te wijten is aan de bestreden maatregel, maar aan de statutaire bepalingen die verzoekers rechtstoestand regelen en dat de onwettigheid van de beslissing geen argument kan vormen om het bestaan van een nadeel te aanvaarden; 3.3.
  4. Overwegende vooraf, dat de twee bestreden beslissingen een toepassing vormen van artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 15 februari 2005; dat daarin bepaald is dat de minister van Landsverdediging, wanneer hij oordeelt dat de aanwezigheid van een vrijwilliger in de krijgsmacht nadelig is voor de tucht of de goede naam van de krijgsmacht, deze bij ordemaatregel, die geen tuchtrechtelijk karakter heeft, voor maximaal drie maanden kan schorsen, dat de betrokkene vooraf gehoord moet worden over de ten laste gelegde feiten maar dat in geval van materiële onmogelijkheid om hem te horen of in geval van hoogdringendheid aan het horen voorbijgegaan mag worden met dien verstande dat dit horen onverwijld na de uitspraak gebeurt en dat, in geval van een beroep op de hoogdringendheid, de schorsing vervalt wanneer de minister de schorsing niet bekrachtigd heeft binnen de vijftien werkdagen; dat op 9 september 2006 de schorsing bij hoogdringendheid uitgesproken is en dat de minister op 28 september 2006 dat besluit bekrachtigd heeft na onderzoek van het dossier dat op dat ogenblik voorlag en na verzoeker in de gelegenheid gesteld te hebben zijn IX-5449-4/7 verweer voor te dragen; dat aldus de twee bestreden beslissingen met elkaar verbonden zijn en dat zij tot gevolg hebben dat verzoeker met ingang van 9 september 2006 voor drie maanden bij ordemaatregel geschorst is; dat, vanuit dat oogpunt, verzoeker de tweede bestreden beslissing ten onrechte aanmerkt als een verlenging van de schorsing bij ordemaatregel; 3.3.
  5. Overwegende dat geen enkel gegeven van het dossier erop wijst dat de bestreden besluiten iets anders zouden inhouden dan wat zij zeggen te zijn, te weten een schorsing bij ordemaatregel, een voorzorgsmaatregel die niet van tuchtrechtelijke aard is en die de vraag naar de schuld van verzoeker aan een of andere tenlastelegging buiten beschouwing laat; dat dergelijke maatregel dan ook geen invloed kan hebben op de naam en de faam van verzoeker; dat, aangezien zulks niet het gevolg is van het bestreden besluit, de omstandigheid dat derden de verwijdering uit de dienst als een sanctie kunnen percipiëren en zij verzoeker daarom als schuldig kunnen aanzien voor de misdrijven die de pers in de openbaarheid gebracht heeft -hoewel zelfs te dien aanzien vastgesteld moet worden dat blijkens de stukken die de verwerende partij overlegt de naam van verzoeker daarin nooit genoemd is-, voor de Raad van State geen reden kan zijn om in de aantasting van de goede naam en de eer van verzoeker een reden te zien om de voorlopige verwijdering van verzoeker uit de dienst te schorsen; Overwegende dat verzoeker, met de verwijzing naar de onwettig- heid van de bestreden beslissingen, de voorwaarden aangaande het aanvoeren van ernstige middelen en deze aangaande het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door elkaar haalt; 3.3.
  6. Overwegende, wat het aangevoerde materieel nadeel betreft, dat de partijen het erover eens zijn dat een schorsing bij ordemaatregel een invloed heeft op de periode van vorming waarin verzoeker als kandidaat-beroepsvrijwilliger verkeert, met name doordat de duur ervan aangerekend wordt op het uitstel dat de kandidaat in de loop van de vorming kan verkrijgen en dat globaal niet meer dan één jaar mag bedragen; Overwegende dat verzoeker met de bestreden beslissingen geschorst wordt voor drie maanden; dat hij niet preciseert of hij in het verleden reeds enig uitstel in de vorming genoten heeft zodat niet uitgemaakt kan worden of de aanrekening van drie maanden ten gevolge van deze schorsing, tot gevolg kan hebben IX-5449-5/7 dat het krediet van één jaar overschreden dan wel benaderd wordt; dat de aanreke- ning van de schorsingstermijn op het krediet aan uitstel, met de mogelijkheid om buiten de krijgsmacht geplaatst te worden, dan ook niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in aanmerking wordt genomen, ook al kan aangenomen worden dat een vernietigingsarrest te laat zal komen om de reïntegratie van verzoeker in de krijgsmacht en de voortzetting van zijn vorming in redelijke omstandigheden te verzekeren; dat verzoeker er wel ook op wijst dat de voorlopige schorsing gemakkelijk langer dan een jaar zal duren, mede gelet op de normale duur van een gerechtelijk onderzoek, maar dat, enerzijds, het uitlopen van het gerechtelijk onderzoek niet automatisch moet leiden tot een of meerdere verlengingen van de voorlopige schorsing, nu de verwerende partij om de drie maanden de situatie moet analyseren en op basis van de gegevens die zij op dat ogenblik kan verzamelen uitmaken of er nog altijd concrete aanwijzingen bestaan die maken dat de aanwezig- heid van verzoeker binnen de krijgsmacht de goede werking van de dienst verstoort en dat, anderzijds, in ieder geval elke verlenging van de voorlopige schorsing met een nieuwe vordering tot schorsing bestreden kan worden; 3.
  7. Overwegende dat uit de door verzoeker voorgelegde gegevens niet blijkt dat de bestreden beslissingen hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen, zoals dat vereist wordt om de schorsing te kunnen bevelen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-5449-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien oktober 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5449-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.695 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.