← België

Arrest 163738 - - 19/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.738 Rolnummer: A. 79456/XII-1506 Zaak: Arrest 163738 - - 19/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 06:48 Fiche Arrest nr 163.738 van 19 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.738 van 19 oktober 2006 in de zaak A. 79.456/XII-

  1. In zake : Ronald MEERMANS, die woonplaats kiest bij advocaten E. Van der Mussele en Y. Vanden Bosch, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18 A tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ronald Meermans op 22 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 juni 1998 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het dragen van een verweervuurwapen niet wordt ingewilligd; Gelet op het arrest nr. 76.671 van 27 oktober 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 18 november 1998 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 6 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1506-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van19 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van der Mussele, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker wordt bij vonnis van 3 september 1974 van de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden met uitstel wegens poging tot diefstal met geweld, zware slagen en enkele slagen. Bij vonnis van 17 december 1982 van dezelfde rechtbank wordt hij veroordeeld tot een geldboete van 200 frank wegens openbare zedenschennis. De bewakingsonderneming NV Baron Security dient op 18 november 1997 ten gunste van verzoeker een aanvraag in voor een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen en dit voor het uitvoeren van gewapende bewakingsopdrachten. De procureur des Konings te Antwerpen geeft op 10 februari 1998 aan de gouverneur een negatief advies, dat luidt: “Verwijzend naar uw brief van 5 december 1997 betreffende Meermans Ronald, geboren te Merksem op 28 juli 1955, heb ik de eer U ter kennis te XII-1506-2/7 brengen dat mijn ambt negatief advies verleent aan de aanvraag tot het bekomen van een vergunning voor het dragen van een verweerwapen. Betrokkene ontvangt schietonderricht in het kader van zijn beroeps- werkzaamheden bij de bewakingsonderneming, maar zijn mentale ingesteldheid en persoonlijkheid staan een toelating tot het dragen van een wapen in de weg. Verzoeker is gekend in de notitiën van mijn parket wegens het plaatsgrijpen van gewelddelicten op 1 september 1973 en 10 augustus
  3. De feiten dateren van geruime tijd terug maar het tijdsverloop doet geen afbreuk aan het gewelddadig karakter ervan. Deze feiten werden vervat in het dossier 47.356/
  4. [...]”. Verzoeker reageert in een brief van 3 maart 1998 aan de gouverneur op voormeld advies, stellende dat het steunt op een veroordeling uit het jaar 1974 waarvoor hem bij arrest van 16 maart 1989 van het hof van beroep te Antwerpen eerherstel werd verleend. In een brief van 4 mei 1998 verzoekt de gouverneur de procureur des Konings het dossier opnieuw te willen bekijken, gezien de bijzondere omstandigheden: feiten die bijna 25 jaar oud zijn, eerherstel en ernstige professionele gevolgen voor verzoeker. De procureur des Konings bevestigt in een brief van 25 mei 1998 zijn negatief advies als volgt : “[...] Mijn ambt was en is nog steeds van mening dat gezien één der feiten -daterende van 25 en 17 jaar geleden en ook al volgde er eerherstel (not.nr. 38237/81)-, valt onder de uitsluitingsvoorwaarden van art. 6,1 / van de Wet van 16 april 1990 op de bewakingsonderneming zoals gewijzigd door de wet van 18 juli 1997 dit meebrengt dat geen draagmachtiging kan verleend worden en dat Meermans het beroep van bewakingsagent zelfs niet mag uitoefenen. Sommige veroordelingen brengen immers een levenslang beroepsverbod mee. In casu was dit de veroordeling van 17 december
  5. Deze stelling is ook terug te vinden in een Cassatiearrest van 30 april 1997, RW 97/98, kol. 860 e.v.) met betrekking tot een privé-detective omdat art. 619,2de lid SV. bepaalt dat de wet op eerherstel niet van toepassing is op de veroordelingen die vervallenverklaringen of ontzettingen inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken en in een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, 7/12/83, Pas. II 1984, p. 72). Omwille van de verstrekkende sociale consequenties heeft mijn ambt dit probleem onderzocht en is van mening dat er in casu geen enkele reden is om af te wijken van art. 6 van de Wet op de bewakingsondernemingen. De maatregelen zijn in het algemeen belang genomen”. XII-1506-3/7 De gouverneur neemt op 17 juni 1998 de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd : “Gelet op het ongunstig advies d.d. 10 februari 1998 van de procureur des Konings van Antwerpen die van mening is dat de vergunning moet worden geweigerd, daar betrokkene gekend is in de notitiën van het parket wegens het plegen van gewelddelicten; Gelet op het schrijven d.d. 25 mei 1998 waarin de procureur dit ongunstig advies bevestigt en stelt dat de heer Meermans hieromtrent persoonlijk door hemzelf werd ontvangen en zeer uitgebreid in kennis is gesteld van de reden van zijn advies; Overwegende dat artikel 6, 1/ van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten de uitsluitingsgronden bepaalt voor de uitoefening van het beroep van bewakingsagent; Overwegende dat de veroordeling van 17 december 1982 van betrokkene onder deze uitsluitingsgronden valt”;
  6. De grond van de zaak. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift de bestreden beslissing motiveringsgebreken verwijt; dat hij onder meer doet gelden dat artikel 634 van het Strafwetboek werd geschonden doordat de bestreden beslissing rekening houdt met veroordelingen die vijftien en twintig jaar oud zijn en waarvoor eerherstel werd verleend bij arrest van 16 maart 1989 van het hof van beroep te Antwerpen, dat eerherstel de toekomstige gevolgen van eerdere veroordelingen doet ophouden en het doel van reïntegratie teniet wordt gedaan door een beslissing als de bestreden beslissing; dat hij voorts betoogt dat de beide veroordelingen niet kunnen leiden tot toepassing van artikel 6, 1/, van de voormelde wet van 10 april 1990, op grond waarvan veroordelingen van minstens zes maand verhinderen om in een bewakingsonderneming de in dat artikel bedoelde functies uit te oefenen; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat eerherstel de sociaal- en strafrechtelijke gevolgen van een veroordeling uitwist en tot doel heeft een delinquent de mogelijkheid te bieden in de maatschappij te reïntegreren, hetgeen evenwel niet betekent dat de straf teniet wordt gedaan: betrokkene heeft deze wel degelijk ondergaan, dat het feit dat de veroordeling werd gewist niets verandert aan het bestaan van de feiten en het gewelddadige karakter ervan, wat nog steeds in overweging kan worden genomen bij het uitreiken van een wapenvergunning; dat verwerende partij voorts stelt dat de bestreden beslissing niet is gesteund op het voornoemde artikel 6, 1/; XII-1506-4/7 Overwegende dat de bestreden beslissing in de eerste plaats verwijst naar en steunt zowel op het advies van de procureur des Konings van 10 februari 1998 als zijn schrijven van 25 mei 1998; dat in het advies enerzijds gewag wordt gemaakt van de feiten van 1973 en 1974 die tot de veroordeling van 1974 leidden en in de brief anderzijds verwezen wordt naar de feiten die tot de veroordeling van 1982 aanleiding gaven; dat in het eerstgenoemde stuk de procureur de bedoelde gewelddelicten in aanmerking neemt als gegevens die met verzoekers persoonlijkheid worden verbonden maar in het laatstgenoemde schrijven enkel uitgaat van de voornoemde feiten, als uitsluitingsvoorwaarden in het kader van het voornoemde artikel 6, 1/; Overwegende dat niet wordt betwist dat verzoeker bij arrest van 16 maart 1989 van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten heeft gekregen; dat een herstel in eer en rechten niet tot gevolg heeft dat het verwerende partij a priori verboden zou zijn bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar in het kader van wapenwetgeving is opgedragen, hoe dan ook nog rekening te houden met de feiten die tot de veroordelingen hebben geleid; dat het dan echter wel duidelijk moet zijn dat het op die feiten, en niet op de veroordelingen is dat de overheid zich heeft gesteund; dat bovendien, om zich rechtmatig op die feiten te kunnen steunen, de overheid geacht moet kunnen worden er een voldoende precieze en concrete kennis van te hebben, wat normaal niet het geval is indien haar kennis beperkt blijkt tot de abstracte strafrechtelijke omschrijvingen ervan; dat tevens de overheid met genoegzame zorgvuldigheid moet hebben nagegaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop sindsdien en het herstel in eer en rechten met betrekking tot de betreffende veroordelingen, nog altijd nuttig betrokken kunnen worden bij de beoordeling waarvoor zij staat; dat een en ander in principe op afdoende wijze in de formele motivering van de bestreden beslissing gereflecteerd moet worden; dat zulks te dezen niet het geval is; Overwegende dat de bestreden beslissing voorts, als tweede motief om verzoeker de gevraagde vergunning niet te verlenen, stelt dat “de veroordeling van 17 december 1982 van betrokkene onder [de] uitsluitingsgronden [van artikel 6, 1/, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligings- ondernemingen en de interne bewakingsdiensten] valt”; dat uit het administratief dossier blijkt dat het gaat om een correctionele veroordeling wegens openbare zedenschennis; XII-1506-5/7 Overwegende vooreerst dat deze verwijzing -in tegenstelling tot hetgeen verwerende partij betoogt- zich wel degelijk als een motief voor de bestreden beslissing aandient; dat het echter als dusdanig niet relevant is; dat immers in artikel 6, 1/, van de voormelde wet van 10 april 1990 geen uitsluitingsgronden voor het verkrijgen van een vergunning tot het dragen van een verweerwapen worden bepaald, doch de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om in een bewakingsonderneming, een beveiligingsonderneming of een interne bewakingsdienst een andere dan leidende functie uit te oefenen; dat verzoeker overigens bij het vonnis van 17 december 1982 werd veroordeeld tot een geldboete van 200 frank wegens een zedendelict en niet tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden zoals vereist in artikel 6, 1/, van de wet van 10 april 1990; Overwegende dat hetgeen voorafgaat samengenomen ervan doet blijken dat de bestreden beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd; dat het middel in de besproken mate gegrond is; dat, volledigheidshalve, uit de hierna uitgesproken nietigverklaring niet volgt dat de overheid thans verplicht is de gevraagde vergunning uit te reiken; dat echter, zo zij zich voor een nieuwe weigering zou willen steunen op feiten waarvoor verzoeker destijds is veroordeeld geworden, zij dit overeenkomstig de in aanmerking genomen vernietigingsgrond duidelijk in de nieuwe beslissing moet doen kennen, evenals dat zij van die feiten een deugdelijk beeld heeft en waarom de bewuste feiten spijts het herstel in eer en rechten nog steeds relevant zijn, BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt het besluit van 17 juni 1998 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij de aanvraag tot het verkrijgen ten gunste van Ronald Meermans van een vergunning voor het dragen van een verweervuurwapen niet wordt ingewilligd. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-1506-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1506-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.738 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.76.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.