id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.785 Rolnummer: A. 89806/VII-20540 Zaak: Arrest 163785 - - 19/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 06:51 Fiche Arrest nr 163.785 van 19 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.785 van 19 oktober 2006 in de zaak A. 89.806/VII-20.
- In zake : de stad AALST tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. VAN ACKER, kantoor houdende te GENT, Brugsesteenweg
- tussenkomende partij : de b.v.b.a. G.S. RAND, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN GERWEN, kantoor houdende te AALST, Molendries
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad AALST op 24 februari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 1999 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 1 juli 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. G.S. RAND om een inrichting voor kunststofbewerking aan de Termurenlaan 26 in Aalst te veranderen door uitbreiding; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 april 2000; Gelet op de beschikking van 26 april 2000 die de tussenkomst van de b.v.b.a. G.S. RAND toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; VII-20.540-1/13 Gelet op de beschikking van 12 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van milieuambtenaar J. BLINDEMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat G. LEYNS die, loco advocaat E. VAN ACKER verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. LAMBRECHT die, loco advocaat L. VAN GERWEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt :
- De feiten De tussenkomende partij exploiteert een inrichting voor de verwerking van rubberafval voor hergebruik, aan de Termurenlaan 26 in Aalst. De inrichting ligt in industriegebied volgens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst- Ninove- Geraardsbergen- Zottegem. Op 17 februari 1994 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning op proef voor een termijn van twee jaar. Op 15 februari 1996 weigert de bestendige deputatie een definitieve vergunning. Na beroep door de exploitant verleent de verwerende partij op 30 juli 1996 een vergunning voor een termijn tot 15 februari 2014, voor : - een breekmachine met een vermogen van 47 kW, 3 mengers met een vermogen van elk 2 kW, en 7 persen met een totaal vermogen van 41 kW; VII-20.540-2/13 - de opslag van 150 ton rubber (te vermalen rubberafval, tot korrels vermalen rubberafval, en afgewerkte producten); - de opslag van 400 liter polyurethaan en 50 liter bekistingsmateriaal. Deze vergunning heeft betrekking op de percelen 8p2 en 8v
- De verzoekende partij vraagt de vernietiging van deze vergunning; de afstand van dit beroep zal worden vastgesteld bij arrest nr. 98.851 van 13 september 2001, met toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. Op 9 februari 1999 vraagt de tussenkomende partij een vergunning voor de uitbreiding met een menger en een pers, met een gezamenlijk vermogen van 5,9 kW, en met de opslag van 3.000 liter mazout. Het college van burgemeester en schepenen adviseert gunstig voor een termijn van een jaar op proef, waarbij als voorwaarde zou moeten worden opgelegd dat een naastliggend perceel, nummer 8w2, waarop zonder vergunning rubberafval wordt opgeslagen, zou worden gesaneerd. OVAM adviseert ongunstig, omwille van de onvergunde opslag van afval op perceel 8w
- Op 1 juli 1999 verleent de deputatie de gevraagde vergunning, voor de termijn van de basisvergunning, en zonder de door het college van burgemeester en schepenen gevraagde voorwaarde op te leggen. Ze motiveert dit door te stellen dat de sanering van het perceel 8w2 aan de gang is, en dat het betrokken terrein geen deel uitmaakt van de vergunde inrichting. De verzoekende partij tekent administratief beroep aan tegen deze beslissing. In het kader van de beroepsprocedure worden de voorgeschreven adviezen verleend. In het ongunstige advies van OVAM wordt erop gewezen dat het onvergund opgeslagen afval moest verwijderd zijn tegen 1 juli 1999, wat niet is gebeurd, en dat er mogelijks ambtshalve zal worden gesaneerd. Op 22 december 1999 wordt de bestreden beslissing genomen : het beroep wordt verworpen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : VII-20.540-3/13 "(...) Overwegende dat de inrichting is ondergebracht in een deel van een verouderd fabriekscomplex en dat in dit complex nog andere bedrijven zijn gevestigd; dat in de inrichting rubberen afvalstoffen verwerkt worden tot materialen bruikbaar als verkeersmeubilair zoals verkeerspalen, -drempels, bloembakken; dat de afvalstoffen gemalen worden en gezeefd, gemengd met polyurethaan (als bindmiddel), de gewenste vorm aangemeten en ten slotte geperst worden op ca. 80/C; Overwegende dat het mechanisch vermalen en verwerken van rubberafval tot duurzame eindproducten kadert in de doelstellingen van recuperatie en hergebruik van het afvalstoffenplan; dat rubberafval een moeilijk te recycleren afvalstof is; dat de meeste bedrijven uit de sector zich beperken tot het vermalen van rubberafval als voorbereiding tot verbranding; Overwegende dat de huidige aanvraag betrekking heeft op een nieuw lokaal van het bedrijvencomplex, dat niet onmiddellijk paalt aan de reeds eerder vergunde inrichting; dat dit nieuwe lokaal meer vooraan in het bedrijvencomplex ligt en paalt aan de tuin van de naastliggende woning; Overwegende dat de inrichting is gelegen tussen de spoorweg Aalst-Brussel en de Dender; dat binnen een straal van 100 m van de perceelsgrenzen zich 9 vreemde woningen bevinden; dat tijdens het openbaar onderzoek twee bezwaren zijn ingediend, die o.a. betrekking hebben op visuele hinder, verkeershinder en brandgevaar; Overwegende dat de uitbreiding bestaat uit een meng- en een persmachine met een totaal geïnstalleerd vermogen van 5,9 kW, voor het vervaardigen van tramrailbeschermers en treindwarsliggers; dat de verwarming van de matrijzen gebeurt door middel van warm water waarvoor een kleine stookinstallatie is voorzien (27 kW), die gevoed wordt met mazout; Overwegende dat ondertussen de enkelwandige houder voor mazout van 3.000 l is ingekuipt; Overwegende dat het een kleine uitbreiding betreft (totaal vermogen van de menger en pers: 5,9 kW); dat tijdens het plaatsbezoek de menger en pers in werking waren; dat het geluid afkomstig van de machines minimaal is en de lawaaihinder voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de aanvraag geen aanleiding zal geven tot een aanzienlijke vermeerdering van de transportbewegingen; Overwegende dat er momenteel saneringswerken aan de gang zijn onder toezicht van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij; dat de saneringswerken bestaan uit het afvoeren van opgeslagen rubberafval dat er te veel ligt; dat er momenteel nog ca. 350 ton rubberafval ligt en dat hiervan circa 150 ton nog zou moeten worden afgevoerd; dat de exploitant voorziet dat dit zal gebeurd zijn tegen begin november; dat de rubber wordt afgevoerd naar een bedrijf waar de rubber wordt vermalen en dat daarna de rubber terug komt voor verdere verwerking en hergebruik; dat de exploitant zeker geen rubber meer mag aanvoeren tot zolang de sanering is voltooid; dat bovendien de opslag van rubber nog niet vergund is; Overwegende dat de saneringswerken moeten gebeuren op het perceel 8w2; dat de huidige uitbreidingsaanvraag niet plaatsvindt op desbetreffend perceel en dat de uitbreiding de sanering ook niet belemmert, integendeel door de uitbreiding kan er meer rubberafval worden verwerkt, ca. 12 ton/week; Overwegende dat de exploitant de nodige brand- en poederblusapparaten heeft; dat de nodige muurhaspels nog dienen te worden geplaatst; Overwegende dat tijdens het plaatsbezoek kon worden vastgesteld dat de polyurethaan was opgeslagen conform de bepalingen van titel II van het Vlarem; Overwegende dat de exploitant in mei een aanvullende uitbreidingsaanvraag heeft ingediend voor nog twee mazouthouders, de compressor en de rubberop- slag op het perceel 8w2; VII-20.540-4/13 Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepindiener in de bovenvermelde overwegingen worden geëvalueerd; (...)";
- De ontvankelijkheid 2.1.
- De verwerende en de tussenkomende partij stellen dat het beroep laattijdig is omdat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 23 december 1999 aan de verzoekende partij werd verstuurd. De verwerende partij betoogt wat volgt : "Hieruit kan afgeleid worden dat het aangetekend schrijven werd aangeboden op 24.12.1999 en dus de termijn begon te lopen op 25.12.
- Het verzoekschrift werd bij uw Raad ontvangen op 25.02.2000 zodoende dat kan verondersteld worden dat het werd verstuurd op 24.02.
- Van 25.12.1999 tot 24.02.2000 zijn 62 dagen of dus buiten de termijn van 60 dagen zoals wettelijk voorzien". 2.1.
- De tussenkomende partij stelt dat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij werd betekend op vrijdag 24 december
- Zij baseert zich voor die stelling op het gegeven dat zijzelf die dag de op 23 december verzonden beslissing heeft ontvangen, op artikel 52, 4/, a en c, van Vlarem I, en op het gegeven dat uit de stukken van de verzoekende partij zou blijken dat het besluit haar zou zijn verzonden op 23 december, zodat het annulatieberoep laattijdig is ingediend, en daarom niet ontvankelijk is. 2.1.
- De verzoekende partij stelt daar tegenover het volgende: "(...) Uit het neergelegde administratief dossier blijkt dat het thans betwiste ministerieel besluit bij de stad is ingekomen op 27 december 1999 zodat de termijn is beginnen te lopen op 28 december 1999 terwijl het verzoekschrift werd neergelegd op 24 februari
- Het verzoekschrift werd aldus ontvankelijk neergelegd". 2.1.
- Naar analogie met artikel 53 bis van het gerechtelijk wetboek, dat werd ingevoegd bij de wet van 13 december 2005, kan te dezen worden aangenomen dat de aangetekende zending geacht wordt te zijn ontvangen op de derde werkdag die volgt op de verzending ervan. Uit het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending op donderdag 23 december 1999 aan de post werd afgegeven. Er kan dan ook worden van uitgegaan dat de verzoekende partij de zending heeft ontvangen op maandag 27 december
- Het beroep, dat werd ingediend op 24 februari 2000 is bijgevolg niet laattijdig. De exceptie wordt verworpen. VII-20.540-5/13 2.2.
- In een tweede exceptie ontzegt de verwerende partij aan de verzoekende partij het rechtens vereiste belang. Zij stelt het volgende : "In haar beroepsakte en het aangehechte uittreksel van de notulen van het Schepencollege van de stad Aalst stelt verzoekende partij dat zij een gunstig advies verleende voor een proeftermijn van 1 jaar voor de betrokken aanvraag. Daar werd wel een voorwaarde aan toegevoegd m.b.t. de sanering van een ander perceel. Bij het derde middel zal worden uiteengezet dat beide zaken verschillende voorwerpen behelzen, zodoende dat de stad Aalst moet aanzien worden als gunstig advies hebbende verleend en dus (als) geen belang meer te hebben bij een beroepsprocedure voor uw Raad". 2.2.
- De tussenkomende partij stelt dat de verzoekende partij in gebreke blijft haar belang aan te tonen. 2.2.
- De verzoekende partij antwoordt daarop het volgende : "De stad Aalst zou geen belang hebben bij de beroepsprocedure omdat gunstig advies werd verleend voor een proefperiode van één jaar mits het vervullen van een aantal voorwaarden, zoals onder andere het saneren van de terreinen binnen het jaar. Het thans betwiste besluit neemt onder andere deze voorwaarde niet op". 2.2.
- Een gemeente heeft belang bij een annulatieberoep gericht tegen een milieuvergunning voor een inrichting op haar grondgebied en waartegen zij administratief beroep had ingesteld. De verzoekende partij was en is van oordeel dat de vergunning voor de uitbreiding van de lopende vergunning op de percelen 8p2 en 8v2 moest worden geweigerd om de sanering van perceel 8w2 af te dwingen. De vraag of die koppeling aangewezen en mogelijk was, vormde precies de aanleiding tot de betwisting. De exceptie wordt verworpen.
- Ten gronde 3.1.
- In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de motiveringsplicht. Zij licht het middel als volgt toe : "In het besluit van de Minister wordt verwezen naar het ongunstig advies van de OVAM : 'Gelet op het ongunstige advies van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij'. In het besluit wordt de ongunstige argumentatie van de OVAM niet aangehaald. De OVAM diende conform de procedure (artikel 20, §2, 5/) advies uit te brengen met betrekking tot rubriek 2.2.2.b. Het advies van de OVAM wordt niet verwoord. VII-20.540-6/13 Er wordt niet gemotiveerd waarom het ongunstig advies van de OVAM niet wordt gevolgd". 3.1.
- De verwerende partij verwijst naar een aantal passages uit de bestreden beslissing, waarin volgens haar wel degelijk werd gemotiveerd waarom het ongunstige advies van OVAM niet werd gevolgd en stelt dat in de bestreden beslissing afdoende werd aangetoond waarom de beslissing werd genomen en waarom werd afgeweken van het bewuste advies. 3.1.
- De tussenkomende partij betoogt dat in de bestreden beslissing "wel degelijk op afdoende gemotiveerde wijze het door de stad Aalst geformuleerde bezwaar is tegemoet gekomen en heeft gemotiveerd waarom het ongunstig advies van OVAM niet wordt gevolgd, meer in het bijzonder omdat de saneringswerken bezig zijn, omdat de saneringswerken gebeuren op een perceel dat niet het voorwerp is van de oorspronkelijke uitbreidingsaanvraag en ook omdat door de aangevraagde uitbreiding toe te staan, er meer rubberafval kan verwerkt worden, wat de sanerings- werken dus zal versnellen". 3.1.
- In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij het volgende uiteen : "Verzoekende partij merkt op dat in arrest nr. 50.366 van 24/11/1994 gesteld wordt dat inderdaad het belangrijkste oogmerk van de door de wet van 29 juli 1991 opgelegde motiveringsplicht hierin bestaat dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. In het arrest wordt bijkomend gesteld dat om aan die belangrijke bestaansreden tegemoet te komen, het evenwel niet vereist is dat de inhoud van de tijdens voorbereidende procedure ingewonnen adviezen in de beslissing wordt overgenomen. Dit tenzij de doorslaggevende motieven van de beslissing slechts in die adviezen zouden te vinden zijn. Hogergenoemde impliceert dat gezien de inhoud van de adviezen niet wordt weergegeven in het besluit dat de doorslaggevende motieven niet alleen in die adviezen zouden te vinden zijn. Nochtans haalt de verwerende partij in de memorie van antwoord aan dat de Minister zich bij de beslissing gesteund heeft op adviezen van verschillende adviesverlenende instanties. Gezien deze adviezen niet volledig inhoudelijk weergegeven zijn, kent de verzoekende partij deze motieven niet. Een loutere verwijzing naar de adviezen waarvan de inhoud aan de betrokkenen onbekend is, voldoet niet aan de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht: de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De verwerende partij haalt aan dat wat betreft de omvang van de motiverings- plicht de Wet van 29/07/1991 in artikel 3 stelt dat zowel de juridische als de VII-20.540-7/13 feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, moeten worden vermeld en verder dat de motivering 'afdoende' moet zijn. In het ministerieel besluit van 22.12.1999 wordt niet alleen de inhoud van de adviezen niet afdoende vermeld, bij bepaalde adviezen wordt ook de aard (gunstig of ongunstig) van het advies niet vermeld, zodat volgens verzoeker niet voldaan wordt aan hogergenoemd principe. Daar de strekking van de adviezen van de adviesverlenende overheidsorganen en meer in het bijzonder die van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet is opgenomen in de overweging- en van het bestreden besluit, kan de verzoekende partij niet weten of de motieven waarop het besluit is gesteund aanleunen bij het advies van laatstge- noemde commissie dan wel het weerleggen en de redenen waarom een of meer adviezen al dan niet worden gevolgd en haar onbekend blijven". 3.1.
- De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De reden waarom de gevraagde vergunning niet afhankelijk wordt gesteld van de volledige sanering van het naastgelegen perceel is duidelijk terug te vinden in de bestreden beslissing. De verzoekende partij maakt dit overigens zelf duidelijk door in haar derde middel de feitelijke grond van die motivering te betwisten. Het middel is niet gegrond. 3.2.
- In een tweede middel roept de verzoekende partij de schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt dat in de aanhef van de bestreden beslissing een aantal data worden opgesomd van wijzigingen Vlarem I en II, maar dat daarbij telkens de meest recente wijziging werd vergeten. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij niet aantoont waardoor het door haar aangehaalde argument een wijziging zou hebben meegebracht aan de inhoud van het ministerieel besluit zodat zij geen belang heeft bij het middel. 3.2.
- De tussenkomende partij roept in wezen dezelfde argumentatie in. 3.2.
- De verzoekende partij laat in haar memorie van wederantwoord nog het volgende gelden : "De wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 hebben wel te maken met de op de inrichting van toepassing zijnde rubrieken 2.2.2.b.
- en 17.3.6.1.b. waarover de Minister diende te oordelen. Het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 vervangt in artikel 5, §2, l5/ van ‘het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 27 april 1994 en 12 VII-20.540-8/13 januari 1999' de woorden 'verwijdering van de afvalstoffen' door de woorden 'verwerking van de afvalstoffen'. De wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 waarmee artikel 3.2.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne , gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999' wordt gewijzigd, verwijst naar artikel 5.17.3.
- Artikel 5.17.3.7 betreft een artikel dat handelt over de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders en meer bepaald over de capaciteit van de inkuiping. Het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 wijzigt ook bijlage 5.17.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne , gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 19 januari
- De aangehaalde bijlage 5.17.2 handelt over de bouw en controle van vaste houders voor vloeibare brandstoffen met als hoofdbestanddeel koolwaterstoffen. De aangevraagde mazouttank betreft een nieuwe houder (deze werd niet eerder aangevraagd of vergund). De wijzigingen vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1999 waarmee het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 en het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 worden gewijzigd omvat zeker wijzigingen die van toepassing zijn op het voorwerp van de huidige betwisting". 3.2.
- De verzoekende partij toont niet aan dat door het louter niet vermelden van de laatste wijzigingen van Vlarem I en II bij het nemen van de bestreden beslissing verkeerde normen worden gehanteerd. Bij gebrek aan enige concrete aanwijzing dat de aangevoerde onzorgvuldigheid meer was dan een probleem van tekstredactie, kan deze niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden. Het middel is niet gegrond. 3.3.
- In het derde middel stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing is aangetast door een "foutief beslissingsmotief". Zij citeert uit de bestreden beslissing : "Overwegende dat de saneringswerken moeten gebeuren op het perceel 8w2; dat de huidige uitbreidingsaanvraag niet plaatsvindt op desbetreffend perceel en dat de uitbreiding de sanering ook niet belemmert, integendeel door de uitbreiding kan er meer rubberafval worden verwerkt, ca. 12 ton/week (...)", en merkt het volgende op : "In de oorspronkelijke aanvraag wordt door de exploitant nergens gesteld dat deze uitbreiding zal dienen om het terrein met de illegale rubberopslag (perceel 8w2) te saneren. Uit de oorspronkelijke aanvraag blijkt dat in de laatst ingenomen werkplaats voornamelijk tramrailbeschermers en materialen voor treindwarsliggers worden vervaardigd. Het vermalen binnen de inrichting zou niet rendabel genoeg zijn. De vermalen rubber nodig voor de eigenlijke productie wordt in zakken van 1.000 kg geleverd door derden. Door de uitbreiding kan er meer rubberafval verwerkt worden, doch dit heeft tot op heden niet bijgedragen tot de sanering van het terrein op het perceel 8w
- Het is immers niet duidelijk of alle rubberafval die er reeds jaren ligt nog wel bruikbaar kan zijn". VII-20.540-9/13 Ze citeert nog een tweede passage : "Overwegende dat er momenteel saneringswerken aan de gang zijn onder toezicht van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij; dat de saneringswerken bestaan uit het afvoeren van opgeslagen rubberafval dat er te veel ligt; dat er momenteel nog ca. 350 ton rubberafval ligt en dat hiervan circa 150 ton nog zou moeten worden afgevoerd; dat de exploitant voorziet dat dit zal gebeurd zijn tegen begin november; dat de rubber wordt afgevoerd naar een bedrijf waar de rubber wordt vermalen en dat daarna de rubber terug komt voor verdere verwerking en hergebruik; dat de exploitant zeker geen rubber (meer mag aanvoeren tot zolang de sanering is voltooid; dat bovendien de opslag van rubber) nog niet vergund is (...)". Hierbij merkt ze het volgende op : "Uit navraag bij de OVAM (Marc DE STROOPER) blijkt dat de exploitant op 2 september 1999 gehoord werd bij de OVAM. Tijdens die hoorzitting werd er een afspraak gemaakt waarin de exploitant zich engageerde om tegen november 1999 het terrein te saneren tot de helft van de hoeveelheid die er nog lag. Uit navraag bij de OVAM blijkt dat de exploitant zich niet heeft gehouden aan die afspraak. De Openbare aanbesteding voor de ambtshalve sanering zal worden uitgeschreven en het dossier zal aan de Minister overgemaakt worden voor ambtshalve sanering. De Minister is onvolledig. Ze heeft nagelaten om op datum dat ze heeft beslist te controleren of de exploitant zich gehouden heeft aan de afspraak. Het is onbehoorlijk dat de Minister op 22/12/1999 in haar besluit laat vermoeden dat tegen begin november circa 150 ton nog (zal) afgevoerd worden zonder zich (ervan) te vergewissen of dit gebeurd is. De illegale rubberopslag kan niet aan de milieutechnische eenheid van de onderneming onttrokken worden. Een milieutechnische eenheid wordt gevormd door verschillende ingedeelde inrichtingen zonder onderscheid te maken in de al dan niet vergunde toestand". Tot slot stelt de verzoekende partij het volgende : "Door de Minister wordt in het overwegende gedeelte gesteld dat de exploitant zeker geen rubber meer mag aanvoeren tot zolang de sanering is voltooid. Nochtans werd dit niet afgedwongen door middel van een bijzondere voorwaarde". 3.3.
- De verwerende partij verwijst naar het besluit van 15 februari 1996 waarmee in beroep een definitieve vergunning na proeftermijn werd verleend, voor de percelen 8p2 en 8v2, voor onder meer de opslag van 250 ton rubber (waaronder te vermalen en reeds vermalen rubberafval) en stelt dat de rubberopslag dus niet is aangevraagd in de aanvraag welke voorwerp is van de huidige betwisting, doch wel in de vorige, zodat de thans bestreden beslissing geen enkele invloed, zeker niet in negatieve zin, heeft op de rubberopslag. Zij vervolgt dat in het kader van het thans bestreden besluit dan ook geen weigering kon worden uitgesproken met betrekking tot een beweerde overtreding van een element uit een voorgaande beslissing. VII-20.540-10/13 3.3.
- De tussenkomende partij is van oordeel dat "de beslissing werd (...) genomen na gedetailleerde evaluatie van de verschillende bezwaren van de beroepsindiener en (...) geenszins (werd) genomen op basis van een foutief beslissingsmotief". 3.3.
- In de memorie van wederantwoord laat de verzoekende partij nog het volgende gelden : "De rubberopslag zoals bedoeld op perceel 8w2 wordt wel beschouwd als een afvalstof. Door (de) Milieu-inspectie werden tegen de illegale opslag van rubberafval meerdere processen-verbaal opgesteld. Er werd ook een bevel tot integrale sanering gegeven en momenteel ligt het dossier, om het terrein met afvalstoffen ambtshalve te saneren, bij de OVAM. De illegale rubberopslag kan niet aan de milieutechnische eenheid van de onderneming onttrokken worden. Een milieutechnische eenheid wordt gevormd door verschillende ingedeelde inrichtingen zonder onderscheid te maken in de al dan niet vergunde toestand". Wat betreft het ontbreken van een bijzondere voorwaarde die verbiedt nieuw rubberafval aan te voeren totdat de sanering is voltooid, schrijft de verzoekende partij : "Dit vormde in principe ook niet het voorwerp van het door de verwerende partij aangehaalde Ministerieel Besluit. Nochtans vond de Minister het bij het voorgaande Ministerieel besluit van 1996 wel relevant". 3.3.
- Het middel lijkt zo te moeten worden begrepen dat wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing is gebaseerd op verkeerde feitelijke uitgangs- punten. Opdat dergelijk middel gegrond zou zijn, zou moeten blijken dat de doorslaggevende motieven van de beslissing berusten op verkeerde feiten; dat dus de overheid, indien zij correct zou zijn ingelicht, anders zou hebben beslist. VII-20.540-11/13 De verzoekende partij betwijfelt ten eerste of de thans vergunde uitbreiding de sanering zal bevorderen. Het decisief element van de bestreden beslissing is het gegeven dat de gevraagde uitbreiding de sanering (op het naastgele- gen perceel) niet belemmert. Dat de uitbreiding de sanering zelfs nog zou bespoedi- gen is een bijkomende en bijkomstige overweging. Men kan bezwaarlijk aannemen dat de verwerende partij de vergunning zou hebben geweigerd wanneer zij zou hebben aangenomen dat de uitbreiding alleen maar de sanering niet zou belemmeren, zonder ze ook nog eens te bespoedigen. Ten tweede heeft de verwerende partij, steeds volgens de verzoekende partij, ten onrechte verondersteld dat de sanering volgens de met OVAM gemaakte afspraak was verlopen, en er sinds november 1999 weer 150 ton afval was verwijderd. Zoals gezegd heeft de verwerende partij echter in essentie overwogen dat de uitbreiding andere percelen betrof dan het te saneren perceel, en dat de uitbreiding de sanering niet zou belemmeren. Er wordt niet aangetoond dat een precieze kennis van de vooruitgang van de sanering aanleiding zou zijn geweest om de vergunning te weigeren. Het middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.540-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.540-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.785 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.