id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.786 Rolnummer: A. 96581/VII-23070 Zaak: Arrest 163786 - - 19/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 06:53 Fiche Arrest nr 163.786 van 19 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.786 van 19 oktober 2006 in de zaak A. 96.581/VII-23.
- In zake : de stad AALST tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- tussenkomende partij : de b.v.b.a. G.S. RAND, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN GERWEN, kantoor houdende te AALST, Molendries
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad AALST op18 oktober 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 7 augustus 2000 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 3 februari 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende enerzijds het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. G.S. RAND om een inrichting voor kunststofbe- werking aan de Termurenlaan 26 in Aalst te veranderen door uitbreiding en anderzijds het weigeren van de vergunning om op dezelfde plaats een opslagplaats voor 200 ton rubberafval toe te voegen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 16 februari 2001; Gelet op de beschikking van 26 februari 2001 die de tussenkomst van de b.v.b.a. G.S. RAND toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-23.070-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van milieuambtenaar J. BLINDEMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. LAMBRECHT die, loco advocaat L. VAN GERWEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt :
- De feiten De tussenkomende partij exploiteert een inrichting voor de verwerking van rubberafval voor hergebruik, aan de Termurenlaan 26 in Aalst. De inrichting ligt in industriegebied volgens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen- Zottegem. Op 17 februari 1994 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning op proef voor een termijn van twee jaar. Op 15 februari 1996 weigert de bestendige deputatie een definitieve vergunning. Na beroep door de exploitant verleent de verwerende partij op 30 juli 1996 een vergunning voor een termijn tot 15 februari 2014, voor : VII-23.070-2/11 - een breekmachine met een vermogen van 47 kW, 3 mengers met een vermogen van elk 2 kW, en 7 persen met een totaal vermogen van 41 kW; - de opslag van 150 ton rubber (te vermalen rubberafval, tot korrels vermalen rubberafval, en afgewerkte producten); - de opslag van 400 liter polyurethaan en 50 liter bekistingsmateriaal. Deze vergunning heeft betrekking op de percelen 8p2 en 8v
- De verzoekende partij vraagt de vernietiging van deze vergunning; de afstand van dit beroep zal worden vastgesteld bij arrest nr. 98.851 van 13 september 2001, met toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. Op 9 februari 1999 vraagt de tussenkomende partij een vergunning voor de uitbreiding met een menger en een pers, met een gezamenlijk vermogen van 5,9 kW, en met de opslag van 3.000 liter mazout. Het college van burgemeester en schepenen adviseert gunstig voor een termijn van een jaar op proef, waarbij als voorwaarde zou moeten worden opgelegd dat een naastliggend perceel, nummer 8w2, waarop zonder vergunning rubberafval wordt opgeslagen, zou worden gesaneerd. OVAM adviseert ongunstig, omwille van de onvergunde opslag van afval op perceel 8w
- Op 1 juli 1999 verleent de deputatie de gevraagde vergunning, voor de termijn van de basisvergunning, en zonder de door het college van burgemeester en schepenen gevraagde voorwaarde op te leggen. Ze motiveert dit door te stellen dat de sanering van het perceel 8w2 aan de gang is, en dat het betrokken terrein geen deel uitmaakt van de vergunde inrichting. Het college van burgemeester en schepenen tekent administratief beroep aan tegen deze beslissing. Op 22 december 1999 wordt daarover een beslissing genomen: het beroep wordt verworpen. De verzoekende partij dient bij de Raad van State tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring. Bij arrest nr. 163.785 van heden wordt dit beroep verworpen. Terwijl de vergunningsprocedure ingevolge de aanvraag van 9 februari 1999 nog loopt, dient de tussenkomende partij reeds een nieuwe aanvraag in. Thans wordt een vergunning gevraagd, in hoofdzaak, voor de bijkomende opslag van 200 ton rubberafval op perceel 8w
- VII-23.070-3/11 Op 25 oktober 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies over de aanvraag. Op 3 februari 2000 weigert de bestendige deputatie de opslag van rubberafval, omdat zij van oordeel is dat de bestaande situatie eerst moet worden gesaneerd. De uitbreiding met een luchtcompressor van 7,5 kW, de uitbreiding van de opslag van polyurethaan met 2.800 liter en de uitbreiding van de opslag van mazout met 2.700 liter worden wel vergund. De tussenkomende partij tekent administratief beroep aan tegen de weigering van de vergunning voor de opslag van het rubberafval. De in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen waren alle gunstig. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt in haar advies voor als voorwaarde op te leggen dat alle niet-bruikbaar rubberafval moet worden verwijderd vóór 1 april 2000, en dat voortaan alle rubberafval in containers dient te worden opgeslagen. Op 7 augustus 2000 wordt de bestreden beslissing genomen: de vergunning wordt verleend voor de opslag van 200 ton rubberafval, onder de voorwaarden voorgesteld door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. De motivering luidt als volgt : "(...) Overwegende dat het beroep, ingediend door de exploitant uitsluitend betrekking heeft op het weigeren van de vergunning voor de opslag van 200 ton rubberafval; Overwegende dat de inrichting is ondergebracht in een deel van een verouderd fabriekscomplex en dat in dit complex nog andere bedrijven zijn gevestigd; dat in de inrichting rubberen afvalstoffen verwerkt worden tot materialen bruikbaar als verkeersmeubilair zoals verkeerspalen, -drempels, bloembakken; dat de afvalstoffen gemalen worden en gezeefd, gemengd met polyurethaan (als bindmiddel), de gewenste vorm aangemeten en ten slotte geperst worden op ca. 80/ C; dat het malen van rubberafval grotendeels gebeurt door derden en slechts beperkt in de inrichting zelf; Overwegende dat het mechanisch vermalen en verwerken van rubberafval tot duurzame eindproducten kadert in de doelstellingen van recuperatie en hergebruik van het afvalstoffenplan; dat rubberafval een moeilijk te recycleren afvalstof is; dat er in het Vlaamse Gewest nog steeds een grote behoefte is aan inrichtingen voor het verwerken van rubberafval; dat de meeste bedrijven uit de sector zich beperken tot het vermalen van rubberafval als voorbereiding tot verbranding; Overwegende dat de inrichting is gelegen tussen de spoorweg Aalst-Brussel en de Dender; dat het bedrijventerrein paalt aan een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen (school); dat het terrein voor de rubberopslag op VII-23.070-4/11 ca. 250 m van de school is gelegen en op ca. 150 m van de dichtste woning; dat tijdens het openbaar onderzoek één bezwaar is ingediend, dat betrekking heeft op de ligging, visuele hinder en de vrees voor brandgevaar; Overwegende dat bij ministerieel besluit van 30 juli 1996 in totaal 150 ton rubber (totaal voor te vermalen rubberafval, tot korrels vermalen rubberafval en afgewerkte producten) is vergund op de perceelnrs. 8/P/2 en 8/V/2 voor een termijn verstrijkend op 15 februari 2014; dat dit in de praktijk alleen de vermalen rubberafval en de afgewerkte producten zijn, die worden opgeslagen op de betreffende percelen; Overwegende dat de huidige aanvraag voor de rubberafval betrekking heeft op het perceelnr. 8/W/2, dat paalt aan de andere percelen, maar verder is gelegen van woningen en de school; dat het hier voornamelijk gaat over te vermalen rubber; Overwegende dat reeds enige jaren zonder vergunning rubberafval wordt opgeslagen op perceelnr. 8/W/2; dat er nog steeds saneringswerken aan de gang zijn onder toezicht van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij om de opgeslagen niet bruikbare rubberafval af te voeren; Overwegende dat de exploitant ruimschoots de tijd heeft gehad om de volledige illegale rubberafvalopslag te sorteren in bruikbaar en niet bruikbaar rubberafval en om de restafval (een grote hoeveelheid hout, metaal en stenen) af te voeren; Overwegende dat de exploitant problemen heeft gehad met het vinden van een verwerker voor de grote massieve volrubberbanden die reeds diverse jaren op het betrokken terrein liggen; dat hij hiervoor nu een oplossing heeft bij Indaver-Aertsen; Overwegende dat de exploitant sedert mei 1999 circa 118 ton rubberafval liet verwijderen; Overwegende dat er op 6 april 2000, door de Openbare Afvalstoffenmaat- schappij is vastgesteld dat er nog ca. 180 ton rubberafval op de onverharde bodem van het terrein 8/W/2 ligt; dat uit de facturen overhandigd op de GMC blijkt dat er ondertussen nog ca. 80 ton is verwijderd waardoor er momenteel nog ca. 100 ton ligt; Overwegende dat de exploitant gesteld heeft dat al de niet bruikbare rubberafval zal verwijderd zijn tegen 1 april 2001; dat het bijgevolg aangewezen is om dit op te leggen als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.2.2.4.2., §2, van titel II van het Vlarem de opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, dient te gebeuren op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardig verharding met een afwateringssysteem; dat in afwijking hiervan de opslag kan gebeuren op een geschikte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding; dat het niet-bruikbare rubberafval regelmatig moet worden afgevoerd naar een vergunde inrichting voor verwijdering; dat lange opslagtijden dienen vermeden te worden; dat het hier aangewezen is om al de rubberafval op te slaan in containers; Overwegende dat het bedrijf gemiddeld 100 ton, maximum 120 ton rubberafval per maand verwerkt zodat zij permanent toch 200 ton grondstof dient te kunnen opslaan om de continuïteit in de productie te kunnen garanderen; Overwegende dat in de bestreden beslissing gesteld is dat rubriek 2.2.1.c.
- van de indelingslijst van toepassing is voor de opslag van de rubberafval; dat in de indelingslijst staat dat indien het sorteren deel is van andere ingedeelde handelingen op afvalstoffen, rubriek 2.2.
- wegvalt; dat bijgevolg de opslag van de rubberafval beter kan ingedeeld worden in rubriek 2.2.2, f), 2/ 'de opslag en mechanisch behandeling van andere niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 100 ton'; VII-23.070-5/11 Overwegende dat bovendien de reeds vroeger vergunde opslag van max. 150 ton ook onder deze rubriek is vergund; dat de aanvraag bijgevolg een uitbreiding betreft van de opslagcapaciteit van 150 ton tot 350 ton rubberafval; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener in de bovenvermelde overwegingen worden geëvalueerd; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen; (...)".
- De ontvankelijkheid 2.1.
- De verwerende partij stelt dat de verzoekende partij geen machtiging voorlegt van de gemeenteraad om het beroep tot nietigverklaring in te leiden. 2.1.
- De machtiging vereist door artikel 270, tweede lid van de Nieuwe Gemeentewet die van toepassing was op het ogenblik van het indienen van het beroep, kon worden gegeven tot aan het sluiten van de debatten. Bij de memorie van wederantwoord is een uittreksel gevoegd uit de notulen van de gemeenteraadszitting van 28 november 2000, waaruit blijkt dat de gemeenteraad machtiging heeft gegeven om het annulatieberoep in te stellen. De exceptie wordt verworpen. 2.2.
- De tussenkomende partij stelt dat de bestreden beslissing aan de verzoekende partij werd betekend op donderdag 17 augustus
- Zij baseert zich voor die stelling op het gegeven dat zijzelf die dag de op 16 augustus verzonden beslissing heeft ontvangen, op artikel 52, 4/, a en c, van Vlarem I, en op het gegeven dat uit de stukken van de verzoekende partij zou blijken dat het besluit haar zou zijn verzonden op 16 augustus, en stelt dat bijgevolg het annulatieberoep laattijdig is ingediend, en daarom niet ontvankelijk. 2.2.
- Het dossier bevat geen enkel bewijs van de datum van de betekening aan de verzoekende partij. Het bevat evenmin een bewijs van de datum van de verzending ervan. De verzoekende partij legt een stuk voor waaruit blijkt dat de betekening werd ontvangen op (maandag) 21 augustus
- Dat de verzending volgens Vlarem I had moeten gebeuren dezelfde dag als de verzending aan de tussenkomende partij, bewijst niet dat dit ook is gebeurd. De exceptie wordt verworpen. VII-23.070-6/11 2.3.
- Voorts ontzegt de verwerende partij aan de verzoekende partij het rechtens vereiste belang. Zij stelt het volgende : "De verzoekende partij geeft niet de minste uitleg m.b.t. het belang dat zij zou hebben bij het annulatieberoep. Gezien dit belang niet evident is en gezien de verzoekende partij niet in het minst aangeeft waaruit haar door Uw Raad te toetsen belang wel zou kunnen bestaan, dient de vordering bij gemis aan belang als onontvankelijk te worden afgewezen". 2.3.
- De tussenkomende partij stelt dat de verzoekende partij in gebreke blijft haar belang aan te tonen. 2.3.
- Een gemeente heeft belang bij een annulatieberoep gericht tegen een milieuvergunning voor een inrichting op haar grondgebied, en waarover zij een ongunstig advies heeft gegeven. De exceptie wordt verworpen.
- Ten gronde 3.
- De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van "de bepalingen van het VLAREM II". Ze haalt de volgende passage aan uit de motivering van de bestreden beslissing : “Overwegende dat overeenkomstig artikel 5.2.2.4.2., §2, van titel II van het Vlarem de opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, dient te gebeuren op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardig verharding met een afwateringssysteem; dat in afwijking hiervan de opslag kan gebeuren op een geschikte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding; dat het niet-bruikbare rubberafval regelmatig moet worden afgevoerd naar een vergunde inrichting voor verwijdering; dat lange opslagtijden dienen vermeden te worden; dat het hier aangewezen is om al de rubberafval op te slaan in containers; (...)". Ze citeert vervolgens artikel 5.2.2.4.2, §§ 2 en 3, van Vlarem II: "§
- De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Niet nuttig toepasbare afvalstoffen mogen buiten de sorteervloer enkel in containers worden opgeslagen. De opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem. §
- In afwijking van §1 en §2 gebeurt het opslaan en behandelen van inerte afvalstoffen op een geschikte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding". Ze stelt dan het volgende : VII-23.070-7/11 "De Minister kan volgens dat artikel dus niet zomaar afwijken, daar rubberafval geen inerte afvalstof is. Individuele afwijkingen kunnen volgens de bepalingen van hoofdstuk 1.2 van Vlarem II en de daarin vastgelegde procedure door de exploitant van de inrichting worden aangevraagd". Ze verwijst naar de opsomming in artikel 5.2.2.4.1, §1, van de vaste afvalstoffen die in een inrichting voor het opslaan en behandelen van ongevaarlijke afvalstoffen kunnen worden verwerkt. Die opsomming bevat, onder meer : "3/ inerte afvalstoffen: a) reststoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzon- dering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector; b) reststoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of quartair tijdperk behoren (zand- klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen); 4/ inerte afvalstoffen verontreinigd met asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector, met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten". 3.
- De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende : "(...) In de bestreden beslissing werd bepaald dat alle rubberafval dient opgeslagen te worden in containers en dat lange opslagtijden dienen vermeden te worden.(stuk 7) Uit deze bijkomende voorwaarden die ook nog eens in het beschikkend gedeelte van de beslissing werden opgenomen blijkt dat de rubberafval zeer regelmatig moet worden afgevoerd. De opslag van dit rubberafval kan enkel gebeuren in containers. Rubber heeft qua chemische structuur de eigenschap (...) dat het pas na lange blootstelling aan water reageert. Door de bepalingen van de vergunning is een lange blootstelling aan water uitgesloten. De rubber op de in casu vergunde opslagplaats komt dus overeen met de 'inerte afvalstoffen'. Er is in ieder geval voldaan aan de ratio legis, in concreto, van de ingeroepen bepaling. Dienvolgens was een vloeistofdichte vloer in casu niet vereist". 3.
- De tussenkomende partij laat het volgende gelden : "Gezien in het dispositief van het besluit dd.7.8.2000 letterlijk is opgenomen : '3/ aan artikel 3 worden onder 'sectorale milieuvoorwaarden' de volgende voorwaarden toegevoegd : '
- De sectorale milieuvoorwaarden vervat in de volgende bijlagen gevoegd bij het ministerieel besluit waarmee uitspraak is gedaan over het beroep tegen onderhavig besluit : a) Vlarem V07: verwerking afvalstoffen - algemeen: afdeling.5.
- 1.
- tot en met 5.2.1.9; VII-23.070-8/11 b) Vlarem V13: inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke afvalstoffen : art.5.2.2.
- tot en met 5.2.2.4.2''. Is er aldus expliciet melding gemaakt van de verplichte toepassing van de bepalingen van de art.5.2.2.4.1 tot en met 5.2.2.4.2 Vlarem II. De expliciete toevoeging in het dispositief van het besluit dd.7.8.2000 onder art.2.4/, m.n. 'Aan art. 3 worden de volgende bepalingen toegevoegd : - Bijzondere milieuvoorwaarden: - op het perceelnr 8w2 dient de rubberafval te worden opgeslagen in containers'; is een verduidelijking van art.5.2.2.4.2, §2 ('De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren OF in containers.”) en betekent dus dat de nuttig toepasbare gesorteerde materialen in containers moeten opgeslagen worden, wat geenszins afbreuk doet, zoals de Stad Aalst laat uitschijnen, aan de verdere toepassing van art.5.2.2.4.2, §2 m.n. dat de niet nuttig toepasbare afvalstoffen buiten de sorteervloer eveneens in containers dienen te worden opgeslagen. Het ministerieel besluit dd.7.8.2000 houdt dus geenszins een schending van de bepalingen van Vlarem in, doch is er de correcte toepassing van". 3.
- Artikel 5.2.2.4.2, §2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), luidt als volgt : "De opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.” Er wordt weliswaar ook bepaald dat de opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, maar deze mogelijkheid geldt slechts eens de aangevoerde afvalstoffen zijn gesorteerd en doet geen afbreuk aan de verplichting om, wanneer gekozen is voor opslag in containers, deze containers op een vloeistofdichte verharding met afwateringssysteem te plaatsen. Vlarem II voorziet enkel in een uitzondering voor inerte afvalstoffen, in artikel 5.2.2.4.2.,§ 3 : "In afwijking van §1 en §2 gebeurt het opslaan en behandelen van inerte afvalstoffen op een geschikte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding". Artikel 5.2.2.4.1, § 1 bepaalt wat inerte afvalstoffen zijn voor de toepassing van deze bepaling : VII-23.070-9/11 "3/ inerte afvalstoffen : a) reststoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzon- dering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector; b) reststoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of quartair tijdperk behoren (zand- klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen) (...)". Nergens in de bepalingen van subafdeling 5.2.2.4 wordt gezegd dat de vergunningverlenende overheid andere afvalstoffen kan gelijkstellen met de aldus omschreven inerte afvalstoffen. De verzoekende partij stelt dan ook terecht dat een afwijking van deze sectorale voorwaarde enkel zou kunnen worden toegestaan via de procedure van afdeling 1.2.2 van Vlarem II. Het middel is gegrond, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 7 augustus 2000 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 3 februari 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende enerzijds het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. G.S. RAND om een inrichting voor kunststofbewerking aan de Termurenlaan 26 in Aalst te veranderen door uitbreiding en anderzijds het weigeren van de vergunning om op dezelfde plaats een opslagplaats voor 200 ton rubberafval toe te voegen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-23.070-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien oktober tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.070-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.786 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.