← België

Arrest 163915 - - 20/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.915 Rolnummer: A. 172153/X-12797 Zaak: Arrest 163915 - - 20/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 07:02 Fiche Arrest nr 163.915 van 20 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.915 van 20 oktober 2006 in de zaak A. 172.153/X-12.

  1. In zake : Lutgarde VAN BUGGENHOUT, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen :
  2. de gemeente WILLEBROEK, die woonplaats kiest bij Advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  4. tussenkomende partij : de nv EURINPRO BELGIUM, die woonplaats kiest bij Advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Lutgarde VAN BUGGENHOUT op 18 april 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 14 februari 2006 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek waarbij aan nv Eurinpro Belgium de stedenbouwkundige vergunning is verleend tot ontbossing en het oprichten van een logistiek gebouw op een perceel gelegen te Willebroek, Kersdonk 7 , kadastraal bekend sectie C, nrs. 142 (deel), 144/G (deel), 144H, 145A, 146, 147, 148C, 165B; 165C, 166, 167, 168, 169/A, 171, 178/A, 179, 180, 181/B, 182/A, 182/C en 182/E; Gezien de nota's van de verwerende partijen; X-12.797-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. CHEYNS die loco Advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat G. BERVOETS die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat J. CLAES die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat P. PEETERS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de nv EURINPRO BELGIUM met een verzoekschrift van 9 mei 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoekende partij in de vordering tot schorsing doet gelden wat volgt: "De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing veroorzaakt in hoofde van verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het nadeel dat verzoekster ondervindt van de bestreden beslissing situeert zich op verschillende vlakken. Ten eerste is het zo dat, nu de percelen waarop de werken betrekking hebben X-12.797-2/6 rechtsreeks palen aan de eigendom waar verzoekster woont, zij door het zicht op de aangevraagde constructie gehinderd wordt. Tot voor kort keek zij immers uit op een bosgebied en graslanden, waar nu een enorm industrieel complex van meer dan 71.000 m2 wordt ingeplant. Zoals blijkt uit de foto's in bijlage, zijn de werken reeds gestart en worden zij in een enorm snel tempo uitgevoerd. Door de omvang van de constructie heeft verzoekster er een rechtsreeks zicht op, hetgeen door de foto's wordt aangetoond. Dit op zich geeft aan verzoekende partij een onmiddellijk en moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Ten tweede ondervindt verzoekende partij aanzienlijke lawaaihinder. Deze doet zich nu reeds voor door de uitvoering van de werken. Zoals blijkt uit de foto's wordt voor de uitvoering immers gebruik gemaakt van een zogenaamde 'werfweg' die vlak achter de eigendom van verzoekster gelegen is (en die 'toevallig' ook samenvalt met de plaats waar - zogenaamd in een latere fase - een toegangsweg naar de site wordt voorzien. Deze toegangsweg is uitdrukkelijk niet vergund, zoals blijkt uit het bindende advies van de Gemachtigde Ambtenaar). De aan- en afrijdende vrachtwagens zorgen voor lawaaihinder. Maar ook eenmaal de site gebouwd is zal het vrachtvervoer dat door het complex wordt aangetrokken, voor aanzienlijke lawaaihinder zorgen. Het gaat immers om een logistiek centrum voor de opslag en distributie van goederen. Uit de bespreking van de middelen blijkt dat verkeer over het kanaal nog niet mogelijk is zodat alle aan- en afvoer noodzakelijkerwijze over de weg gebeurt. Deze zullen dan ook meermaals per dag langs de percelen van verzoekster razen. Schenker's Logistic, het bedrijf dat gevestigd is in de gebouwen die in de eerste fase werden gebouwd, zorgt op dit moment reeds voor aanzienlijke hinder door haar aan- en afrijdende vrachtwagens. Deze hinder zal alleen nog toenemen door een nieuw logistiek centrum met niet minder dan 7 units! Ten derde zal de constructie ook zorgen voor aanzienlijke stofhinder. Niet alleen de aan- en afrijdende vrachtwagens, zowel voor de bouw als tijdens de exploitatie van de site zullen hiervoor verantwoordelijk zijn. Ook stelt zich specifiek voor deze zaak het probleem van de asbesthinder. Zoals gesteld zijn de percelen waarop het complex gebouwd zal worden, gelegen vlak naast een erkende stortplaats met asbesthoudend afval, afkomstig van de NV ETERNIT. Deze stortplaats is volledig omheind en wordt niet aangeraakt naar aanleiding van de vergunde werken. Niettemin bevindt zich op de andere percelen rond deze stortplaats ook asbest, zij het dat dit door de overheid - ten onrechte - niet als dusdanig wordt erkend, met uitzondering van de verhoogde berm die zich tussen de percelen van Eurinpro en de baan Kersdonck bevindt (zie stuk 16 : persmededeling minister Peeters) Welnu, het is net in die verhoogde berm dat de reeds eerder vernoemde 'tijdelijke' toegangsweg is aangelegd, zonder dat hiervoor enige toelating of vergunning voorhanden was. Door het gedeeltelijk verwijderen van de berm, door het constant aan- en afrijden over een perceel waarvan geweten is dat het asbest bevat, ondervindt verzoekende partij hinder. Het is algemeen bekend, en ook wetenschappelijk aanvaard dat asbest aanzienlijke gezondheidsschade kan veroorzaken, met uiteindelijk de dood tot gevolg. Dit geldt niet alleen voor diegene die beroepsmatig gewerkt hebben met asbest, maar ook voor omwonenden (...). Verzoekende partij, die vlakbij woont, loopt dan ook een aanzienlijk gezondheidsrisico door het stof dat bij de uitvoering van de werken vrijkomt. Tenslotte blijkt ook uit de bespreking van het derde middel dat het risico op overstromingen en waterschade voor verzoekende partij zeer groot is. Zoals gesteld wordt immers een groot natuurlijk overstromingsgebied verhard, zonder dat hiervoor voldoende compenserende maatregelen getroffen worden. Doordat X-12.797-3/6 het water ingeval van overstroming niet meer terecht kan in het overstromingsgebied, noch kan opgevangen worden door de Bosbeek en het kanaal (die beiden op dat moment zelf oververzadigd zullen zijn) zal het zich een andere weg zoeken en onvermijdelijk voor hinder zorgen bij verzoekende partij en de rest van de omwonenden"; Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in de aangevochten beslissing; dat het aan de verzoekende partij toekomt concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit kan blijken dat zulks het geval is; dat te dezen de bestreden vergunning tot voorwerp heeft het ontbossen van het terrein en het oprichten van logistieke gebouwen bestaande uit opslagruimten en kantoren met een totaal bebouwde oppervlakte van 71.355 m²; dat daargelaten de vraag of de hierna aangehaalde nadelen met voldoende concrete en precieze gegevens onderbouwd zijn in het verzoekschrift, het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel betrokken op het hinderen van het uitzicht, de lawaai- en stofhinder veeleer zijn rechtstreekse oorsprong blijkt te vinden in de bestemmingen die het gewestplan Mechelen aan de betrokken percelen heeft gegeven - m.n. gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen wat de percelen betreft waarop de toegangsweg en de parking worden vergund en industriegebied wat de vergunde gebouwen van het logistiek complex zelf betreft - en niet in de bestreden vergunning die deze bestemmingen realiseert; dat deze nadelen te dezen bijgevolg niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat wat de inplanting in de bufferzone betreft van een bergingsbekken, de verzoekende partij in haar uiteenzetting niet het gegeven betrekt dat dit wordt beplant zodat de Raad niet in staat is de merites van deze bewering te onderzoeken; dat overigens wat het nadeel betrokken op het uitzicht betreft, niet ernstig wordt betwist dat de uitvoering van de werken dermate gevorderd is derwijze dat een schorsing van de bestreden beslissing niet het door de verzoekende partij beoogde nuttig effect kan ressorteren; dat, daargelaten de vraag of de navolgende aangevoerde nadelen met voldoende concrete en precieze gegevens onderbouwd zijn in het verzoekschrift, de nadelen volgend uit de hinder die de verzoekende partij stelt te ondervinden wegens het uitvoeren van de werken, een tijdelijk nadeel is waarvan - mocht de ernst ervan in casu worden aangenomen - de moeilijke herstelbaarheid ervan in casu niet wordt aangetoond; dat de verzoekende partij geen gegevens aanbrengt dat dit te dezen wel het geval is; dat zeer specifiek wat het betoog inzake het asbestgevaar betreft, de verzoekende partij zelf erkent dat de site van de asbeststortplaats van de nv Eternit volledig afgezonderd en omheind is en niet aangeroerd wordt door de tenuitvoerlegging van de vergunde werken en handelingen; dat bovendien de eerste verwerende partij er terecht op wijst X-12.797-4/6 dat de thans bestreden vergunning is verleend onder de voorwaarde dat "voor de aanleg van de tijdelijke toegangsweg naar de bouwplaats en de afvoerbuis (...) de uitgegraven materialen afgevoerd (moeten) worden naar een vergunde verwerkingsinrichting (en dat) de overige delen van het terrein waar asbesthoudende materialen gevonden zijn, (...) afgedekt (moeten) worden overeenkomstig de richtlijnen van OVAM en omheind"; dat de verzoekende partij deze vergunningsvoorwaarde niet betrekt in haar uiteenzetting; dat in deze concrete context het aangevoerde risico op gezondheidsschade dan ook niet meer dan een hypothetisch karakter heeft; dat wat tenslotte de vrees voor waterschade betreft, de verzoekende partij een algemeen en niet op concrete gegevens steunende uiteenzetting geeft en inzonderheid in haar uiteenzetting niet het feit betrekt dat het vergunde project een aantal maatregelen bevat die precies dit gevaar beogen in te perken, derwijze dat de Raad deze blote bewering niet op zijn merites kan onderzoeken; dat bovendien de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat haar woning of eigendom in dit opzicht groot gevaar loopt; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  6. Het verzoek tot tussenkomst van de nv EURINPRO BELGIUM in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-12.797-5/6 Artikel
  8. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.797-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.915 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.