← België

Arrest 163917 - - 23/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.917 Rolnummer: A. 165402/IX-5013 Zaak: Arrest 163917 - - 23/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-01 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-01 07:02 Fiche Arrest nr 163.917 van 23 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.917 van 23 oktober 2006 in de zaak A. 165.402/IX-5013. In zake : Hendrik VAN DER VENNET, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik VAN DER VENNET op 24 augustus 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de hem met een brief van 29 juni 2005 medegedeelde beslissing van de directeur van de directie van de recrutering en van de selectie van de federale politie waarbij zijn kandidatuur voor het ambt van inspecteur van politie niet aanvaard wordt om reden dat de selectiecom- missie, wegens het momenteel niet-voldoen aan het vereiste profiel, hem ongeschikt bevonden heeft voor dat ambt; Gelet op het arrest nr. 152.525 van 12 december 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 6 januari 2006 door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-5013-1/9 Gelet op de beschikking van 12 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Blijkens een door de verwerende partij neergelegd attest van 7 september 2005 van de politiezone Gent was verzoeker in dienst bij de lokale politie van Gent sinds 1 september 2002 op basis van een arbeidscontract, en is dat contract per 31 oktober 2004 door de gemeenteraad beëindigd. Volgens de verklaring van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen is verzoeker ontslagen omwille van zijn betrokkenheid “in een gerechtelijk en een tuchtrechtelijk onderzoek”. 1.2. Met een brief van 27 april 2004 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan verzoeker mee dat hij slaagde voor het geheel der selectieproeven in het kader van zijn kandidatuur als inspecteur bij de geïntegreerde politie en dat hij, in functie van de beschikbaarheden per politieschool, de mogelijkheid zou krijgen zijn opleiding te volgen in het opleidingscentrum van zijn keuze. IX-5013-2/9 Op dezelfde datum wordt een attest terzake afgeleverd, dat een geldigheidsduur heeft van drie jaar. 1.3. Met een brief van 23 augustus 2004 nodigt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie verzoeker uit om op 4 oktober 2004 de opleiding van inspecteur bij de geïntegreerde politie aan te vangen. 1.4. Met een brief van 23 september 2004 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan verzoeker mee wat volgt : “Betreft : uw kandidatuur bij de geïntegreerde politie - intrekking uitnodiging tot aanvang opleiding. Artikel IV.I.15, alinea 2 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en de artikels IV.14 tot IV.21 van het ministerieel besluit tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 hebben betrekking op het onderzoek van de omgeving en de antecedenten. Op 09-09-2004 werden we, door de lokale politie Gent, in kennis gesteld dat u heden betrokken bent in een gerechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek. Ingevolge de toepassing van artikel IV.II.46 van hogervermeld koninklijk besluit zal u de basisopleiding tot inspecteur slechts kunnen aanvangen nadat de lopende onderzoeken zijn afgehandeld en een bijkomend onderzoek is ingesteld door de selectiecommissie. In afwachting blijft u opgenomen op de lijst van de wervingsreserve der kandidaten aspirant-inspecteur.” 1.5.1. Met een brief van 9 juni 2005 nodigt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie verzoeker uit voor een selectiegesprek met de selectiecommissie. 1.5.2. Op een onbekende datum beslist de selectiecommissie met unanimiteit van stemmen dat verzoeker ongeschikt is. De verwerende partij legt een met de hand geschreven motivering van die beslissing voor. Zij luidt als volgt : “Motivering + : voldoende algemene ontwikkeling, volgt actualiteit. - : praat minder vlot (haperend), motivatie ([?] werk en loon, weigert [?] in Brussel omdat momenteel bij Volvo hij meer verdient), bekent geen schuld (weigert opschorting van de uitspraak van veroordeling), normvervaging (‘daar ik niet kon vervolgd worden, weigerde ik te betalen voor parking’), minimaliseert de feiten van [?] jetons, moeite met erkenning van zijn fouten (legt systematisch klacht neer), geeft toe flagrant gelogen te hebben tijdens ondervraging intern toezicht, onvoldoende integriteit, star, niet voorbereid, beperkte beroepskennis.” IX-5013-3/9 1.6. Met een brief van 29 juni 2005 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan verzoeker mee wat volgt : “Betreft : Uw kandidatuur als inspecteur bij de politie Mijnheer Het spijt me u te melden dat uw kandidatuur als inspecteur niet weerhouden werd. Tengevolge het gesprek met de selectiecommissie van 24-6-05 werd vastgesteld dat u momenteel niet beantwoordt aan het vereiste profiel voor een kandidaat inspecteur. Volgens het K.B. van 30 maart 2001, Art. IV.I.5, hebt u de mogelijkheid om maximum 3 maal aan deze proef deel te nemen. De wachttijd tussen een mislukking en een nieuwe kandidatuur is bepaald op 1 jaar. Art. IV.I.29 van het zelfde K.B. bepaalt dat wanneer u opnieuw wenst deel te nemen, binnen de 2 jaar volgend op deze kennisgeving, je een vrijstelling kan krijgen voor de selectieproeven waarvoor je geslaagd was. Indien u meer gegevens wenst omtrent uw resultaat, staat het u vrij schriftelijk te solliciteren tot 3 maand na de bovenvermelde datum van deze kennisgeving. Feedback wordt gegeven op woensdag van 08.00 tot 16.00 uur. Wij nemen zo spoedig mogelijk contact met u op. Mogen wij wel vragen in uw schrijven het telefoonnummer en het tijdstip te vermelden waarop u op woensdag bereikbaar bent. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietig- verklaring bij de Raad van State. (...).” De in dit schrijven neergelegde beslissingen enerzijds van de directeur van de recrutering en van de selectie om de kandidatuur van verzoeker niet te weerhouden en anderzijds van de selectiecommissie waarbij hij ongeschikt wordt bevonden, vormen het voorwerp van het onderhavig beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing geen deugdelijke juridische basis heeft, aangezien zij de artikelen IV.I.4, 3/, IV.I.15, lid 2 en IV.II.46 RPPol miskent; dat hij betoogt dat artikel IV.II.46 RPPol de mogelijkheid biedt om aan de selectiecommissie een bijkomend onderzoek te vragen ten aanzien van de in artikel IV.I.15, lid 1, 2/ en 3/, bepaalde vereisten wanneer daar ingevolge het tijdsverloop tussen de opname in de wervings- reserve en de nakende toelating tot de basisopleiding aanwijzingen voor bestaan, dat in zijn geval er geen sprake meer was van een “nakende” toelating aangezien hij reeds toegelaten was en dat overigens artikel IV.II.46 “slaat op een onderzoek m.b.t. de in artikel IV.I.15. eerste lid, 2/ en 3/ bepaalde vereisten”, dit is ofwel de persoonlijk- heidsproef ofwel de fysiek-medische geschiktheidsproef; dat hij laatstvermeld aspect van het middel als volgt verduidelijkt: de “aanwijzingen” waarover artikel IV.II.46 RPPol het heeft, moeten in verband staan met de proeven vermeld in artikel IV.I.15, IX-5013-4/9 lid 1, 2/ of 3/, en niet met de vraag of de betrokkene voldoet aan artikel IV.I.15, lid 2, RPPol, waarin verwezen wordt naar de vereiste bepaald in artikel IV.I.4, 3/ RPPol, zijnde de toelatingsvoorwaarde “van onberispelijk gedrag (

  1. te)zijn”; in dit geval vormen de aanwijzingen die door de overheid naar voren worden geschoven ter ondersteuning van het bijkomend selectieonderzoek “een kennisgeving door de lokale politie Gent dat verzoeker betrokken is in een gerechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek” en als zodanig linkt het bestuur de aanwijzingen aan het onderzoek van het onberispelijk gedrag van verzoeker en heeft het als uitgangspunt voor het nieuwe selectieonderzoek artikel IV.I.15, lid 2, genomen; de vraag naar het onberispelijk gedrag is aan de orde op het ogenblik van de organisatie van de proeven, maar verzoeker voldeed daaraan aangezien hij over een attest beschikt dat hij de proeven succesvol heeft afgesloten; in die zin beschikt de bestreden beslissing over geen “wetttelijke juridische basis”; Overwegende dat, daarbij aansluitend, verzoeker in het derde middel ook de schending van de materiële motiveringsverplichting aan de orde stelt, onder meer in die zin dat van de verwerende partij verwacht mocht worden dat zij aanduidt op grond van welke redenen zij tot het besluit is kunnen komen dat hij, na in het kader van een “reguliere selectie door deskundigen” geschikt te zijn bevonden, in het licht van artikel IV.II.46 RPPol -met name ten aanzien van de criteria “persoonlijkheidsproef en/of fysiek-medische geschiktheidsproef”- dan toch niet langer geschikt zou zijn en een bijkomend onderzoek zou moeten ondergaan; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat verzoeker nog niet effectief toegelaten was tot de basisopleiding toen hem werd medegedeeld dat er een bijkomend onderzoek ingesteld zou worden, dat artikel IV.II.46 RPPol bepaalt dat in het geval van een heronderzoek door de selectiecom- missie, de artikelen IV.I.15 tot IV.I.17 RPPol van toepassing zijn en dat artikel IV.I.17 bepaalt dat de selectiecommissie een kandidaat geschikt of ongeschikt verklaart “op grond van artikel IV.I.15, lid 1, 1/ tot 4/ en het punt 4/ een selectiege- sprek (betreft)”; dat zij ook aanstipt dat de Raad van State zelf in het schorsingsarrest aangenomen heeft dat bepaalde gegevens die betrekking hebben op het onberispelijk gedrag van de kandidaat ook betrokken kunnen worden bij het onderzoek van de persoonlijkheid en dat het bestreden besluit in die zin wel degelijk een juridische grondslag heeft; IX-5013-5/9 Overwegende dat de verwerende partij op het derde middel antwoordt dat aan verzoeker medegedeeld is dat hij de mogelijkheid had om bijkomende inlichtingen in te winnen over zijn resultaat, maar dat hij dat niet gedaan heeft; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat hij reeds toegelaten was tot de basisopleiding en er dus geen toepassing meer gemaakt kon worden van artikel IV.II.46 RPPol; dat hij daar aan toevoegt dat de verwerende partij de overwegingen uit het schorsingsarrest niet in hun juiste context aanhaalt; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog benadrukt dat het dossier van de zaak aantoont dat de selectiecommissie redenen had om te besluiten dat verzoeker niet voldeed aan het profiel van een kandidaat- inspecteur met name omdat hij zich schuldig gemaakt heeft aan het misbruik van testjetons; dat volgens haar die gegevens, die een weerslag hebben op de beoordeling van de integriteit, de bestreden beslissing terdege onderbouwen; 2.5.1. Overwegende dat artikel IV.II.46 RPPol bepaalt : “Zo daar, ingevolge het tijdsverloop tussen de opname in de wervingsreserve en de nakende toelating tot de basisopleiding, aanwijzingen toe zijn, kan de (...) commissaris-generaal (...), de betrokken selectiecommissie om een bijkomend onderzoek verzoeken met betrekking tot de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2/ en 3/ bepaalde vereisten. In dat geval zijn de artikelen IV.I.15 tot en met IV.I.17 van toepassing”; Overwegende dat artikel IV.I.15 bepaalt wat volgt : “De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat: 1/ een proef die toelaat de cognitieve vaardigheden te beoordelen; 2/ een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken; 3/ een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt; 4/ een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht. De kandidaat maakt eveneens het voorwerp uit van een onderzoek met het oog op het nagaan of de vereiste bepaald in artikel IV.I.4,3/, vervuld is.”; Overwegende dat artikel IV.I.4,3/, in het kader van de toelatings- voorwaarden voor de opleiding, bepaalt dat de kandidaat “van onberispelijk gedrag (moet) zijn”; dat die voorwaarde, welke vervuld moet zijn “op de datum waarop hij IX-5013-6/9 aan de selectieproeven deelneemt” en bewezen wordt met “een bewijs van goed zedelijk gedrag dat minder dan drie maanden oud is op de datum van de kandidaat- stelling” (artikel IV.I.6), ter beoordeling staat van de “directeur van de directie van de recrutering en de selectie (...), overeenkomstig de richtlijnen van de minister” (artikel IV.I.18), met de mogelijkheid van administratief beroep (artikel IV.I.19); 2.5.2. Overwegende dat het RPPol aldus een verschillende regeling instelt voor de beoordeling van het onberispelijk gedrag van de kandidaten en voor de beoordeling van de eigenlijke selectieproeven en dat uit artikel IV.I.15, IV.I.17 en IV.I.18 RPPol volgt dat de selectiecommissie geen bevoegdheid heeft ten aanzien van de controle van het onberispelijk gedrag van de kandidaat; dat, met dat gegeven voor ogen, de “aanwijzingen” die overeenkomstig artikel IV.II.46 RPPol een bijkomend onderzoek vanwege de selectiecommissie rechtvaardigen, evident verband moeten houden met de aangelegenheden waarvoor de selectiecommissie bevoegd is; dat een nieuw gegeven dat relevant kan zijn in het kader van de appreciatie van de “omgeving en antecedenten” -de vraag of de kandidaat van onberispelijk gedrag is- niets te maken heeft met het onderzoek van de persoonlijkheid van de betrokkene - zeker niet met zijn fysieke en medische geschiktheid- en dat dergelijk gegeven dan ook geen reden kan zijn om de betrokkene aan een nieuw persoonlijkheidsonderzoek te onderwerpen; dat wel bedacht kan worden dat bepaalde gegevens, hoewel zij op zich de beoordeling van het onberispelijk karakter van de kandidaat betreffen - bijvoorbeeld een relaas van feiten waaraan de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt-, een invloed kunnen hebben op de beoordeling van de persoonlijkheid van de betrokkene -een van de beoordelingsitems die in de bijlage 4 bij het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van het RPPol opgesomd zijn betreft immers “de integriteit”- maar dat zulks, in acht genomen dat de kandidaat in de eigenlijke selectie ook op het vlak van zijn persoonlijkheid reeds geschikt was bevonden, niet wettig kan gebeuren dan op grond van een bijzondere motivering waarmee aangetoond wordt dat deze feiten het tegenbewijs bevatten van het eerste oordeel van de selectiecommissie; 2.5.3. Overwegende in dit geval, dat de verwerende partij in de brief van 23 september 2004 aan verzoeker medegedeeld heeft dat zij, in het kader van het onderzoek van de omgeving en de antecedenten -dus voor de toepassing van artikel IV.I.15, lid 2- in kennis was gesteld van een gerechtelijk en een tuchtonderzoek tegen hem en dat hij, volgens het voorschrift van artikel IV.II.46 RPPol, de opleiding slechts zal kunnen aanvangen na de afhandeling van de lopende onderzoeken en van IX-5013-7/9 een bijkomend onderzoek door de selectiecommissie; dat aldus de verwerende partij op grond van bezwaren die rechtstreeks betrekking hebben op de vraag naar het onberispelijk gedrag van de kandidaat, verzoeker verplicht om de selectieprocedure opnieuw te doorlopen; dat dergelijke beslissing niet kadert in de voorwaarden waarin artikel IV.II.46 RPPol aan het bestuur toelaat de selectieprocedure weer te openen; dat in ieder geval, aangenomen dat de verwerende partij uit de haar medegedeelde gegevens -waarover zij overigens geen enkele nadere informatie verstrekt- zou hebben kunnen opmaken dat de feiten waaraan verzoeker zich schuldig gemaakt zou hebben, het tegenbewijs opleveren van de eerdere beoordeling die uitgelopen was op het eindbesluit dat verzoeker geschikt was, vastgesteld moet worden dat het dossier geen enkel gegeven bevat dat erop wijst dat de verwerende partij die mogelijkheid voor het geval van verzoeker overwogen heeft en dat, a fortiori, uit het dossier niet blijkt welke precieze redenen dergelijke uitzonderlijke beslissing -uitzonderlijk omdat zij haar toelaat terug te komen op een eindbeslissing die aan verzoeker rechten toekent- konden verantwoorden; 2.5.4. Overwegende dat, afgaand op de gegevens van het dossier, de verwerende partij niet regelmatig heeft kunnen beslissen dat verzoeker opnieuw aan een onderzoek van de selectiecommissie onderworpen diende te worden; dat daaruit volgt dat de selectiecommissie niet wettig tot het besluit is kunnen komen dat verzoeker niet geschikt is; dat de middelen gegrond zijn, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de bij brief van 29 juni 2005 aan Hendrik VAN DER VENNET medegedeelde beslissing waarbij hij door de selectiecom- missie niet geschikt wordt verklaard en waarbij hij om die reden belet wordt de opleiding tot inspecteur van politie aan te vatten. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5013-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-5013-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.917 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.