id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.927 Rolnummer: A. 175128/IX-5375 Zaak: Arrest 163927 - ION - Aanwerving en loopbaan - 23/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-02 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 07:08 Fiche Arrest nr 163.927 van 23 oktober 2006 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.927 van 23 oktober 2006 in de zaak A. 175.128/IX-
- In zake : Erik DE VISSCHERE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), dat woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Erik DE VISSCHERE op 20 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 juli 2006 van de gedelegeerd bestuurder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen waarbij hij wordt aangesteld als sedentair agent van de Provinciale Controle-eenheid West-Vlaanderen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2006; IX-5375-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaten E. ENEMAN en J. HOSTE die, loco advocaat R. DEPLA verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is binnen het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna : het FAVV) tewerkgesteld als inspecteur bij het bestuur controle, sector fabricage en verwerking, van de Provinciale Controle-Eenheid (PCE) West-Vlaanderen. Als dusdanig behoort hij tot het “reizend” personeel -en derhalve niet tot het sedentair personeel- van het agentschap, dat zich onderscheidt van het “sedentair personeel” dat zijn functie uitoefent in de zetel van de PCE. 1.
- Bij schrijven van 24 februari 2006 deelt preventieadviseur F. VERACHTERT de PCE- en sectorhoofden binnen het FAVV mede dat “het Agentschap” in het kader van de dreigende uitbraak van de vogelgriep, heeft beslist rond de maand april 2006 een hervaccinatie tegen de menselijke griep op te starten “voor al de personeelsleden die mogelijk betrokken kunnen worden bij interventies”. Daarmee wordt blijkbaar bedoeld : het ruimen van besmette haarden. Gesteld wordt dat het effectief rondreizend personeel dient gevaccineerd te worden, evenals het sedentair personeel dat mogelijkerwijze kan betrokken worden bij interventies in geval van vogelgriep. 1.
- Per e-mailbericht van 3 maart 2006 meldt het PCE-hoofd West- Vlaanderen de betrokken personeelsleden de beslissing tot hervaccinatie tegen IX-5375-2/7 menselijke griep. Hij geeft hierbij te kennen dat elk personeelslid dat om gegronde reden geen vaccinatie wil, dit expliciet aan de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk dient te melden. 1.
- Bij e-mailbericht van 7 maart 2006 meldt verzoeker preventie- adviseur F. VERACHTERT : “ik wens mij niet te laten vaccineren”. 1.
- Op 18 april 2006 attesteert de preventieadviseur-arbeidsgenees- heer dat verzoeker “op eigen verzoek, zonder grond van medische redenen, geen vaccin tegen de menselijke griep wenst”. 1.
- Bij schrijven van 5 juli 2006 deelt de gelegeerd bestuurder van het FAVV verzoeker de thans bestreden beslissing mede en dit in de navolgende bewoordingen : “(...) Ik heb vernomen dat u op eigen verzoek, zonder grond van medische redenen, geen (her)vaccinatie tegen de menselijke griep wenst. Ik heb begrip voor uw principieel standpunt en aanvaard het dan ook. Ik moet wel opmerken dat het onze plicht is dat we bij een eventuele bestrijding van de vogelpest zowel onze eigen agenten moeten beschermen als er zorg moeten voor dragen dat hercombinatie en verspreiding van influenza door onze diensten voorkomen wordt. Bij een bestrijding van de aviaire influenza moeten al onze controleagenten in het veld inzetbaar kunnen zijn. Dit is nu niet meer het geval voor wat uzelf betreft : door uw weigering tot (her)vaccinatie kunnen we u niet meer voor dergelijke acties inzetten. Aangezien enkel agenten die controletaken kunnen uitvoeren als ‘reizend’ agent beschouwd worden, meen ik dan ook dat uw aanstelling als ‘reizend’ agent moet herbekeken worden en dat ik verplicht ben u als ‘sedentair’ agent aan te stellen. (...)”. Dit is de bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen de ontvankelijkheid van de vordering betwist doordat de bestreden beslissing volgens haar een maatregel van inwendige orde is; Overwegende dat de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging de aangevoerde exceptie niet onderzoekt; dat immers, zoals hierna zal blijken, de vordering verworpen moet worden omdat niet voldaan is aan de grondvoorwaarden waaronder een bestuurlijke beslissing geschorst kan worden; IX-5375-3/7
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet wat volgt: hij wordt met het bestreden besluit definitief bij het sedentair personeel van de sector transformatie van de PCE ingedeeld, terwijl hij voorheen -sinds 1986- als reizend personeelslid taken op het terrein vervulde, wat variatie en sociale contactmogelijkheden opleverde; de bestreden beslissing betreft een bijzonder ernstige ingreep, die zijn professioneel leven een ommekeer geeft op het ogenblik dat hij nog een kleine tien jaar te werken heeft en waarbij hij gedegradeerd wordt tot het verrichten van secretariaatswerk, dat niet aangepast is aan zijn universitaire opleiding en dat normaal uitgeoefend wordt door lager gekwalificeerd personeel; bovendien wordt hij door het bestreden besluit gestigmatiseerd als een ambtenaar die aan zijn plichten tekortkomt, zich deloyaal opstelt en niet solidair is en krijgt hij het odium opgelegd van een disciplinair gesanctioneerde die het niet waard is om tot het reizend inspectiepersoneel te behoren; de schade aan zijn eer en faam is groot en hij maakt het voorwerp uit van gesprekken onder de ambtenaren, zeker nu op geen andere plaats een ambtenaar van niveau 1 met secretariaatswerk belast is; het bestreden besluit, waarmee de overheid een inbreuk pleegt op zijn grondrechten, bezorgt hem een morele opdoffer die moeilijk te verwerken is; een later komend vernietigingsar- rest zal de ondergane vernedering en het verlies aan arbeidsvreugde niet kunnen goedmaken; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen daar het volgende tegenoverstelt: omdat de reizende personeelsleden alle garanties moeten bieden dat zij zelf geen ziektes verspreiden, kan men zich afvragen of het aangevoerde nadeel wel te wijten is aan de bestreden beslissing -een administratieve maatregel in het belang van het personeelslid maar ook in het belang van de volksgezondheid- of aan zijn eigen houding, nu hij -met volledige kennis van de consequenties van zijn keuze- geweigerd heeft zich te laten inenten; de bestreden beslissing is geen terugzetting in graad en verzoeker verliest uit het oog dat tal van ambtenaren sedentair zijn; niets sluit uit dat verzoeker opnieuw bij het reizend personeel wordt ingedeeld wanneer hij bereid is zich te laten vaccineren; schade aan IX-5375-4/7 zijn naam en faam weegt niet op tegen de schade die de verwerende partij zelf zou lijden indien een van haar ambtenaren die niet gevaccineerd is, een crisis zou veroorzaken; het moreel nadeel zal voldoende hersteld worden door een eventueel annulatiearrest; 4.3.
- Overwegende dat verzoeker een moreel nadeel koppelt aan het feit dat hij de bestreden beslissing beschouwt als een terugzetting in graad omdat hij thans werk dient te verrichten dat normaal door lager gekwalificeerd personeel wordt verricht; Overwegende dat verzoeker in een reizende functie tewerkgesteld was en dat hij met het bestreden besluit naar een sedentaire functie wordt overge- plaatst; dat met die overplaatsing geen wijziging gebracht wordt aan zijn organiek statutaire situatie van inspecteur bij het FAVV; dat er dan ook geen sprake is van een terugzetting in graad; dat het onttrekken van een reizende functie wel gevolgen heeft ten aanzien van het werkrooster, op het vlak van de vergoedingen en uiteraard op de inhoud van het werk van verzoeker, aangezien hij geen controletaken meer kan uitvoeren; Overwegende dat de vaststelling dat verzoeker geen controletaken meer kan uitvoeren niet automatisch tot gevolg heeft dat hij minderwaardig werk moet doen; dat zulks ook niet bewezen wordt door het feit dat er binnen de sector “transformatie” van de PCE-West-Vlaanderen voorheen geen sedentaire functie bestond, noch door het feit dat op geen andere plaats een ambtenaar van niveau 1 met een sedentaire functie belast zou zijn; dat de verwijzing naar “ondersteunend secretariaatswerk en zuiver kantoorwerk” niet relevant is of in ieder geval veel te vaag om uit te maken of de nieuwe taken inderdaad minderwaardig zijn voor een ambtenaar van niveau 1; Overwegende dat die vaststellingen tot de conclusie leiden dat uit de uiteenzetting van verzoeker met betrekking tot de inhoud van de taken die hij thans moet uitvoeren niet terdege blijkt dat de bestreden beslissing hem dermate blameert dat alleen een schorsing hem soelaas kan bieden; 4.3.
- Overwegende dat verzoeker ervoor vreest gestigmatiseerd te worden als een deloyale collega en het voorwerp uit te maken van “gesprekken”; dat zulks niet onwaarschijnlijk is, maar dat het wel het gevolg is van zijn eigen keuze om IX-5375-5/7 zich principieel op te stellen en vast te houden aan zijn recht om zich niet te laten inenten, zoals blijkt uit zijn antwoord van 7 maart 2006 aan het bestuur met de principiële stelling: “Ik wens mij niet te laten vaccineren”; dat in die zin verzoeker de gevolgen van zijn stellingname moet dragen, ook al vallen die gevolgen -verzoeker spreekt over “een bijzonder ernstige ingreep” die zijn professioneel leven overhoop haalt- zwaarder uit dan hij had verwacht of verhoopt; dat hij bijgevolg zelf verantwoordelijk is voor het nadeel dat hij te dien aanzien aanvoert; dat de omstandigheid dat het bestreden besluit het gevolg zou zijn van een inbreuk op zijn grondrechten op zich ook geen reden is om de voorwaarde van het nadeel soepeler te beoordelen; 4.3.
- Overwegende dat verzoeker verwijst naar het odium van een disciplinair gestrafte; dat evenwel geen enkel gegeven van het dossier erop wijst dat de verwerende partij op enig ogenblik in de besluitvorming de bedoeling gehad zou hebben verzoeker te bestraffen voor zijn opstelling; dat integendeel zij, eenmaal aangenomen dat alle inspecteurs met dienst op het terrein gevaccineerd moesten worden, de weigering om zich te laten inenten alleen maar kon laten uitlopen op de toewijzing van een sedentaire functie; dat de door verzoeker aan de orde gestelde hypothese dat derden de bestreden beslissing zullen percipiëren als een disciplinaire maatregel, geen enkele steun vindt in het dossier en het beweerde nadeel dan niet kan gekoppeld worden aan het bestreden besluit;
- Overwegende dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aangetoond is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5375-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5375-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.927 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.