← België

Arrest 163928 - - 23/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.928 Rolnummer: A. 173798/IX-5347 Zaak: Arrest 163928 - - 23/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-01 07:08 Fiche Arrest nr 163.928 van 23 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.928 van 23 oktober 2006 in de zaak A. 173.798/IX-

  1. In zake : Kurt VANNECKE, die woonplaats kiest bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kurt VANNECKE op 9 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “- [de] beslissing van de eerste beoordelaar Cdt Rik COUCKE, dd. 6.03.2006 in het kader van de heropgestarte evaluatieprocedure evaluatie 2005, aangete- kend ter kennis gebracht van verzoeker bij schrijven van 16.03.2006 - [de] beslissing van de tweede beoordelaar dd. 27.03.2006 Kapitein- commandant Philip MIGOM (afgetekend door verzoeker op 30.03.2006) - [de] beslissing van de derde beoordelaar dd. 12.04.2006 (op die datum aangetekend te kennis gebracht van verzoeker) Luitenant-kolonel Stafbrevethou- der Thierry OLLIGSCHLAEGER Ir. - [de] beslissing van Algemene Directie Human Resources Ministerie van Landsverdediging, Marc VAN LAETHEM, Kolonel Stafbrevethouder, Chef van de Divisie Personeel, ter kennis gebracht van de raadsman van verzoeker bij schrijven van 12.05.2006”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5347-1/10 Gelet op de beschikking van 6 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRUTELLE die, loco advocaat M. RYELANDT verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant- kolonel militair administrateur A. DE DECKER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker is beroepsvrijwilliger bij de Landmacht. Sedert 26 juni 2002 is hij bekleed met de graad van korporaal. 1.
  4. Met een brief van 26 januari 2006 deelt de chef van de Divisie Personeel van de Algemene Directie Human Resources aan verzoekers korpscom- mandant mee dat de evaluatieprocedure voor het jaar 2005 ingevolge procedurefou- ten moet herbegonnen worden. 1.
  5. Op 6 maart 2006 ondertekent verzoeker, nadat op dezelfde dag een evaluatiegesprek met zijn eerste beoordelaar heeft plaatsgehad, zijn (nieuwe) evaluatienota
  6. 1.3.
  7. De evaluatienota is, als voorgeschreven, opgesteld aan de hand van twaalf beoordelingscriteria waaraan een kwalificatie wordt gegeven door middel van een cijfer, gaande van 1 tot
  8. De kwalificatie 1 betekent “onvoldoende : heeft vele zwakke punten vertoond en werkt daardoor zeer onder de voor zijn functie of niveau nodige vereisten”; de kwalificatie 3 betekent “voldoende : voldoet aan de meeste van de IX-5347-2/10 voor zijn functie of niveau nodige vereisten zonder zware tekortkomingen te vertonen”; de kwalificatie 5 betekent “goed : heeft voldaan aan de vereisten voor zijn functie of zijn niveau”; de kwalificatie 7 betekent “zeer goed : heeft enkele kwaliteiten vertoond die zich situeren boven deze vereist voor zijn functie of niveau”; de kwalificatie 9 betekent : “uitstekend : heeft dusdanige kwaliteiten vertoond dat zijn functie op voorbeeldige wijze werd uitgevoerd”; de betekenis van de kwalifica- ties 2, 4, 6 en 8 wordt bekomen door de interpolatie van de definities van de er net onder- en bovenliggende kwalificaties. Aldus kent de eerste beoordelaar verzoeker voor vijf van de twaalf beoordelingscriteria de score 6 (tussen “goed” en “zeer goed”) toe, voor vier criteria de score 5 (“goed”) en voor drie criteria de score 4 (tussen “voldoende” en “goed”). Het luik “kenmerkende feiten”, dat aansluit op het luik “beoorde- lingscriteria”, is niet ingevuld. 1.3.
  9. De evaluatienota bevat ook een weergave van het evaluatie- gesprek met de eerste beoordelaar. Onder een luik “sterke punten van de beoordeelde” wordt vermeld : “gedreven medewerker; degelijke kwaliteit van geleverde werk”. Onder een luik “te verbeteren punten” wordt vermeld : “zelf- standigheid en initiatief moeten maar steeds in samenwerking met dienstchef”. Onder een luik “objectieven” wordt vermeld : “blijven werken op bestaande niveau; zekere vorm van stagnatie door enkele initiatieven die aanleiding hebben gegeven tot communicatiestoornis met de dienstchef”. De in die evaluatienota vervatte evaluatie van verzoeker door de eerste evaluator maakt het eerste voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. 1.
  10. Op 13 maart 2006 dient verzoeker een verweerschrift in tegen zowel de gevolgde procedure als tegen de inhoud van de evaluatie van de eerste beoordelaar. IX-5347-3/10 1.
  11. Op 30 maart 2006 ondertekent verzoeker de evaluatienota voor kennisname van zijn evaluatie door de tweede beoordelaar. 1.5.
  12. De tweede evaluator gaat gedeeltelijk akkoord met de evaluatie van de eerste beoordelaar, met dien verstande dat hij voor twee beoordelingscriteria de score 5 (“goed”) in plaats van 6 (tussen “goed” en “zeer goed”) toekent. De motivatie voor die evaluatie is opgenomen in een bij de evaluatienota gevoegde bijlage en luidt als volgt : “De Cpl VANNECKE heeft een goede beoordeling gekregen van zijn dienstchef en van zijn BijComd. Als BijComd wil ik dit verduidelijken aan de hand van deze Bijl. Betrokkene kan gesitueerd worden bij de betere vrijwilligers van mijn Batterij, wat ook aan de resultaten te merken valt.
  13. Zelfstandigheid en initiatief : 4 CPL VANNECKE voldoet aan de meeste voor zijn functie nodige vereisten zonder zware tekortkomingen te vertonen. Hij is in staat zijn functie meestal zonder bijzondere begeleiding of toezicht uit te oefenen en geeft blijk van initiatief (Positief : Cfr artikels TE WAPEN, negatief : beheer PAMELA shop, o.a. zelf contact nemen met leveranciers, dit valt buiten zijn bevoegdheid. Aanpassen van het programma op PC, zodat enkel betrokkene nog weet hoe de vork in de steel zit).
  14. Vakkennis 5 Voldoet aan de vereisten van zijn functie, beschikt over de nodige basis- kennis van feiten, gegevens en procedures om zijn job naar behoren uit te voeren (beheer PAMELA shop (mits bijsturing door OWM DESCHAGT), expo Stad NIEUWPOORT).
  15. Beschikbaarheid : 6 Vertoont kwaliteiten op het gebied van beschikbaarheid die zich situeren boven de vereisten van zijn niveau. Kan, ook buiten de diensturen, ingezet worden voor opdrachten ten voordele van de dienst (Cfr o.a. achterwacht periode ISAF, filmreportage nationale familiedag te PEUTIE, enz...).
  16. Fysiek weerstandsvermogen : 4 Betrokkene voldoet aan de meeste voor zijn functie nodige vereisten zonder zware tekortkomingen te vertonen. Is in staat lichamelijke inspanningen te doorstaan. Sporttesten : 53,75 % MTLG, Trg Mars en 15 KM afgelegd. Hindernisbaan en gevechtszwemmen niet uitgevoerd.
  17. Samenwerkingsgeest : 5 Voldoet aan de vereisten van zijn functie. De samenwerkingsgeest kan niet als exemplarisch beschouwd worden, betrokkene drijft geregeld zijn eigen wil door en stelt bepaalde acties in vraag. De CPL VANNECKE houdt zich apart van de groep als er een activiteit in groep dient uitgevoerd te worden en staat niet altijd klaar om collega’s te helpen, dit weegt negatief door op de groepsgeest (Cfr onkruid wieden, wisselen van beddengoed, voor- bereiding LANDDAY ...).
  18. Loyaliteit en integriteit : 5 Voldoet aan de vereisten van zijn functie. Voert de bevelen van de dienstchef uit, maar ook hier dient gesteld dat hij niet altijd het nodige vertrouwen heeft in zijn Chefs en de goede bedoelingen van zijn directe Chef in vraag stelt (nota Soc Prom en overgangen aan betrokkene IX-5347-4/10 overgemaakt in ziekteverlof, stelde opdrachten en tijdstippen in vraag tijdens periode ArW ISAF), kan moeilijk bevelen aanvaarden.
  19. Voorkomen : 5 Voldoet aan de vereisten van zijn functie, verzorgt zijn kledij en houding.
  20. Kwaliteit van het geleverde werk : 6 Vertoont kwaliteiten op het gebied van de kwaliteit van het geleverde werk die zich situeren boven de vereisten van zijn niveau (Cfr Historisch verslag 2004).
  21. Rendement : 5 Voldoet aan de vereisten van zijn functie. Maar ook bij opgelegde taken buiten de interessesfeer dient inzet en ijver aan de dag gelegd worden, zal bij zwaardere fysieke inspanningen de gemakkelijkste uitweg zoeken (Cfr onkruid wieden aan logementblokken vakantiegangers, onderhoud Bew, wisselen van bedden, ...).
  22. Stressbestendigheid : 4 Betrokkene voldoet aan de meeste voor zijn functie nodige vereisten zonder zware tekortkomingen te vertonen. Heeft soms moeite om zich te beheersen en jaagt zich rap op, moet leren positieve kritiek te aanvaarden (Cfr Bilan Beheer PAMELA -shop, als de Chef een dubbelcheck oplegt, dan dient dit te gebeuren en mag dit niet direct beschouwd worden als kritiek op zijn persoon zelf).
  23. Zin voor discipline : 5 Voldoet aan de vereisten van zijn functie. Is in staat bevelen uit te voeren en reglementen na te leven.
  24. Verantwoordelijkheidsbesef : 6 Vertoont kwaliteiten op het gebied van verantwoordelijkheidsbesef die zich situeren boven de vereisten van zijn niveau. (Cfr LANDDAY 2005, uitgevoerde OPEN DOORS).” 1.5.
  25. Op 4 april 2006 dient verzoeker een verweerschrift in tegen zowel de gevolgde procedure als tegen de inhoud van de evaluatie van de tweede beoordelaar. De evaluatie van verzoeker door de tweede beoordelaar maakt het tweede voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. 1.6.
  26. Met een brief van 7 april 2006 deelt de derde beoordelaar aan verzoeker mee dat hij hem, zonder raadsman, zal ontvangen op 12 april
  27. Met een aangetekende brief van 12 april 2006 deelt de derde beoordelaar aan verzoeker mee wat volgt : “
  28. Bij deze wordt u gemeld dat uw bezwaar tegen de procedure onontvanke- lijk werd verklaard wegens het niet naleven van de geldende reglementering (§ 503-b).
  29. Als derde evaluator heb ik beslist in dit dossier de procedure af te sluiten.” IX-5347-5/10 1.6.
  30. Op een ongekende datum ondertekent verzoeker voor de derde maal zijn evaluatienota, ditmaal onder de rubriek “beslissing van de derde beoorde- laar”. In de kolom “derde beoordelaar” van de rubriek “beoordelings- criteria” worden aan verzoeker dezelfde scores toegekend als die, toegekend door de tweede evaluator. De met een brief van 12 april 2006 meegedeelde beslissing van de derde beoordelaar maakt het derde voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. 1.
  31. Op 20 april 2006 richt de raadsman van verzoeker een brief aan de Algemene Directie Human Resources, met het verzoek de procedure -opnieuw- nietig te verklaren. In antwoord op dat verzoek, deelt de Algemene Directie Human Resources met een brief van 12 mei 2006 aan de raadsman van verzoeker mee “dat het bezwaar tegen de evaluatie 2005 van betrokkene, die juist herbegonnen werd, onontvankelijk is wegens het niet naleven van de bepalingen van paragraaf 503.b van het regelement A10 betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader”. De met een brief van 12 mei 2006 meegedeelde beslissing van de Algemene Directie Human Resources maakt het vierde voorwerp uit van de onder- havige vordering tot schorsing. 1.
  32. Met een brief van 17 mei 2006 deelt de raadsman van verzoeker aan de Algemene Directie Human Resources mee dat het reglement 503.b meerdere voorwaarden vooropstelt, zodat het onduidelijk is waarom het bezwaar onont- vankelijk werd verklaard. Zij wijst er ook op dat bij de vorige bezwaarprocedure het bezwaar wel degelijk ontvankelijk werd verklaard, hoewel het op dezelfde wijze werd ingediend. IX-5347-6/10 Met een brief van 23 mei 2006 antwoordt de Algemene Directie Human Resources als volgt : “De procedure zoals voorzien in paragraaf 503.b van het reglement A10 betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader werd niet gevolgd. Er werd geen Mod B ingediend met betrekking tot het georganiseerd beroep zoals voorzien in desbetreffende paragraaf. Om ontvank- elijk te zijn, moet het georganiseerd beroep dat de gemotiveerde bezwaren inzake de gevolgde procedure bevat, schriftelijk worden ingediend door middel van een Mod B ten laatste op de vijfde werkdag die volgt op de kennisgeving van de beoordeling van de tweede beoordelaar aan de beoordeelde militair. Het spijt mij U te moeten melden dat de inhoud van de nota van 12 mei 2006 blijft behouden.”;
  33. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen de ontvankelijkheid van de vordering betwist, doordat de bestreden beslissingen aangaande de evaluatie van verzoeker niet werd opgesteld in het kader van een bevorderingsprocedure en zij, net zoals de voorheen bestaande signalements- nota’s, slechts werden genomen met het oog op de beoordeling van de wijze waarop verzoeker de hem toevertrouwde taken in het jaar 2005 heeft uitgevoerd, zodat zij niet vatbaar zijn voor een beroep bij de Raad van State; Overwegende dat de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging de aangevoerde exceptie niet onderzoekt; dat immers, zoals hierna zal blijken, de vordering verworpen moet worden omdat niet voldaan is aan de grondvoorwaarden waaronder een bestuurlijke beslissing geschorst kan worden;
  34. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  35. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker vooreerst betoogt dat de “negatieve evaluatie” die hem met de bestreden beslissingen wordt gegeven, hem een “belangrijk moreel nadeel” doet ondergaan dat door een vernietiging niet hersteld zal worden; dat volgens hem, in het licht van de bestreden beslissingen, zijn overplaatsing naar een andere dienst, in zijn werkomgeving de indruk wekt dat hij ten gevolge van zijn negatieve evaluatie een straf heeft gekregen en dat zulks de werksfeer en zijn verhouding met zijn oversten negatief beïnvloedt, IX-5347-7/10 terwijl hij de kracht niet heeft om die negatieve werksfeer gedurende jaren te ondergaan en zulks zal afspiegelen op zijn prestaties; dat hij vervolgens erop wijst dat de negatieve evaluatie een bevordering in de weg staat en het wachten op een annulatiearrest hem een niet in te lopen carrièreachterstand zal bezorgen; dat hij ten slotte stelt dat hij na deze negatieve evaluatie de dreiging ondervindt van “een tweede negatieve evaluatie” met ontslag uit de Krijgsmacht tot gevolg en bijhorend de onmogelijkheid om nog in overheidsdienst aan de slag te gaan, hetgeen hem een psychische en financiële druk oplegt en grote onzekerheid creëert, ook op het vlak van de levenskwaliteit van zijn gezin; 4.
  36. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet waarom volgens haar het aangevoerde nadeel niet ernstig en onherstelbaar is; dat zij, wat het aangevoerde moreel nadeel betreft, opmerkt dat een moreel nadeel in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is maar dat in ieder geval de scores die verzoeker van de evaluatoren gekregen heeft tussen 4 en 6 gelegen zijn, waarmee hij zich “boven voldoende en soms zelfs boven goed situeert” zodat hij niet kan gewagen van een negatieve evaluatie, dat zij niet begrijpt hoe de “meer dan voldoende scores (verzoeker) een moreel nadeel kunnen berokkenen”, dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de evaluatienota de werksfeer en de werkdruk negatief beïnvloedt en dat verzoeker alle kansen heeft om wat hij nu een “negatieve beoordeling” noemt in de evaluaties voor de komende jaren recht te zetten; dat zij wat het professioneel nadeel betreft, herhaalt dat er geen negatieve evaluatie voorligt en er dan ook geen “tweede negatieve beoordeling dreigt”, terwijl in ieder geval de reglementering inzake de beoordeling binnen de Krijgsmacht geen bepaling bevat die tot enige sanctie kan leiden of die verhindert dat verzoeker -in 2010- tot korporaal-chef bevorderd wordt en ook geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat de negatieve beoordeling van een beroepsvrij-williger aanleiding kan geven tot het ontslag uit de Krijgsmacht; 4.
  37. Overwegende dat uit de door verzoeker zelf voorgelegde stukken, meer bepaald de motivering van zijn beoordeling door de derde evaluator in het kader van zijn eerste -met de bestreden beslissingen overgedane- evaluatie, blijkt dat verzoeker in september 2005 door zijn regimentscommandant naar een andere dienst overgeplaatst is, om reden van een conflict met zijn dienstchef dat niet te helen was en waarbij het personeel de zijde van de dienstchef had gekozen; dat verzoeker stelt een moreel nadeel te ondergaan omdat die overplaatsing in verband gebracht kan worden met de bestreden evaluatie hetgeen een psychische druk op hem legt die hij IX-5347-8/10 niet lang zal kunnen dragen; dat evenwel niet betwist kan worden dat de verandering van dienst losstaat van de bestreden beoordeling en dat zij zelfs aan de bestreden beslissingen voorafgaat zodat het, vanuit juridisch oogpunt, onmogelijk is de overplaatsing te aanzien als het gevolg van de beweerde slechte beoordeling; dat de Raad van State geen rekening kan houden met hypothesen die verzoeker rondom zijn situatie maakt noch met de vrees voor negatieve connotaties die derden zouden kunnen verbinden aan zijn overplaatsing; dat aldus verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissingen hem een moreel nadeel berokkenen; Overwegende, wat het carrière-nadeel betreft, dat de verwerende partij terecht stelt dat de evaluatie van verzoeker helemaal niet negatief is, aangezien de scores die hem werden toegekend tenminste de kwalificatie “voldoende” betreffen; dat verzoeker het negatieve van zijn beoordeling verbindt aan een aantal motieven, opgenomen in de uiteenzetting van de tweede beoordelaar en nadien bijgevallen zijn door de derde beoordelaar; dat, los van de vaststelling dat die motieven voor de beoordeling zelf dan toch niet bepalend zijn geweest om verzoeker in het algemeen een slechte beoordeling te geven, opgemerkt dient te worden dat, door zijn nadeel op de motieven van de bestreden beslissingen toe te spitsen, verzoeker uit het oog verliest dat het nadeel, vereist voor het bevelen van een schorsing, verbonden moet zijn met de tenuitvoerlegging van de beslissing zelf, terwijl in dit geval niet blijkt dat de uiteindelijke beoordeling op enig vlak nadelig kan zijn voor verzoeker; dat immers verzoeker niet betwist dat de eindbeoordeling hem vanuit statutair oogpunt geen enkel nadelig gevolg kan berokkenen, noch op het vlak van mogelijke bevorderingen -die overigens slechts aan de orde lijkt te komen in 2010, dus zeker na nieuwe evaluaties van zijn wijze van werken-, noch ten aanzien van een dreigend ontslag, een mogelijkheid die verzoeker overigens als een loutere bewering naar voren schuift;
  38. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissingen hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen; dat de Raad van State om die reden de vordering verwerpt, IX-5347-9/10 BESLUIT: Artikel
  39. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  40. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig oktober 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5347-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.928 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.