← België

Arrest 163956 - - 24/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.956 Rolnummer: A. 161337/XII-4419 Zaak: Arrest 163956 - - 24/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:08 Fiche Arrest nr 163.956 van 24 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 163.956 van 24 oktober 2006 in de zaak A. 161.337/XII-

  1. In zake : Corinne LEUNENS, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van der Gucht, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Corinne Leunens op 1 april 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 december 2004 van de raad van bestuur van de Hogeschool Gent waarbij wordt beslist de procedure tot aanstelling in het ambt van hoofdlector in het departement Sociaal Agogisch Werk (SOAG) stop te zetten en aan het departement SOAG de mogelijkheid te bieden de procedure tot aanstelling tot hoofdlector, volledig opnieuw te doen; Gelet op het arrest nr. 149.870 van 6 oktober 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 10 november 2005 ingediend door verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; XII-4419-1/9 Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 19 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. De Mil, die loco advocaat W. Van Der Gucht verschijnt voor verzoekster, en van advocaat I. Martens, die loco advocaat E. Bral verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten.
  3. Verzoekster is vast benoemd als lector aan de Hogeschool Gent, departement SOAG.
  4. Bij schrijven van 18 mei 1999 brengt het departementshoofd aan de vast benoemde lectoren ter kennis dat twee plaatsen van hoofdlector vacant zijn.
  5. Bij beslissing van 26 januari 2000 benoemt de raad van bestuur E. Van Rentergem en M. Walgraeve; verzoekster die ook kandidaat was dient daartegen een annulatieberoep in bij de Raad van State.
  6. Bij arrest nr. 126.033 vernietigt de Raad van State die beslissing.
  7. Bij brief van 21 januari 2004 vraagt verzoekster de verwerende partij om uitvoering van dit arrest. XII-4419-2/9
  8. De raad van bestuur neemt uiteindelijk op 22 december 2004 de thans bestreden beslissing, o.m. op grond van volgende motivering : “[…] Aangezien art. 262, 8/ en 278 Hogescholendecreet werden aangepast door het bijzonder decreet van 19 maart 2004, zodat de bevoegdheid voor het toekennen van bevorderingen aan het onderwijzend personeel aan de raad van bestuur toebehoort op voorstel van de departementsraad aan het Bestuurscollege en bovendien de percentages waarvoor bevordering wordt voorgesteld evenals de datum waarop de bevordering dient in te gaan, niet zijn vermeld in SOAG/DR/PER/0052, heeft de departementsraad op 30.11.2004 de noodzakelijke correctiebeslissing genomen. Het bestuurscollege heeft in haar vergadering van 17 december 2004 opnieuw het voorliggende verslag van 17 mei 2004 zoals goedgekeurd door het departement SOAG in vergadering van 30.06.2004 aan de inhoud van het arrest 126.033 van de Raad van State getoetst. Het bestuurscollege stelde vast dat, op basis van de in 1999 ingediende dossiers houdende kandidaturen tot bevordering, de bevorderingscommissie op vandaag niet over alle elementen beschikt om onderzoek te doen naar de bekwaamheden en verdiensten van alle kandidaten zoals omschreven door voormeld arrest van de Raad van State 126.
  9. Het bestuurscollege stelde vast dat sedert het onderzoek van deze kandidaturen en het nieuwe onderzoek door de bevorderingscommisie, omzeggens vijf jaren zijn verlopen, waardoor het onmogelijk wordt om ex tunc te oordelen, en een nieuwe en degelijk gemotiveerde beslissing, gebaseerd op de in 1999 ingediende dossiers, in de plaats te stellen van de vernietigde beslissing, zonder aan de dossiers nieuwe elementen toe te voegen. Het bestuurscollege stelde bovendien vast dat inmiddels de wetgeving van toepassing op en de interne reglementering van de Hogeschool Gent sedert 1999 belangrijke wijzigingen heeft ondergaan, zoals bijvoorbeeld art. 2,27/, art. 268,9/ en art. 278,12/ van het Hogescholendecreet […] Het bestuurscollege stelde dan ook vast het niet zou getuigen van behoorlijk bestuur om op basis van de uit 1999 daterende elementen en het aan de hand daarvan opnieuw gevoerde onderzoek en verslag van de bevorderingscommissie van 17 mei 2004, een nieuwe beslissing te nemen die de vernietigde beslissing vervangt. Het bestuurscollege stelt bijgevolg aan de raad van bestuur voor de procedure die kan leiden tot aanstelling in het ambt van hoofdlector in het departement SOAG, stop te zetten en aan het departement SOAG de mogelijkheid te bieden de procedure die tot aanstelling tot hoofdlector kan leiden, volledig opnieuw te doen, volgens de huidige reglementering en huidige interne reglementering van de Hogeschool Gent. De raad van bestuur volgt het voorstel van het bestuurscollege en beslist de procedure die kan leiden tot aanstelling in het ambt van hoofdlector in het departement SOAG, stop te zetten en aan het departement SOAG de mogelijkheid te bieden de procedure die tot aanstelling tot hoofdlector kan leiden, volledig opnieuw te doen, volgens de huidige reglementering en huidige interne reglementering van de Hogeschool Gent”.
  10. Uit een door verzoekster op 25 januari 2005 aan de algemeen directeur gezonden mail blijkt dat zij toen en zelfs eerder, op 10 januari 2005, op de hoogte was van de bestreden beslissing en haar motieven. XII-4419-3/9 Bij mail van 26 januari 2005 wordt verzoekster medegedeeld dat, al is de beslissing al een tijdje op het intranet te raadplegen, die beslissing haar per post zal worden overgemaakt. Bij brief van 3 februari 2005 wordt verzoekster de bestreden beslissing medegedeeld.
  11. De ontvankelijkheid. 2.
  12. Het voorwerp van het beroep 2.1.
  13. De verwerende partij voert aan dat de bestreden beslissing geen eindbeslissing is doch slechts een voorafgaande handeling zodat ze niet los van de benoeming aanvechtbaar is. 2.1.
  14. Ook voorbereidende handelingen zijn voor vernietiging vatbaar op voorwaarde dat ze de verzoeker een dadelijk nadeel doen lijden. Zij komen dan voor als een echte vóór-beslissing. Dat is het geval met de bestreden beslissing tot het volledig herbeginnen van de aanstellingsprocedure : zij heeft tot gevolg dat verzoekster in concurrentie komt met nieuwe kandidaten zodat haar kansen op benoeming kunnen verminderen. De exceptie kan niet worden aangenomen. 2.2 . Het belang 2.2.
  15. De verwerende partij voert verder aan dat de aangevochten beslissing waarbij het advies van het bestuurscollege met als gevolg verwijzing naar de departementsraad, wordt gevolgd, impliceert dat noch aangaande het lot van verzoekende partij noch aangaande de andere kandidaten tot op heden een beslissing werd genomen zodat deze beslissing verzoekster geen nadeel bezorgt. Dat verzoekster door haar huidige kandidaatstelling in een minder gunstige positie zou komen te staan is louter potentieel en volstaat niet om het geoorloofd belang aan te tonen. 2.2.
  16. Zoals reeds vastgesteld is de bestreden beslissing van aard verzoekster een direct nadeel toe te brengen doordat zij haar kansen op een aanstelling vermindert. De exceptie kan niet worden aangenomen. XII-4419-4/9 2.
  17. De tijdigheid van het beroep 2.3.
  18. De verwerende partij voert tenslotte aan dat uit de e-mail van 25 januari 2005 blijkt dat verzoekster reeds op 10 januari 2005 kennis had van de bestreden beslissing. 2.3.
  19. De bestreden beslissing wijst uit dat aan verzoeksters kandidatuur geen gunstig gevolg wordt gegeven en dat integendeel de aanstellingsprocedure wordt overgedaan. De beslissing kan dus geacht worden een weerslag te hebben op de rechtspositie van verzoekster, zodat ze haar diende te worden betekend. Overigens gebeurde dit ook effectief op 3 februari 2005, datum waarop de beroepstermijn is ingegaan. Deze exceptie kan evenmin worden aangenomen.
  20. Ten gronde. 3.1.
  21. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het gelijkheidsbeginsel. Verzoekster stelt dat de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk is, omdat niet valt in te zien en niet wordt aangetoond waarom de beoordelingscommissie niet over alle elementen zou beschikken om de titels en verdiensten van de kandidaten te onderzoeken. Zij betoogt eveneens dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat aan de kandidaten die oorspronkelijk een onvolledig dossier indienen de kans wordt gegeven dit vooralsnog te stofferen. Zij bekritiseert eveneens het motief dat er vijf jaren zijn verlopen sinds het onderzoek van de kandidaturen, omdat de verwerende partij dit tijdsverloop in de eerste plaats aan zichzelf heeft te wijten. Bij een tijdige uitvoering van het vernietigingsarrest van 4 december 2003 zou de verwerende partij niet zijn geconfronteerd met de door haar ingeroepen decretale wijziging van 19 maart 2004 die overigens niet relevant is. Verzoekster stelt bovendien dat het bestuurscollege niet bevoegd is voor het bevorderen van onderwijzend personeel, terwijl de bestreden beslissing is genomen op voorstel van dat bestuurscollege, dat dus een oordeel velt in een materie waarin het niet bevoegd is. De verwijzing naar de invoering van een nieuw reglement inzake selectie en werving van het onderwijzend personeel is volgens verzoekster evenmin relevant. XII-4419-5/9 3.1.
  22. Het gelijkheidsbeginsel kan te dezen niet nuttig worden ingeroepen. Verzoekster wordt immers niet ongelijk behandeld doordat de dossiers van 1999 niet langer als dusdanig zullen worden onderzocht. De geactualiseerde dossiers zullen immers alle op dezelfde wijze kunnen worden samengesteld en onderzocht. Iedereen, ook verzoekster, krijgt de kans het dossier te actualiseren. Het gezag van gewijsde van een annulatiearrest waarbij een aanstelling wordt vernietigd, wordt niet automatisch geschonden als de overheid daarna een nieuwe oproep tot de kandidaten richt en beslist de initiële procedure niet verder te zetten. Vereist is wel dat zij daarvoor deugdelijke redenen heeft. In de bestreden beslissing wordt aangegeven welke redenen de verwerende partij doet gelden. Enerzijds is er het verstrijken van een periode van vijf jaar en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot actualisering van de dossiers. Anderzijds is er de wijziging van de wetgeving en interne reglementering. Van de vijf jaar is een aanzienlijk gedeelte toe te schrijven aan de lange duur van het proces tegen de beslissing van 26 januari
  23. Dat deel kan niet exclusief op het conto van de verwerende partij worden geschreven. Terecht wijst verzoekster er op dat er na het arrest ook nog eens meer dan een jaar is verstreken. Dat jaar is evenwel niet onverrichter zake gepasseerd. Zoals verzoekster zelf opmerkt in de laatste memorie, zijn in die periode “verschillende beslissingen genomen en voorstellen geformuleerd”, weze het dat ze nadien zijn ingetrokken of niet bevestigd werden. Bij het argument van het tijdsverloop komt bovendien dat van de gewijzigde regelgeving. Ten onrechte ontzegt verzoekster die wijziging elke relevantie. Per slot van rekening wijst ze er bijvoorbeeld zelf op, in het tweede middel, dat “men nu, in tegenstelling tot in 1999, niet meer vast benoemd [moet] zijn om voor een benoeming tot hoofdlector in aanmerking te komen”. Bovendien, en vooral, gaat het er niet om of, zoals verzoekster blijkbaar meent, de wijzigingen al dan niet een vergelijking van de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten op grond van de in 1999 ingediende dossiers onmogelijk maakt. Integendeel volstaat het dat de verwerende partij binnen de grenzen van de redelijkheid van mening mag zijn dat een nieuwe procedure te verkiezen is boven een vergelijking op grond van de oude dossiers. XII-4419-6/9 Het geheel van de argumentatie van verwerende partij in acht genomen, komt haar keuze om de procedure van voor af aan te herbeginnen genoegzaam verantwoord voor. Verzoekster stelt ten slotte ten onrechte dat het bestuurscollege onbevoegd was. Dit college heeft, overeenkomstig artikel 268 van het Hogeschooldecreet, de beslissing van de raad van bestuur voorbereid en heeft zelf geen beslissing genomen. Het middel is niet gegrond. 3.2.
  24. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat zij in een minder gunstige positie komt te staan ten opzichte van anderen. Zij zet uiteen dat een kandidaat nu, in tegenstelling tot 1999, niet meer vast benoemd moet zijn om voor een benoeming tot hoofdlector in aanmerking te komen waardoor ook andere kandidaten een dossier kunnen indienen. Verzoekster heeft, ingevolge omstandigheden buiten haar wil, sedert 1999 weinig of geen nuttige ervaring kunnen opdoen. Het gaat volgens verzoekster niet op om aan bepaalde kandidaten die in 1999 een dossier indienden dat niet voldeed aan de bevorderingscriteria, nu de kans te geven dit dossier aan te vullen. Dit is strijdig met het gelijkheidsbeginsel aangezien bepaalde kandidaten zo worden bevoordeeld ten opzichte van andere. 3.2.
  25. Bij de weerlegging van het eerste middel werd reeds aangetoond dat er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel. Verwerende partij heeft op grond van deugdelijke motieven die verband houden met het belang van de dienst, derhalve met het oog op de keuze van de beste kandidaat, voor een heropstarten van de benoemingsprocedure gekozen. Door voor iedereen het vertrekpunt van de samenstelling van de dossiers op dezelfde datum te plaatsen, wordt de gelijke behandeling gewaarborgd. Er wordt niet aangetoond dat het bestuur de belangen heeft willen dienen van degenen wier benoeming eerder was vernietigd geworden. Het middel is niet gegrond. XII-4419-7/9 3.3.
  26. In een derde middel voert verzoekster aan dat luidens artikel 3, § 1 van het organiek reglement van de raad van bestuur, aan de leden de uitnodiging voor de volgende vergadering wordt verstuurd met vermelding van de agendapunten en samen met de voorbereidende stukken ten minste vijf werkdagen voor de vergadering. In casu trok het bestuurscollege bij beslissing van vrijdag 17 december 2004 haar andere beslissing van 3 december 2004 in en formuleerde het een nieuw voorstel aan de raad van bestuur die reeds zou vergaderen op 22 december 2004, zodat de leden dus niet ten minste vijf dagen op voorhand kennis kunnen nemen van de voorbereidende stukken. Uit de notulen van de vergadering van 22 december blijkt dat er pas op 20 december een mail werd verstuurd naar de leden. Verzoekster stelt dat de raad van bestuur nooit zou hebben beslist de benoemingsprocedure volledig te hernemen indien de leden afdoende waren ingelicht over het dossier. 3.3.
  27. De in het middel aangevoerde bepaling moet in de eerste plaats het belang van de leden van de raad van bestuur dienen. Het moet hen toelaten met kennis van zaken te oordelen. Te dezen meent verzoekster dat zij die kennis niet konden hebben en dat zij niet volledig en correct waren ingelicht over het betrokken dossier. Het is een bewering die niet aannemelijk wordt gemaakt en overigens afstuit op elk gebrek aan bewezen protest vanwege de leden van de raad van bestuur tegen de beweerd overhaastige behandeling van het dossier. Het middel kan niet worden aangenomen, BESLUIT: Artikel
  28. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  29. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-4419-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig oktober 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. BAMPS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-4419-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.956 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.870 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.