id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.970 Rolnummer: A. 120053/XIV-9698 Zaak: Arrest 163970 - - 24/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 07:08 Fiche Arrest nr 163.970 van 24 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 163.970 van 24 oktober 2006 in de zaak A. 120.053/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. ROBIDA, kantoor houdende te 4000 LIEGE, Rue Hullos 103-105 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 17 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 6 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-9698-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 14 januari 2002 en zich vluchteling verklaart op 21 januari 2002; dat op 6 februari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 maart 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 39 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (Bestuurstaalwet), van de artikelen 51/4 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van “het algemeen principe van de rechten van de verdediging” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Doordat zowel het gesprek voor de dienst Vreemdelingenzaken op 21/1/2002, als het interview voor de commissaris-generaal is doorgegaan in het Frans, terwijl de hierboven aangeduide wetsbepalingen voorschrijven dat de procedure op straffe van nietigheid (artikel 58 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken) diende te verlopen in het Nederlands, nu de verzoekende partij geen taal gekozen had en de minister het Nederlands in functie van het onderzoek en overeenkomstig het art. 51/4 van de vreemdelingenwet had bepaald en bijgevolg zowel in de procedure voor de dienst Vreemdelingenzaken als in de procedure voor het commissariaat-generaal deze taal diende gebruikt te worden door de overheidsinstanties. Dat bijgevolg, zowel het verslag opgesteld op het typeformulier van de dienst Vreemdelingenzaken, als het interview voor het commissariaat-generaal nietig zijn en daarenboven uit niets blijkt of de ambtenaren die zijn opgetreden, een voldoende kennis hebben van de Franse taal. Dat tenslotte de rechten van de verdediging werden gekrenkt, omdat aan de verdediging op die wijze het Frans als taal van de procedure wordt opgedrongen en de verzoekende partij het recht moet hebben te worden bijgestaan door een tolk. Dat het overigens niet bewezen is dat er geen tolken Portugees-Nederlands zouden voorhanden zijn. Dat een beslissing die wordt gemotiveerd op grond van nietige stukken, als onbestaande dient gehouden te worden, minstens als zijnde niet naar behoren gemotiveerd. Dat de taalwetgeving van openbare orde is.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: XIV-9698-2/6 “Verzoekster werpt op dat zowel het gesprek op de DVZ, alsook het gesprek op het CGVS is doorgegaan in het Frans, terwijl de procedure diende te verlopen in het Nederlands, aangezien verzoekster geen taal gekozen had en het Nederlands als proceduretaal werd vastgesteld. Ver-zoeksters opmerkingen houden geen steek. Verzoekster beweert onterecht dat ze geen taal gekozen heeft. Verweerder wijst erop dat verzoekster op 21 januari 2002 gekozen heeft om, voor de behandeling van haar asielaanvraag, bijgestaan te worden door een Portugese tolk. Bij beslissing van dezelfde datum werd, en dit conform artikel 5114 van de Vreemdelingenwet, bepaald dat bij de behandeling van verzoeksters asielaanvraag de Nederlandse taal zou worden gehanteerd. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, werd verzoekster zowel tijdens haar interview op de DVZ, alsook tijdens haar gehoor op het CGVS bijgestaan door een tolk die de Portugese taal machtig is. Dit blijkt duidelijk uit het administratief dossier. Op bladzijde 13 van het DVZ-gehoorverslag staat duidelijk het volgende vermeld: ‘Dit gesprek werd gevoerd in het Portugees/Nederlands’. Verzoekster handtekende dit verslag waarmee ze zich akkoord verklaarde met de inlichtingen die ze tijdens dat verhoor gegeven heeft. Uit het gehoorverslag van het CGVS blijkt eveneens dat verzoekster tijdens het interview op het CGVS bijgestaan werd door een Portugese tolk (p. 1, CGVS-gehoorverslag). Verder merkt verweerder op dat de verhoorverslagen in het Nederlands genoteerd werden en de beslissingen werden opgesteld in het Nederlands. De Nederlandstalige procedure werd volledig gevolgd. Het feit dat er niet steeds een Portugees-Nederlandse tolk beschikbaar is voor de bijstand aan de kandidaat-vluchtelingen tijdens de verhoren op het CGVS, wijzigt niets aan de kwaliteit van de verhoren, gezien de behandelende juristen het Frans machtig zijn. Uw raad besliste reeds eerder dat artikel 5114 van de Vreemdelingenwet wordt gerespecteerd wanneer de beslissing in het Nederlands wordt genomen en verzoekster niet aantoont dat de betrokken jurist de Franse taal niet machtig was. (R.v.St. nr. 101.470 van 04 december 2001). Verweerder merkt 'bovendien op dat verzoekster geen opmerking maakte over de vertaling van verzoeksters verklaringen naar het Frans. Verzoekster maakte tijdens het interview op het Commissariaat-generaal ook geen melding van concrete problemen die rezen naar aanleiding van deze vertaling. Verweerder merkt tenslotte op dat de procedure voor de Commissaris-generaal administratiefrechtelijk en niet jurisdictioneel is van aard. Bijgevolg heeft de procedure geen tegensprekelijk karakter en zijn de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing. Het enig middel is niet ernstig.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “1.Volgens de Commissaris-generaal zou de verzoekende partij onterecht beweren in haar middel, dat zij geen taal zou gekozen hebben voor het behandelen van haar asielaanvraag. Volgens de Commissaris-generaal zou de verzoekende partij het Portugees hebben gekozen als taal voor de behandeling van haar asielverzoek. De Commissaris-generaal gaat hierbij evenwel compleet voorbij aan de uitdrukkelijke bepalingen van art. 5114 van de Vreemdelingenwet, dat voorschrijft dat de vreemdelinge ofwel het Nederlands of het Frans als taal van de procedure kiest, ofwel de hulp van een tolk verlangt. In casu blijkt overduidelijk dat de verzoekende partij, de bijstand van'.'éen tolk heeft gevraagd. In dat geval schrijft artikel 5114 van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk voor dat de Minister de taal van het onderzoek (het Nederlands of het Frans), bepaalt. In casu blijkt zonder de minste twijfel uit het administratief dossier, dat de Minister het Nederlands had aangeduid als taal voor het onderzoek en de procedure.
- De verzoekende partij heeft nooit beweerd dat de tolk die haar bijstond het Portugees niet zou machtig geweest zijn. Het was erger: zowel bij het interview DVZ, als bij het interview voor de Commissaris-generaal, was de tolk zelfs de taal van de procedure niet machtig!
- Wanneer op p. 13 van het DVZ-verhoorverslag zou vermeld staan dat het gesprek werd gevoerd in het Portugees-Nederlands, dan is dat stuk vals, want zulks stemt niet overeen met de werkelijkheid. Wanneer zulks verder zou betwist worden, zal de verzoekende partij een klacht wegens valsheid neerleggen. De verzoekende partij verwijst naar p. 9 van het verslag van haar echtgenoot waar uitdrukkelijk werd neergeschreven: Dit gesprek werd gevoerd in het Portugees-Frans-Nederlands, hetgeen reeds de werkelijkheid meer benadert. XIV-9698-3/6 Uit hetzelfde stuk blijkt eveneens dat er geen tolk Frans-Nederlands aanwezig was.
- Voor wat betreft het interview dat plaats greep op het Commissariaatgeneraal voor de vluchtelingen en de staatlozen, blijkt uit het feit dat de verzoekende partij werd bijgestaan door tolk nr. 614 reeds dat deze tolk het Nederlands niet machtig is. Zulks wordt niet betwist door het Commissariaatgeneraal. Op p. 13 van het verhoorverslag liet de verzoekende partij haar voorbehoud over de gevolgde procedure, met name dat het interview in het Frans was doorgegaan, uitdrukkelijk acteren.
- Het is niet omdat de jurist van het Commissariaatgeneraal hetgeen hij hoorde zo goed en zo kwaad mogelijk in het Nederlands optekende, dat zulks zou volstaan om te voldoen aan de voorschriften van de Wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken en meer bepaald het artikel 39 en volgende. Op deze wijze redeneren, zou een complete uitholling betekenen van de taalwetgeving, die van openbare orde is. De verzoekende partij zou wel eens het tegenovergesteld willen meemaken, een Nederlands interview in een Franstalige procedure.
- Volgens het Commissariaatgeneraal zou het aan de verzoekende partij toekomen een negatief bewijs te leveren, met name dat de jurist de Franse taal niet machtig zou zijn. Zulks is natuurlijk een onmogelijke opdracht en aan niemand kan worden opgedragen een negatief bewijs te leveren. Zulks is strijdig met de meest elementaire rechtsregelen. Integendeel zou het misschien kunnen helpen moest de Commissaris-generaal kunnen bewijzen dat zijn ambtenaar het door de wet voorziene examen omtrent de kennis van het Frans, heeft afgelegd. Zulk een bewijs ligt niet voor, zodat ervan uitgegaan moet worden dat het in casu om een eentalige Nederlandse ambtenaar ging, met een private kennis van het Frans. De verwijzing naar het Arrest nr. 101.470 is niet relevant, omdat in die zaak er geen schending van de taalwetgeving werd opgeworpen, maar alleen een schending van de Vreemdelingenwet.
- De Commissaris-generaal beweert dat er geen tolk Portugees-Nederlands zou ter beschikking geweest zijn. Uit het administratief dossier blijkt zulks evenwel geenszins.
- Tenslotte moet de Commissaris-generaal eens uitleggen wanneer en op welke wijze opmerkingen moeten geformuleerd worden over de vertalingen van het Portugees, naar het Frans en dan naar het Nederlands en omgekeerd, omtrent een tekst die de verzoekende partij niet te zien krijgt? Hoe kunnen concrete vertaalmoeilijkheden worden opgeworpen over een tekst die men niet eens kent en waarvan voor het eerst kennis wordt genomen, na kennisname van de (negatieve) beslissing? De verzoekende partij liet haar voorbehoud over de gevolgde werkwijze uitdrukkelijk optekenen!
- Het is juist dat de procedure voor het Commissariaatgeneraal administratief is, maar dat betekent nog niet dat de administratie zich alles mag permitteren: de taalwetten aan de laars lappen, tolken uitkiezen, die de taal van de procedure niet machtig zijn, negatieve bewijzen eisen etc. Het middel is gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending van artikel 39 van de Bestuurstaalwet niet op ontvankelijke wijze kan aanvoeren, nu het taalgebruik in het kader van een asielprocedure wordt geregeld door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en niet door de Bestuurstaalwet; Overwegende dat de schending van de rechten van de verdediging evenmin op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd, nu deze enkel van toepassing zijn op jurisdictionele procedures en in administratiefrechtelijke procedures op tuchtzaken; dat zij niet van toepassing zijn op de behandeling van een administratief beroep betreffende de beoordeling van een asielaanvraag; XIV-9698-4/6 Overwegende dat uit artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet niet kan worden afgeleid dat de tolk die de verklaringen van de kandidaat-vluchteling vertaalt, dit rechtstreeks moet doen in de taal van de procedure; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de vertaling op het commissariaat-generaal op 1 maart 2002 door de tolk van het Portugees naar het Frans en vervolgens door de interviewer naar het Nederlands niet naar behoren zou zijn gedaan of dat haar belangen daardoor op enige wijze zouden zijn geschaad; dat dit des te meer klemt omdat de verzoekende partij, anders dan zij in de memorie van wederantwoord voorhoudt, blijkens het verhoorverslag zelfs geen algemene opmerking over de vertaling heeft gemaakt; dat de verzoekende partij er in ieder geval geen enkele concrete opmerking over heeft gemaakt en ook thans geen concrete vertaalfouten of verkeerde interpretaties aantoont; dat de verzoekende partij gedurende het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken op 30 januari 2002 of bij de voorlezing van haar verklaringen evenmin enige opmerking over en zelfs geen voorbehoud bij de vertaling heeft gemaakt doch het verhoorverslag zonder meer heeft ondertekend; dat de verzoekende partij met het voorgaande geen schending van de formele motiveringsplicht aantoont in de zin dat geen rekening zou mogen worden gehouden met de kwestieuze verhoorverslagen; dat het middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig oktober tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-9698-5/6 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9698-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.