id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.037 Rolnummer: A. 174191/IX-5352 Zaak: Arrest 164037 - - 24/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-10-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 07:13 Fiche Arrest nr 164.037 van 24 oktober 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.037 van 24 oktober 2006 in de zaak A. 174.191/IX-
- In zake : Stefaan VAN BASTELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegen- woordigd door zijn afgevaardigd bestuurder. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stefaan VAN BASTELAERE op 21 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 april 2006 van SELOR waarbij hij, met betrekking tot het examen voor de selectie van attachés voor internationale samenwerking voor de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -examen nr. ANG 05828-, niet geslaagd wordt verklaard voor het mondeling gedeelte over de persoonlijkheid; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5352-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur- generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, projectverantwoordelijke verbonden aan de Belgische Technische Coöperatie met standplaats te Kigali, neemt deel aan de selectie- procedure nr. ANG 05828 voor attachés voor internationale samenwerking voor de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. 1.
- Hij slaagt voor de proefonderdelen “schriftelijk gedeelte over ontwikkelingssamenwerking”, “kennis van het Engels” en het “mondeling gedeelte over ontwikkelingssamenwerking”. Hij slaagt niet voor het “mondeling gedeelte over de persoonlijkheid” waarvoor hij met 44 punten op 80 niet het vereiste minimum van 48 op 80 behaalt. Deze beslissing wordt hem medegedeeld bij brief van 21 april
- Van deze beslissing wordt thans de schorsing gevorderd. 1.
- De motivering van het bestreden besluit wordt verzoeker op diens vraag toegestuurd bij brief van 19 mei
- Naar daarin wordt vermeld vermocht verzoeker niet voldoende te verklaren waarom hij precies wilde veranderen van functie.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-5352-2/6 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ en van het zorgvuldig- heidsbeginsel, doordat het mondeling gedeelte over de persoonlijkheid niet verlopen is op basis van een “biografische vragenlijst die door de kandidaat schriftelijk werd ingevuld” terwijl het selectiereglement dergelijke vragenlijst uitdrukkelijk voorschrijft en zij ook onontbeerlijk is om de test op een correcte manier te kunnen afnemen; dat hij het middel als volgt toelicht: volgens het selectiereglement vormt de biografische vragenlijst samen met de computergestuurde persoonlijkheids-vragenlijst de basis voor het mondeling gedeelte over de persoonlijkheid; er is hem nooit gevraagd dergelijke biografische vragenlijst in te vullen en dus kon het interview daar ook niet op steunen; daarmee miskent de overheid haar eigen reglement; daarbij komt dat het mondeling gedeelte een zo ruime inhoud had dat het niet zinvol kon gebeuren dan na enige voorbereiding, terwijl de inlichtingen verstrekt in het gestandaardiseerde curriculum vitae blijkens het inschrijvings-formulier enkel zouden dienen om de preselectie van de kandidaten door te voeren -wat a contrario betekent dat dit curriculum vitae niet geschikt was als basis voor het diepgravende interview- en het overigens uit zijn aard de biografische vragenlijst niet kan vervangen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen het middel als volgt beantwoordt: het selectiereglement is opgesteld overeenkomstig artikel 67, § 2, van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999; voor wat het mondeling gedeelte van het examen over de persoonlijkheid betreft, maakt het selectiereglement inderdaad melding van een biografische vragenlijst die schriftelijk ingevuld moet worden en die de juryleden bij het mondeling gedeelte dan tot informatie strekt; omdat het curriculum vitae dat de kandidaten bij hun kandidatuur indienen uitgebreider is dan een biografische vragenlijst heeft de examenjury dit curriculum bij het mondeling gedeelte betrokken, hetgeen blijkt uit de motivatiefiche die de commissie over het interview met verzoeker heeft opgesteld; vanuit dat oogpunt zou het absurd geweest zijn de kandidaten te vragen een tweede keer, nu in een biografische vragenlijst, dezelfde gegevens te verstrekken; overigens is dezelfde werkwijze toegepast voor alle kandidaten; 3.
- Overwegende dat het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ het bestuur en de organen die ervan afhangen ertoe verplicht de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan; IX-5352-3/6 Overwegende dat buiten betwisting staat dat het examenreglement ANG 05828 bepaalt dat de “biografische vragenlijst, die schriftelijk wordt ingevuld”, samen met de resultaten van de computergestuurde persoonlijkheids-vragenlijst, dient “als informatie bij het mondeling gedeelte”; dat deze vragenlijst opgesteld moet worden met het oog op het interview waarin getoetst wordt of de kandidaat de vaardigheden bezit die de te begeven functie vereist; dat de verwerende partij niet aantoont dat de “biografische vragenlijst” samenvalt met het “standaard curriculum vitae” dat de kandidaten bij hun sollicitatie blijkens hetzelfde examen-reglement hebben moeten invullen; dat de omstandigheid dat het examenreglement uitdrukkelijk deze “biografische vragenlijst” vermeldt als een noodzakelijk stuk dat precies dient als informatie bij het interview, er integendeel op wijst dat het iets anders is dan het curriculum, dat overigens veeleer betrekking lijkt te hebben op de professionele ervaring van de kandidaten en niet op de mogelijkheden om de te begeven functie uit te oefenen - aspect waarop het interview wel toegespitst is; Overwegende dat de examencommissie verzoeker met het oog op het interview geen biografische vragenlijst heeft laten invullen; dat zij daarmee het selectiereglement ANG 05828 miskend heeft; dat de omstandigheid dat de commissie zich met de gegevens van het curriculum voldoende voorgelicht achtte om de kandidatuur van verzoeker te beoordelen, haar niet toeliet om, in strijd met het examenreglement, geen biografische vragenlijst te laten invullen; dat de verwerende partij aldus haar eigen regeling miskend heeft; dat het feit dat zij dat voor alle kandidaten heeft gedaan, de onregelmatigheid van haar handelen niet goed- maakt; dat het middel ernstig is; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt wat volgt: volgens het Belgisch Staatsblad van 11 mei 2006 zijn negen personen geslaagd voor het examen en toegelaten tot de stage die in september 2006 zou beginnen; in het licht van de bestaande invulling van het Nederlandstalig kader betekent dit dat de aanwerving van drie personen volstaat om de indiensttreding van attachés te blokkeren zodat voor een erg lange periode geen selecties meer georganiseerd zullen worden, met als gevolg dat hij met zijn 43 jaar geen enkele kans meer maakt om nog in dienst te kunnen treden; dat hij te dien aanzien erop wijst dat het kader 41 Nederlandstaligen omvat, dat op dat kader 35 plaatsen bezet zijn -ter terechtzitting wordt gepreciseerd dat het eigenlijk om 38 plaatsen gaat-, dat er zes personen in opleiding zijn terwijl er nog zes andere tot de opleiding toegelaten zijn, terwijl slechts een miniem aantal attachés -drie- in de komende vijf jaar de leeftijds- IX-5352-4/6 grens bereiken; dat hij op grond daarvan besluit dat de bestreden beslissing zijn laatste kans om benoemd te kunnen worden blokkeert; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daar tegenoverstelt dat het niet slagen voor een examen inherent is aan het deelnemen en dat, in geval van vernietiging, voor verzoeker een nieuw mondeling examen kan georganiseerd worden; dat zij ook stelt dat het niet uitgesloten is dat binnen afzienbare tijd een nieuw examen georganiseerd wordt zodat niet met zekerheid gesteld kan worden dat verzoeker voor zijn laatste kans staat; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij de door verzoeker aangebrachte gegevens met betrekking tot de bezetting van het personeelskader en de verwachte evolutie ervan niet tegenspreekt; dat daaruit afgeleid kan worden dat met de indienstneming van de geslaagden van het examen, het ministerie van Buitenlandse Zaken inderdaad voor een lange tijd in de behoeften kan voorzien zodat het veeleer onwaarschijnlijk is dat er in de eerstkomende jaren een nieuwe selectie georganiseerd zal worden; dat het dan ook, acht slaand op de leeftijd van verzoeker, niet voor de hand ligt dat hij nog zal kunnen deelnemen aan een volgende selectiepro- cedure; dat het zelfs eerder waarschijnlijk is dat dergelijke nieuwe selectieprocedure slechts ingericht zal worden wanneer verzoeker er nog maar weinig of geen nut meer kan uit halen; dat daarom, mede gelet op de weinig concrete repliek van de verwerende partij, wordt aangenomen dat het niet slagen van verzoeker voor het interview hem een nadeel berokkent dat de Raad van State toelaat de schorsing van het bestreden besluit te bevelen, IX-5352-5/6 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 april 2006 van SELOR waarbij Stefaan VAN BASTELAERE, met betrekking tot het examen voor de selectie van attachés voor internationale samenwerking voor de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikke- lingssamenwerking -examen nr. ANG 05828-, niet geslaagd wordt verklaard voor het mondeling gedeelte over de persoonlijkheid. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig oktober 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5352-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.037 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.