← België

Arrest 164038 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 24/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.038 Rolnummer: A. 175722/IX-5392 Zaak: Arrest 164038 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 24/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 07:14 Fiche Arrest nr 164.038 van 24 oktober 2006 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.038 van 24 oktober 2006 in de zaak A. 175.722/IX-5392. In zake : Erwin WUESTENBERG, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Erwin WUESTENBERG op 9 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissingen van 3 en 6 juli 2006, respectievelijk van de directeur- generaal van de algemene directie personeel van de federale politie en van de directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie, waarbij hij bij ordemaatregel wordt gedetacheerd van de veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis naar de 101-centrale te Brussel; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006; IX-5392-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de federale politie en was, vooraleer de thans bestreden beslissingen werden genomen, ingedeeld bij de veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis (DAP/VDKP). 1.2. Op 9 juni 2006 richt het hoofd van de Veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis een dienstnota aan de algemene directie van de bestuurlijke politie (DGA), dienstnota die luidt als volgt : “(...) 1. Gebeurtenis Op 30-05-2006 omstreeks 1340u doet zich in het wachtlokaal Brederode te Brussel een zeer agressieve woordenwisseling voor tussen INP WUESTENBERG en HINP DUYVEJONCK die op dat ogenblik post- overste was. Het komt uiteindelijk zover dat INP WUESTENBERG doodsbe- dreigingen uit t.a.v. HINP DUYVEJONCK. (...) 3. Genomen maatregelen (...) (Verwezen wordt naar een opdracht aan verzoeker van het diensthoofd van het veiligheidsdepartement om zich door de arbeidsgeneesheer te laten onder- zoeken, maar de doorverwijzing, door die geneesheer naar DPI -stressteam- voor bijkomend advies over de geschiktheid van verzoeker om een wapen te dragen en naar zijn beslissing niet samen te werken met de persoon met wie het conflict gerezen was). 4. Besluit en voorstel Niettegenstaande het volgens het advies van DPI niet nodig was om het dienstwapen van betrokkene onmiddellijk in te trekken, menen wij toch dat aangezien : IX-5392-2/9 . de antecedenten van betrokkene in dezelfde ‘sfeer’ liggen (zie punt 2 supra); . de onmiddellijke en verregaande implicaties voor de dienstorganisatie en de onmogelijkheid om dit ook vol te houden tijdens de grote verlofperiode en in de verdere toekomst; . de onvermijdelijke ruchtbaarheid die aan deze zaak gegeven wordt binnen de eenheid enerzijds en zelfs in het Paleis anderzijds; . het risico op nieuwe incidenten met mogelijks ernstige gevolgen; het noodzakelijk is dat INP WUESTENBERG ASAP herplaatst wordt naar een andere dienst buiten de VDKP, teneinde de rust te laten terugkeren en het verdere functioneren van de bewakingsdienst zone Brussel niet nog meer te verstoren. Wij stellen voor deze herplaatsing te laten doorgaan ten laatste op 01-07-2006, om hoger vermelde reden.” Het “document in bijlage 1” waarnaar de dienstnota verwijst, betreft een fax van 1 juni 2006 waarbij het adjunct-hoofd van de VDKP aan de dienst Arbeidsgeneeskunde een advies vraagt betreffende het dragen van het dienst-wapen door verzoeker. Het “document in bijlage 2” betreft een brief van 2 juni 2006 waarbij verzoeker door de arbeidsgeneeskundige dienst wordt opgeroepen zich op 8 juni 2006 aan te bieden voor een onderzoek. Het “document in bijlage 3” betreft een “formulier voor gezondheidsbeoordeling” waarop arbeidsgeneesheer MOUSSIAUX vermeldt wat volgt : “Geschiktheid wapendracht : bijkomend advies DPI moet worden gevraagd. Tijdelijk gescheiden diensten te voorzien met betrekking tot de persoon waarmee conflictsituatie heerst.” 1.3. Op 12 juni 2006 richt de directeur DAP (directie beveiligingsopdrachten en internationale zendingen), met verwijzing naar “ons onderhoud dd 12.06.2006”, een nota aan de DGA, waarin hij stelt wat volgt : “Gelet op de ernst van de feiten stel ik voor INP WUESTENBERG in een andere dienst te detacheren in afwachting van de resultaten van het tuchtonderzoek.” 1.4. Op 16 juni 2006 ondertekent de directeur-generaal van de DGA een nota die gericht is aan de algemene directie personeel (DGP) en aan DAP en waarvan de inhoudt luidt als volgt : IX-5392-3/9 “1. Toestand 1.1 Op 30-05-2006 rond 13.40 Hr doet zich in het wachtlokaal Brederode te Brussel een zeer agressieve woordenwisseling voor tussen INP WUESTENBERG en HINP DUYVEJONCK die op dat ogenblik postoverste was. Deze woordenwisseling escaleert zodanig dat INP WUESTENBERG doodsbedreigingen uit t .a.v. HINP DUYVEJONCK. 1.2 INP WUESTENBERG werd onmiddellijk na het incident door HINP DECORTE, die getuige was van de feiten, met toestemming van het diensthoofd naar huis gestuurd om erger te voorkomen. 1.3 Teneinde een nieuwe confrontatie tussen beide personeelsleden te vermijden, werd de dienstplanning van de bewakingsdienst zone Brussel aangepast zodat INP WUESTENBERG in de nabije toekomst niet meer dient samen te werken (met) HINP DUYVEJONCK. 1.4 Op vraag van de DstChef VDKP werd betrokkene op 08-06-2006 door de arbeidsgeneesheer (Dr MOUSSIAUX) aan een medisch onderzoek onderworpen hetgeen leidde tot een doorverwijzing naar DPI (stressteam). Tevens vermeldde de arbeidsgeneesheer dat tijdelijk gescheiden diensten dienden voorzien te worden met betrekking tot de persoon waarmee een conflictsituatie heerst. 1.5 Met de nota in referte 3 stelt de Dir DAP voor om INP WUESTENBERG, en dit in afwachting van de resultaten van het tuchtonderzoek, te detacheren in een andere dienst. 2. Beslissing DGA Rekening houdend met . de ernst van de feiten en de elementen voorhanden in het dossier; . de ruchtbaarheid die aan deze zaak werd gegeven zowel binnen de eenheid enerzijds en zelfs in het Paleis anderzijds; . het advies van de arbeidsgeneesheer om gescheiden diensten te voorzien, hetgeen binnen de veiligheidsdienst niet kan georganiseerd worden voor een lange periode; . het advies van de Dir DAP; . het feit dat het nog enkele weken zal duren vooraleer de zaak op tucht- gebied is afgehandeld en verwerkt is voor de betrokken partijen; . het feit dat de goede werking van de dienst moet gevrijwaard worden, ben ik van oordeel dat het nodig is, ook in het belang van betrokkene, om INP WUESTENBERG te detacheren in een andere dienst. Gelet op het personeelstekort binnen DST-DT OPS-CIC BRUSSEL (101-Centrale) zal ik een voorstel indienen bij de CG om INP WUESTENBERG naar deze dienst te detacheren. 3. Gevraagd 3.1 De Dir DAP wordt gevraagd deze nota ter kennis te brengen aan INP Erwin WUESTENBERG. Betrokkene zal deze ondertekenen voor ‘kennis genomen en één exemplaar ontvangen op (datum)’. 3.2 Een door betrokken ondertekend exemplaar zal terug worden overge- maakt aan DGA/DAG. 3.3 Vanaf de dag na kennisname beschikt betrokkene over een termijn van vijf werkdagen om een eventueel verweerschrift in te dienen.” Verzoeker ondertekent die nota voor kennisname en ontvangst op 19 juni 2006. Hij krijgt vervolgens vijf dagen uitstel om zijn verweerschrift in te dienen. IX-5392-4/9 In een verweerschrift dat wordt afgetekend voor “ontvangen op 04/07/2006 om 7u30”, zet verzoeker uiteen waarom hij noch met de inhoud, noch met de motivatie van het voorstel tot detachering bij ordemaatregel akkoord gaat. Hij vraagt om gehoord te worden. 1.5. Op 3 juli 2006 ondertekent de directeur-generaal van de algemene directie personeel, een nota aan de algemene directie bestuurlijke politie waarvan de inhoud luidt als volgt : “In de nota in Ref 1 vraagt DAP/VDKP om INP WUESTENBERG Erwin te herplaatsen wegens een ernstig incident. Met de nota in Ref 2 stelt DGA voor betrokkene te detacheren bij ordemaatregel naar DST/DT OPS/CIC Brussel - 101 Centrale. Ik beslis bijgevolg om INP WUESTENBERG Erwin te detacheren vanuit DAP/VDKP naar DAR Steun en hem in te zetten bij DST/DT OPS/CIC Brussel - 101 Centrale.” De in deze nota van 3 juli 2006 vervatte beslissing van de directeur-generaal DGP maakt het eerste voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. 1.6. Op 6 juli 2006 ondertekent de directeur-generaal van de DGA een nota die luidt als volgt : “Onderwerp Detachering bij ordemaatregel Betreft : INP Erwin WUESTENBERG (44.17722.51 - DAP/VDKP) Referentie(

  1. s)1. Mijn nota Nr DGA/DAG-Pers-2006/3417-DK 625 van 16-06-2006 2. Mijn fax Nr DGA/DAG-Pers-2006/3617 van 27-06-2006 3. Verweerschrift INP WUESTENBERG dd 02-07-2006 4. Uw nota Nr DGP/DPM/Bur1/kh-31060 van 03-07-2006 (...) 1. Toestand 1.1 Om redenen vervat in Pt 1 van Ref 1 heb ik een voorstel ingediend om INP WUESTENBERG te detacheren naar DST-DT OPS-CIC Brussel (101-Centrale). Aan betrokkene werd t/m 03-07-2006 toegelaten om een verweerschrift in te dienen (Ref 2). 1.2 Op 04-07-2006 heb ik het verweerschrift van betrokkene ontvangen. INP WUESTENBERG vraagt hierin om gehoord te worden en wenst zich te laten bijstaan door de heer Adile CLEMMENS (VSOA-politie). 2. Beslissing DGA 2.1 Gezien betrokkene in zijn verweerschrift geen nieuwe elementen naar voor brengt, blijf ik bij mijn standpunt om hem te detacheren in een andere dienst. Gelet op het feit dat betrokkene de mogelijkheid heeft gehad om een verweerschrift in te dienen, ga ik niet in op zijn vraag om gehoord te worden. IX-5392-5/9 2.2 Rekening houdend met de nota in Ref 4, beslis ik om betrokkene vanaf 10-07-2006 vanuit DAP/VDKP te detacheren naar DAR/Steun en hem in te zetten bij DST-DT OPS-CIC BRUSSEL (101-Centrale).” De in die nota van 6 juli 2006 vervatte beslissing, waarvan verzoeker dezelfde dag kennis neemt maakt het tweede voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing; 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet dat hij een materieel en een moreel nadeel ondergaat; dat hij verwijst naar de eventualiteit van het derven van aanzienlijke inkomsten, afhankelijk van het werkregime waarin hij terechtkomt, naar de omstandigheid dat de betreden maatregel niet van tijdelijke en bewarende aard is en naar het feit dat hem eigenlijk een tuchtmaatregel opgelegd is; dat hij benadrukt -ook nog ter terechtzitting- dat hij in een specifiek ambt tewerkgesteld is zodat zijn indeling bij de 101-centrale een feitelijke degradatie vormt die een moreel nadeel berokkent dat door een vernietigingsarrest niet meer goedgemaakt zal worden; dat hij ook stelt dat, nu de toetreding tot de veiligheidsdienst slechts kan gebeuren na een interview waarbij de motivatie, de maturiteit en het voorkomen van de kandidaat wordt nagegaan terwijl de aangestelden zich ook permanent moeten bijscholen, de bestreden beslissing er oorzaak kan van zijn dat hij bijzondere beroepservaring verliest; dat hij tenslotte verwijst naar het arrest WITTEMANS, nr. 129.804 van 29 maart 2004, waarin de vaststelling dat de bewering dat een maatregel een verdoken tuchtstraf was niet van alle ernst ontbloot was, voldoende werd geacht om de schorsing te bevelen; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet wat volgt: financieel nadeel is in beginsel herstelbaar, verzoeker wijst geen concrete gegevens aan die maken dat het in zijn geval anders zou moeten zijn en bovendien is verzoeker gedetacheerd naar een betrekking waar net als in zijn dienst van oorsprong bij nacht, in het weekend en met 12-urendiensten gewerkt wordt en ligt zijn plaats van tewerkstelling nabij het station Brussel-Centraal; IX-5392-6/9 moreel nadeel wordt in beginsel rechtgezet door een vernietigingsarrest; de bestreden beslissing is geen verkapte tuchtmaatregel; de veiligheidsdienst bij het Koninklijk Paleis bestaat uit twee eenheden en verzoeker maakte deel uit van de eenheid bewaking van de Koninklijke domeinen; de leden van die dienst moeten gewis aan een bijzondere recruteringsvoorwaarde voldoen -een interview om de motivatie, de maturiteit en het voorkomen van de kandidaten te onderzoeken- maar hun taken kunnen “door alle politieambtenaren” worden uitgevoerd, zulks in tegenstelling tot de eenheid die de leden van de koninklijke familie bewaakt en voor wie veel strengere beroepsuitoefeningsvoorwaarden gelden; 3.3. Overwegende dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting erkent dat verzoeker deel uitmaakte van de dienst voor de beveiliging van de Koninklijke Domeinen; dat hij wel benadrukt dat een tewerkstelling in die functie onmiskenbaar een prestigeaspect bevat zodat zijn verwijdering uit die functie hem zeker een groot moreel nadeel berokkent; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker op geen enkele wijze het bestaan van een financieel nadeel aantoont; 3.4.2.1. Overwegende dat de omstandigheid dat verzoeker gedetacheerd wordt en dat die detachering volgens hem een permanent karakter heeft, op zich geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; dat de detachering op zich een maatregel is van interne orde die genomen wordt voor de goede werking van de dienst en waartegen in beginsel zelfs geen annulatieberoep ingesteld kan worden; dat overigens uit de stukken van het dossier blijkt dat de overplaatsing wel degelijk gekoppeld is aan een tuchtonderzoek tegen verzoeker en aan de noodzaak om de rust in de dienst te laten terugkeren en dat uit niets blijkt dat de verwerende partij niet op de detachering zal terugkomen wanneer het tuchtonderzoek voor verzoeker een gunstige wending neemt; 3.4.2.2. Overwegende dat de uitleg van de verwerende partij ten aanzien van de inhoud van de functie die verzoeker bij de veiligheidsdienst van de koninklijke domeinen bekleedde, overtuigt; dat daaruit volgt dat verzoeker ten onrechte wijst op het teloorgaan van enige specifieke beroepservaring; dat het voor het overige, zo het al mogelijk is dat er in de geesten van de politieambtenaren een zekere hiërarchie bestaat inzake de aantrekkelijkheid van de functies en er aldus een zeker aanzien wordt verbonden aan de indeling bij de veiligheidsdienst van de Koninklijke IX-5392-7/9 Domeinen, zulke subjectieve beoordeling niet volstaat om te kunnen spreken van een feitelijke degradatie; 3.4.2.3. Overwegende dat verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel is en dat zulks hem een moreel nadeel berokkent; dat hij de problematiek van de verdoken tuchtstraf in zijn eerste middel aan de orde stelt en daar een aantal “vaststellingen, argumenten en eigenaardigheden” vermeldt die het bewijs zouden moeten bevatten dat hij in wezen gestraft wordt voor feiten die hem als een tekortkoming worden aangerekend; Overwegende dat de Raad van State voor een uitspraak over dergelijk nadeel moet onderzoeken of het aangevoerd middel ernstig is; dat evenwel het onderzoek naar de ernst van een middel en het onderzoek naar het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel duidelijk afgescheiden schorsingsvoorwaarden zijn die los van elkaar onderzocht moeten worden; dat, zo in uitzonderlijke omstandigheden waarin een oppervlakkig onderzoek reeds doet besluiten tot de ernst van een middel, dat gegeven bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betrokken wordt en er dan besloten wordt dat de verzoeker niet langer dan strikt noodzakelijk de nadelige werking van de bestreden beslissing moet ondergaan, in dit geval vastgesteld wordt dat het summier onderzoek dat de auditeur-verslaggever aan het middel gewijd heeft, hem niet tot de overtuiging gebracht heeft dat het eerste middel reeds bij een eerste aanblik een hoge graad van ernst vertoont; dat het eigen onderzoek de Raad van State niet tot een ander besluit brengt; dat er dan ook geen reden is om de vraag naar het bestaan van een verkapte tuchtmaatregel te betrekken bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 3.5. Overwegende dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont; dat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden waaronder de Raad van State de schorsing van het bestreden besluit kan bevelen, IX-5392-8/9 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig oktober 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5392-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.038 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.253 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.