← België

Arrest 164110 - - 26/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.110 Rolnummer: A. 87523/VII-19738 Zaak: Arrest 164110 - - 26/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 07:22 Fiche Arrest nr 164.110 van 26 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.110 van 26 oktober 2006 in de zaak A. 87.523/VII-19.738 In zake : Patrick HAUSTRAETE, die woonplaats kiest bij advocaat K. D'HONDT, kantoor houdende te BEVEREN, Kasteeldreef 77 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN tussenkomende partijen : 1. Roger VAN CAUWENBERGHE, 2. Etienne DE MAESENEER, 3. Robert DE MEERSMAN, 4. Christian VERSTICHELEN, 5. Stephan BAUWENS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. DE MEERLEER, kantoor houdende te AALST, Sylvain Van der Guchtlaan 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick HAUSTRAETE op 27 oktober 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 augustus 1999 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemees- ter en schepenen van de stad Zottegem van 8 maart 1999 houdende weigering van de vergunning aan verzoeker om een landbouwbedrijf, gelegen te Zottegem, Ten Ede 160, te exploiteren, niet wordt ingewilligd en de beroepen weigeringsbeslis- sing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 augustus 2000; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2000 die de tussenkomst van Roger VAN CAUWENBERGHE, Etienne DE MAESENEER, Robert DE MEERSMAN, Christian VERSTICHELEN en Stephan BAUWENS toelaat; VII-19.738-1/15 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 8 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE ; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. D’HONDT, die verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris Ch. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. DE MEERLEER, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoeker exploiteert een landbouwbedrijf in Zottegem. De inrichting ligt deels in woongebied met landelijk karakter (50 meter strook langs de straat) en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.2. Op 9 mei 1978 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem akte van de aangifte van 35 gespeende varkens, 30 zeugen en 70 runderen. De aktename geldt als vergunning voor een termijn van 30 jaar. Op VII-19.738-2/15 17 mei 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen vergunning bij wege van aktename voor de uitbreiding met 55 gespeende varkens en 30 runderen en de opslag van 4000 liter stookolie. Op 16 december 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor de uitbreiding tot 120 zeugen en 100 runderen. 1.3. Op 21 december 1998 dient verzoeker een milieuvergunningsaan- vraag in voor de verandering van de inrichting. Het aantal runderen zou worden verminderd van 100 tot 66; het aantal varkens zou worden verhoogd van 120 tot 670; de mestopslag zou worden verhoogd van 753 m³ tot 2.168 m³; de opslag van stookolie zou worden verhoogd van 4.000 liter tot 10.600 liter; er zou 200 liter smeerolie worden opgeslagen en 8 voertuigen en/of aanhangwagens andere dan personenwagens worden gestald. Er is nog geen bouwvergunning aangevraagd voor de nieuwe inrichting. 1.4. Er worden 3 bezwaarschriften ingediend: één door de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, en twee collectieve bezwaarschriften door buurtbewoners. 1.5. Op 8 maart 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. 1.6. Op 25 maart 1999 tekent verzoeker administratief beroep aan. 1.7. Volgende adviezen worden verleend tijdens de adviesprocedure: S de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; S de afdeling ROHM adviseert gunstig; S de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; S de provinciale milieudeskundige adviseert gunstig; S de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig. 1.8. Wanneer het beroep door de administratie aan de verwerende partij wordt voorgelegd, wordt als antwoord gevraagd om alsnog het "advies" in te winnen van "dienst 33 (landschapsarchitect)", aangezien de uitbreiding zou gebeuren "in een valleigebied met zicht op de heuvelende Vl. Ardennen. Wordt ongeschonden open ruimte niet aangetast?". VII-19.738-3/15 1.9. In een 'technisch verslag' laat de betrokken dienst (dit blijkt de dienst 32 te zijn i.p.v. de dienst 33) weten: "(...) dat de bouw van een mestvarkensstal van 15,4 m breedte op 42,35 m lengte en op 10 m achter de bestaande gebouwen van het landbouwbedrijf wel degelijk de thans bestaande open ruimte zal aantasten en dit om volgende redenen: 1. de nieuw te bouwen mestvarkensstal wordt voorzien achter de bestaande stallen en komt volledig te liggen in het thans open ongeschonden valleige- bied (...); 2. de hoogteverschillen in dit glooiend terrein worden groter naarmate de afstand tot de gewestweg Ten Ede vergroot met als gevolg dat indien de nieuwe mestvarkensstal wordt gebouwd met hetzelfde vloerpeil als de bestaande stallen er een terreinophoging zal dienen uitgevoerd te worden van ± 2 à 3 m, hetgeen uiteraard een zeer storend element zal doen ontstaan in het thans nagenoeg ongeschonden, mooi afdalend valleigebied. Derhalve is de gevraagde inplanting landschappelijk en esthetisch storend in het aldaar prachtig gelegen valleigebied". 1.10. Op 26 augustus 1999 wordt het bestreden besluit genomen: de vergunning wordt geweigerd. Er is één weigeringsmotief, dat luidt als volgt: "Overwegende dat aan de Dienst 32 - Wegen en Waterlopen van het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen werd gevraagd na te gaan of de inplanting geen schade zou toebrengen aan de open ruimte; dat volgens deze dienst er inderdaad sprake zou kunnen zijn van schending van de open ruimte indien de nieuwe mestvarkensstal aldaar zou worden aangeplant; dat de nieuwe stal immers voorzien wordt achter de bestaande stallen en komt te liggen in het thans open, ongeschonden valleigebied; dat bovendien in dit glooiend landschap de hoogteverschillen groter worden naarmate de afstand tot de gewestweg Ten Ede vergroot met als gevolg dat indien de nieuwe stal daar wordt gebouwd met hetzelfde vloerpeil als de bestaande stallen, er een terreinophoging zal dienen te worden uitgevoerd van 2 à 3 m, hetgeen een storend element zou kunnen doen ontstaan in het valleigebied; dat de vergunning dient geweigerd te worden omdat de gevraagde inplanting landschappelijk en esthetisch storend is in het aldaar prachtig gelegen valleigebied (...)". Over de andere bezwaren wordt gesteld dat deze door gepaste voorwaarden zouden kunnen worden verholpen; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, met name van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van artikel 50, 3°, van Vlarem I en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat het bestreden besluit niet VII-19.738-4/15 op afdoende wijze motiveert waarom de vergunning wordt geweigerd, in weerwil van het feit dat "alle adviezen van de gebruikelijke instanties" gunstig zijn, en dat de beslissing zich baseert "op gegevens en elementen die onmogelijk kunnen aanzien worden als in rechte aanvaardbaar en niet-tegenstrijdig"; dat hij doet gelden dat de verwerende partij "volkomen in(gaat) tegen het advies van de A.R.O.H.M. dd. 20.05.1999, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat -rekeninghoudende met de stedenbouw- kundige gegevens- de inrichting verenigbaar is met de bestemming van hogervermeld gebied en dat mits de gepaste exploitatievoorwaarden het woonklimaat van de omgeving niet wordt verstoord. Hiermee gaat zij tevens in tegen het verslag van de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie waar deze stelt dat de visuele hinder te voorkomen is, doordat de nieuw geplande stal aansluit bij de bestaande bebouwing en een groenscherm rondom deze stal zal worden aangebracht. 'Deze maatregelen en door de adviserende diensten voorgestelde milieuvoorwaarden volstaan om overmatige hinder te voorkomen en ondervangen de bezwaren geuit gedurende het openbaar onderzoek'"; dat verzoeker voorts stelt dat het technisch verslag van de dienst Wegen en Waterlopen "op geen enkele wijze als rechtsgeldige motivering (kan) worden aanvaard", en dit om reden

  1. a)dat bij toepassing van artikel 23, §1, van Vlarem I de in artikel 20 vermelde adviesverlenende overheidsorganen hun advies overmaken aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie, waarna de secretaris een afschrift bezorgt aan de leden, dat dit niet is gebeurd met het advies van de dienst Wegen en Waterlopen, en dat "bovendien moet worden opgemerkt dat de dienst 32 - Wegen en Waterlopen op geen enkele wijze bevoegd is om een oordeel te vellen over ruimtelijke ordening of de stedenbouwkundige impact van een voorgenomen inrichting in een landschap",
  2. b)dat er niet wordt gemotiveerd waarom het advies verkozen wordt boven de adviezen van "de andere, 'gebruikelijke' administraties en instanties", en
  3. c)dat de vraag zich stelt waarom een bijkomend advies diende gevraagd, terwijl alle voorliggende adviezen gunstig waren, waarbij wordt opgemerkt dat de dienst Milieuhygiëne na ontvangst van het bijkomende advies uitdrukkelijk van oordeel bleef dat de vergunning kon worden verleend; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst opmerkt dat de uitgebrachte adviezen niet bindend zijn, en dat zij ervan kan afwijken wanneer zij dit met redenen omkleedt: dat, voorts, zij stelt wat volgt : "In casu blijkt ontegensprekelijk uit de bestreden beslissing welke deze redenen zijn. De Bestendige Deputatie is van oordeel dat de inrichting VII-19.738-5/15 stedenbouwkundig niet verenigbaar is met de omgeving. Verzoeker stelt zelf al in zijn verzoekschrift op grond van welke gegevens de bestreden beslissing tot deze conclusie komt, hetgeen aantoont dat de motivering voldoende duidelijk is. De inrichting is stedenbouwkundig niet verenigbaar met de omgeving omdat 'de nieuwe stal immers voorzien wordt achter de bestaande stallen en komt te liggen in het thans open, ongeschonden valleigebied' en omdat 'de gevraagde inplanting landschappelijk en esthetisch storend is in het aldaar prachtig gelegen valleigebied'. Deze vaststellingen houden onmiskenbaar een afdoende motive- ring voor de weigeringsbeslissing in"; dat zij voorts als volgt tegenspreekt dat zij geen rekening mocht houden met het advies van de dienst Wegen en Waterlopen: "(...) Verzoeker catalogeert dit advies als een advies in de zin van art. 20 Vlarem I. Dit uitgangspunt is evenwel niet correct. De in art. 20 Vlarem I opgesomde adviserende instanties betreffen de instanties waarbij verplicht advies dient gevraagd te worden. Niets belet de Bestendige Deputatie evenwel om naargelang de noodwendigheid en de problematiek van een bepaald dossier andere relevante adviezen in te winnen teneinde te komen tot een degelijke beoordeling. Op deze bijkomende adviezen zijn de procedureregels zoals o.a. bepaald in art. 23 Vlarem I uiteraard niet van toepassing. De vraag om advies van de dienst 32 -het betreft hier de visie van een landschapsarchitekt m.b.t. de vraag of de open ruimte niet geschonden wordt door de inplanting- is des te meer gerechtvaardigd nu reeds uit de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren blijkt dat de vrees voor visuele hinder één van de pijnpunten van het dossier was. Het zou dan ook, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, getuigen van onbehoorlijk bestuur indien in casu het advies van de landschapsar- chitekt niet werd ingewonnen of met dit advies geen rekening gehouden werd"; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert als volgt: "(...) In de bestreden beslissing wordt wel melding gemaakt van alle gunstige adviezen, doch op geen enkel ogenblik wordt de inhoud van de adviezen concreet tegengesproken. De Bestendige Deputatie poneert dat de inplanting esthetisch storend zal zijn, doch zij gaat volledig voorbij aan de verscheidene adviezen die stellen dat de visuele hinder te voorkomen is, bv. doordat de nieuwe stal aansluit bij de bestaande bebouwing, en -belangrijk- doordat een groenscherm rond de stal zal worden aangebracht. Nergens in de bestreden beslissing wordt aangehaald, laat staan gemotiveerd, dat de in de adviezen aangehaalde middelen tot voorkoming van de visuele hinder onvoldoende zouden zijn"; dat hij voorts verwijst naar rechtspraak en rechtsleer en erop wijst dat het late advies niet van een landschapsarchitect afkomstig is, zoals in de memorie van antwoord gesteld; dat verzoeker suggereert dat de verwerende partij absoluut een ongunstig advies wilde, en tegenspreekt dat het advies niet onder de toepassing viel van artikel VII-19.738-6/15 23 van Vlarem I, dat met name de enig wettelijke basis voor het vragen van een bijkomend advies te vinden is in artikel 20, §3, van Vlarem I, en dat artikel 23 het heeft over "de in artikel 20 vermelde adviesverlenende overheidsorganen"; dat verzoeker ten slotte nog het volgende stelt: "Ten overvloede kan trouwens nog worden verwezen naar art. 24 par. 5 Vlarem I, waaruit nogmaals duidelijk blijkt dat de PMVC dient te beraadslagen over 'het dossier ... en alle beschikbare dossierstukken, gegevens en informatie ...' Ook hieruit blijkt eens te meer, dat als er bijkomende adviezen zijn, de PMVC hierover moet kunnen beraadslagen"; 2.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst laten gelden wat volgt: "(...) De bestendige deputatie heeft het recht [...] over de aangevraagde vergunning soeverein te oordelen doch dient niet klakkeloos de advisering van de Provinciale Milieuvergunningscommissie over te nemen. De bestendige deputatie heeft het recht en zelfs de plicht van indien zij meent onvoldoende geïnformeerd te zijn, bijkomende onderzoeken te bevelen. Indien uiteindelijk blijkt dat de aangevraagde inplanting van een nieuwe varkensstal stedenbouwkundig noch ruimtelijk past in het gebied en de bouw van deze stal een negatieve impact en een aanslag op de open ruimte zou inhouden, heeft de bestendige deputatie de verplichting de vergunning te weigeren. De bestendige deputatie heeft haar beslissing genomen in de zin dat het beter is te voorkomen dan achteraf te moeten genezen. Trouwens is het niet logisch te stellen dat de in te planten nieuwe varkensstal geen visuele hinder zou uitmaken gelet deze aansluit op de bestaande gebouwen en rond de stal een groenscherm kan worden aangebracht. Men weet duidelijk dat de nieuwe varkensstal een verder aansnijden van het valleigebied inhoudt en dat het aanbrengen van een groenscherm in feite een lapmiddel is om een niet aanvaardbare toestand te verbergen. Gelet het feit dat moet worden vastgesteld dat de heer Haustraete in zijn eerder toegekende vergunning een wintervast groenscherm diende aan te brengen doch dit gedeeltelijk niet heeft uitgevoerd en voor het andere deel bestaat uit niet-wintervast groen danig dat in de winter het gebouw goed zichtbaar is. Tevens wordt voor het eerst in het verslag van de dienst 32 gesteld dat er in het valleigebied een ophoging van 2 à 3 meter moet gebeuren om de nieuwe stal op gelijke hoogte te brengen van de bestaande stalling. Terecht meent de bestendige deputatie dat het dan ook onverantwoord is een aanslag te plegen op de open ruimte. Verder moet het ook duidelijk zijn dat gelet de bestendige deputatie terecht de stedenbouwkundige onverenigbaarheid heeft gehanteerd om de vergunning te weigeren, zij niet meer dient te antwoorden op het milieuhygiënische aspect van de aanvraag. Zelfs indien het verslag van Dienst 32 niet ter kennis is gebracht van de heer Haustraete Patrick dan nog heeft de bestendige deputatie het recht zich hierop te baseren om een weigering uit te spreken, gelet zij als beslissende overheid de plicht en de taak heeft alles in het werk te stellen om onverantwoorde en VII-19.738-7/15 onverenigbare vergunningsaanvragen te weigeren. Men kan zich terdege de vraag stellen waarom in het oorspronkelijk verslag van de diensten van AROHM geen melding werd gemaakt dat het terrein 2 à 3 meter moest worden opgehoogd. Men kan dan ook besluiten dat het advies van AROHM verre van volledig was en zeker geen rekening heeft gehouden met alle elementen op stedenbouw- kundig vlak. Het gunstig advies van de diensten van AROHM is dan ook terzake waardeloos"; dat zij in hun memorie daar niets wezenlijks meer aan toevoegen; 2.1.5. Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie er bij blijft dat uit het bestreden besluit niet kan worden opgemaakt waarom de vergunning wordt geweigerd en waarom de beoordeling door de verwerende partij op dit punt anders is dan deze van sommige adviesverlenende instanties; dat hij ook nog benadrukt dat de verwerende partij zich niet uitspreekt over het groenscherm; dat hij doet gelden dat als de administratieve overheid wil poneren dat een groenscherm niet te rijmen valt met het ongeschonden bewaren van een open landschap, zij dit alsdan in haar beslissing moet stellen; 2.1.6. Overwegende dat het in casu gaat om de uitbreiding met een nieuw te bouwen stal voor 560 mestvarkens, met een oppervlakte van 42 meter op 15 meter, achter de bestaande gebouwen, in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat artikel 15.4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (Inrichtingsbesluit) luidt als volgt: "De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan land- schapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; Overwegende dat de afdeling ROHM gunstig adviseert; dat in haar advies evenwel geen woord wordt gewijd aan de vraag of de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar wordt gebracht; dat de afdeling Milieuvergunningen eveneens gunstig adviseert, en daarbij over mogelijke visuele hinder stelt: "Het bedrijf is aan de linkerzijde voorzien van een groenscherm bestaande uit coniferen, kaarspopulieren en enkele fruitbomen. Aan de rechterzijde is er vrijwel geen groenscherm (o.m. wegens plaatsgebrek). Het is gewenst dat het bestaande groenscherm waar mogelijk nog wordt aangevuld met o.m. inheemse VII-19.738-8/15 struiken. Alhoewel de nieuwe stal nog aansluit met de bestaande bebouwing meen ik dat een degelijke inkadering in het landschap d.m.v. een gevarieerde en voldoende dikke beplanting noodzakelijk is"; dat de provinciale milieudeskundige in zijn gunstig advies over mogelijke visuele hinder stelt: "Aan de linkerzijde van de inrichting werd een groenscherm aangebracht (coniferen, kaarspopulieren en enkele fruitbomen). Wegens plaatsgebrek is er aan de rechterzijde vrijwel geen groenscherm aangebracht (cfr. plan gevoegd bij het dossier, machineloodsen staan tot op de perceelsgrens gebouwd). Volgens de exploitant zou rond de nieuwe stal een groenscherm worden aangeplant. Ter beperking van de visuele hinder dient waar nog mogelijk het bestaande groenscherm vervolledigd"; dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie in haar gunstig advies de beoordeling door de provinciale milieudeskundige overneemt, en in haar besluit stelt: "(...) De visuele hinder is te voorkomen, doordat de nieuwe geplande stal aansluit bij de bestaande bebouwing en een groenscherm rondom de stal zal aangebracht worden. (...)"; Overwegende dat het bestreden besluit daarentegen stelt: "Overwegende dat aan de Dienst 32 - Wegen en Waterlopen van het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen werd gevraagd na te gaan of de inplanting geen schade zou toebrengen aan de open ruimte; dat volgens deze dienst er inderdaad sprake zou kunnen zijn van schending van de open ruimte indien de nieuwe mestvarkensstal aldaar zou worden aangeplant; dat de nieuwe stal immers voorzien wordt achter de bestaande stallen en komt te liggen in het thans open, ongeschonden valleigebied; dat bovendien in dit glooiend landschap de hoogteverschillen groter worden naarmate de afstand tot de gewestweg Ten Ede vergroot met als gevolg dat indien de nieuwe stal daar wordt gebouwd met hetzelfde vloerpeil als de bestaande stallen, er een terreinophoging zal dienen te worden uitgevoerd van 2 à 3 m, hetgeen een storend element zou kunnen doen ontstaan in het valleigebied; dat de vergunning dient geweigerd te worden omdat de gevraagde inplanting landschappelijk en esthetisch storend is in het aldaar prachtig gelegen valleigebied (...)"; Overwegende dat het bestreden besluit duidelijk de reden laat weten waarom de vergunning wordt geweigerd; dat de verwerende partij met name van oordeel is dat de inplanting van een nieuwe stal in een voor de rest open en ongeschonden valleigebied een schending zou betekenen van de schoonheidswaarde van het landschap; dat duidelijk blijkt waarom de verwerende partij de aanvraag anders heeft geapprecieerd; dat, waar de adviezen oordelen dat de inname van open ruimte aanvaardbaar is omdat de nieuwe stal zou aansluiten bij bestaande gebouwen, VII-19.738-9/15 de verwerende partij van oordeel is dat het open valleilandschap om esthetische redenen onaangetast moet worden behouden, waaruit meteen kan worden afgeleid dat het trachten te verbergen van een vrij groot gebouw achter een groenscherm waarvan in een aantal adviezen gewag wordt gemaakt, geen optie is; dat de aanvrager aldus in het bestreden besluit zelf duidelijk de reden kan terugvinden waarom de verwerende partij de vergunning heeft geweigerd, in weerwil van adviezen in andere zin; dat de omstandigheid dat de verwerende partij na het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie om een bijkomend advies heeft gevraagd, aan die motivering geen afbreuk kan doen; dat, aangezien de verwerende partij door geen enkel advies gebonden is, eventuele procedurele complicaties de motivering op zich niet gebrekkig kunnen maken; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker een tweede en vierde middel aanvoert die in ruime mate samenhangen; dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de hoorplicht, die hij beschouwt als een algemeen rechtsbeginsel en als een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en die hij ook situeert in artikel 24, §4, van Vlarem I, zowel afzonderlijk als samengenomen met artikel 23, §2, van Vlarem I; dat hij betoogt dat het advies van de dienst Wegen en Waterlopen pas werd gevraagd na de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, waar verzoeker werd gehoord, dat nochtans uit artikel 23, §2, van Vlarem I, dat bepaalt dat alle adviezen moeten worden overgemaakt aan de commissie, volgt dat verzoeker zijn visie en/of opmerkingen op de inhoud moet kunnen geven, dat hij er alsdan immers op had kunnen wijzen dat de feitelijke gegevens in het bewuste verslag onjuist waren; dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van "algemeen rechtsbeginsel - schending van algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - schending van het zorgvuldigheidsbeginsel - dwaling omtrent de feiten"; dat hij betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte aanneemt dat de nieuwe stal zal worden gebouwd op hetzelfde vloerniveau als de bestaande stallen, waardoor een ophoging van 2 à 3 meter noodzakelijk zal zijn, dat deze voorstelling van feiten evenwel onjuist is, dat de nieuw te bouwen stal inderdaad achter de bestaande stallen komt, doch niet op hetzelfde vloerpeil zal worden gebracht als dat van de bestaande stallen, met als gevolg dat niet tot terreinophoging zal worden overgegaan; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij ten aanzien van het tweede middel als volgt antwoordt: "(...) Vooreerst dient vastgesteld te worden dat verzoeker gehoord werd in de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 22-06-1999. Op grond van VII-19.738-10/15 art. 24 §4 Vlarem I wordt de exploitant op zijn verzoek gehoord door deze commissie, hetgeen ontegensprekelijk gebeurd is. De Bestendige Deputatie heeft geenszins de verplichting om bij elke wending in het dossier, al dan niet naar aanleiding van een bijkomend advies, de exploitant opnieuw te horen. Het horen van de exploitant is immers binnen de milieuvergunningsprocedure niet georganiseerd als een tegensprekelijk debat. De hoorplicht is dan ook niet geschonden. Daarnaast blijkt uit het verzoekschrift dat geen enkel element wordt aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat de open ruimte niet geschonden wordt door de inplanting van de stal. Verzoeker spreekt niet tegen dat de nieuwe mestvarkensstal komt te liggen in het thans open ongeschonden valleigebied"; dat, ten aanzien van het vierde middel, de verwerende partij als volgt repliceert: "De discussie omtrent het al dan niet optrekken van het vloerpeil van de nieuwe stal is in casu niet ter zake dienend nu uit de bestreden beslissing blijkt dat de vergunning in essentie werd geweigerd omwille van de schending van de open ruimte in het tot nog toe ongeschonden open valleigebied. Verzoeker weerlegt deze vaststelling op geen enkele manier en bevestigt integendeel nogmaals in zijn verzoekschrift dat de nieuwe stal ingeplant zou worden achter de bestaande stallen"; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord, wat betreft het tweede middel, zijn standpunt herhaalt dat alle adviezen moeten worden bezorgd aan de commissie, dat die moet beraadslagen over een volledig dossier en dat de exploitant, die het recht heeft te worden gehoord, dus moet worden gehoord over een volledig dossier: "Het spreekt voor zich dat hiermede de belangen van verzoekende partij ten zeerste geschaad zijn. In tegenstelling tot hetgeen verwerende partij in haar memorie van antwoord poogt voor te houden betwist verzoekende partij wel degelijk de inhoud van het technisch verslag van dienst 32. Zo heeft verzoekende partij er in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring bij wijze van voorbeeld reeds uitdrukkelijk op gewezen dat het technisch verslag van dienst 32 steunt op volkomen verkeerde feitelijke gegevens. Indien verzoekende partij ter gelegenheid van het horen door de PMVC had kunnen reageren op dit technisch advies van dienst 32, had hij niet alleen kunnen wijzen op deze feitelijke onjuistheden, doch had hij tevens kunnen wijzen op de meer dan voldoende overige feitelijke elementen die het technisch advies van dienst 32 ontkrachtten, zoals het aansluiten van de nieuwe stal bij de reeds bestaande bebouwing, en de impact van een groenscherm waardoor de eventuele hinder tot het aanvaardbare kan worden beperkt. Minstens, doch dit in ondergeschikte orde, heeft de Bestendige Deputatie op manifeste wijze het vertrouwensbeginsel geschonden: Zowel de PMVC als verzoekende partij waren immers in de overtuiging dat een volledig dossier werd behandeld, hetgeen naderhand niet het geval bleek (en waarbij dan zelfs wordt beslist op een totaal ander, onterecht gegeven!) Tevens kan een schending van het beginsel van fair play worden ingeroepen"; VII-19.738-11/15 dat, wat het vierde middel betreft, verzoeker het verweer verwerpt als zou de weigering niet zijn ingegeven door de vermeende terreinophoging, omdat het precies die vermeende terreinophoging is op basis waarvan men tot de conclusie van "schending van het open en ongeschonden valleigebied" komt; 2.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun verzoekschrift tot tussenkomst ten aanzien van het tweede middel laten gelden wat volgt: "De heer Haustraete Patrick heeft evenwel zijn mening kunnen stellen op de Provinciale milieuvergunningscommissie en het feit dat er achteraf een bijkomend verslag werd gevraagd door de bestendige deputatie doet hiervan niets af, gezien de vaststelling binnen dit verslag gewoon niet weerlegbaar zijn, doch de feitelijke toestand aanduiden. Men kan toch niet ontkennen dat de plaats waar de nieuwe inplanting dient te gebeuren niet het verder aansnijden van een valleigebied inhoudt. Men kan ook niet ontkennen dat er een grondophoging van 2 à 3 meter moet gebeuren om op hetzelfde bouwniveau als de bestaande gebouwen te komen. Dit zijn vaststaande gegevens waaromtrent het al dan niet horen van de heer Haustraete Patrick geen verandering zal teweegbrengen. De heer Haustraete Patrick is dan ook niet in zijn rechten of belangen geschaad", en ten aanzien van het vierde middel: "Stellen dat het vloerpeil voor de nieuwe stal niet moet worden opgetrokken is duidelijk niet correct. Hoe gaat de heer Haustraete Patrick (...) immers de afwatering van zijn gebouw voorzien indien dit gebouw lager gelegen is. Men kan ook duidelijk niet voorbij aan het feit dat de nieuwe stal dient opgericht in de glooiing van het valleigebied wat een aanslag zal uitmaken op de open ruimte. In tegenstelling tot het feit dat de heer Haustraete Patrick stelt dat er door de bestendige deputatie een inbreuk is gepleegd op de zorgvuldigheidsregel, heeft de bestendige deputatie zeer zorgvuldig gehandeld door een bijkomend advies in te [winnen] [dat] een aantal zaken heeft verduidelijkt, welke in de andere adviezen niet ter sprake waren gekomen"; dat zij daaraan in hun memorie nog toevoegen dat er geen wettelijke verplichting is dat de exploitant nadat hij door de Provinciale Milieuvergunningscommisssie is gehoord, nogmaals wordt gehoord, uitsluitend om reden dat door de bestendige deputatie een bijkomend advies werd gevraagd, dat de schending van de open ruimte door de inplanting een feit is, dat de constructie zich in het ongeschonden open valleigebied zou bevinden en dat het optrekken van het vloerpeil eens te meer een aantasting van de integriteit van de open ruimte is; VII-19.738-12/15 2.2.5. Overwegende dat verzoeker, wat betreft het tweede middel, in de laatste memorie nog benadrukt dat ook indien het advies van dienst 32 aanzien wordt als een subadvies in de zin van artikel 20, §3, van Vlarem I, dan nog artikel 23, §2, van Vlarem I hierop van toepassing is, dat artikel 23, §2, van Vlarem I immers over "de in artikel 20 vermelde adviesverlenende overheidsorganen..." spreekt, en dus geen onderscheid maakt tussen deze vermeld in artikel 20, §1, en deze vermeld in artikel 20, §3, van Vlarem I, dat artikel 23, §2, van Vlarem I het dus zonder meer heeft over alle in artikel 20 vermelde organen, en dat het aan de administratieve overheid is -en aan deze alleen- om ervoor te zorgen dat de procedure gevoerd wordt zoals het hoort, dus met respect voor onder meer artikel 23 van Vlarem I; dat verzoeker, wat betreft het vierde middel, verwijst naar hetgeen is uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord; 2.2.6.1. Overwegende dat, wat het vierde middel betreft, bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de beoordeling door de verwerende partij van de onverenig- baarheid met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied gebaseerd is op een foutief feitelijk uitgangspunt; dat uit het bestreden besluit immers duidelijk blijkt dat de inname van een deel van het ongeschonden open landschap door de nieuwe stal onaanvaardbaar wordt geacht; dat niets in de motivering laat vermoeden dat de verwerende partij anders geoordeeld zou hebben wanneer zij niet had aangenomen dat voor het bouwen op de helling van de vallei een terreinophoging nodig zou zijn; dat vooreerst het gebruik van de term “bovendien” duidelijk wijst op een bijkomend motief, zonder afbreuk te doen aan het hoofdmotief dat de nieuwe stal een onaanvaardbare inname van het open, ongeschonden landschap zou betekenen; dat daarenboven het als onontkoombaar voorkomt dat er op de helling zou worden gebouwd, met als gevolg dat een deel van het hellend landschap zou worden weggenomen; dat, waar verzoeker in de memorie van wederantwoord nog aanvoert dat hij de kans had moeten krijgen erop te wijzen dat de nieuwe stal zou aansluiten bij de bestaande gebouwen en dat een groenscherm zou worden aangelegd, er op gewezen dient te worden dat dit reeds in een aantal adviezen stond; dat de verwerende partij die adviezen blijkbaar onvoldoende overtuigend achtte, waaruit precies haar vraag om bijkomend advies ontstond; dat het vierde middel bijgevolg niet gegrond is; 2.2.6.2. Overwegende dat, wat de schending van de hoorplicht aangevoerd in het tweede middel betreft, er in de milieuvergunningsprocedure geen algemeen rechtsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing is dat voorschrijft dat de aanvrager dient te worden gehoord; dat verzoeker zich tevens VII-19.738-13/15 beroept op artikel 24, §4, van Vlarem I, dat bepaalt dat de aanvrager op zijn verzoek wordt gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie; dat verzoeker erkent te zijn gehoord door de commissie, maar dat de onwettigheid er volgens hem in bestaat dat hij niet is gehoord geworden over het pas na de zitting van de commissie gevraagde bijkomend advies; dat er evenwel geen decretale of reglemen- taire bepaling voorhanden is die voorschrijft dat bij enig nieuw gegeven een tweede advies aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie zou moeten worden gevraagd ter gelegenheid waarvan de commissie desgevallend opnieuw zou bijeenkomen en eventueel de aanvrager zou horen over het bijkomende advies; dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat, noch een wettelijke bepaling die in de milieuvergunningsproce- dure een hoorplicht voorziet in hoofde van de verwerende partij zelf; dat er evenmin een wettelijke bepaling bestaat die aan de verwerende partij het recht ontzegt aan haar administratieve diensten bijkomend advies te vragen over de zaken waarover zij dient te beslissen, ook al gaat het om een advies dat in de betreffende procedure niet uitdrukkelijk wordt voorzien; dat verzoekers stelling dat het een advies betrof voorzien in artikel 20, §3, van Vlarem I, zodat het bij toepassing van artikel 23, §2, aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie diende te worden meegedeeld, niet opgaat; dat artikel 20, §3, subadviezen betreft die door de in artikel 20, §1, eerste lid, 1/, vermelde afdeling kunnen worden gevraagd ten behoeve van het eigen advies; dat het evenmin een advies betrof voorzien in artikel 20, §1, van Vlarem I, daar de dienst 32 Wegen en Waterlopen als dusdanig niet is opgenomen in de in voornoemd artikel opgestelde lijst van adviesverlenende overheidsorganen; dat, voorts, bij de bespreking van het vierde middel reeds is gebleken dat er van een feitelijke dwaling over de essentie van de zaak in hoofde van de verwerende partij geen sprake was; dat, gelet op het voorgaande, het tweede middel evenmin gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel stelt dat de in het eerste en het tweede middel ingeroepen onwettigheden ook "dienen te worden aanzien als de miskenning van substantiële en/of op straffe van nietigheid voorge- schreven vormen"; 2.3.2. Overwegende dat dit middel geen andere rechtsnormen laat kennen die geschonden zouden zijn dan de rechtsnormen die reeds in het eerste en tweede middel werden ingeroepen; dat het middel geen eigen toelichting bevat over de wijze waarop die rechtsnormen zouden zijn geschonden; dat het derde middel bijgevolg niet ontvankelijk is, BESLUIT: VII-19.738-14/15 Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 619,75 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een vijfde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.738-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.