id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.112 Rolnummer: A. 87966/VII-19884 Zaak: Arrest 164112 - - 26/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 18:02 Fiche Arrest nr 164.112 van 26 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.112 van 26 oktober 2006 in de zaak 87.966/VII-19.
- In zake : Jan VERLINDEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan VERLINDEN op 19 november 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 september 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw "in zoverre een administratief beroep van beroeper slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, en in zoverre hem derhalve de vergunning wordt geweigerd voor de exploitatie van 2.722 nertsen waarvan 490 moederdieren, op percelen gelegen te Nieuwenrode (Kapelle-op-den-Bos) aan de Hogerheistraat 95, en kadastraal gekend onder Afdeling 2, Sectie A, nrs. 26s, 26t, 26v en 26 w"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-19.884-1/11 Gelet op de beschikking van 8 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat R. HOEBEEK die, loco advocaat D. DE GREEF verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoeker exploiteert een nertskwekerij aan de Hogerheistraat 95 te Kapelle-op-den-Bos. In de inrichting mogen 10.000 nertsen gehouden worden op grond van een op 13 maart 1986 door de bestendige deputatie van de provincie- raad van Brabant verleende exploitatievergunning. 1.
- Op 14 augustus 1998 dient hij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van de bestaande inrichting. Met die aanvraag beoogt de exploitant in hoofdzaak een hernieuwing te bekomen van de vergunning voor het houden van 10.000 nertsen (waarvan 1.800 moederdieren). De gevraagde verandering heeft betrekking op een aantal aanhorigheden van de kwekerij. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag worden acht bezwaarschriften ingediend die voornamelijk betrekking hebben op geurhinder. 1.
- Bij besluit van 11 maart 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt de vergunning verleend voor het houden VII-19.884-2/11 van 7.278 nertsen, waarvan 1.310 moederdieren, en voor de aanhorigheden van de inrichting. De hernieuwing van de vergunning wordt echter geweigerd voor 2.722 nertsen, waarvan 490 moederdieren. Deze gedeeltelijke weigering wordt gesteund op het motief -aangebracht door de Vlaamse Landmaatschappij in haar advies- dat conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit) de vergunning van de inrichting bij hernieuwing dient gereduceerd te worden tot dat deel van de vergunde mestproductie waarvoor in het verleden wel voldaan werd aan de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet). De verleende vergunning wordt daarenboven afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden 1.
- Op 15 april 1999 stelt de verzoeker bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw beroep in tegen het voormelde besluit in de mate dat de hernieuwing van de lopende vergunning voor het houden van 10.000 nertsen niet volledig wordt toegestaan. Daarnaast kant de verzoeker zich ook tegen het merendeel van de opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden. Met betrekking tot de motieven die aan de basis liggen van de weigering van de vergunning voor het voormelde aantal nertsen, laat de verzoeker in zijn beroepschrift het volgende gelden : "
- Het deels ongunstig advies van de VLM is onaanvaardbaar omdat het lichtzinnig, onrechtvaardig en in geen enkele redelijke verhouding staat tot de administratieve tekortkoming die in het verleden begaan is, maar waar wij slechts ten dele schuld aan hebben omdat de afneemster toen nog niet bij de mestbank geregistreerd was. Een inkrimping maakt immers ons bedrijf in de toekomst onleefbaar zodat het de toekomstplannen van mijn zoon als aank- omende bedrijfsopvolger volledig hypothekeert. Door het gedeeltelijk negatief advies van de mestbank, wordt het vergunde aantal moederdieren immers beperkt van 1.800 naar nog slechts 1.310 moederdieren.
- Uit het weigeringsbesluit blijkt ook dat de VLM op een verkeerde wijze de weerslag van de afgezette mestproduktie op de vergunning berekend heeft. De coëfficiënt van 2,75 werd voor het eerst ingevoerd bij een door F. Stuyckens (inspecteur-generaal Mestbank) ondertekend akkoord (zoals vermeld in het MER) voor het produktiejaar 97 ! Dus voor de produktiejaren 95 en 96 werd de P205-produktie nog berekend op basis van : het aantal moederdieren x 0,73 of 1.800 x 0,73 = 1.314 kg P
- Gemiddeld geeft dit voor de jaren 95-96-97 een P205-produktie van slechts 2.081 kg nl. (1.314 + 1.314 + 3.614)/3 waarvoor de mestafzet moest aangetoond worden en die door de mestbank berekend werd op 1.653 kg of 79,5 % van de aangegeven produktie. In de veronderstelling dat dit percentage juist berekend is, betekent dit dat het VII-19.884-3/11 vergunde aantal moederdieren van 1.800 zou moeten herleid worden tot 1.800 x 79,5 % = 1.431 moederdieren en geen 1.310 moederdieren zoals de Mestbank beweert !
- Op de 1e bijeenkomst van de PMVC waarop mijn dossier werd behandeld, hebben wij een handgeschreven en ondertekende verklaring voorgelegd van een collega landbouwer, nl. De Boeck Rita, Paddegatstraat 178, Nieuwenrode die in de jaren 95 en 96 in totaal 45 ton vaste nertsenmest ontvangen had op 5 ha cultuurgronden wat overeenkomt met een P205-produktie van : 45 x 33 = 1.485 kg P205 of gemiddeld 495 kg/jaar voor de periode 95-96-
- Voegen we deze 495 kg bij de reeds bekende en bewezen mestafzet van 1.653 kg dan bekomen we een bewezen mestafzet van 2.148 kg of 100 % van de te bewijzen gemiddelde produktie van 2.081 kg. Collega De Boeck was toen nog niet gestart als landbouwster en beschikte op dat ogenblik nog niet over een mestbanknummer waardoor er geen vervoersdocumenten konden opgemaakt worden. Dit is geenszins met opzet, maar volledig te goeder trouw gebeurd. Sindsdien is zij effectief landbouwster geworden en staat zij bij de Mestbank geregistreerd onder het nr. 023039006934, waardoor er sindsdien wel vervoersdocumenten konden opgemaakt worden en ook opgemaakt zijn ! In elk geval werd de geest van de wet gerespecteerd, want de mest werd correct toegediend binnen de normen van het mestdecreet. Het pleit geenszins in het voordeel voor de ambtenaren van de Mestbank dat zij hier per sé de letter van de wet willen toepassen - desnoods tot in het absurde - en niet de geest van de wet. Dezelfde kortzichtigheid en dezelfde onevenwichtigheid tussen de overtreding en de straf zou men kunnen toepassen op een ambtenaar die ongewild eens een paar uur te laat op het wek arriveert en die daardoor als sanctie voor de rest van zijn loopbaan 25 % van zijn wedde zou afgehouden worden. Zelfs een kind begrijpt dat zoiets alle regels van redelijkheid, billijkheid en zelfs van normaal menselijk fatsoen te buiten gaat. De mestafzet is dus voor 100 % bewezen afgezet zowel in het verleden als in de toekomst en er is dus geen valabele reden om de vergunning van ons bedrijf niet voor de volle 100 % te hernieuwen, nl. voor 10.000 nertsen waarvan 1.800 moederdieren". Het beroep wordt op 26 april 1999 ontvankelijk verklaard. 1.
- De in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen van de administratie Gezondheidszorg, de Vlaamse Milieumaatschappij, de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en de afdeling Milieuvergunningen zijn alle- al dan niet voorwaardelijk- gunstig voor het beroep. De Vlaamse Landmaatschappij adviseert evenwel om de hernieuwing -zoals in eerste aanleg- te beperken tot het vergunnen van 7.278 nertsen (waarvan 1.310 moederdieren). De redenen voor de beperking van het aantal dieren houden verband met de voorwaarde die in artikel 3, § 2, 1/, eerste gedachtestreepje, c), van het vergunningenbesluit van 20 december 1995 gesteld is met betrekking tot de afzet van de geproduceerde meststoffen gedurende de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de vergunningsaanvraag wordt ingediend. Dienaangaande wordt in het advies het volgende gesteld : VII-19.884-4/11 "4.
- Werd in het verleden voldaan aan de bepalingen van het Mestdecreet voor wat betreft mestafzet ? De aangegeven mestproductie van dit bedrijf, bedroeg de laatste 3 jaar gemiddeld 2.081 kg P2O
- De bij de Mestbank bekende wijze van mestafzet van dit bedrijf bedroeg de laatste 3 jaar gemiddeld 1.653 kg , waarvan : - 779 kg P2O5 op gronden in eigen gebruik - 850 kg P2O5 via mestafzet op gronden van derden in Vlaanderen - 24 kg P2O5 verklaard door mestopslagverschillen. Derhalve werd in het verleden gemiddeld slechts 79,5 % van de opgegeven mestproductie afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet. Binnen de door de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria moet dit als onvol- doende bestempeld worden. Derhalve is de aanvraag niet verenigbaar met artikel 3, par. 2,1/, 1ste-, c). Conform de bepalingen van het vergunningenbesluit dient de vergunning van deze inrichting bij hernieuwing gereduceerd te worden dat deel van de vergunde mestproductie waarvoor in het verleden wel voldaan werd aan de bepalingen van het Mestdecreet. Hierbij dient rekening gehouden te worden met een normale verhouding standplaatsen/leegstand. Productiejaar 1995 1996 1997 Mestproductie 1314 1314 3614 eigen grond - 1100 - 630 - 607 burgenregelingen 0 0 - 2549 opslagverschil - 687 0 614 balans - 473 684 1072 bewezen afzet 1314 630 2542 (in dierenaantallen) (1800 moederdie- (863 moederdieren) (1266 moederdie- ren) ren) Voor 1995 en 1996 is de mestproductie van de dieren gelijk aan het aantal moederdieren, vermenigvuldigd met 0,
- Voor 1997 is de mestproductie van de dieren gelijk aan aantal moederdieren x 2,75 x 0,
- Doordat verschillende factoren gebruikt worden, dient voor elk jaar de balans bekeken en de reductie per jaar gerekend te worden naar aantal dieren (zie tabel hierboven). Derhalve is het gemiddeld aantal moederdieren waarvoor de mestafzet bewezen is gelijk aan 1.310 stuks. Op basis van de tabel in bijlage 27 van het M.E.R. rapport moet gesteld worden dat in het verleden er voor de moederdieren steeds een maximale bezetting was en er derhalve voor wat betreft de moederdieren praktisch geen leegstand was. Rekening houdende met de verhouding moederdieren/totaal aantal dieren dat vergund was (1800/10.000) kan gesteld worden dat er nog slechts een vergunning kan worden afgeleverd voor 7.278 dieren waarvan 1.310 moeder- dieren. Daar, zoals bepaald in punt 1.3 de vergunde mestproductie van 1.800 moederdieren overeen kwam met 4.407 kg P2O5 kan gesteld worden dat de vergunde mestproduktie van 1.310 moederdieren gelijk is aan 3.207 kg P2O5". Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt voorgesteld om het beroep, in zoverre het gericht is tegen de in het beroepen besluit opgelegde voorwaarden, gegrond te verklaren. Het beroepen besluit zou echter VII-19.884-5/11 bevestigd dienen te worden wat betreft het aantal vergunde dieren. Het advies maakt overigens melding van de hoorzitting van 25 juni 1999, tijdens dewelke de verzoeker dezelfde argumenten heeft aangevoerd als deze opgenomen in zijn beroepschrift. 1.
- Met het thans bestreden besluit van 13 september 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt het door de verzoeker ingediend beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. De in eerste aanleg opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd. De overige bepalingen van het beroepen besluit - dus ook deze aangaande het vergunde aantal nertsen- worden evenwel bevestigd;
- Ontvankelijkheid 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is omdat de verzoeker zijn inschrijving in het handelsregister niet vermeldt; 2.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord repliceert dat hij niet onderworpen is aan de verplichting tot inschrijving in het handelsregister omdat hij een landbouwactiviteit uitoefent en geen daden van koophandel stelt in de zin van artikel 2 van het wetboek van koophandel; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij niet aantoont dat de verzoeker, landbouwer, aangemerkt dient te worden als handelaar volgens de criteria van de artikelen 2 en 3 van het wetboek van koophandel; dat de verwerende partij geen laatste memorie heeft ingediend waarin zij dit ook al in het auditoraatsverslag ingenomen standpunt zou kunnen hebben betwist; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
- Gegrondheid 3.
- Standpunten van de partijen 3.1.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel luidt als volgt : "Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 30 §1, 3/ tot 5/ van het Vlarem I-besluit, uit de schending van artikel 52, 3/ van het Vlarem I-besluit, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende VII-19.884-6/11 de uitdrukkelijk motiveringsplicht der bestuurshandelingen, en uit de schending van het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat het bestreden besluit de door beroeper in zijn beroepschrift aangehaalde argumenten omtrent de bewezen mestafzet in het verleden compleet negeert. En doordat in het bestreden besluit eveneens zonder enige motivering volledig wordt voorbijgegaan aan de onverdeeld gunstige adviezen die door de verschillende adviesverlenende instanties werden uitgebracht. Terwijl, eerste onderdeel, artikel 52, 3/ van het Vlarem I-besluit bepaalt dat het bestuur dat in graad van administratief beroep uitspraak doet over een milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing moet nemen over de aanspraken of bezwaren van de indiener van het beroep. En terwijl een afdoende motivering vereist dat een antwoord wordt gegeven op de argumenten uitgebracht in het beroepschrift of in een nota voor de gewestelijke milieuvergunningscommissie waaruit blijkt dat het weigeringsmo- tief van de beslissing in eerste aanleg geen steek houdt. En terwijl in de beslissing dan ook niet kan worden voorbijgegaan aan een aantal elementen die het betoog van beroeper ondersteunen (...). En terwijl beroeper in zijn beroepschrift duidelijk heeft bewezen, ondermeer aan de hand van een handgeschreven en ondertekende verklaring van een mestafnemer, dat de aangegeven mestproductie voor 100 % kan worden verantwoord. En terwijl zowel de minister in het bestreden besluit, als de Vlaamse Landmaatschappij in zijn advies hiervan enkel melding maken, maar hierop geenszins een afdoend antwoord geven. En terwijl derhalve nergens uit het bestreden besluit blijkt dat de argumentatie in het beroepschrift van beroeper daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken, en waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. En terwijl beroeper van mening is dat de in het beroepschrift aangevoerde argumentatie in verband met de bewezen mestafzet in ieder geval voldoende pertinent, gedetailleerd en precies is, zodat de motivering in casu slechts als afdoende kan worden beschouwd indien het bestreden besluit expliciet op deze argumentatie zou zijn ingegaan"; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit wel degelijk afdoende motiveert waarom de hernieuwing van de vergunning beperkt moet worden tot 7.278 nertsen, dat ook het advies van de Vlaamse Landmaatschappij terzake uitvoerig gemotiveerd is en dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie in dezelfde zin heeft geadviseerd; dat zij nog stelt dat de motivering summier mag zijn, als ze maar afdoende is; 3.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord repliceert als volgt : "Tegenpartij betwist niet dat het feitelijke uitgangspunt van het middel erin bestaat dat de minister door middel van het bestreden besluit de milieuvergun- ning voor de inrichting van beroeper slechts gedeeltelijk verleent, en daarbij de door beroeper in zijn beroepschrift aangehaalde argumenten omtrent de bewezen mestafzet in het verleden compleet negeert. VII-19.884-7/11 Qua motivering, volstaat deze gedeeltelijke vergunningsweigering met een verwijzing naar het advies in beroep van de Vlaamse Landmaatschappij en met de affirmatie dat er 'in het verleden niet voldaan werd aan de bepalingen van het mestdecreet omtrent mestafzet' voor een bedrijf genotificeerd als gezinsveeteelt- bedrijf. Een zulke loutere mededeling in de vergunning kan echter bezwaarlijk beschouwd worden als motivering van de beslissing. Ten eerste staat het vergunningverlenende bestuur aldus met geen woord stil bij de argumentatie van beroeper in zijn beroepschrift, waarin hij duidelijk heeft bewezen, ondermeer aan de hand van een handgeschreven en ondertekende verklaring van een mestafnemer, dat de aangegeven mestproductie voor 100 % kan worden verantwoord. De stelling van de minister in de memorie van antwoord, dat in het advies van de Vlaamse Landmaatschappij uitvoerig wordt gemotiveerd waarom het aantal dieren moet worden beperkt tot 7.278 dieren i.p.v. 10.000, en op dit aspect dus wel degelijk specifiek is ingegaan 'omdat 10.000 nertsen nu eenmaal meer mest produceren dan 7.278 nertsen', toont precies de gegrondheid van het middelonderdeel aan. Inderdaad is het vergunningverlenend bestuur, op grond van de in hoofding van het middel aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen, wel degelijk verplicht een antwoord te geven op de argumenten uitgebracht in een beroepschrift of in een nota voor de gewestelijke milieuvergunningscommissie waaruit blijkt dat het weigeringsmotief van de beslissing in eerste aanleg geen steek houdt. Het Vlaamse Gewest vergist zich op pagina 5 van de memorie van antwoord deerlijk, waar voorgehouden wordt dat de motivering in het bestreden besluit 'summier, maar afdoende' is, gezien in de beslissing volledig is voorbij gegaan aan een aantal elementen die het betoog van beroeper voor de gewestelijke milieuvergunningscommissie ondersteunen. Eens te meer toont deze bewering aan dat de minister heeft nagelaten de argumentatie in het beroepschrift van beroeper daadwerkelijk in de besluitvorming te betrekken, en vooral te verduidelijken waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard"; 3.
- Beoordeling Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond is om de volgende redenen : 3.2.
- In eerste aanleg werd de hernieuwing van de vergunning voor het houden van nertsen beperkt tot het aantal dieren dat overeenkomt met de vergunde mestproductie die in het verleden werd afgezet conform de bepalingen van het meststoffendecreet, met name 7.278 nertsen, waarvan 1.310 moederdieren. 3.2.
- In zijn beroepschrift tegen de gedeeltelijke weigering van de aanvraag, die betrekking had op 10.000 nertsen, heeft de verzoeker zeer concreet aangevoerd dat de afzet van de geproduceerde meststoffen in het verleden volledig wordt bewezen -dus voor alle voorheen vergunde 10.000 dieren- wanneer rekening VII-19.884-8/11 wordt gehouden met twee verklaringen van een landbouwster die in de jaren 1995 en 1996 vaste nertsenmest zou hebben afgenomen die bestemd was voor de bemesting van cultuurgronden en, subsidiair, dat de weerslag van de onvoldoende mestafzet op de te hernieuwen vergunning verkeerd werd berekend. 3.2.
- Het bestreden besluit bevestigt de beroepen beslissing wat betreft het vergunde aantal nertsen op grond van de volgende motivering : "Overwegende dat in het bestreden besluit slechts een hernieuwing van de vergunning voor 7.278 nertsen, waarvan 1.310 moederdieren, verleend werd omwille van een ontoereikende mestafzet; dat de exploitant hiertegen beroep heeft aangetekend; dat uit het advies in beroep van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk werd verklaard op 14 september 1998 zodat de bepalingen van artikel 4 van het Vergunningenbesluit van toepassing zijn; dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een inrichting behorende tot een bedrijf dat genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf; dat er in het verleden niet voldaan werd aan de bepalingen van het Mestdecreet omtrent mestafzet (artikel 3, § 2, 1/, 1ste, c,) waardoor er slechts vergunning kan afgeleverd worden voor het houden van maximaal 7.278 nertsen waarvan 1.310 moederdieren". Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. Om aan de vereiste van de formele motiveringsplicht te voldoen is het onder meer noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen. Artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem 1) schrijft uitdrukkelijk voor dat de uitspraak over het beroep een gemotiveerde beslissing over de aanspraken of bezwaren van de indiener van het beroep moet omvatten. 3.2.
- Verzoekers argumenten ter ondersteuning van zijn administratief beroep worden weliswaar in de bestreden beslissing weergegeven, maar worden slechts beantwoord door, met verwijzing van artikel 3, § 2, 1/, eerste gedachtestreepje, c), van het vergunningenbesluit, in algemene bewoordingen te stellen dat "in het verleden niet voldaan werd aan de bepalingen van het Mestdecreet omtrent mestafzet". VII-19.884-9/11 Aangezien die kwestie precies de inzet van de beroepsprocedure vormde en de verzoeker zowel in zijn beroepschrift als tijdens de hoorzitting voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie daaromtrent concrete tegenargumenten had aangevoerd, kan de gegeven motivering bezwaarlijk als afdoende aangemerkt worden. Om aan de motiveringsverplichting tegemoet te komen had de verwerende partij in het bestreden besluit minstens concreet moeten aangeven waarom de door de verzoeker aangebrachte gegevens met betrekking tot de afzet van een gedeelte van de geproduceerde meststoffen niet in rekening kunnen worden gebracht en meer bepaald waarom de betrokken dierlijke mest niet afgezet is "conform de bepalingen van hoofdstuk III van het decreet", zoals wordt voorgeschreven in voormelde bepaling van het vergunningenbesluit. Het besluit is op dat vlak niet -of minstens niet afdoende- gemotiveerd. 3.2.
- De verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord vruchteloos naar het advies dat de Vlaamse Landmaatschappij tijdens de beroepsprocedure heeft uitgebracht. Dit advies is niet in extenso opgenomen in de motivering van het bestreden besluit, zodat het onmogelijk het gebrek aan formele motivering van dat besluit zelf kan goedmaken. Bovendien moet worden vastgesteld dat, niettegenstaande in punt 4.2 van dat sub 1.6 weergegeven advies aandacht wordt besteed aan de vraag of de verzoeker in het verleden voldaan heeft aan het Meststoffendecreet wat betreft de afzet van de geproduceerde meststoffen, geen enkele passus van die evaluatie toelaat te besluiten dat de Vlaamse Landmaatschappij ook daadwerkelijk de beroepsargumenten van de verzoeker bij haar beoordeling heeft betrokken, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 13 september 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw in zoverre het administratief beroep ingediend door Jan VERLINDEN slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, en in zoverre hem derhalve de vergunning wordt geweigerd voor de exploitatie van 2.722 nertsen waarvan 490 moederdieren, op percelen gelegen te Nieuwenrode (Kapelle-op-den-Bos) aan de Hogerheistraat 95, en kadastraal gekend onder Afdeling 2, Sectie A, nrs. 26s, 26t, 26v en 26 w. VII-19.884-10/11 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig oktober tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.884-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.