id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.173 Rolnummer: A. 134636/XIV-14387 Zaak: Arrest 164173 - - 27/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:27 Fiche Arrest nr 164.173 van 27 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.173 van 27 oktober 2006 in de zaak A. 134.636/XIV-14.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 14 oktober 1975, en zijn broer XXX, geboren op 27 juni 1974, beiden van Kongolese nationaliteit, op 26 maart 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 17 januari 2001, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 17 januari 2001, en van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 juli 2002 waarbij hun aanvragen om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk worden verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 24 februari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 9 juni 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-14.387-1/12 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 oktober 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 13 januari 2000, in het bezit van een visum type D, gezinshereniging. Het visum vermeldt dat hun verblijf tijdelijk is en beperkt tot het verblijf van hun vader. Hun vader is een in België verblijvende erkende vluchteling. Hun verblijf wordt toegestaan tot 16 januari
- 1.
- Op 17 januari 2001 wordt aan elk van de verzoekende partijen een bevel ter kennis gebracht van de minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied te verlaten. Dit zijn de eerste en de tweede bestreden beslissingen, waarvan de motivering als volgt luidt: Ten opzichte van XXX: “(...) Gelet op artikel 13, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1993; Overwegende dat de genaamde XXX, Zonder voornaam geboren te Kinshasa op 14/10/1975, onderdaan van Congo (Dem. Rep.), verblijvende te Juliaan Dillenstaat 68 2018 Antwerpen - gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden met beperkte duur. Overwegende dat hij deze machtiging heeft gekregen om zich bij zijn vader te voegen. Overwegende dat betrokkene niet samenwoont met zijn vader. Overwegende dat zijn verblijfstitel geldig was tot 16/1/
- Overwegende dat hij langer in het Rijk verblijft dan de beperkte tijd waarvoor hij zijn machtiging had gekregen om in België te verblijven. In uitvoering van artikel 26 bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1993, wordt hem (haar) bevel gegeven de grondgebieden van België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Portugal, Griekenland en van Oostenrijk te verlaten binnen 10 (tien) dagen met verbod zich naar Luxemburg en/of Nederland te begeven. (...).”. Ten opzichte van XXX: XIV-14.387-2/12 “(...) Gelet op artikel 13, lid 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1993; Overwegende dat de genaamde XXX, Charles, geboren te ONBEKEND/INCONNU op 27/06/1974, onderdaan van Kongo, verblijvende te Juliaan Dillenstaat 68 2018 Antwerpen - gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden met beperkte duur. Overwegende dat hij deze machtiging heeft gekregen om zich bij zijn vader te voegen. Overwegende dat betrokkene niet samenwoont met zijn vader. Overwegende dat zijn verblijfstitel geldig was tot 16/1/
- Overwegende dat hij langer in het Rijk verblijft dan de beperkte tijd waarvoor hij zijn machtiging had gekregen om in België te verblijven. In uitvoering van artikel 26 bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1993, wordt hem (haar) bevel gegeven de grondgebieden van België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Portugal, Griekenland en van Oostenrijk te verlaten binnen 10 (tien) dagen met verbod zich naar Luxemburg en/of Nederland te begeven. (...).”. 1.
- Op 4 mei 2001 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 12 juli 2002 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen waarbij de aanvragen om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk worden verklaard. Deze beslissingen worden aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 24 februari
- Dit zijn de derde en de vierde bestreden beslissingen, die als volgt luiden: Ten opzichte van XXX: “(...) Motivering: De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept : is geïntegreerd, zijn ouders wonen in België, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Artikel 8 van het EVRM wordt niet geschonden daar het 2de lid bepaalt dat een ingrijpen in het familieleven wel toegestaan is wanneer dit bij wet (in casu vreemdelingenwet) voor zien is en in een democratische samenleving vereist is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten (illegaal verblijf is een strafbaar feit), de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen. Komen tevens niet in aanmerking voor art. 10 van de Vreemdelingenwet. Bijgevolg dient de vreemdeling : (...) gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op 17/01/2001 (...).”. Ten opzichte van XXX: “(...) MOTIVERING : De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9, §3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. XIV-14.387-3/12 Echter, de motieven die betrokkene inroept : is geïntegreerd, zijn ouders wonen in België vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Artikel 8 van het EVRM wordt niet geschonden daar het 2de lid bepaalt dat een ingrijpen in het familieleven wel toegestaan is wanneer dit bij wet (in casu vreemdelingenwet) voorzien is en in een democratische samenleving vereist is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten (illegaal verblijf is een strafbaar feit), de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van de anderen. Art. 10 van de Vreemdelingenwet is niet van toepassing voor betrokkene.. Bijgevolg dient de vreemdeling : (...) gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op 17/01/2001 (...).”.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat in het Auditoraatsverslag een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis wordt opgeworpen; dat de eerste en de tweede bestreden beslissingen aan de verzoekende partijen werden ter kennis gebracht op 17 januari 2001; dat het verzoek tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring werden ingediend op 26 maart 2003, terwijl de laatst nuttige dag 16 februari 2001 was; dat het beroep tegen de eerste twee bestreden beslissingen niet ontvankelijk is;
- Over de middelen. 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat als volgt luidt: “BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR, RECHTEN VAN VERDEDIGING, ZORGVULDIGHEID. Dat de beslissing van de Minister van 24 februari 2003 en het bevel om het grondgebied te verlaten , allebei betekend niet op een correcte zorgvuldige wijze werd genomen en wel om de volgende redenen; Dat men dus geoordeeld heeft zonder verzoekers te horen en de stukken niet heeft aangenomen waarnaar gerefereerd werd Dat de motivering geen rekening houdt met de brieven en. Faxen verstuurd door de raadsman en de gemeente Dat de minister de aangehaalde bindingen niet als voldoende beschouwd.. het feit dat ze werk zou kunnen vinden , dat ze Nederlands spreekt. Dat zij echter samenwonen met hun ouders en broers en zussen. Dat zij menen dat het geen inbreuk uitmaakt op grond van artikel 8 van het EVRM omdat ze menen dat een inbreuk tegen de openbare veiligheid het verantwoord om tot deze beslissing te komen. Het illegaal verblijf is dan de motivering van de inbreuk tegen de openbare veiligheid. Dat de afweging die hier gemaakt wordt absoluut niet relevant is. . Dat verzoekers niet verantwoordelijk zijn voor dit illegaal verblijf dat het veel tel lang wachten voor het afleveren van een visum aan de moeilijkheden van vandaag liggen en dat de enige verantwoordelijke voor dit probleem de DVZ zelf is die veel te lang hebben gewacht om een visum af te leveren en nu stellen dat ze perfect een aanvraag in het land van herkomst zouden kunnen doen. Wat een onzin? Zij hebben dit gedaan en zijn met een visum naar Belgie gekomen een visum waar zij tien jaar hebben moeten op wachten alhoewel zij gerechtigd waren op familiehereniging met hun vader die erkend was als vluchteling. Dat dit de bijzondere omstandigheid uitmaakt om zij de aanvraag hier indienen. Dat zij immers aan alle voorwaarden voldeden, gesteld in deze wet. XIV-14.387-4/12 Als men op deze wijze een afweging gaat maken om over één aanvraag te oordelen , dan kan men nog moeilijk stellen dat de aanvraag op een grondige en gelijkwaardige wijze door het bestuur werd behandeld. Dat de afweging van de redenen niet op een grondige en evenwichtige wijze werden genomen. Dat de familie zo in de problemen blijft zitten en dat zij ook niets kunnen doen in hun verder integratie mogelijkheden tot tewerkstellen en het opbouwen van een veilig leven kunnen realiseren. Dat men dus de aanvraag beoordeeld heeft zonder rekening te houden met de aangebrachte argumenten noch stukken. Dat men verzoeker niet kan verwijten geen stukken te hebben neergelegd,. Dat hun identiteit en nationaliteit en voorafgaande fouten van de administratie vaststaat. . Dat het openbaar bestuur dan ook niet kan stellen dat een grondig onderzoek werd gevoerd om tot de huidige negatieve beslissing te komen , dat er zelfs geen onderzoek werd gevoerd om te komen tot de huidige beslissing van 24 februari 2003, dat verzoeker zich nooit heeft kunnen verdedigen op de huidige beslissing. . Dat er geen redenen waren van openbare orde of veiligheid. Dat het zogenaamde ontstane illegale verblijf totaal ten onrecht was en dan ook niet kan als reden opgegeven worden. Zeker dat het niet kan gebruikt worden als doorslaggevend bij de overweging van alle argumenten die worden aangebracht. Dat daarom ook huidig verzoek wordt ingediend.”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Eerste middel: ‘Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, rechten van verdediging, zorgvuldig- heid.’ Verzoekers zijn niet duidelijk in de uiteenzetting van het middel. ‘Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel naar het oordeel van de verzoekende partij door de bestreden beslissing wordt: geschonden. Indien aan dit voorschrift niet wordt voldaan, houdt dit de miskenning in van een substantieel voorschrift wat voor gevolg heeft dat het beroep als kennelijk niet: ontvankelijk moet worden afgewezen.’ ( procedures voor de Raad van State, 2/ uitgave - 2000 Stephane De Taeye en Werner Weymeerch - 365 en 366 en voetnoten) Naast die opmerking, wijst de verwerende partij op het feit dat de grieven die verzoekers aanhalen eigenlijk meer betrekking hebben op de bijlage 13 ter van 17 januari 2001 dan op de bestreden beslissingen. De beslissing van 17 januari 2001 werd echter nooit bestreden en werd definitief. De verwerende partij is van oordeel dat voor zover het eerste middel ontvankelijk zou zijn, het geen betrekking lijkt te hebben op de bestreden beslissingen en minstens niet ernstig is.”; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht; dat zij aanvoeren dat ze niet gehoord zijn en dat “het veel te lang wachten voor het afleveren van een visum” aan de Dienst Vreemdelingenza- ken te wijten is; dat zij tien jaar hebben moeten wachten op het visum dat hen werd afgeleverd; dat er geen grondig onderzoek werd gevoerd om tot huidige negatieve beslissingen te komen; dat er geen redenen waren van openbare orde of veiligheid om hun verblijf te weigeren; XIV-14.387-5/12 3.1.
- Overwegende dat de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve procedures in het kader van de Vreemdelingenwet; dat in het kader van een aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, niet wordt voorzien in het horen van de aanvrager; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de minister van Binnenlandse Zaken de verplichting oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat geen rekening werd gehouden met “brieven en faxen verstuurd door de raadsman en de gemeente”; dat de verzoekende partijen niet aanduiden welke inhoud deze brieven en faxen hadden en hoe deze stukken de bestreden beslissingen in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat de bestreden beslissingen steunen op de gegevens van het administratief dossier, waarin zich de aanvraag van de verzoekende partijen bevindt met alle stukken die daarbij werden gevoegd als bijlage; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat de kritiek van de verzoekende partijen op het verloop van hun visumaanvraag, die resulteerde in een visum in 1999, niet gericht is tegen de bestreden beslissingen en bijgevolg niet ter zake dienend is; Overwegende dat wordt verwezen naar de analyse van het tweede middel voor wat het onderdeel betreft dat betrekking heeft op de schending van de motiveringsplicht; Overwegende dat het onderdeel van het middel dat betrekking heeft op de bestreden bevelen om het grondgebied te verlaten, niet ontvankelijk is, gelet op hetgeen werd bepaald in punt
- van dit arrest; Overwegende dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren dat als volgt luidt: “2.
- DE MOTIVERINGSVERPLICHTING De overheid en dus ook de MINISTER heeft de verplichting om zijn beslissingen uitdrukkelijk te motiveren. Dat hieraan zeker niet voldaan werd bij het nemen van de huidige beslissing. Dat verzoekers immers een duidelijk bijzondere omstandigheid heeft aangehaald waarom zij de aanvraag in België indiende; Dat hiervan niets is terug te vinden. Op de totale feitelijke problematiek van dit dossier, wordt niet ingegaan. Zij verblijven hier ondertussen ongeveer drie jaar na meer dan twaalf jaar van hun vader verwijderd te zijn omwille van omstandigheden buiten hun wil om. Op al deze elementen wordt niet voldoende in gegaan verzoekers kunnen zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van hun aanvraag. XIV-14.387-6/12 Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoekers menen dat de motivering dan ook zeer oppervlakkig is aangezien men hun dossier niet heeft onderzocht en dat er voor haar belangrijke redenen onbeantwoord zijn gebleven. Waarom wordt met de door haar aangebrachte bijzondere omstandigheid geen rekening gehouden deze wordt zelfs in de motivering niet vermeld. Waarom wordt over de voorafgaande fouten van de administratie niet gesproken , minstens het feit dat de redelijke termijn mee voor het afleveren van een visum ruimschoots werd overschreden. Waarom reageert men niet over de stukken meegegeven door de gemeenten. Hierop wordt geen antwoord gegeven. Dat verzoekers dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van de gebrekkige motivering en de hiermee gepaard gaande oppervlakkige benadering van het probleem.”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Tweede middel: ‘Schending van de motiveringsverplichting’ Verzoekers stellen als zouden de bestreden beslissingen oppervlakkig zijn, daar het dossier niet zou zijn onderzocht en dat belangrijke redenen onbeantwoord zouden zijn gebleven. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoekers niet aantonen in welke mate er een onvoldoende motivering zou zijn en welke argumenten onbeantwoord zouden zijn gebleven, die in het licht van de ‘motiveringsverplichting’ zouden ontbreken. Uit de bestreden beslissingen blijkt dat het bestuur haar beslissingen heeft gemotiveerd en duidelijk ter kennis heeft gebracht van verzoekers waarom de beslissingen zijn wat ze zijn. Het middel is niet ernstig.”; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van de motiveringsplicht; dat zij aanvoeren dat in de beslissing geen antwoord terug te vinden is op de bijzondere omstandigheid die zij hebben aangehaald als reden om de aanvraag in België in te dienen, evenmin als een verwijzing naar de voorafgaan- de fouten van de administratie, en over stukken “meegegeven door de gemeenten”; 3.2.
- Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats XIV-14.387-7/12 in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partijen een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of de aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvragen om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werden verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partijen hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat de verzoekende partijen in hun aanvraag de volgende omstandigheden aanvoerden: - de verzoekende partijen hebben indertijd, in september-oktober 1991, als minderjarigen vanuit Kongo een aanvraag tot gezinshereniging ingediend, samen met hun moeder, om zich bij hun vader, een erkende vluchteling, te voegen; de administratieve beslommeringen hebben echter tien jaar aangesleept, zodat de verzoekende partijen reeds meerderjarig waren toen ze in 1999 hun visum kregen; XIV-14.387-8/12 - de verzoekende partijen verbleven in België oorspronkelijk bij hun ouders, maar de woonruimte was er te krap en de OCMW-steun te beperkt, zodat de verzoekende partijen een eigen kamer namen op een ander adres, zij gingen echter dagelijks naar hun ouders; - na de bevelen om het grondgebied te verlaten, als gevolg van hun eigen adres en het niet meer officieel samenwonen met de ouders, hebben de verzoekende partijen onmiddellijk hun kamer opgezegd; - de verzoekende partijen hebben zich geïntegreerd en volgen lessen Nederlands, ze spreken vloeiend Frans, er is niets ongunstigs over hen bekend; - normaal gezien hadden de verzoekende partijen zich als minderjarigen bij hun ouders moeten komen voegen, door omstandigheden waaraan zij geen fout hadden waren ze reeds meerderjarig toen ze België binnenkwamen; - de verzoekende partijen hebben geen dichte familie in Kongo, zij zijn op familiaal gebied afhankelijk van hun ouders; - artikel 8 van het E.V.R.M. is op hen van toepasing; Overwegende dat in beide bestreden beslissingen hierover wordt gesteld: “De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept : is geïntegreerd, zijn ouders wonen in België, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Artikel 8 van het EVRM wordt niet geschonden daar het 2de lid bepaalt dat een ingrijpen in het familieleven wel toegestaan is wanneer dit bij wet (in casu vreemdelingenwet) voor zien is en in een democratische samenleving vereist is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten (illegaal verblijf is een strafbaar feit), de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen. Komen tevens niet in aanmerking voor art. 10 van de Vreemdelingenwet.”; Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij “een duidelijk bijzondere omstandigheid (hebben) aangehaald waarom zij de aanvraag in België indiende(n), dat hiervan niets is terug te vinden” en dat er geen antwoord wordt gegeven op “de stukken meegegeven door de gemeenten”; Overwegende dat de verzoekende partijen niet verduidelijken wat de “duidelijk bijzondere omstandigheid” is die zij hebben ingeroepen; dat in de bestreden beslissingen wordt gemotiveerd dat de integratie van de verzoekende partijen geen buitengewone omstandigheid uitmaakt die de aanvraag in België zou kunnen rechtvaardigen, evenmin als hun familieband; dat het niet onredelijk is dat de minister van Binnenlandse Zaken deze redenen niet als buitengewone omstandigheid heeft aanvaard; dat de integratie en het verblijf van de ouders in België, de verzoekende partijen niet verhinderen om hun aanvraag in een Belgische diplomatieke of consulaire post in het buitenland in te dienen; dat in de mate dat de verzoekende partijen de duur van hun eerste visumaanvraag in Kongo bedoelen als uitzonderlijke omstandigheid, wordt opgemerkt dat deze duur niet uitsluitend te wijten is aan de verwerende partij; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt XIV-14.387-9/12 dat er bijvoorbeeld nog een homologatie van de geboorteakten door een Kongolese rechtbank moest gebeuren; Overwegende dat, zoals reeds werd overwogen bij de analyse van het eerste middel, de verzoekende partijen niet aanduiden met welke stukken precies geen rekening werd gehouden; dat bij hun aanvraag talrijke stukken als bijlage werden gevoegd, die zich in het administratief dossier bevinden, en die de minister bij de beoordeling van de aanvraag heeft kunnen betrekken; dat de verzoekende partijen niet aanduiden in welke mate bepaalde stukken de bestreden beslissingen in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat de verzoekende partijen er niet in slagen om aan te tonen dat de motieven van de bestreden beslissingen niet afdoende zijn; dat deze beslissingen steunen op motieven die pertinent en draagkrachtig zijn; dat het tweede middel ongegrond is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat als volgt luidt: “3.
- SCHENDING VAN ARTKEL 8 VAN HET EVRM EN DE RECHTEN VAN HET KIND. Dat door een dergelijke niet afdoende gemotiveerde beslissing terug het gezin volledig uit mekaar getrokken wordt en artikel 8 van het EVRM en de rechten van het kind door een dergelijke wijze van oordelen worden geschonden Dat de Minister een volledig verkeerde onevenwichtige afweging heeft gemaakt van alle elementen heeft gegeven aan de aanvraag op zich. Dat dit duidelijk blijkt dat immers in de genomen beslissing alleen het illegaal verblijf als inbreuk op de openbare orde wordt aangehaald om tot de negatieve beslissing te komen terwijl de andere elementen die moeten afgewogen worden niet in overweging worden genomen. Zijnde de inbreuk op het recht om met zijn familie samen te verblijven. De inspanning die geleverd zijn om zich aan te passen. De moeilijke situatie waarin verzoekers voorafgaandelijk hebben verbleven. De verloren jaren waarin zij mekaar moeten missen hebben en in erbarmelijke omstandigheden hebben geleefd. Dat verzoekers geen dichte familie meer hebben in Congo; Dat verzoekers dan ook menen dat er in hun dossier verschillende redenen zijn om te stellen dat er een foute beoordeling door de overheid is gemaakt. Dat het kind recht heeft op hulp en bijstand en onderhoud en opvoeding van de beide ouders, en dit op grond van de rechten van het kind door Belgie geratificeerd. Dat zij recht hebben op een verblijf samen met hun familie. Dat dit een dossier een geheel vormt en ook als dusdanig diende behandeld te worden. Het feit dat men dit ondanks ons aandringen en het verduidelijken van de situatie gewoon onvermeld laat . Dat over deze situatie niets wordt vermeld in de beslissing. Dat hieruit alleen kan afgeleid worden dat met deze familiale situatie niet de minste rekening gehouden werd en dat dit een daadwerkelijke schending van de vernoemde artikels uitmaakt.”; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Derde middel: Schending van artikel 8 van het EVRM en de rechten van het kind’ Verzoekers die 25 en 26 jaar oud zijn kunnen bezwaarlijk de conventie omtrent kinderrechten inroepen voor zover ze rechten beogen die op hun persoon betrekking hebben. Op het argument van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Rome (4.11.1950) werd in de bestreden beslissing geantwoord. Verzoekers tonen niet aan in welke mate de toepassing van het verdrag ter gelegenheid van de bestreden beslissingen strijdig zou zijn, zowel met de letter als met de geest ervan. XIV-14.387-10/12 In tegenstelling daarmee, bevatten de bestreden beslissingen een duidelijke motivering naar de toepassing toe van het recht op gezinsleven. Met middel is evenmin ernstig.”; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van “de rechten van het kind”; dat zij aanvoeren dat er een onvoldoende belangenafweging is gebeurd; 3.3.
- Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken oordeelde dat de familiebanden in België niet kunnen worden aanvaard als buitengewone omstandigheid die het in België indienen van de aanvraag zou rechtvaardigen; dat de minister in casu geen uitspraak doet over de gegrondheid van de aanvraag en zich niet uitspreekt over de vraag of de verzoekende partijen in aanmerking komen voor de toekenning van een verblijfsmachtiging; dat de minister in de bestreden beslissingen toepassing maakt van artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet; dat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet geen schending inhoudt van het privé- en gezinsleven en bijgevolg geen schending kan uitmaken van artikel 8 van het E.V.R.M.; dat de minister van Binnenlandse Zaken in casu niet diende te motiveren of de bestreden beslissingen in evenredigheid zijn met het beoogde doel ervan; Overwegende dat de verzoekende partijen als meerderjarigen “de rechten van het kind” niet kunnen inroepen; dat dit onderdeel van het middel niet dienstig wordt aangevoerd; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-14.387-11/12 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-14.387-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.