← België

Arrest 164174 - - 27/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.174 Rolnummer: A. 135669/XIV-14731 Zaak: Arrest 164174 - - 27/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 07:27 Fiche Arrest nr 164.174 van 27 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.174 van 27 oktober 2006 in de zaak A. 135.669/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 augustus 1978 en van Iraanse nationaliteit, op 18 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 oktober 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 20 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 30 mei 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 17 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 oktober 2006 om 10.00 uur; XIV-14.731-1/12 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VANDERMEERSCH, die loco Advocaat B. BRIJS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 25 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  4. Op 8 oktober 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 18 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Isfahan, verklaart Iran te hebben verlaten omwille van de volgende redenen: In 1376 (Iraanse kalender, komt overeen met het jaar 1997 in de Gregoriaanse kalender) begon u uw militaire dienst. U werd ingedeeld bij de ‘Sazeman Zendam’ (organisatie van de gevangenis). Uw taak bestond uit het begeleiden van de gevangenen naar de rechtbank, vervolgens moest u gevangenen begeleiden tijdens hun verlof. Tijdens één van uw opdrachten kon er een gevangene ontsnappen. Als gevolg hiervan werd u gearresteerd en voor de rechtbank gebracht. De zaak werd uitgesteld en u kreeg intussen een andere taak, u mocht wel geen contact meer hebben met de gevangenen. U vroeg vervolgens een overplaatsing aan, die u ook kreeg. U moest voedsel rondbrengen in een arresthuis van de Ettelaat (geheime dienst). Op vraag van de familie van een gevangene bracht u een boodschap over aan de gevangene. De directeur van de gevangenis kwam dit te weten en vroeg uw overplaatsing naar uw vroegere post waar u de nieuwe taak van torenwachter kreeg. Toen de directeur van de gevangenis vervangen werd, kreeg u, op eigen aanvraag, een nieuwe post. U werd aangesteld als de verantwoordelijke van de wapens in de gevangenis. Na twee maanden moest u echter terug van post veranderen. Toen u de sleutels van het wapendepot afgaf kwam men tot de ontdekking dat er twee wapens ontbraken. U werd vervolgens gearresteerd en opgesloten. Na vijf maanden opsluiting slaagde u erin te ontsnappen. U dook vervolgens onder bij familieleden. Een vriend van uw vader, een rechter, zei dat u zou worden veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. U besloot vervolgens om Iran te verlaten. Op 21/05/1379 (12/08/2000) heeft u Iran verlaten om op 25/08/2000 in België aan te komen waar u diezelfde dag nog asiel vroeg. Na uw vertrek uit Iran zou uw vader zijn gearresteerd, maar na het betalen van een grote som geld werd hij vrijgelaten. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uit uw administratief dossier duidelijk blijkt dat uw asielaanvraag vreemd is aan de Conventie van Genève. De Commissaris-Generaal achtte XIV-14.731-2/12 het dan ook niet nodig u te horen. Uw beweerde problemen blijken immers niet voort te vloeien uit uw politieke of religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep. Verder dient te worden vastgesteld dat u vreest bij uw terugkeer onterecht veroordeeld te zullen worden tot een gevangenisstraf voor het laten ontsnappen van een gevangene en het ontvreemden van wapens. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat dit een misdrijf betreft waarvoor u in Iran de normale rechtsgang moet doorlopen. Het betreft immers een daad waarbij u normaliter gerechtelijke vervolging riskeert. Niets wijst erop dat u in de afhandeling van deze zaak omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève, onrechtvaardig zou behandeld worden door de Iraanse autoriteiten en een oneerlijk proces zou krijgen. Tenslotte dient te worden gesteld dat het door u neergelegde document ter staving van uw asielrelaas, namelijk een kopie van uw shenasnameh (boekje van burgerlijke stand), niet van die aard is om bovenstaande motivatie te weerleggen, gezien het een document betreft dat identiteitsgegevens bevat, waar hier niet aan wordt getwijfeld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “EERSTE EN ENIG MIDDEL genomen uit de gezamenlijke schending van artikel 52 §2 alinea 2/ van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 62 van dezelfde Wet en van de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen wegens gebrek aan afdoende en geldige motivering, en van schending van artikel 1 §2 sectie A van de Conventie van Genève, alsook van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur houdende o.a. de verplichting voor de administratieve overheid om bij het nemen van de beslissing alle pertinente elementen van de zaak in overweging te nemen. DOORDAT De bestreden beslissing vooreerst alsvolgt is gemotiveerd : ‘Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uit uw administratief dossier blijkt dat Uw asielaanvraag vreemd is aan de Conventie van Genève. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen achtte het dan ook niet nodig u te horen. Uw beweerde problemen blijken immers niet voort te vloeien uit uw politieke of religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep. Verder dient te worden vastgesteld dat U vreest bij Uw terugkeer onterecht veroordeeld te zullen worden tot een gevangenisstraf voor het laten ontsnappen van een gevangene en het ontvreemden van wapens. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een misdrijf betreft waarvoor U in Iran de normale rechtsgang moet doorlopen. Het betreft immers een daad waarbij U normaliter gerechtelijke vervolging riskeert. Niets wijst er op dat U in de afhandeling van deze zaak omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève, onrechtvaardig zou behandeld worden door de Iraanse autoriteiten en een oneerlijk proces krijgen. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat het door U neergelegde document ter staving van uw asielrelaas, namelijk een kopie van uw shenasnameh (boekje van burgerlijke stand), niet van die aard is om bovenstaande motivatie te weerleggen, gezien het een document betreft dat identiteitsgegevens bevat, waar hier niet aan wordt getwijfeld.’ TERWIJL In casu wordt vastgesteld dat de verwerende partij op grond van de elementen die zich in het administratief dossier bevinden onmogelijk in dit stadium van de procedure, de ontvankelijkheidsfase, tot de beslissing kan komen dat de ingeroepen feiten niet tot het toepassingsgebied van de Conventie kunnen worden gerekend; XIV-14.731-3/12 Dat inderdaad de verwerende partij ten onrechte stelt dat de problemen immers niet blijken voort te vloeien uit uw politieke of religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep. Dat verzoeker op meerdere momenten heeft uiteengezet dat hij binnen zijn functie in de gevangenis heeft geweigerd mee te werken aan bepaalde activiteiten opgelegd door het regime: In de vragenlijst voegde verzoeker een kort relaas op pagina 8: ‘,... daar had ik meerdere problemen, zoals ten gevolge van het niet opvolgen van bevelen, het niet willen folteren van gevangenen, mij niet aanwezig melden op de plaats van executie, het niet willen toedienen van zweepslagen, een gedetineerde helpen vluchten, het verdwijnen van wapens. Na deze problemen, waarvan sommige werden georganiseerd door de autoriteiten van de Etelâât, werd ik door het militair tribunaal veroordeeld tot een gevangenisstraf in Isfahaan’ Ook in het dringend beroep van verzoeker maakt hij melding van het niet opvolgen van bevelen; Het staat vooreerst vast dat het innemen van een dergelijke positie, met name het niet willen uitvoeren van bevelen omdat zij indruisen tegen de persoonlijke overtuiging van verzoeker, als voldoende kan worden beschouwd om te spreken van de uitdrukking van een politieke overtuiging die verschillend is van die van het regime en die de vrees voor vervolging kan staven of aannemelijk maken; (HANDBOOK ON PROCEDURES AND CRITERIA FOR DETERMINING REFUGEE STATUS UNDER THE 1951 CONVENTION, Genève, january 1992, heruitgegeven, zie onder n/ 80-86); Dit is des te meer het geval nu bovendien de bevelen die werden gegeven strekken tot het verrichten van daden die indruisen tegen diverse bepalingen van Internationale Verdragen en die een schending zouden uitmaken van essentiële mensenrechten waaraan de vervolgende overheid zich schuldig maakt; Uiteraard geeft verzoeker aldus uiting of expressie aan zijn politieke overtuigingen doordat onlosmakelijk dergelijke stellingname ook een politiek karakter heeft; Om na te gaan of dergelijke politieke ideëen op zich voldoende kunnen zijn om aan te nemen dat zij een grond voor vervolging uitmaken moet door de asielautoriteit worden nagegaan of deze ideeën of de houding van de vluchteling ‘door de autoriteiten als een daad van oppositie tegen haar macht worden beschouwd en een uiting zijn van een politieke overtuiging’ (VBC 23/03/1992, E021 geciteerd in Rev. Dr. Etr., 194,80-81, 542). Dit lijkt in casu op het eerste gezicht het geval lijkt te zijn; Bovendien heeft verzoeker inderdaad uitdrukkelijk aangegeven dat sommige van de problemen die hij kende waren georganiseerd door de autoriteiten (Ettelaat); (vragenlijst pagina 8 en tevens het dringend beroep pagina 1: ‘...en ik was zeker dat het op voorhand voorzien was’ ); In het hiervoren geciteerde Handbook wordt uitdrukkelijk gesteld dat in geval bepaalde inbreuken en vervolgingen worden ingesteld, ook al gebeurt dit binnen een wettelijke kader dit kan uitwijzen dat degerlijke vervolgingen slechts een voorwendsel zijn om de uiting van een politieke overtuiging te bestraffen of te verdrukken en dat het aan de asielinstantie is om deze gegevens af te wegen ( o.c., n/ 85) Verzoeker betwist inderdaad verantwoordelijk te zijn voor de ontsnapping van de gevangene en voor de ontvreemding van de wapens; Dat de verwerende partij verder niet kan beweren dat 'niets erop wijst dat verzoeker omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève onrechtvaardig behandeld zou worden door de Iraanse autoriteiten en een oneerlijk proces zou krijgen'; Het feit dat de vader van verzoeker na zijn vertrek werd gearresteerd, is vooreerst niet van aard om te geloven dat verzoeker een eerlijk proces wacht : hoewel volgens de autoriteiten de ‘sippenhaft’ (het vasthouden van familieleden om druk uit te oefenen) beweerdelijk al een tijd uit het Iraans rechtssysteem zou zijn gebannen, blijkt dat dit in de praktijk geenszins een realiteit is. De bijzonder grote ondoorzichtigheid van het rechtssysteem in Iran lijkt minstens deze mogelijkheid niet uit te sluiten. Indien het om een louter aan verzoeker toegeschreven misdrijf van gemeen recht zou gaan, kan men niet inzien waarom de vader van verzoeker dan moet gearresteerd worden, dan tenzij men aanneemt dat geen ‘normale rechtsgang’ plaatsvindt; Ook dit gegeven is door de verwerende partij op geen enkele wijze in rekening gebracht; Dat verder de mededeling door een betrouwbare bron, een vriend rechter van de vader van verzoeker, dat verzoeker aankijkt tegen 10 jaar gevangenisstraf, wat een exorbitante bestraffing is voor ‘misdrijven’ die verzoeker niet eens heeft begaan; Verder heeft verzoeker aangehaald dat verschillende van de familieleden van verzoeker in de gevangenis zaten, er twee werden geëxecuteerd en zit nog altijd één lid van de familie in de gevangenis; (Verder heeft verzoeker aangegeven dat leden van zijn familie in de gevangenis waren opgesloten : pagina 1 dringend beroep, lijn 5, zie ook de verklaringen op de DVZ op vraag 42). Inderdaad heeft verzoeker 2 nonkels in de gevangenis gehad dewelke er zaten wegens hun politieke activiteiten binnen de MOJAHEDINE KHALQH. Ze zijn terechtgesteld XIV-14.731-4/12 respectievelijk 6 en 8 jaar geleden : IRAJ SHALTOUKI en HUSHANG SHALTOUKI. Een andere nonkel, SHALTOUKI Siavash zit nog steeds in de gevangenis. Bij de appreciatie van de vrees die verzoeker voorstaat zijn al deze elementen manifest van aard de vervolging om politieke motieven voor aamemelijk te houden, MINSTENS laten zij niet toe dat de verwerende partij in dit stadium van de procedure de toepassing van de Conventie zou uitsluiten; Het is dan ook onmogelijk zonder dienaangaande verder onderzoek te verrichten al was het maar door verzoeker omtrent deze verklaringen te horen, de feiten af te doen als misdrijven van gemeen recht die door het doorlopen van de 'normale rechtsgang' hun beslag zullen krijgen. Er blijkt op geen enkele wijze dat deze gegevens in acht werden genomen bij de beoordeling om na te gaan of de feiten al dan niet binnen de Conventie vallen : indien hij dit wet had gedaan dan kon hij redelijkerwijze niet anders dan tot de vaststelling komen dat dit minstens mogelijk is; De motivering is gebrekkig en niet pertinent; De bestreden beslissing doet aldus afbreuk aan de motiveringsplicht, opgelegd door de bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, met name artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 1,2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, hiervoren geciteerd; Deze gegevens en omstandigheden die verwerende partij kende bij de beoordeling van de asielaanvraag dienden haar ertoe te brengen, in acht genomen de regels van behoorlijk bestuur waaraan zij is gebonden, verzoeker minstens te horen nu ook andere elementen van het dossier aangeven dat de vervolging mogelijks omwille van politieke overtuigingen van verzoeker is ingegeven; Dit is des temeer het geval nu verzoeker in dringend beroep uitdrukkelijk heeft gesteld dat wat hij daar heeft samengevat slechts een derde uitmaakt van de verklaringen van verzoeker (pagina 2 in fine, zie ook vertaling) zodat de verwerende partij onmogelijk kon menen over alle gegevens te beschikken nodig voor de beoordeling van de zaak in de ontvankelijkheidsfase en verzoeker niet te horen. Zelfs in de vragenlijst gewaagt de kandidaat uitdrukkelijk van een samenvatting en stelt hij ‘Later, wanneer U mij de gelegenheid zult geven, zal ik deze problemen in detail uitleggen en zal ik al Uw vragen beantwoorden’ (bijlage aan pagina 8); Indien er op verzoeker een plicht rust zelf maximaal de feiten en gegevens en de asielmotieven aan te brengen, laat geen enkel element toe te stellen dat verzoeker daartoe niet bereid zou zijn, integendeel; Er rust anderzijds evenzeer een verplichting op de verwerende partij bij de feitenvinding zelf een initiatief te ontplooien om haar toe te laten aldus de aanvraag correct te analyseren (HANDBOOK ON PROCEDURES AND CRITERIA FOR DETERMINING REFUGEE STATUS UNDER THE 1951 CONVENTION, Genève, january 1992, heruitgegeven, zie onder n/ 205,b, i); Elke Staat krijgt een ruime beoordelingsmarge toebedeeld door de Conventie van Genève en naar Belgisch recht wordt deze beoordeling naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag toe geregeld door artikel 52 van de hiervoren vermelde wet van 15/12/1980, dewelke een toegang tot de asielprocedure laat afhangen van een begin van bewijs en een coherent en geloofwaardig relaas; Dat evenwel om toe te laten aan de Belgische asielautoriteiten in toepassing van artikel 52§2, 2/ van de Vw af te wijzen, omdat beweerdelijk de aanvraag vreemd zou zijn aan de criteria van de Conventie, de elementen en motieven die daartoe voorliggen in de beslissing en in het administratief dossier op het eerste zicht doorslaggevend moeten zijn om tot een dergelijke beslissing te komen. Uw Raad heeft de marginale controlebevoegdheid na te gaan of dit wel degelijk het geval is zonder zich in de plaats te kunnen stellen van de administratie; En terwijl dit in voorliggend geval geenszins het geval is zoals blijkt uit de uiteenzetting van het middel; De motivering moet des te scrupuleuzer zijn in de mate de verwerende partij de verzoeker niet eens heeft gehoord, terwijl een dergelijk verhoor bij uitstek de wijze is waarop maximale informatie kan worden bekomen; Door op deze wijze te beslissen, schendt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen artikel 52§2 al 20 van de Wet van 15 december 1980, nu inderdaad kennelijk de asielaanvraag van verzoeker niet als vreemd aan de Conventie kan worden beschouwd; Dat bovendien het geheel van het dossier moet worden in ogenschouw genomen en in alle objectiviteit niet alleen de 'ongunstige' elementen dienen te worden afgewogen doch alle elementen samen eer een aanvraag kennelijk ongegrond kan worden beschouwd ( CE arrest n/ 51302, 25 januari 1995 ); Dat om te kunnen oordelen of al dan niet een aanvraag bedrieglijk of kennelijk ongegrond voorkomt, de asielautoriteit zich moet baseren op vaststaande gegevens en duidelijke argumenten (C.E. WUMBA, n/ 57.531 van 16/01/1996; MIAH, n/ 58.886 van 27 maart 1996 en n/ 58.957 van 29 maart 1996; SA-SM/CGVS arrest n/ 69.217 van 28 oktober 1997, TVR, 1998, n/ 1 & 2, 36; arrest n/ 57.708 van 22 januari 1996, BAH CHERNO SADU en meer recent XIV-14.731-5/12 Raad van State, arrest n/ 85.806 van 3 maart 2000, TVR, oktober 2000, 172 en arrest no 85.862 van 9 maart 2000, TVR, oktober 2000, 173) Dat verder de ‘kennelijke ongegrondheid’ inhoudt dat op zicht en zonder enig verder onderzoek met zekerheid kan worden besloten dat er geen enkel element is dat een toepassing van de conventie mogelijk zou maken ( C.E. 51507(Xième Ch.), 02/02/1995, RDE 83, 1995,184); Per analogie en a fortiori moet dit gelden voor de beoordeling of al dan niet de aanvraag vreemd is aan de criteria van de Conventie; ZODAT het middel gegrond is;”; 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “(...) “Enig middel: schending van artikel 52§ 2, 20 al. en artikel 62 van de Vreemdelingenwet en schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van artikel van de Conventie van Genève en van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk is omdat zijn vrees voor vervolging vreemd is aan de criteria van de Conventie. Verzoeker stelt dat uit de vermelding in het antwoord op de vraag tot voortzetting van de asielprocedure blijkt dat verzoeker meerdere problemen had omwille van het niet opvolgen van bevelen, die dan nog zouden bestaan in het niet folteren van gevangenen en het zich niet melden op de plaats van de executie. Verweerder antwoordt dat omtrent deze niet nader toegelichte vermelding meerdere opmerkingen kunnen worden gemaakt. Vooreerst is deze opmerking een losse vermelding in het administratief dossier. Ten tweede is deze vermelding afwijkend van verzoekers uitgebreidere eerdere verklaringen. Verzoeker heeft initieel verklaringen afgelegd voor D.V.Z. , die eensluidend werden herhaald naar aanleiding van zijn dringend beroepschrift en vervolgens bij het beantwoorden van de vragenlijst van het C.G.V.S. In deze verklaringen bracht verzoeker duidelijk de elementen aan waaruit hij meende zijn gegronde vrees voor vervolging te kunnen afleiden. Verzoeker verklaart opeenvolgende taken te hebben vervult in een Iraanse gevangenis. Zo zou hij eerst gevangen hebben begeleid naar de rechtbank, na twee maanden zou zijn opdracht hebben bestaan in het begeleiden van gevangen die verlof kregen. In die hoedanigheid zou hij verdacht geweest zijn van het medeplichtig zijn aan een ontsnapping. In afwachting van het proces kon hij verder werken op de gevangenis doch dit maal als ambulance chauffeur. Nadat hij informatie van familie aan een gevangene zou hebben bezorgd zou hij door de directeur de taak van torenwachter hebben gekregen. Nadat wapens zouden zijn verdwenen uit een depot waarvan verzoeker de sleutels zou hebben gehad werd hij voor 5 maanden opgesloten waarna hij kon ontsnappen. Omdat hij niet naar de gevangenis terug wou zou hij zijn land hebben ontvlucht. Voor het bezorgen van correspondentie aan een gevangene bestond de sanctie slechts uit een overplaatsing. Voor het verdwijnen van wapens uit het depot waarvoor hij verantwoordelijk was heeft verzoeker 5 maanden opsluiting gekregen. Uiteindelijk vreesde verzoeker nog te worden vervolgd omwille van de hangende eerste zaak met betrekking tot de ontsnapping van een gevangene waaraan hij onschuldig zou zijn. Verweerder is van mening dat deze feiten, wegens een totaal ontbreken van enig vervolging omwille van politieke overtuiging, religieuze overtuiging, nationaliteit, ras, etnie of het behoren tot een bepaalde sociale groep, duidelijk geen verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie maar gemeenrechterlijk van aard zijn en zelfs in België mogelijks tot tucht- zoniet strafmaatregelen zouden leiden. Op 22 mei 2002, bij zijn antwoord op de vraag tot voortzetting van de asielprocedure maakt verzoeker melding van problemen naar aanleiding van insubordinatie, zoals het niet opvolgen van bevelen die er toe zouden strekken mensen te executeren en zweepslagen toe te dienen. Verweerder stelt dat deze vermelding, zonder nader toelichting en voor het eerst bijna twee jaar na de start van de asielprocedure niet van aard is de overwegingen van de Commissaris- generaal te ontkrachten. De ongeloofwaardigheid is niet alleen af te leiden uit het feit dat verzoeker deze opmerking niet in tempore non suspecto maakte, maar bovendien ook niet verzoenbaar is met zijn eerdere verklaringen. Bij de vrij gedetailleerde en chronologische beschrijvingen van de opeenvolgende taken die verzoeker had in de gevangenis (gevangen transport naar de rechtbank, begeleiding van verlof, chauffeur van de ambulance, torenwachter verantwoordelijk voor het wapendepot) heeft verzoeker nooit melding gemaakt van enige positie in verband met strafuitvoering (toedienen van zweepslagen of executie) laat staan van enige concrete feiten of gebeurtenissen XIV-14.731-6/12 van dergelijke aard. Verzoeker heeft ook nooit gewag gemaakt van enige vervolging of zelfs problemen naar aanleiding van insubordinatie. Wat er ook van zij zelfs met in acht name van alle elementen van het administratief dossier (ook de vermelding in het actualisatie antwoord) kon de Commissaris-generaal geen ander element ontwaren waarop verzoeker zijn gegronde vrees voor vervolging meende te kunnen baseren dan zijn problemen naar aanleiding van de ontsnapping van een gevangene of andere tekortkomingen aan zijn verantwoordelijkheden. Zo verzoeker ook problemen heeft gehad naar aanleiding van insubordinatie, is het duidelijk dat verzoeker dit niet als reden voor zijn vertrek uit Iran heeft aangebracht. Bovendien kan van kandidaat vluchtelingen worden verwacht dat zijn onmiddellijk en van bij het initiële verzoek tot asiel de elementen aanbrengen waarop zijn menen hun gegronde vrees voor vervolging te kunnen staven, en a fortiori indien aan deze elementen nog een zwaarder gewicht zou toegerekend willen worden dan aan de andere meer uitdrukkelijk door verzoeker zelf benadrukte elementen. R.v.St. nr. 114.816 van 22 januari 2003 (ernstige mishandeling slechts later tijdens asielprocedure vermeld) R.v.St. nr. 115.373 van 3 februari 2003 (niet direct en bij aanvang van de asielprocedure de reden voor vertrek vermeld) Verweerder stelt ook dat zelfs uit dit element geen verband met de criteria van de Conventie kan worden afgeleid. Verzoeker poogt in zijn verzoekschrift te argumenteren dat uit de weigering dergelijke bevelen op te volgen omwille van hun aard onrechtstreeks en onlosmakelijk een stellingname met eveneens een politiek karakter zou blijken. Verweerder betwist dit vooreerst op basis van het feit dat verzoeker dit nooit aldusdanig tijdens de asielprocedure heeft gesteld. Zelfs bij de vermelding van de problemen door insubordinatie naar aanleiding van de actualisatie heeft verzoeker hieraan geen politieke conotatie gegeven noch heeft hij gewag gemaakt van enige bijzondere politieke overtuiging of activiteiten. Bovendien lijkt een politieke overtuiging van dergelijke aard niet verzoenbaar met verzoekers volgehouden wens voor de autoriteiten te werken in de gevangenis of met de houding van de autoriteiten die verzoeker ondanks de gemeenrechterlijk problemen en zelfs na een voorwaardelijke vrijlating in afwachting van een proces naar aanleiding van de ontsnapping van een gevangene in dienst hielden en zelfs in de gevangenis verantwoordelijk taken gaven. Bovendien is het relevante criterium niet of in hoofde van verzoeker onrechtstreeks via een niet eerder uitgedrukte redenering enige politieke overtuiging kan worden afgeleid maar wel de reden van de vervolging door de autoriteiten die verzoeker vreest. De Commissaris-generaal heeft terecht en zeker niet kennelijk onredelijk vastgesteld dat verzoeker's reden voor vertrek zijn grond vindt in de beweerde problemen naar aanleiding zijn taken in de gevangenis. Het feit dat verzoeker beweert onschuldig te zijn aan medeplichtigheid bij de ontsnapping van een gevangene en zelfs zou vermoeden dat de Ettelaat er iets mee te maken had, zijn mogelijks valabele elementen tijdens een eventuele proces naar aanleiding hiervan maar ontneemt de tegen hem ingestelde procedure geenszins zijn gemeenrechterlijke aard. Verzoeker stelt eveneens in zijn verzoekschrift dat zijn vader zou zijn aangehouden en dat dit zou aantonen dat zijn proces geen normale rechtsgang vindt. Het feit dat de autoriteiten zouden beweren dat ‘Sippenhaft’ (het opsluiten van familieleden) uit het rechtssysteem is geweerd zou niet toelaten af te leiden dat dit in werkelijkheid ook is gebeurd. Verweerder antwoordt hierop dat het integenstelling met wat verzoeker beweert, niet de uiteraard niet objectieve Iraanse autoriteiten zijn die zouden beweren dat de praktijk van Sippenhaft niet meer bestaat, maar wel objectieve buitenlandse bronnen zoals de Nederlandse overheid. (zie bijgevoegde documentatie) Verweerder stelt vast dat er geen objectieve elementen in het administratief dossier aanwezig zijn om te besluiten dat eventuele vervolging niet zijn gewone rechtsgang zou kennen. Verweerder wijst hiervoor naar het feit dat verzoeker in afwachting van zijn proces in voorwaardelijke vrijheid werd gesteld en verder zijn taken kon kwijten in de gevangenis (tot hij uiteindelijk tot 5 maanden opsluiting werd veroordeeld voor het verdwijnen van wapens waar hij verantwoordelijk voor was). Zelfs al zou kunnen gesteld worden dat er om één of andere onduidelijke reden geen normaal proces zou plaatsvinden, dient deze reden, in het kader van een gemeenrechterlijke vervolging eveneens samen te vallen met één van de redenen van de Conventie om aan de vrees voor vervolging zijn gemeenrechterlijk karakter te ontnemen. Een andere verwijzing van verzoeker, in een nieuwe poging om post factuum aan zijn asielaanvraag enige schijn van verband met de criteria van de Conventie te verlenen, heeft betrekking op het feit dat verzoeker ooms vroeger ooit, om niet nader genoemde reden, zouden zijn opgesloten of geëxecuteerd. Dit is evenmin van aard om zijn vrees voor vervolging onder de Conventie te doen vallen. Meer nog, het is zelfs niet aannemelijk dat deze omstandigheid enig relevantie zou kunnen hebben gelet op het feit dat verzoeker uitdrukkelijk verklaarde dat de autoriteiten bij de aanvang van zijn werk in de gevangenis dit feit kenden (hij heeft dit geantwoord toen het hem door de lraanse autoriteiten werd gevraagd , cfr. DVZ rapport vraag 42 en blz. 1 van de vertaling van het dringend beroep) en deze omstandigheid zelfs zijn toewijzing aan een gevangenis niet in de weg stond. Verzoeker stelt nu dat hij slechts een samenvatting van de feiten heeft gegeven tijdens de procedure, die slechts een derde van zijn asielmotieven zou bevatten en dat hij om die redenen had gehoord moeten worden. XIV-14.731-7/12 Verweerder antwoordt vooreerst dat uit de bestreden beslissing en de analyse van verweerder van de elementen van het verzoekschrift duidelijk blijkt dat de Commissaris- generaal redelijk uit deze elementen kon afleiden dat in hoofde van verzoeker geen vrees voor vervolging, zoals door de Verdragsluitende Staten bij de Conventie geviseerd, kon vastgesteld worden. Ten tweede is niet duidelijk welke de andere ‘twee derde’ van de asielmotieven zouden zijn, gezien ook thans naar aanleiding van het verzoekschrift geen nieuwe elementen worden aangebracht die de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing niet in overweging heeft genomen. Ten derde kan het (eventueel bewust) verzwijgen van asielmotieven met de uitgedrukte intentie van verzoeker om naar aanleiding van een gehoor meer elementen aan te brengen op zich niet van aard zij een niet bestaande hoorplicht in hoofde van de Commissaris-generaal via deze omweg toch in het leven te roepen. De Commissaris-generaal heeft terecht geoordeeld (en gemotiveerd in de bestreden beslissing) dat op basis van de door verzoeker aangebrachte elementen reeds de onontvankelijk van de asielaanvraag kwam vast te staan. Niet alleen bestaat in hoofde van de Commissaris-generaal geen hoorplicht (zie o.a. R.v.St. nr. 102.962 van 28 januari 2002 ), het is aan de kandidaat vluchteling om op eigen initiatief alle elementen aan te brengen die hij ter ondersteuning van zijn asielaanvraag wenst in te roepen en dit van het ogenblik van het indienen van de asiel aanvraag. (R.v.St. nr.
  8. 112 van 10 september 2002 die de passiviteit van de Commissaris- generaal bij het verzamelen van de elementen die een kandidaat vluchteling wenst op te werpen bevestigd) Bovendien is de kandidaat vluchteling daar uiterlijk toe verzocht geweest door de Dienst Vreemdelingenzaken, in de vragenlijst van het CGVS en in het verzoek om inlichtingen en heeft hij daar tijdens de lange duur van de asielprocedure ruimschoots de gelegenheid toe gehad. Indien het bewust achterhouden van informatie door de kandidaat vluchteling de Commissaris- generaal zou kunnen beletten een asielaanvraag te beoordelen zou dit met zich meebrengen dat er in hoofde van de kandidaat vluchteling geen plicht tot zorgvuldige medewerking bestaat en dat de loutere intentieverklaring tijdens een gehoor nadere toelichting te geven een onbestaande hoorplicht in het leven zou roepen. Verweerder is van mening dat de Commissaris-generaal alle elementen in overweging heeft genomen, dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd en zijn grondslag vindt in het administratief dossier. Dat niet ieder element uit het administratief dossier in de bestreden beslissing werd geciteerd is niet van aard de asielaanvraag in een ander daglicht te stellen. Uit het verzoekschrift blijken ook geen elementen die een onredelijk karakter van de beoordeling zouden aantonen. Verzoeker beperkt zich in zijn verzoekschrift tot het vermelden van twee elementen uit het administratief dossier (de vermelding van weigering bevelen uit te voeren en detentie of executie in het verleden van 3 ooms). Deze elementen werden door verzoeker nooit eerder ter staving van zijn vrees voor vervolging ingeroepen en konden dus door de Commissaris-generaal terecht als niet behorende tot de essentie van de asielaanvraag worden beschouwd. Ten tweede is het gewicht dat verzoeker daar naar aanleiding van zijn verzoekschrift aan wenst te geven ongefundeerd. Zo kan slechts via een theoretisch omweg (ni. de niettemin verdienstelijke redenering over de impliciete politieke stelling die zou uitgaan van een weigering tot het uitdelen van zweepslagen en de eventuele obscure invloed van de detentie van zijn ooms in het verleden op de normale rechtsgang) enige politiek aspect aan deze elementen worden toebedeeld. Met deze elementen uit het verzoekschrift is niettemin nog steeds niet aangetoond, en wordt zelfs impliciet toegegeven, dat, dat theoretische politieke aspect niet duidt op een politieke overtuiging in hoofde verzoeker (die zelf geen gewag maakte van enige politieke overtuiging) noch in hoofde van de autoriteiten (die verzoeker om gemeenrechterlijke redenen vervolgden). Dit wordt trouwens aangetoond door het feit dat verzoeker zelf voor gevangenis autoriteiten is gaan werken en op geen enkele ogenblik zijn positie heeft opgezegd of zelfs van de intentie daartoe enig gewag heeft gemaakt en door het feit dat de autoriteiten verzoeker in dienst hielden op verantwoordelijke posities zelfs toen hij zijn proces over de ontsnapping nog afwachtte. Het enige middel is niet van aard de vernietiging van de bestreden beslissing met zich mee te brengen.”; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 52, § 2, alinea 2, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van artikel 1, § 2, sectie A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van het algemeen rechtsbeginsel van XIV-14.731-8/12 behoorlijk bestuur houdende de verplichting voor de administratieve overheid om bij het nemen van de beslissing alle pertinente elementen van de zaak in overweging te nemen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de Commissaris-generaal onmogelijk in dit stadium van de procedure kon besluiten dat de ingeroepen feiten niet tot het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie behoren; dat een onderzoek ten gronde nodig was; dat de verzoekende partij tijdens haar legerdienst bepaalde bevelen niet wilde uitvoeren omdat zij indruisten tegen haar persoonlijke overtuiging; dat dit voldoende is om te spreken van een politieke overtuiging; dat dergelijke stellingname, namelijk het niet willen uitvoeren van bevelen die een schending zouden uitmaken van essentiële mensenrechten, een politiek karakter heeft; dat de verzoekende partij niet kan rekenen op een eerlijk proces, omdat bijvoorbeeld de “sippenhaft” in de praktijk nog steeds wordt toegepast; dat dit niet van een normale rechtsgang getuigt; dat twee ooms van de verzoekende partij zes en acht jaar geleden werden geëxecuteerd en dat één oom nog steeds in de gevangenis verblijft; dat al deze elementen er minstens toe hadden moeten leiden dat de aanvraag niet werd afgewezen in de ontvankelijkheidsfase, en dat de verzoekende partij alleszins gehoord had moeten worden; dat de verzoekende partij in haar schriftelijke verklaring in dringend beroep uitdrukkelijk stelde dat dit slechts een samenvatting was van haar verklaringen; dat de motivering van de beslissing des te scrupuleuzer moet zijn nu de Commissaris-generaal de verzoekende partij niet eens heeft gehoord; 2.
  10. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat artikel 1, A

(2), van de Vluchtelingenconventie ertoe strekt de criteria vast te leggen op grond waarvan de verdragsstaten het vluchtelingenstatuut dienen te verlenen; dat de staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie de verplichting hebben om in hun nationale wetgeving een procedure uit te werken, waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden een kandidaat-vluchteling het verblijf kan worden geweigerd, en onder welke voorwaarden hij of zij kan worden teruggeleid naar zijn of haar land van herkomst, of kan worden uitgezet; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik XIV-14.731-9/12 gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat de verzoekende partij geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat zij Iran heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  1. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu op basis van volgende motieven tot deze beslissing komt: - uit het administratief dossier blijkt duidelijk dat de asielaanvraag van de verzoekende partij vreemd is aan de Vluchtelingenconventie; de Commissaris-Generaal achtte het dan ook niet nodig om de verzoekende partij te horen: haar beweerde problemen blijken immers niet voort te vloeien uit haar politieke of religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep; - er wordt vastgesteld dat zij vreest bij haar terugkeer onterecht te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het laten ontsnappen van een gevangene en het ontvreemden van wapens; hierbij wordt echter opgemerkt dat dit een misdrijf betreft waarvoor de verzoekende partij in Iran de normale rechtsgang moet doorlopen, het betreft immers een daad waarbij ze normaliter gerechtelijke vervolging riskeert; niets wijst erop dat ze in de afhandeling van deze zaak omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie, onrechtvaardig zou behandeld worden door de Iraanse autoriteiten en een oneerlijk proces zou krijgen; - tenslotte is het document dat de verzoekende partij heeft neergelegd ter staving van haar asielrelaas, namelijk een kopie van haar shenasnameh (boekje van burgerlijke stand), niet van die aard om bovenstaande motivatie te weerleggen, gezien het een document betreft dat identiteitsgegevens bevat, waar hier niet aan wordt getwijfeld; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat- vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat de verzoekende partij bij het indienen van haar dringend beroep een beknopte schriftelijke verklaring heeft gevoegd; dat zij de vragenlijst heeft ingevuld en als bijlage een uitgebreide schriftelijke verklaring XIV-14.731-10/12 heeft gevoegd en overgemaakt aan het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder de verzoekende partij te horen; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat de verzoekende partij in haar uitgebreide schriftelijke verklaring inderdaad heeft vermeld dat wat zij verklaarde misschien nog maar een derde was van heel de problematiek en dat zij alles zou uitleggen tijdens het tweede interview; dat evenwel uit de gegevens van het dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voldoende was geïnformeerd over de kern van de zaak om te oordelen zonder bijkomend verhoor van de verzoekende partij; Overwegende dat in casu de Commissaris-generaal beslist heeft dat de asielaanvraag van de verzoekende partij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie of met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase wordt onderzocht of er redelijkerwijze mag van worden uitgegaan dat de feiten die de asielzoeker naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en bovendien niet tegenstrijdig zijn met zijn eigen eerdere verklaringen of objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat indien blijkt dat de verstrekte gegevens niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie te brengen zijn, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat de Commissaris- generaal in casu heeft geoordeeld dat de door de verzoekende partij ingeroepen problemen niet voortvloeien uit haar politieke of religieuze overtuiging, het behoren tot een bepaalde nationaliteit, etnie of sociale groep, en dat haar asielaanvraag vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal hieraan toevoegt dat de verzoekende partij beschuldigd wordt van een misdrijf (het laten ontsnappen van een gevangene en het ontvreemden van wapens) waarvoor in Iran de normale rechtsgang moet worden doorlopen en dat dit een daad is waarvoor normaliter gerechtelijke vervolging wordt geriskeerd; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel de interpretatie van de feiten door de Commissaris-generaal betwist; dat zij stelt dat de ontsnapping van de gevangene mogelijk geënsceneerd was en dat zij niet verantwoordelijk was voor het ontvreemden van de wapens; dat zij in het middel eveneens concrete feiten aanhaalt (het weigeren om bevelen op te volgen die niet stroken met haar persoonlijke overtuiging) waarom zij meent dat ze wel aan de criteria van de Vluchtelingenconventie voldoet en zo haar asielaanvraag verder stoffeert; dat het evenwel niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid en de asielaanvraag opnieuw te beoordelen; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in alle redelijkheid tot haar besluit is kunnen XIV-14.731-11/12 komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat de verwijzing van de verzoekende partij naar de proceduregids van de Verenigde Naties eveneens de feitelijkheden betreft en niet ter zake dienend is, te meer daar deze gids geen juridisch bindend karakter heeft; dat het enig middel ongegrond is;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-14.731-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.