id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.192 Rolnummer: A. 74382/X-7438 Zaak: Arrest 164192 - - 27/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:27 Fiche Arrest nr 164.192 van 27 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.192 van 27 oktober 2006 in de zaak A. 74.382/X-7438. In zake : de vzw DE VERADEMING, die woonplaats kiest bij Advocaat H. STRYCKERS, kantoor houdende te 3510 HASSELT, Diestersesteenweg 198-200 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw DE VERADEMING op 15 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 februari 1997 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de verzoekende partij de bouwvergunning wordt geweigerd voor de oprichting van een jeugdhuis-jeugdcamping op een perceel gelegen te Zonhoven, Holsteenweg, kadastraal bekend sectie D, nrs. 82c4, 82x5 en 82l7; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; X-7438-1/13 Gelet op de beschikking van 22 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de niet- tegenwerpelijkheid aanvoert van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk wegens schending van artikel 190 van de Grondwet en van de artikelen 10 en 13 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw, alsook "de schending van artikel 44, § 1, lid 7 van de wet van 29 maart 1962 en van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1984, schending van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962, zoals gewijzigd bij decreet van 13 juli 1994"; dat zij uiteenzet wat volgt: "Het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 3 april 1979, werd niet op de wettelijke vereiste wijze bekendgemaakt (
- en)neergelegd in het gemeentehuis van Zonhoven, minstens niet in alle bij het gewestplan betrokken gemeenten. X-7438-2/13 Artikel 10 van de stedenbouwwet, zoals het gelding had op het ogenblik van de vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk, bevatte de verplichting om het gewestplan in zijn geheel, dit is met inbegrip van de orthofotoplannen die de bestaande feitelijke toestand weergeven en van de kaarten met de juridische toestand, in het gemeentehuis ter inzage van het publiek te leggen en om die neerlegging ook aan het publiek bekend te maken op de wijze die het bepaalt. Het vereiste van artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet wordt enkel voldaan door het geheel van alle elementen van de opgelegde bekendmaking waardoor de precieze rechten en verplichtingen van alle betrokken overheden en particulieren volledig kenbaar zijn gemaakt. Zolang de vereiste bekendmaking door de aanplakking van het bericht van neerlegging en door de neerlegging van het gehele gewestplan in het gemeentehuis, niet in alle bij het gewestplan betrokken gemeenten heeft plaatsgehad overeenkomstig artikel 10 van de stedenbouwwet, is het gewest- plan niet tegenstelbaar en derhalve niet verbindend. Dat zelfs het feit dat achteraf in enkele van de in het beheersingsgebied van het gewestplan gelegen gemeenten, de bekendmaking van het gewestplan is aangevuld in overeenstemming met het vereiste van artikel 10, tweede lid, van de stedenbouwwet, niet tot gevolg kan hebben dat het gewestplan in zijn geheel tegenstelbaar en derhalve verbindend zou zijn in het gehele beheersingsgebied van het gewestplan Hasselt-Genk. Dat hieraan het bepaalde van de artikelen 100 en 108 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, waarbij de artikelen 13 bis en 75 §3 van de stedebouwwet werden toegevoegd en resp. vervangen, alsook van het besluit van de Vlaamse regering van 24 (lees:23) februari 1994 houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan, deze bekendmakingsvereisten van reeds geldende besluiten houdende vaststelling van gewestplannen niet kan wijzigen, nu deze gewijzigde artikelen alleszins geen retroactieve werking kunnen hebben en daardoor de bevoegdheid van de administratieve rechter onaangetast laten om de gevolgen te beoordelen van het niet ter inzage leggen van niet-normatieve delen van het gewestplan ten aanzien van administratieve rechtshandelingen die op het gewestplan zijn gesteund. Nu er alleszins geen retroactieve werking kan bestaan van de gewijzigde bekendmakingsvereisten ten aanzien van het reeds sinds 3 april 1979 geldende gewestplan Hasselt-Genk, kan enkel vastgesteld worden dat dit gewestplan met schending van de in dit middel genoemde bepalingen tot stand is gekomen en bijgevolg aan verzoekster niet tegenstelbaar is, daarom ook geen weigerings- grond kan uitmaken voor de aangevraagde bouwvergunning"; Overwegende dat op het ogenblik van het bestreden besluit, artikel 11, § 9, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, toepasselijk was; dat deze bepaling niet vereist dat niet-normatieve delen van een definitief vastgesteld gewestplan ter inzage in elk gemeentehuis worden neergelegd; dat deze bepaling, initieel ingevoegd bij X-7438-3/13 artikel 100 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 dat in werking trad op 1 januari 1994, inhoudt dat administratieve rechtshandelingen die na de voornoemde datum van inwerking- treding zijn gesteld, niet meer kunnen worden bekritiseerd op grond van de niet- tegenwerpelijkheid van het definitief vastgestelde gewestplan wegens het niet ter inzage zijn ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen gedeelten ervan (Arbitragehof, nr. 86/95, 21 december 1995, overw. B6); dat inzonderheid de orthofotoplannen bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan als niet-normatief werden aangewezen; Overwegende dat, zoals reeds gesteld, het thans bestreden besluit dateert van na de inwerkingtreding van het voornoemde artikel 11, § 9; dat derhalve en daargelaten de vraag of verzoekster in haar middel niet verder komt dan het aanvoeren van blote beweringen, de in het middel opgeworpen niet- tegenwerpelijkheid van het toepasselijke gewestplan omdat de orthofotoplannen niet in elk gemeentehuis ter inzage van het publiek lagen, in rechte faalt; dat, wat de overige in het middel aangevoerde geschonden geachte bepalingen betreft, verzoekster niet uiteenzet waaruit die schending bestaat; dat het middel dient verworpen te worden; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 1, vierde lid, juncto artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen; dat het middel uiteenvalt in twee onderdelen; dat zij dit als volgt uiteenzet: "Eerste onderdeel: Artikel 1, vierde lid van het K.B. van 28 december 1972 bepaalt dat voor de verschillende gebieden aanvullende voorschriften kunnen worden gegeven. Hieruit volgt dat slechts die aanvullende voorschriften in aanmerking kunnen komen welke eigen zijn aan het betrokken gewest of zich beperken tot een beperkt aantal gewesten die eigen kenmerken vertonen of waar een specifieke regeling ter tegemoetkoming aan een behoefte of een zorg te rechtvaardigen is. X-7438-4/13 Uit niets blijkt echter dat het aanvullend voorschrift "gebieden voor jeugdcamping" eigen zou zijn aan het beheersgebied van het gewestplan Hasselt-Genk of als behoefte zo uitzonderlijk zou zijn dat het slechts in enkele gewesten zou voorkomen. Recreatiegebieden voor jeugdcamping kunnen niet als uitzonderlijk of specifiek voor het gewestplan Hasselt-Genk beschouwd worden daar zij een algemeen verspreide en algemeen beoefende vorm van recreatie betreffen welke niet afhankelijk is van het ene of andere gewest c.q. streek. Hieruit dient besloten te worden dat het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift de facto een voorschrift met algemene draagwijdte betreft hetwelk per definitie thuishoort in de algemene regeling van het inrichtingsbesluit. De Koning vermocht aldus niet bij wijze van aanvullend voorschrift af te wijken van de (
- in)het inrichtingsbesluit gestelde bestemmingsvoorschriften. Tweede onderdeel: Aanvullende voorschriften mogen niet afwijken van de algemene. Zij kunnen alleen iets toevoegen aan de regeling van de bestemming, maar niet deze ongedaan maken, zelfs niet ten dele. Zij kunnen bijkomende of meer precieze normen opleggen maar niet de algemene norm opheffen en vervangen door een andere. De algemene norm voor recreatiegebieden luidt volgens artikel 16.5.0. van het inrichtingsbesluit dat zij zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accomodatie, waarbij de handelingen en werken aan beperkingen kunnen onderworpen worden ten einde het recreatieve karakter te bewaren. Het aanvullend voorschrift beoogt een toevoeging van de in de recreatie- gebieden onderscheiden bestemming "gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie" van artikel 16, 5.2. dat bepaalt dat deze gebieden bestemd zijn voor de recrea- tieve en toeristische accomodatie alsmede de verblijfsaccomodatie met inbegrip van de kampeerterreinen, de gegroepeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekendverblijfparken. Inzoverre het aanvullend voorschrift de aard van de verblijfsaccomodatie beperkt in functie van de gebruikers van het recreatiegebied, kan dit niet tot gevolg hebben dat iedere vorm van verblijfsaccomodatie wordt uitgesloten, temeer naast het kamperen in tenten ook het bivakkeren wordt vernoemd, hetgeen in het gangbare spraakgebruik het verblijf in een gebouwde constructie betekent, anders dan het verblijf in tenten, reden waarom trouwens in het aanvullend voorschrift het kamperen wordt onderscheiden van het bivakkeren"; Overwegende dat het middel zo wordt begrepen dat de verzoeker via artikel 159 van de Grondwet de wettigheid van het aanvullende stedenbouw- kundig voorschrift betwist; Overwegende dat artikel 1 van de aanvullende voorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk het volgende aanvullend voorschrift vaststelt: X-7438-5/13 "Artikel 1. - Gebieden voor jeugdcamping (KB 3/04/79) De gebieden die als "gebieden voor jeugdcamping" zijn aangeduid, zijn bestemd voor de aanleg van groenbeplantingen en het aanbrengen van accommodatie nodig voor het kamperen van georganiseerde jeugdgroepen met monitors die alleen tenten als kampeerverblijf gebruiken of voor het bivakkeren van dergelijke jeugdgroepen"; Overwegende dat ter beoordeling van de rechtsgrond van dit aanvullende voorschrift dient vastgesteld te worden welke versie van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen; Overwegende dat artikel 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen in zijn initiële versie van 28 december 1972 luidde als volgt: "Art. 1. Dit besluit bepaalt de algemene regelen voor de inrichting en de toepassing van de door de Minister voorlopig vastgestelde ontwerp- gewestplannen en van de door de Koning vastgestelde gewestplannen. De ontwerpgewestplannen en de gewestplannen omschrijven de bestem- mingsgebieden en geven aanwijzingen omtrent de verkeerswegen overeen- komstig de in hoofdstuk II bepaalde nomenclatuur en met gebruik van de conventionele tekens van bijlage I. De hoofdstukken II en III zijn, voor de in een ontwerpgewestplan of een gewestplan begrepen grond van toepassing vanaf de dag waarop dat plan van kracht wordt. Voor de verschillende gebieden kunnen aanvullende voorschriften worden gegeven"; dat het gehele artikel 1, wat het Vlaamse Gewest betreft, werd vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 december 1978 tot wijziging, voor het Vlaamse Gewest, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, door de volgende bepaling: X-7438-6/13 "Art. 1. § 1. Dit besluit bepaalt voor het Vlaamse Gewest de algemene regelen voor de opmaak en tenuitvoerlegging van de door de Minister voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplannen en van de door de Koning vastgestelde gewestplannen. De ontwerpgewestplannen en de gewestplannen omschrijven de bestemmings- gebieden en geven aanwijzingen omtrent de verkeerswegen, met aanwending van de in hoofdstuk II bepaalde nomenclatuur en van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen conventionele tekens. De hoofdstukken II en III, zijn voor de in een ontwerpgewestplan of een gewestplan begrepen grond van toepassing vanaf de dag waarop dat plan van kracht wordt. §2. In de ontwerpgewestplannen en in de gewestplannen kunnen aanvullende stedebouwkundige voorschriften worden opgenomen, ook al strekken zij tot regeling van toestanden die niet eigen zijn aan één of meer gewesten"; Overwegende dat het genoemde koninklijk besluit van 28 december 1972 eenvormige regelen vaststelt voor de inrichting van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen; dat die bepalingen het algemeen kader en het verwijzingssysteem vormen waarin de plannen van aanleg moeten worden ingepast; dat die vooraf vastgestelde regelen door verwijzing in de ontwerpgewestplannen en gewestplannen worden opgenomen; dat zij aldus, binnen de grenzen van het plan, met betrekking tot hun concrete uitwerking, onderworpen worden aan het openbaar onderzoek en de raadplegingen; dat, wanneer die vooraf vastgestelde regelen worden gewijzigd of vervangen, zij slechts op wettige wijze kunnen worden ingepast in zoverre de gewijzigde of vervangen bepalingen evenzeer het onderwerp zijn geweest van het wettelijk voorgeschreven openbaar onderzoek en de wettelijk vereiste raadpleging; Overwegende dat, zoals reeds gesteld, het betrokken perceel is gelegen binnen het beheersingsgebied van het gewestplan Hasselt-Genk; dat dit gewestplan, alleszins wat het betrokken perceel betreft, werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979; dat het advies van de streekcommissie voor Limburg werd gegeven op 26 mei 1978 (B.S., 23 mei 1979); dat derhalve de bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 13 december 1978, niet het voorwerp zijn geweest van het wettelijk voorgeschreven openbaar onderzoek en de wettelijk vereiste raadpleging; dat deze bepalingen derhalve op het tijdstip van de bestreden beslissing niet bindend waren wat het betrokken perceel betrof; dat derhalve de bepaling van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 28 december 1972, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 13 december 1978, geen rechtsgrond kan bieden voor de in artikel 1 van de aanvullende voorschriften van het bij koninklijk X-7438-7/13 besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk omschreven bestemming "gebieden voor jeugdcamping"; Overwegende dat het hiervoor aangehaalde oorspronkelijke artikel 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 moet worden samengelezen met artikel 2, 6.4, van hetzelfde koninklijk besluit, naar luid waarvan de grond in een "ander" bestemmingsgebied kan worden onderverdeeld dan in de bij dat artikel met naam genoemde bestemmingsgebieden, en met artikel 3, 7.6, van hetzelfde besluit, naar luid waarvan "andere gebieden" ook nog bij overdruk nader aangewezen kunnen worden; Overwegende dat die "andere gebieden" de gebieden zijn waarvoor de bij artikel 1, vierde lid, bedoelde aanvullende voorschriften worden gegeven onder de nomenclatuur van de artikelen 17, 6.4, en 18, 7.6, van het genoemde koninklijk besluit van 28 december 1972; dat zij worden aangeduid met een voor het gebied passend conventioneel teken, d.i. de in de bijlage bij het genoemde besluit bedoelde tint naar keuze van nr. 6.4 of het symbool van nr. 7.6; dat het dus de gebieden zijn waarvoor aanvullende, d.i. andere dan de vooraf in het koninklijk besluit van 28 december 1972 vooraf kenbaar gemaakte bestemmings- voorschriften, van toepassing kunnen gesteld worden; Overwegende dat luidens de artikelen 17, 6.4, en 18, 7.6, een aanvullend bestemmingsvoorschrift voor een dergelijk "ander" gebied betrekking moet hebben op "eigen gebieden van sommige gewestplannen"; dat niet is bepaald dat het aanvullend bestemmingsvoorschrift slechts betrekking mag hebben op één gewest of gewestplan of beperkt moet zijn tot een beperkt aantal gewesten die eigen kenmerken vertonen of waar een specifieke regeling ter tegemoetkoming aan een behoefte of een zorg te rechtvaardigen zou zijn, noch dat het beperkt moet zijn tot bestemmingen die als uitzonderlijk of specifiek voor het betrokken gewestplan beschouwd moeten worden; dat het te dezen volstaat dat de aanvullende voor- schriften toestanden regelen die men niet a priori in alle gewesten terugvindt of kan terugvinden en waaraan derhalve geen algemeen voorschrift van het koninklijk besluit van 28 december 1972 vooraf kan beantwoorden; dat de verzoekende partij geen enkel concreet gegeven aanvoert dat van aard is om te stellen dat het voornoemde voorschrift een toestand regelt die voldoet aan het voornoemde en aldus zou moeten worden geregeld door een algemeen voorschrift; dat het genoemde aanvullend voorschrift een voldoende rechtsgrond vindt in het X-7438-8/13 oorspronkelijke artikel 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat het eerste onderdeel van het middel in rechte faalt; Overwegende dat hiervoor is komen vast te staan dat de aanvullende voorschriften bedoeld in het oorspronkelijke artikel 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 diegene zijn welke worden gegeven onder de nomenclatuur van de artikelen 17, 6.4, en 18, 7.6, van dat besluit; dat het derhalve een voorschrift is dat te onderscheiden valt van het in artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 bepaalde "algemeen" voorschrift inzake recreatiegebieden; dat derhalve niets belet dat het in artikel 1, vierde lid, bedoelde aanvullende stedenbouwkundig voorschrift "afwijkt" van de algemene voorschriften; dat het tweede onderdeel in rechte faalt; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 16 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972 en van artikel 1 van de aanvullende stedenbouwkundige voor- schriften van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk, van artikel 55, § 3, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw "en de daarin vervatte motiveringsverplichting en van het redelijkheidsbeginsel"; dat het middel in twee onderdelen uiteenvalt, die zij als volgt uiteenzet: "Eerste onderdeel: Het bestreden besluit geeft aan 'dat op de ingediende bouwplannen voorzieningen als eetzaal, bar, zitplaats-studio, bezinningshoeken, badkamer en slaapkamer worden vermeld, hetgeen inhoudt dat ook woongelegenheid is voorzien, dat dergelijke voorzieningen de bovenbeschreven nodige accommodatie ruim overstijgen', welke voorzieningen niet meer beantwoorden aan het opzet slechts de nodige accommodatie voor het kamperen ter beschikking te stellen, waaruit wordt geconcludeerd dat het ontwerp niet overeenstemt met de op het gewestplan aangeduide bestemming en als een zonevreemde constructie dient te worden beschouwd. Een dergelijke interpretatie vindt geen steun in de vernoemde artikelen, de door het organieke artikel 16 toegestane verblijfsaccommodatie wordt door het aanvullend voorschrift enkel beperkt in functie van de aard van de recreanten en niet in functie van omvang van dergelijke accommodatie. Nu het aanvullend voorschrift expliciet twee categorieën van jeugdkamperen vernoemt, het ene als uitsluitend verblijf in tenten en het andere als verblijf in een bivak, houdt dit in dat het bivakkeren per definitie verblijf is in een vaste constructie, hetgeen overeenstemt met het gewone spraakgebruik en meestal beoefend wordt door jeugdgroeperingen met jongere leden waarvan het dagenlang verblijf in een tentenkamp omwille van hun leeftijd niet is aangewezen. Artikel 16 van het inrichtingsbesluit, noch de bepalingen van het aanvullend voorschrift sluiten bovendien uit dat een dergelijke accommodatie tevens X-7438-9/13 huisvesting kan inhouden, welke bovendien volledig geïntegreerd is in en volledig ondergeschikt aan de hoofdfunctie van het gebouw, nl. verblijfs- accommodatie voor bivakkerende jongerengroepen en welke trouwens enkel de goede werking en de beveiliging van het gebouw beoogt. Tweede onderdeel: Het bestreden besluit geeft bovendien als weigeringsgrond aan 'dat uit de statuten van de betrokken vereniging blijkt dat niet alleen de bedoeling bestaat gelegenheid tot kamperen en bivakkeren te geven, maar dat onder meer ook zijn voorzien de organisatie van voordrachten, activiteiten en werkgroepen, die de natuur willen benaderen op een artistieke, wetenschappelijke en ontspannende manier, en het creëren van een schuilplaats voor fietsers ; dat daarenboven in deze statuten wordt vermeld dat deze opsomming van activiteiten kwantitatief doch niet limitatief is, dat al deze voorzieningen en geplande activiteiten niet meer beantwoorden aan het opzet slechts de nodige accommodatie voor het kamperen ter beschikking te stellen; dat derhalve kan worden geconcludeerd dat het ontwerp niet overeenstemt met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming...'. De in artikel 55 § 3 stedenbouwwet voorgeschreven motiveringsplicht houdt in dat enkel redenen welke verband houden met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening kunnen ingeroepen worden bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag. Het bestreden besluit betrekt in het geciteerde gedeelte redenen die niet alleen zuiver hypothetisch zijn maar bovendien niets vandoen hebben met de criteria van plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening; de verwijzing naar een onderdeel van het maatschappelijk doel, zoals vervat in de statuten van verzoekster, welke naar het oordeel van de minister mogelijkerwijze in de toekomst zouden kunnen aanleiding geven tot een eventuele bestemmings- wijziging, zijn niet relevant en zeker niet van aard om als weigeringsgrond in aanmerking te komen, temeer de voormelde statuten expliciet de in het aanvullend voorschrift bepaalde bestemming vermelden. Het bestreden besluit is daarom uitgegaan van gegevens welke ter zake niet dienend en in feite onjuist zijn, welke bovendien niet correct bij de beoordeling werden betrokken zodat in redelijkheid niet tot het bestreden besluit kon worden overgegaan"; Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, bij de bespreking van het tweede middel is komen vast te staan dat op het betrokken perceel het aanvullend voorschrift "gebied voor jeugdcamping" van toepassing is; dat derhalve artikel 16, dat een algemeen voorschrift betreft, niet toepasselijk is en derhalve niet geschonden kan zijn; Overwegende dat, wat de schending van het aanvullende steden- bouwkundig voorschrift betreft, de inhoud van dit voorschrift is weergegeven bij de bespreking van het tweede middel; dat anders dan wat de verzoekende partij betoogt, dit voorschrift duidelijk het aanbrengen van accommodatie beperkt tot wat nodig is voor het kamperen van georganiseerde jeugdgroepen met monitors die alleen tenten als kampeerverblijf gebruiken of voor het bivakkeren van dergelijke X-7438-10/13 jeugdgroepen; dat dit voorschrift derhalve een functionele beperking inhoudt van de mogelijk op te richten accommodatie; Overwegende dat het bestreden besluit overweegt wat volgt: "Overwegende dat het ontwerp vooreerst bestaat uit een grondige verbouwing en herinrichting van de twee bestaande vleugels van de oorspronkelijke, vroegere oude boerderij; dat de ene vleugel een oppervlakte heeft van 4,40 meter tot 6,29 meter op 10,10 meter tot 13,64 meter, en de andere in L-vorm een oppervlakte beslaat van 3,20 meter tot 12,49 meter op 5,10 meter tot 9,30 meter; dat tussen deze beide vleugels een verbindingsbouw wordt opgericht, eveneens in L-vorm, met een oppervlakte van 1,65 meter tot 4,35 meter op 2,50 meter tot 9,50 meter; dat tegen de noordelijke vleugel ook een nieuwbouw wordt aangebouwd met een oppervlakte van 10 meter tot 18,70 meter op 6,90 meter tot 17,69 meter; dat het geheel deels is bedekt met een plat dak met een hoogte van 3,95 meter en deels met een zadeldak met een kroonlijsthoogte van 3,90 meter en een nokhoogte van 6,65 meter; dat het geheel ongeveer midden het terrein wordt ingeplant; dat de vertrekken in de bestaande gebouwen worden aangewend als eetzaal, bar, bezinningshoek, bureel, zitplaats-studio en terrassen; dat in de verbindingsbouw de inkom en een bezinningshoek worden ondergebracht; dat de nieuwe aanbouw keuken, bergingen, leslokaal en sanitair omvat en dat op de verdieping badkamer, slaapkamer en daktuin zijn voorzien; Overwegende dat uit de bepalingen van bovengenoemd aanvullend voorschrift duidelijk naar voren komt dat de mogelijkheden tot vestiging van welbepaalde activiteiten en constructies eerder beperkt zijn; dat dit onder meer blijkt uit de nadere verduidelijking dat alleen deze accommodatie kan aangebracht worden die nodig is voor het 'kamperen van georganiseerde jeugdgroepen met monitors die alleen tenten als kampeerverblijf gebruiken of voor het bivakkeren van dergelijke jeugdgroepen'; dat daartegenover dient gesteld dat op de ingediende bouwplannen voorzieningen als eetzaal, bar, zitplaats-studio, bezinningshoeken, badkamer en slaapkamer worden vermeld, hetgeen inhoudt dat ook woongelegenheid is voorzien; dat dergelijke voorzieningen de bovenbeschreven nodige accommodatie ruim overstijgen; dat uit de statuten van de betrokken vereniging blijkt dat niet alleen de bedoeling bestaat gelegenheid tot kamperen en bivakkeren te geven, maar dat onder meer ook zijn voorzien de organisatie van voordrachten, activiteiten en werkgroepen, die de natuur willen benaderen op een artistieke, wetenschappelijke en ontspannende manier, en het creëren van een schuilplaats voor wandelaars en fietsers; dat daarenboven in deze statuten wordt vermeld dat deze opsomming van activiteiten kwantitatief doch niet limitatief is; dat al deze voorzieningen en geplande activiteiten niet meer beantwoorden aan het opzet slechts de nodige accommodatie voor het kamperen ter beschikking te stellen; dat derhalve kan worden geconcludeerd dat het ontwerp niet overeenstemt met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming en als een zonevreemde constructie dient te worden beschouwd"; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat, daargelaten de vraag of de verzoekende partij kan worden bijgevallen in haar stelling dat "bivakkeren per definitie verblijf is in een vaste constructie" en dat het genoemde X-7438-11/13 aanvullende voorschrift "bovendien (niet) (uit)sluit dat een dergelijke accommodatie tevens huisvesting kan inhouden", de verzoekende partij uit het oog verliest dat uit de hiervoor aangehaalde motivering blijkt dat de vergunning is geweigerd, niet omdat het bivakkeren geschiedt in een "vaste constructie" of omdat het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift huisvesting zou uitsluiten, maar omdat de voorzieningen waarvoor vergunning wordt gevraagd, de "nodige accommodatie" die volgens het stedenbouwkundig voorschrift zijn toegelaten, "ruim overstijgen"; dat de verzoekende partij geen kritiek uit op dit determinerend motief; dat dit motief het bestreden besluit draagt; dat binnen het wettigheidstoezicht dat de Raad van State vermag uit te oefenen, het bestreden besluit in dit opzicht niet lijkt uit te gaan van een kennelijk onredelijke beoordeling van de feiten; dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat dit gericht is tegen de overwegingen van het bestreden besluit in verband met de door de verzoekende partij geplande activiteiten; dat die overwegingen ten overvloede zijn gegeven, en een eventuele onwettigheid ervan derhalve niet tot de nietigheid van het bestreden besluit kan leiden; dat het onderdeel niet ontvankelijk is, bij gebrek aan belang; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-7438-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-7438-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div