← België

Arrest 164193 - - 27/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.193 Rolnummer: A. 168367/X-12597 Zaak: Arrest 164193 - - 27/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-07-01 07:56 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 164.193 van 27 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.193 van 27 oktober 2006 in de zaak A. 168.367/X-12.597. In zake : 1. Eric BRAET, 2. Christine MARTENS, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10, 2. de gemeente ZEDELGEM, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric BRAET en Christine MARTENS op 5 december 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van: 1/ het besluit van 21 september 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het sectoraal bijzonder plan van aanleg, "zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie en jeugdactiviteiten" genaamd van de gemeente Zedelgem; 2/ het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Zedelgem van 19 mei 2005 houdende definitieve aanvaarding van het BPA zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; X-12.597-1/28 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 februari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 10 maart 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 28 april 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. PROOT die loco Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat Y. FRANÇOIS die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat A. LUST die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de tweede verwerende partij met een brief van 19 januari 2006 buiten de haar bij het toepasselijke proceduregelement voorziene termijn foto’s overlegt die volgens haar "toelaten zich een idee te vormen omtrent het uitzicht vanuit de woningen van de verzoekende partijen"; dat zij erkent dat deze foto’s geen deel uitmaken van het administratief dossier; dat een dergelijke laattijdige neerlegging niet is voorzien in het toepasselijke procedurereglement; dat om die reden deze brief en de bijhorende foto’s uit de debatten worden geweerd; Overwegende dat het besluit van 19 mei 2005 van de gemeenteraad van de gemeente Zedelgem - d.i. het tweede bestreden besluit - tot voorwerp heeft de definitieve aanneming van het sectoraal bijzonder plan van aanleg "zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten"; dat dit definitief aangenomen plan van aanleg bestaat uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan en stedenbouwkundige voorschriften; dat luidens de in het dossier gevoegde "memorie van toelichting", de primaire doelstelling van het X-12.597-2/28 bestreden bijzonder plan van aanleg is, "het ontwikkelen van een 'globale visie' inzake de gewenste ontwikkeling van de specifieke activiteiten op het vlak van sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten in Zedelgem"; dat na afweging in deze memorie van toelichting van de verschillende "zonevreemde sites" op het grondgebied van de gemeente Zedelgem, beslist wordt zes sites te selecteren voor de opmaak van de eigenlijke sectorale BPA-bescheiden; dat zes deelplannen werden opgemaakt, waarvan deelplan BPA III "SV Loppem" (deelgemeente Loppem) met een oppervlakte van ongeveer 3,5 ha en gelegen deels in woongebied en deels in agrarisch gebied, thans in het geding is; dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit deelplan het beheersingsgebied ervan opdelen in verschillende zones; dat in zone 1 (actieve zone) o.m. is bepaald dat de aanleg van speel- en/of oefenvelden, met de daarbij horende infrastructuur zoals verharding, omheiningen en verlichting doch met uitsluiting van gebouwen mogelijk is, maar dat minimum 80 % van deze zone waterdoorlaatbaar moet zijn; dat in zone 2 (zone voor bebouwing), o.m. een maximale terreinbezetting qua gebouwen van 70 % geldt; dat in zone 3 (zone voor interne ontsluiting en parking) o.m. is bepaald dat 50 % van de zone in waterdoorlaatbare materialen moet worden aangelegd; dat in zone 4 (zone voor speelplein) inzonderheid een absoluut verbod voor gebouwen geldt en bij de aanleg van verhardingen minstens 80 % in waterdoorlaatbare materialen moet worden aangelegd; dat zone 5 (zone voor groen) een zone is voor de aanleg van groen met een absoluut bouwverbod van gebouwen en een absoluut verbod tot aanleg van verhardingen; dat tot slot voor zone 6 (ruimzone) - die in overlap is met zones 3 en 5 - is bepaald dat dit een zone is voor het ruimen van de waterloop; dat het eerste bestreden besluit het voornoemde sectoraal bijzonder plan van aanleg, omvattende een plan van de bestaande en juridische toestand, een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften goedkeurt, met dien verstande dat voor de terzake niet relevante deelgebieden "gemeentelijke recreatieterrein Aartrijke" en "TC Loppem", het plan bestaande uit een plan van de bestaande en juridische toestand, een bestemmingsplan en bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften wordt goedgekeurd met uitsluiting van de met blauwe rand aangegeven delen van het bestemmingsplan; Overwegende dat de verwerende partijen bij exceptie opwerpen dat de verzoekende partijen hoogstens een belang kunnen laten gelden bij de schorsing van de tenuitvoerlegging en de vernietiging van het bestreden bijzonder plan van aanleg in zoverre hierin een regeling wordt getroffen voor de situatie van de voetbalvereniging SV Loppem; dat deze exceptie wezenlijk de vraag doet rijzen X-12.597-3/28 of, indien aan de wettelijke grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing is voldaan, een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten geheel of slechts gedeeltelijk moet zijn; dat uit de bespreking van de middelen zal blijken dat geen van de middelen ernstig is; dat het derhalve in deze stand van het geding niet nodig is om nader in te gaan op de exceptie; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de voorwaarde van het aanvoeren van ernstige middelen betreft, de verzoekende partijen vier middelen ontwikkelen waarin verschillende bepalingen en beginselen worden aangevoerd die zij geschonden achten en die uiteenvallen in verschillende uitvoerig ontwikkelde argumenten; dat het respect voor de rechten van verdediging in de procedure van het administratief kort geding, waar die rechten door de procedure al beperkt zijn, en de "summaria cognitio" waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, impliceren dat de verzoekende partijen bij het formuleren van "ernstige" middelen die tot vernietiging kunnen leiden, ertoe gehouden zijn gevat aan te geven welke rechtsregel zij geschonden achten en op welke wijze de aangevochten akte daarop een inbreuk maakt; dat, indien de verzoekende partijen een uitvoerige uiteenzetting zoals te dezen naar voor brengen om de ernst van de middelen aan te tonen, de Raad van State zich noodgedwongen zal dienen te beperken tot een prima facie onderzoek van de essentie van de aangevoerde middelen, zonder op ieder argument afzonderlijk in te gaan; Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren, afgeleid uit de schending van artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het coördinatiedecreet), en van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO), uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidbeginsel, en uit machtsafwending, X-12.597-4/28 "doordat de gemeenteraad en de Vlaamse minister hun aanvaarding, resp. goedkeuring hebben gehecht aan het bestreden BPA dat op uitgesproken wijze afwijkt van de bepalingen van het gewestplan en - zoals in de toelichtende memorie is aangegeven - als een voorafname op het gemeentelijk structuur- planningsproces moet worden beschouwd, terwijl, enerzijds, artikel 14, lid 4 en lid 5 van het coördinatiedecreet bepaalt dat een afwijking op de gewestplanbestemming o.m. slechts kan worden toegestaan als die afwijking steun vindt in een deugdelijke ruimtelijke afweging (mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen), en terwijl, anderzijds, artikel 14, lid 4 en 5 van het coördinatiedecreet - inzonderheid de notie 'deugdelijke ruimtelijke afweging' - moet worden samengelezen met de algemene doelstellingenbepaling vervat in artikel 4 DRO, waarin is bepaald dat de ruimtelijke ordening moet zijn gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar moeten worden afgewogen en waarbij rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, teneinde een goede ruimtelijke kwaliteit te bereiken, en terwijl uit de in die bepalingen geëxpliciteerde doelstellingen en voorwaarden moet worden afgeleid dat de stedenbouwwetgeving, zoals de ruimtelijke ordening en de stedenbouw zelf, het algemeen belang op het oog moet hebben (...), en terwijl die principes concreet hun vertaling vinden in de omzendbrief RO 98/05 van 22 september 1998 betreffende het bijzonder plan van aanleg voor zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten (B.S., 4 november 1998), omzendbrief waarop het bestreden BPA is gesteund (zie stuk 1 toelichtende memorie, p. 1, punt 1. 1) en waarin o.m. het beoordelingskader voor dergelijke BPA's als volgt is omschreven: 'De omvorming door middel van een B.P.A. van een zachte (agrarische of groene bestemming) naar een harde functie in de landelijke gebieden van het gewestplan moet met grote omzichtigheid gepaard gaan. Het gebiedsgericht onderzoek op het niveau van de gemeente en/of de kern zal aangeven voor welke bebouwing een handhaving, uitdoving dan wel een uitbreiding zal beoogd worden. Het betreft de afweging tot het behoud en eventueel de uitbreiding en vervanging van bestaande constructies voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten tegenover de optie voor het behoud en het herstel van de open ruimte', en terwijl voorts in het licht van die doelstellingen - en specifiek met het maken van de keuze tussen het behoud van de sportfuncties t.o.v. het behoud of herstel van de open ruimte - uiteraard rekening moet worden gehouden met de vergunningssituatie van die bestaande toestand, temeer het vaste rechtspraak is van uw Raad dat - geheel onvergunde toestanden - de iure - in beginsel als onbestaande moeten worden beschouwd en - een BPA niet tot doel mag hebben een illegale toestand te regulariseren (...), en terwijl dit uitgangspunt bij de beoordeling van het deelplan SV Loppem compleet werd veronachtzaamd, nu er in geen enkel advies en in geen enkele beslissing met één woord werd gerept over de vergunningstoestand van de bestaande terreinen met bijhorende accommodatie (parking in een verkaveling, kantines, edm), dit terwijl vaststaat dat deze terreinen en gebouwen sinds 1973 op de bestaande locatie zijn gevestigd en dus een vergunning behoefden (want na de inwerkingtreding van de stedenbouwwet van 29 maart 1962) (zie stuk 1 - memorie van toelichting, p. 25, nr. 8, punt 1) en anderzijds in de toelichtende memorie duidelijk is aangegeven dat geen enkele constructie vergund is (zie X-12.597-5/28 memorie van toelichting, p. 25, nr. 8, punt 2: 'bouwvergunningssituatie: geen'; zie ook p. 27), en terwijl meteen dient te worden vastgesteld dat met dit gegeven (het betreft een volledig illegale inrichting) door geen enkele administratie of overheid rekening werd gehouden, meer nog, alle administraties en overheden kennelijk zijn uitgegaan van de aanwezigheid van het terrein met bijhorende accommodaties als een onveranderlijk gegeven, dat als aanknopingspunt werd aanzien om de gewenste uitbreiding te verantwoorden, en terwijl dit bvb zeer duidelijk blijkt uit - het verslag van de plenaire vergadering d.d. 19 mei 2004 waarin hierover met geen woord werd gerept (...), - het advies d.d. 18 mei 2004 van de Dienst Ruimtelijke Planning en Mobiliteit van de provincie West-Vlaanderen waarin de voorgenomen uitbreiding (die overigens als "zeer ruim" werd aangemerkt) werd aanzien in functie van een loutere optimalisatie van een bestaande voetbalveld (die bestaande toestand werd m.a.w. niet eens in vraag gesteld) (...), het advies d.d. 4 juni 2004 van de gemachtigde ambtenaar, die de vergunningsproblematiek in vergelijkbare dossiers nochtans steeds in vraag stelt (...), en terwijl die bestaande toestand - precies omwille (van) het ontbreken van elke vergunning - onmogelijk als een vast gegeven kon worden aanzien, zodat alle betrokken instanties onderhavig deelplan hadden moeten beoordelen alsof de inplanting van een nieuwe sportinrichting (in de open ruimte) werd beoogd, en terwijl het bijgevolg zeer de vraag is of, indien de vergunningssituatie duidelijk als een beoordelingselement was betrokken (quod non), een dergelijk groot sportcomplex (3,65
  2. ha)(dat) volgens de omzendbrief RO 98/05 van 22 september 1998 - qua oppervlakte - zelfs het lokale niveau overstijgt (in deze omzendbrief wordt aangegeven dat dergelijke planinitiatieven slechts op gemeentelijk niveau kunnen worden genomen voor zover de oppervlakte de grens van 3 ha niet overschrijdt), als nieuwe zonevreemde inrichting in een onaangesneden, open agrarisch gebied én in een overstromingsgebied zou zijn toegestaan, en terwijl minstens dient vastgesteld dat 1/ het compleet veronachtzamen van de vergunningstoestand in de verdere besluitvorming inzake het voorliggende BPA van een grote onzorgvuldigheid getuigt en in de algemene administratieve praktijk van het Vlaamse gewest ongezien is (steevast worden zonevreemde uitbreidingen geweigerd ingeval de bestaande toestand niet of onbehoorlijk vergund
  3. is)en 2/ in geen enkel advies of besluit enige afdoende motivering is opgenomen waarom een dergelijke illegale zonevreemde toestand op de betrokken locatie kan worden bestendigd, laat staan in dergelijke mate worden uitgebreid, en terwijl deze principes niet minder streng kunnen worden toegepast omdat het de gemeente zelf is die eigenaar is van (het) betrokken terrein (...) en wiens strafrechtelijke verantwoordelijkheid als mededader vaststaat (zie artikel 146 DRO); en terwijl om die redenen niet alleen de schending voorligt van de hoger aangehaalde decretale bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar tevens vaststaat dat de bestreden besluiten met machtsafwending zijn totstandgekomen, nu de bevoegde besturen (gemeente en minister) bij het uitoefenen van hun discretionaire goedkeuringsbevoegdheid om bovenstaande redenen het algemeen belang hebben veronachtzaamd en hun respectieve bevoegdheden hebben gebruikt om een illegaal particulier/gemeentelijk belang te dienen (...), hierbij alle gangbaar gehanteerde principes (globale visievorming, verbod op het gebruik van een BPA als regularisatie-instrument) terzijde schuivend"; X-12.597-6/28 Overwegende dat, in wat als een eerste onderdeel kan worden gelezen, de verzoekende partijen in essentie stellen dat door de bestreden besluiten de in de artikel 14, vierde en vijfde lid, van het coördinatiedecreet en het er mee samen te lezen artikel 4 DRO, geëxpliciteerde doelstellingen en voorwaarden werden miskend, doordat bij het maken van de keuze tussen het behoud van de sportfuncties t.o.v. het behoud of het herstel van de open ruimte, "uiteraard rekening moet worden gehouden met de vergunningssituatie van (
  4. de)bestaande toestand", terwijl dit uitgangspunt bij de beoordeling van het deelplan SV Loppem compleet werd veronachtzaamd; Overwegende dat uit de motieven van het bestreden ministerieel besluit blijkt dat het bestreden bijzonder plan van aanleg voor een aantal deelplannen afwijkt van het gewestplan; Overwegende dat artikel 14, vierde en vijfde lid, van het coördinatiedecreet i.v.m. dergelijke afwijkingen bepaalt wat volgt: "Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd voor 1 november 2006. Bijzondere plannen van aanleg die afwijken van het gewestplan en die voorlopig worden aangenomen na 1 november 2006, kunnen tot 1 mei 2008 slechts definitief aangenomen worden door de gemeenteraad indien de bepalingen ervan in overeenstemming zijn met een minstens voorlopig vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Na 1 mei 2008 kunnen geen afwijkende bijzondere plannen van aanleg meer definitief door de gemeenteraad aangenomen worden"; Overwegende dat uit de motieven van het bestreden ministerieel besluit blijkt dat voor de afwijking van het gewestplan een verantwoording wordt gezocht in het feit "dat het structuurplanningsproces van Zedelgem gestart is"; dat voor de afwijking aldus steun gezocht wordt in het vijfde lid van artikel 14 van het coördinatiedecreet; dat het vierde lid van die bepaling niet in het onderzoek moet worden betrokken; X-12.597-7/28 Overwegende dat uit artikel 14, vijfde lid, van het coördinatie- decreet volgt dat de gemeente geen sectoraal bijzonder plan van aanleg waarin wordt afgeweken van de voorschriften van het gewestplan kan aannemen en de minister dit niet kan goedkeuren, o.m. wanneer er geen ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Overwegende dat artikel 4 DRO bepaalt wat volgt: "De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit"; Overwegende dat - daargelaten de vraag of, zoals de tweede verwerende partij betoogt, het voornoemde artikel 14, vijfde lid, van het coördinatiedecreet zo moet worden begrepen dat het afwijkt van het voornoemde artikel 4 DRO, in die zin dat, in de overgangsperiode, van het gewestplan afwijkende bijzondere plannen van aanleg kunnen worden aanvaard mits de gemeente heeft beslist tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en de ruimtelijke afweging gebeurt in het licht van het aangevatte planningsproces en op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen - in deze stand van het geding de vaststelling volstaat dat bij het aannemen, respectievelijk het goedkeuren van een sectoraal bijzonder plan van aanleg in de zin van het genoemde artikel 14, vijfde lid, de bevoegde overheden daartoe, ook in het licht van de in artikel 4 DRO bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegd-heid beschikken; dat derhalve, wanneer een sectoraal bijzonder plan van aanleg wordt aangenomen en goedgekeurd op grond van een ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd lijkt om na te gaan of de bevoegde overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat artikel 4 DRO op het eerste gezicht op zich niet inhoudt dat, wanneer de bevoegde overheid beslist aan een planningsgebied voortaan een andere bestemming te geven, zij bij het maken van de keuzes terzake "uiteraard X-12.597-8/28 rekening moet (...) houden met de vergunningssituatie van (
  5. de)bestaande toestand"; dat het te dezen volstaat dat de overheid de voorziene bestemmingen en voorschriften heeft vastgesteld met een voldoende kennis van zaken, en daarbij is uitgegaan van een volledig en degelijk inzicht in de kenmerken van het plangebied, waaronder een correcte opname en weergave van de bestaande toestand; dat de bestaande toestand niet beperkt is tot de vergunde constructies; dat plannen van aanleg immers toekomstgericht zijn en derhalve bestemmingen kunnen vaststellen die niet noodzakelijk rekening houden met het al dan niet vergunde karakter van de constructies die in de feiten deel uitmaken van de bestaande toestand; dat derhalve het loutere feit dat de planoptie die in het betrokken plan van aanleg is vervat, uitgaat van de bestaande onvergunde toestand, niet ipso facto impliceert dat het betwiste plan van aanleg de door de verzoekende partijen aangehaalde bepalingen en beginselen zou miskennen; dat voor het overige de aangevoerde kritiek van de verzoekende partijen blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan die van de bevoegde overheden; dat het onderzoek van deze andere beoordeling de Raad van State uitnodigt tot een opportuniteitsonderzoek hetgeen niet tot de bevoegdheid van de Raad behoort; dat, binnen het wettigheidstoezicht dat de Raad terzake vermag uit te oefenen, de verzoekende partijen aan de hand van deze andere beoordeling voorshands niet aannemelijk maken dat de bevoegde overheden in het licht van het door de verzoekende partijen aangevoerde artikel 4 DRO tot een conclusie zijn gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; Overwegende dat, wat de schending betreft van de ook nog in het middel aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de kritiek van de verzoekende partijen samenvalt met hetgeen hiervóór is uiteengezet; Overwegende dat, in wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, de verzoekende partijen machtsafwending aanvoeren; dat er slechts sprake is van machtsafwending, als subsidiair middel, indien een bestuursoverheid de bevoegdheid welke bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel en dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de betrokken handeling is; dat het bestaan ervan kan worden afgeleid uit voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens; dat het bestreden ministerieel besluit stelt dat "het BPA op zich niet de bedoeling heeft om de in overtreding opgerichte constructies te regulariseren, maar een ruimtelijk kwalitatieve invulling beoogt"; dat een dergelijk X-12.597-9/28 doel strookt met het algemeen belang; dat uit de beweringen van de verzoekende partijen niet kan worden afgeleid dat de betrokken overheden hun respectieve bevoegdheden hebben gebruikt met als doel "een illegaal particulier/gemeentelijk belang te dienen", laat staan dat is aangetoond dat dit het enige frauduleuze doel zou zijn van de bestreden besluiten; dat er geen redenen zijn om deze zaak op grond van machtsafwending naar de algemene vergadering van de afdeling administratie te verwijzen; Overwegende dat het eerste middel in geen van zijn onderdelen ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren, afgeleid uit de schending van de reeds aangehaalde artikelen 14, vierde en vijfde lid, van het coördinatiedecreet en 4 DRO, van artikel 23, derde lid, 4/, van de Grondwet, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van de materiële motiveringsplicht, "doordat het bestreden BPA afwijkt van de gewestplanbestemming nu in een agrarisch gebied enkel (para-)agrarische activiteiten zijn toegelaten, terwijl artikel 14, lid 4 van het coördinatiedecreet bepaalt dat zo een afwijking slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden toegestaan (cfr. begrip 'desnoods'), en terwijl artikel 14, lid 5 van het coördinatiedecreet hiertoe als voorwaarde oplegt dat: primo de gemeente moet hebben beslist tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, secundo die afwijking slechts kan worden toegestaan op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging gebeurt, mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, terwijl artikel 14, lid 4 en 5 van het coördinatiedecreet - inzonderheid de notie 'deugdelijke ruimtelijke afweging' - moet worden samengelezen met de algemene doelstellingenbepaling vervat in artikel 4 DRO (...) én met het grondwettelijk gewaarborgde recht op de bescherming van een gezond leefmilieu (artikel 23, 4/ G.W.), dat het recht op een behoorlijke ruimtelijke ordening omvat, en terwijl, waar uit een samenlezing van die bepalingen volgt dat moet worden afgewogen of de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, dient vastgesteld (dat) die afweging in casu helemaal niet is gebeurd, minstens niet op een deugdelijk onderzoek en dito motieven is gesteund, nu 1/ de opstellers van het BPA op geen enkel ogenblik grondig hebben nagedacht over dit afwijkingscriterium, hetgeen o.m. reeds blijkt uit het feit dat de voorwaarden van artikel 14, lid 5 van het coördinatiedecreet niet eens formeel in de memorie van toelichting zijn vermeld (...), 2/ noch op de plenaire vergadering, noch op de diverse vergaderingen van de GECORO, noch in enig advies, noch in de besluiten van de gemeenteraad één woord werd besteed aan de in artikel 14 opgenomen afwijkingsvoorwaarden, 3/ enkel door de Vlaamse minister werd gewezen op de toepassing van artikel 14 van het coördinatiedecreet (...), zij het dat de minister zich - geheel X-12.597-10/28 ten onrechte - vergenoegde met de vaststelling dat de memorie van toelichting een deugdelijke ruimtelijke afweging bevat, en terwijl in die toelichtende memorie m.b.t. het deelplan SV Loppem (...) enkel is vermeld waar deze voetbalsite zich bevindt en waarom een uitbreiding nodig is, en terwijl in die toelichting allerminst een deugdelijke ruimtelijke afweging wordt gegeven, nu • hierin geen enkele overweging is gewijd aan de locatiekeuze, • geen rekening werd gehouden met het feit dat de bestaande toestand volledig illegaal is, • geen enkele overweging werd gewijd aan de impact van de voorgenomen regularisatie én uitbreiding op het open, agrarische landschap (met een hoge schoonheidswaarde - zie luchtfoto), noch aan het gegeven dat - gezien vanuit het standpunt van de omwonenden aan de Dopheidelaan - een visuele belemmering (uitzicht over een uitgestrekt en ongerept landschap) zal ontstaan, • de site zich situeert buiten een recent overstromingsgebied (ROG), terwijl dit uitgangspunt kennelijk onjuist is en werd tegengesproken in het latere advies van de afdeling Water (...), • hierin wordt aangegeven dat de uitbreiding gebruik maakt van gronden die voor landbouw niet opportuun zijn, terwijl nergens aannemelijk wordt gemaakt waarom dit zo zou zijn en ook dit uitgangspunt in realiteit onjuist is, • hierin - op basis van compleet ongemotiveerde aannames - wordt geponeerd dat de parkeerhinder zal afnemen, terwijl ook hieraan geen enkele grondige studie werd gewijd (Hoeveel parkeerplaatsen worden voorzien ? Het gaat - zoals eerder vastgesteld - om een grote club met ca. 290 leden (alleen al voor de leden is de parking ontoereikend, nu tijdens een bewonersvergadering van 1 juli 2003 (...) werd aangegeven dat slechts parkeerplaats voor 90 voertuigen is voorzien). Werd rekening gehouden met het aantal te verwachten supporters of bezoekers bij feestactiviteiten in de kantine ? Het zijn allemaal onbeantwoorde vragen), en terwijl voor het overige wordt volstaan met enkele loutere, vage stijlclausules, zoals bvb. de overweging dat de ontworpen stedenbouwkundige voorschriften een voldoende garantie bieden om hinder te voorkomen, enkele luidruchtige activiteiten zoals het speelplein en het skateterrein het verst van de woonzone zullen worden ingeplant, terwijl bvb. geen enkele overweging werd besteed aan de lawaaihinder (o.a. van roepende supporters) van op het voetbalterrein dat op luttele meters van de eigendommen van de verzoekende partijen wordt ingeplant, en terwijl - zo er al per impossibile zou worden aangenomen dat er een ruimtelijke afweging is gebeurd (quod certe non) - minstens dient vastgesteld dat door al die onvolkomenheden, ongerijmdheden en zelfs foutieve uitgangspunten er onmogelijk sprake kan zijn van ruimtelijke afweging die als deugdelijk is te aanzien in de zin van artikel 14 van het coördinatiedecreet, en terwijl dit euvel des te meer klemt in het licht van de bijzonder ingrijpende gevolgen op het rustig woongenot van de vele omwonenden (die terecht mochten verwachten dat de betrokken overheden met meer zorg over een dergelijk heikel dossier zouden oordelen) en rekening houdend met het feit dat in de omzendbrief RO 98/05 van 22 september 1998 expliciet aan die overheden werd opgedragen dergelijke dossiers met de grootste omzichtigheid te behandelen (...), en terwijl - nog in verband met de vereiste deugdelijke afweging - herhaaldelijk werd gevraagd (door diverse adviserende instanties) dat een aantal belangrijke aspecten verder dienden te worden gemotiveerd, zoals bvb. X-12.597-11/28 - in het advies d.d. 18 mei 2004 van de Dienst Ruimtelijke Planning van de provincie West-Vlaanderen, waarin werd aangegeven dat (...) • de interferentie tussen dit planinitiatief en het in opmaak zijnde GRS beter diende te worden weergegeven, • de gewenste ruimtelijke structuur onvoldoende is uitgewerkt, • de interferentie met de structuurbepalende elementen op provinciaal niveau onvoldoende (
  6. is)uitgewerkt, • bij de inventarisatie al te snel werd geconcludeerd of er zich al dan niet acute problemen stellen op vlak van ruimtelijke ordening (terwijl die conclusies op geen enkele manier gestaafd zijn en pas mogelijk zijn na een grondige evaluatie), • de evaluatie per site onvoldoende is, • het concept van evenwichtige spreiding over de deelgemeenten onduidelijk is gemotiveerd, • een motivering per site van het planopzet en de stedenbouwkundige voorschriften ontbreekt, • specifiek voor het deelplan SV Loppem, dat • de mogelijkheden voor bijkomende bebouwing zeer ruim lijken en gemotiveerd dienen te worden, • het niet duidelijk is of er voldoende parkeergelegenheden voor bezoekers zijn voorzien, • het niet duidelijk is wat er zal gebeuren met de bestaande parking, • het aangewezen is de buffer t.a.v. de woningen adequater (breder) te maken - in het advies d.d. 16 oktober 2003 van ARP-AROHM, waarin ook een andere locatie gunstig werd geadviseerd (...), - in het advies d.d. 24 mei 2004 van afdeling Water, waarin werd aangegeven dat (...) • verder dient te worden onderzocht of het voetbalveld onder uitzonderlijke omstandigheden niet ingeschakeld kan worden als bufferruimte (op te leggen als nevenfunctie), • het maaiveld van het voetbalveld diende te worden aangepast (met het oog op een eventuele overstroming van het gebied), - in het advies d.d. 4 juni 2004 van AROHM, waarin werd aangegeven dat de gelijkwaardige ontwikkeling van de verschillende deelkernen strijdig is met het RSV en dat een meer uitgewerkte evaluatie per site diende te gebeuren (...), en terwijl door het gemeentebestuur herhaaldelijk werd aangegeven dat tal van aanpassingen zouden worden doorgevoerd (zie bvb. verslag van de bewonersvergadering van 1 juli 2003 (...) en van 18 september 2003 (...) en in de besluiten houdende voorlopige en definitieve vaststelling van het ontwerp-BPA door de gemeenteraad - bij wijze van stijlclausule - werd overwogen dat het voorliggende plan aan deze opmerkingen werd aangepast, en terwijl in casu moet worden vastgesteld dat dit effectief slechts stijlclausules zijn, nu het definitief goedgekeurde BPA op tal van punten - spijts de aankondigingen daartoe - helemaal niet op afdoende wijze werd bijgestuurd: - het bestemmingsplan is zo goed als ongewijzigd gebleven, - de groenzone werd - zoals gevraagd in het advies van de provincie - niet breder gemaakt, - de interferentie tussen dit planinitiatief en het in opmaak zijnde GRS werd niet verder uitgewerkt, - de gewenste ruimtelijke structuur werd niet verder uitgewerkt dan een opsomming van enkele algemene vage principes (...), - de interferentie met de structuurbepalende elementen op provinciaal niveau bleef onuitgewerkt, X-12.597-12/28 - er werd geen grondige evaluatie gegeven omtrent het al dan niet bestaan van acute problemen die zich stellen op vlak van ruimtelijke ordening, - de evaluatie per site bleef zeer vaag en algemeen, - er werd niet ingegaan op de vraag het concept van evenwichtige spreiding over de deelgemeenten duidelijker te motiveren, - een motivering van de stedenbouwkundige voorschriften bleef afwezig en - specifiek voor het deelplan SV Loppem • werd geen verduidelijking gegeven omtrent de omvang van de uitbreiding, • werd de parkeerproblematiek (die kennelijk ontoereikend is - 90 parkeerplaatsen voor een club met 290 leden) niet verder uitgewerkt (zo weet niemand of rekening werd gehouden met bezoekers en supporters) en • werd geen gevolg gegeven aan de vraag om de groenbuffer t.a.v. de woningen adequater (breder) te maken, - naar (...) andere locaties werd geen verder onderzoek gedaan; integendeel, • er werd gedaan alsof er geen alternatieven door ARP-AROHM zouden zijn toegelaten, terwijl uit het advies d.d. 16 oktober 2003 van ARP-AROHM (...) bleek dat een gunstig advies werd gegeven voor de locatie aan de Molendreef, • zowel ten aanzien van de GECORO als ten aanzien van de gemeenteraad werd op dit punt misleidende informatie verstrekt (...), • andere valabele alternatieven (Chartreusegebied) werden niet verder onderzocht of afgedaan (zie locatie aan de firma SUPER-DO-IT) op grond van argumenten (omwonenden en overstromingsgevaar) die evengoed spelen op de thans gekozen locatie, - het gevraagde onderzoek en aanpassing van de stedenbouwkundige voorschriften die door de afdeling Water werden voorgesteld (i.v.m. de bufferfunctie tegen overstromingen en de aanpassing van het maaiveld), is niet gebeurd en vond geen vertaling in de stedenbouwkundige voorschriften, en terwijl aldus moet worden vastgesteld dat al deze argumenten die in het licht van de vereiste deugdelijke ruimtelijke afweging aan bod zouden moeten komen, ontbreken, minstens niet op een zorgvuldige en grondige (wijze) werden onderzocht, reden waarom meteen ook vaststaat dat er geen sprake kan zijn van een afweging die deugdelijk is"; Overwegende dat het middel in twee delen lijkt uiteen te vallen; dat in wat een eerste onderdeel kan worden genoemd, de verzoekende partijen stellen dat er geen ruimtelijke afweging is geschied, terwijl ze, in wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, in ondergeschikte orde doen gelden dat, indien "per impossibile zou worden aangenomen dat er een ruimtelijke afweging is geschied (...), minstens dient vastgesteld dat (...) er onmogelijk sprake kan zijn van ruimtelijke afweging die als deugdelijk is te aanzien in de zin van artikel 14 van het coördinatiedecreet"; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat ter gelegenheid van het onderzoek van het eerste middel is komen vast te staan dat het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg steun vindt in artikel 14, vijfde lid, van het coördinatiedecreet; dat derhalve het vierde lid van het voornoemde artikel niet bij het X-12.597-13/28 wettigheidsonderzoek dient te worden betrokken; dat voorts bij de bespreking van het eerste middel is gesteld dat uit het genoemde artikel 14, vijfde lid, volgt dat de gemeenteraad geen sectoraal bijzonder plan van aanleg waarin wordt afgeweken van de voorschriften van het gewestplan kan aannemen en de minister dat plan niet kan goedkeuren, o.m. wanneer er geen ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat het vervuld zijn van deze voorwaarde moet blijken uit de formele motivering, of minstens uit het administratief dossier; Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit omtrent de ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen overweegt wat volgt: "Overwegende dat voor de deelplannen van het voorliggende bijzonder plan van aanleg, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die - uitgezonderd voor een deel van 'gemeentelijke recreatieterreinen Aartrijke' en 'RC Loppem' - strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat daarmee voor het BPA is voldaan aan de tweede voorwaarde in toepassing van vermeld artikel 14"; Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit zich aldus beperkt tot het algemeen betoog dat er, "zoals blijkt uit de toelichting bij het plan", een ruimtelijke afweging gebeurd is, doch verder niet in concreto aangeeft waar dit in deze toelichting zou zijn gebeurd; dat in het bestreden gemeenteraadsbesluit houdende de definitieve aanneming van het sectoraal bijzonder plan van aanleg formeel geen concrete afweging is opgenomen; dat aangezien het niet aan de Raad van State toekomt om zelf in het administratief dossier en inzonderheid in de toelichting waarnaar het bestreden ministerieel besluit verwijst, op zoek te gaan naar concrete elementen waaruit in voorkomend geval een ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen kan blijken, het aan de verwerende partijen is aan te geven waar in deze "toelichting" de betrokken afweging is terug te vinden en waaruit zij bestaat; dat de tweede verwerende partij in dit verband in haar nota de volgende uitleg geeft: "4.1. De memorie van toelichting betrekt de structuurplannen op de drie niveau's bij de algemene toelichting. Vermits art. 14, voorlaatste lid, coördinatiedecreet niet verwijst naar het PRS en, zoals uiteengezet bij de bespreking van het vierde middel, een reeds bestaand PRS geen enkele rol te spelen heeft bij de opmaak van een gemeentelijk BPA, volstaat het te verwijzen naar wat de memorie van toelating op blz. 12 aangeeft m.b.t. de relatie van het ontworpen BPA met het RSV, resp. het in opmaak zijnde GRS. X-12.597-14/28 Men leest het volgende: '2. 1. 1. ZEDELGEM T.A.V. HET RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN VLAANDEREN. De gemeente Zedelgem bevindt zich in een zone van 'Buitengebied verbinding' welke een verbinding maakt tussen het 'groot aaneengesloten gebied van het buitengebied' van de Polders en het gebied ten oosten van Brugge. De gemeente Zedelgem is een kern in het buitengebied. De belangrijkste uitspraken en doelstellingen die relevant zijn voor deze studie zijn: # het vrijwaren van het buitengebied voor essentiële functies # tegengaan van versnippering van het buitengebied # het bundelen van de ontwikkeling in de kernen van het buitengebied .. . (RSV pg. 380). Naast de hoofdstructurerende functies en activiteiten van het buitengebied (natuur, landbouw, bos, wonen en werken) worden ook andere activiteiten onderscheiden zoals toerisme en recreatie. Mogelijkheden van recreatie in het buitengebied worden erkend, steeds moet het uitgangspunt zijn 'het respect voor de draagkracht van het gebied' (RSV pg. 414). ' De omstandigheid dat de stellers van de memorie van toelichting ervan uitgegaan zijn dat Zedelgem tot het buitengebied behoort, ofschoon dit bij gebreke aan afbakening nog niet vast staat, is rechtens niet relevant, vermits zij zodoende van de strengste hypothese zijn uitgegaan. De auteurs van de memorie van toelichting verwijzen daarbij zeer uitdrukkelijk naar blz. 380 - versie 1998 (thans blz. 382) van het RSV en het aldaar gehuldigd principe van de kerngebondenheid. Hoger is er reeds bij herhaling op gewezen dat vooral de ARP sterk de hand aan dit beginsel heeft gehouden, ook en vooral bij de beoordeling van mogelijke alternatieve locaties. Dit principe is eigenlijk de resultante van de beide andere principes die worden aangehaald, nl. de vrijwaring van het buitengebied en het voorkomen van versnippering ervan. De ganse operatie is dus wel degelijk uitgegaan van drie belangrijke principes van het RSV! Verder leest men in de memorie van toelichting: 'Het Gewestelijk Ruimtelijk Structuurplan is momenteel in opmaak en zit in de fase van een voorontwerp. Bij de visie- en conceptelementen wordt er gewerkt aan een netwerk van recreatieve routes tussen de bossen en kasteelparken. 'De groengebieden worden ingeschakeld in een netwerk van recreatieve fietsverbindingen, die zoveel mogelijk ontkoppeld worden van de regionale verbindingswegen'. Verder wordt het huidig spreidingspatroon van het aanbod aan sportactiviteiten ondersteund: elke kern moet basisrecreatieve voorzieningen kunnen aanbieden op maat van de kern, met uitzondering van Zuidwege ter ondersteuning van de lokale leefkwaliteit van de kernen. De locatie van de sites moet zoveel mogelijk aansluiten bij de huidige kernen in functie van de bereikbaarheid voor de zwakke weggebruiker. Het aanbod van recreatiemogelijkheden in de Groene Meersen (nr 1) moet op schaal van de fusiegemeente zijn.' Een belangrijke optie van de verwerende partij m.b.t. het in haar GRS op te nemen beleid aangaande sport- en spelvoorzieningen op haar grondgebied is dat 'elke kern' basisrecreatieve voorzieningen moet aanbieden op maat van de kern. X-12.597-15/28 De verzoekers beweren niet eens, laat staan dat zij zouden aantonen, dat aan die basisopties van het RSV en het in opmaak zijnde GRS niet is voldaan, laat staan niet eens gedacht ! De kritieken die zij aanvoeren hebben daar niets mee uitstaande. 4.2. Ingevolge de aanwijzingen van de hogere overheid heeft de verwerende partij gewerkt aan een 'algemene visie omtrent sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten, uitgewerkt in het kader van de opmaak van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan'. Voor wat specifiek S.V.Loppem betreft, is daarin het volgende gesteld: 'De gemeentelijke visie, opgemaakt in het kader van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, bestaat erin dat alle vier de deelkernen die qua omvang gelijkaardig zijn, elk een volwaardig uitgebouwd aanbod aan lokale basisvoorzieningen inzake sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten moeten krijgen. Deze voorzieningen zijn: accommodatie voor voetbal (2 volwaardige terreinen), tennis, een sporthal en een ruimte voor jeugdverenigingen. De vijfde kern, Sint-Elooi, heeft evenwel een kleiner aantal inwoners en geniet de nabijheid van het sportcomplex Groene Meersen te Zedelgem, dat een rol vervult op fusiegemeentelijk niveau, waardoor de uitbouw van een volledig aanbod aan sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten hier niet noodzakelijk is. Een aantal functies behoren niet tot de lokale basisvoorzieningen en komen op slechts één plaats binnen de gemeente voor. Ze vervullen van daaruit een rol op fusiegemeentelijk niveau. Het bestaande (zoneëigen) sport-en recreatiecomplex van de Groene Meersen, gelegen in het structuurondersteunend hoofddorp Zedelgem, vervult duidelijk een functie op niveau van minstens de fusiegemeente met o. a. het zwembad, de mattensportzaal. Daarnaast vervullen ook de kinderboerderij en de accommodatie voor de hondenclubs een rol op fusiegemeentelijk niveau. Aan welke van de genoemde basisvoorzieningen ontbreekt het in welke kernen: - Loppem : een 2e volwaardig voetbalterrein - Aartrijke : tennispleinen (...) 5. Voetbalclub Loppem In de kern Loppem ontbreekt het nog aan één van de lokale basisvoorzieningen, namelijk een 2e volwaardig voetbalveld (en dit hoewel de voetbalclub van Loppem een zeer groot aantal leden heeft !). Er wordt, i.f.v. de organisatorische en sociale meerwaarde, voor geopteerd om een aantal sport-, jeugd- en recreatievoorzieningen op niveau van de kern te bundelen aansluitend op het bestaande voetbalterrein. Op die manier kan ook een gemeenschappelijke parking voor de verschillende activiteiten worden voorzien, die een punt moet zetten achter de huidige verkeersoverlast in de wijk. Deze locatie sluit aan bij de kern aan haar noordzijde, en wordt aan haar zuidzijde begrensd door een beek, die een natuurlijke afbakening vormt van de bebouwde kern t.o.v. de omliggende open ruimte. Enige landschappelijke integratie van dit complex is dan ook noodzakelijk. De voorzieningen die hier gebundeld worden zijn: - voetbalterreinen - een terrein voor skaters (die momenteel in de wijk voor overlast zorgen) - een speelpleintje - een cafetaria Het terrein wordt op zo'n manier ingericht dat de te verwachten overlast qua lawaai, uitzicht, lichthinder, t.o.v. de woonwijk minimaal zal zijn.' X-12.597-16/28 Dat de zogenaamde 'plenaire' vergadering, waarvan hoger reeds is aangetoond dat ze slechts ten overvloede is samengeroepen, bepaalde opmerkingen daarop heeft gemaakt en m.n. meende dat duidelijker moest worden bepaald 'waarom, wat waar kan' is vanuit het oogmerk van art. 14, laatste lid, coördinatiedecreet totaal niet relevant. Vooreerst omdat het om een volkomen vrijblijvende opmerking gaat, maar vooral omdat ze rechtens onterecht is. Zoals de verwerende partij reeds bij herhaling heeft aangestipt, kan zij om redenen onafhankelijk van haar wil in de huidige stand van zaken van opmaak van het GRS alsnog geen zeer concrete beleidsopties uitspreken, vermits ze nog niet weet hoe haar grondgebied precies zal worden afgebakend. Uit de samenlezing van de art. 18, tweede lid, 3/ en 38, § 1, 2/ DRO 18 mei 1999 blijkt voorts dat een structuurplan enkel opties mag nemen omtrent de structuurbepalende elementen, dit zijn 'de elementen die de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het niveau in kwestie beschrijven'. Wat de plenaire vergadering vroeg, had betrekking op reeds zeer precieze inrichtingsvoorwaarden, die echter enkel in een ruimtelijk uitvoeringsplan thuis horen en mogen worden opgenomen. Het staat geenszins aan het GRS daarover reeds uitspraken te doen. 4.3. Ook in het verslag van de plenaire vergadering is opgetekend dat de vergadering heeft gesteld : 'Alleen een locatie, aansluitend op de kern, is aanvaardbaar', wat dus alweer een onmiskenbare verwijzing inhoudt naar het principe van de kerngebondenheid uit het RSV. Weliswaar is toen ook de Chartreusesite ter sprake gekomen, maar daaromtrent was de plenaire zeer terughoudend. Men leest in het verslag: ' Enkel de locatie aansluitend op de geplande Chartreuse-industrie blijft een mogelijkheid, deze plannen hangen dan af van het al dan niet doorgaan van bovenvermeld industrieterrein (waarbij men voor dit BPA evenwel niet op de feiten mag vooruit lopen, het Chartreuse-plan zit nog in een heel vroeg stadium). Hoelang gaat dit alles nog duren, kan er nog zolang met de uitbreiding van het voetbalveld gewacht worden ? Dit BPA werd inmiddels vijf jaar geleden, juist omwille van SV Loppem, opgestart. Geldt ook in deze zone de 100m-regel langs de E40 uit het RSV niet, waardoor nieuwbouw van een tribune en kantine etc. uitgestoten is ?' 4.4. Uit het reeds hoger in extenso weergegeven schrijven van de ARP van 16 oktober 2003 m.b.t. de vier mogelijke alternatieve locaties, blijkt dat de afweging geheel is uitgegaan van het beginsel van de kerngebondenheid en het kernversterkend beleid. Brevitatis causa wordt naar dat document verwezen. 4.5. Op 4 mei 2004 gaf de Afdeling Land gunstig advies mede omwille van de 'ligging aansluitend bij de kern van Loppem' waardoor de aanwezige landbouwstructuren 'niet te sterk geschaad (worden)'. 4.6. De gemeenteraad zijnerzijds heeft in zijn beslissing van 19 mei 2005 uitdrukkelijk het volgende overwogen: 'Dat uitbreiding niet kan, is ook niet terecht. In de nota 'Algemene visie omtrent sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten, uitgewerkt in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan', stelt het gemeentebestuur dat het de bedoeling is in elke kern een minimum basisaccommodatie - zijnde twee volwaardige voetbalterreinen, tennisvelden, een sporthal en ruimte voor jeugdverenigingen - te voorzien. In Loppem ontbreekt het aan twee volwaardige voetbalterreinen, hoewel de club een zeer groot aantal leden telt, die X-12.597-17/28 hoofdzakelijk uit Loppem zelf komen. Er dient dus ergens in deze kern ruimte hiervoor voorzien te worden.' Andermaal dus een kennelijke verwijzing naar het principe van de kerngebondenheid. 4.7. Uiteindelijk heeft het M.B. van 21 september 2005 vastgesteld wat volgt: 'Overwegende dat het structuurplanningsproces van Zedelgem gestart is; dat hiermee formeel wordt voldaan aan de eerste voorwaarde; Overwegende dat voor de deelplannen van het voorliggende bijzonder plan van aanleg, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die - uitgezonderd voor een deel van 'gemeentelijke recreatieterreinen Aartrijke' en 'TC Loppem' - strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat daarmee voor het BPA is voldaan aan de tweede voorwaarde in toepassing van vermeld artikel 14'; De minister heeft dus zijnerzijds nauwkeurig onderzocht of de passende toets is gebeurd, vermits hij heeft vastgesteld dat dit niet voldoende het geval is geweest voor een deel van het recreatieterrein Aartrijke en de Tennisclub Loppem, eensdeels, en dat zulke toets in de toelichting uitdrukkelijk is gebeurd, anderdeels (zie 4.1). Voor het overige heeft de minister de toets met de principes van het RSV afdoende bevonden. Er is immers kerngebonden beslist ter vrijwaring van de open ruimte en om versnippering ervan te voorkomen. Ook hier gaat het over een discretionaire bevoegdheid die enkel in geval van kennelijke ongerijmdheid door Uw Raad zou kunnen worden gecensureerd. 5. Aan de materiële motiveringsplicht m.b.t. de correcte toepassing van art. 14, voorlaatste lid, coördinatiedecreet is dus wel degelijk voldaan, terwijl de verzoekende partijen voor het overige alvast geen concrete en relevante andere RSV-principes aanhalen die zouden veronachtzaamd zijn. Zo heeft het advies van de Afdeling Water noch de beweerde onvoldoende aanpassing van het ontwerp aan de wensen van sommige buren ook maar iets uitstaans met die decretale bepaling en het materieel motiveringsbeginsel. 6. Voor zover wordt aangevoerd dat geen deugdelijke afweging van de goede plaatselijke aanleg is gebeurd, valt het middel samen met het eerste middel. 7. Waarin art. 23.4 van de grondwet zou zijn miskend, is niet verduidelijkt. Overigens heeft die bepaling geen directe uitwerking (...)"; Overwegende dat in deze stand van het geding dit verweer - dat steun vindt in de stukken van het dossier - aannemelijk maakt dat een ruimtelijke afweging is gebeurd mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, met name het vrijwaren van het betrokken buitengebied voor essentiële functies, het tegengaan van versnippering van het buitengebied, en het bundelen van de ontwikkeling in de kern Zedelgem van het buitengebied; dat het eerste onderdeel feitelijke grondslag lijkt te missen; X-12.597-18/28 Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat, zoals is opgemerkt in het antwoord op het eerste middel, de bevoegde overheden voor de ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen bij het aannemen van een sectoraal bijzonder plan van aanleg en bij het goedkeuren ervan, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken; dat derhalve, wanneer een sectoraal bijzonder plan van aanleg wordt aangenomen of goedgekeurd dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan, de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van deze ruimtelijke afweging in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheden; dat hij enkel bevoegd is om na te gaan of de bevoegde overheden bij het nemen van hun beslissing de hun terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren hebben uitgeoefend, met name of zij zijn uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct hebben beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot hun besluit zijn kunnen komen; Overwegende dat, zoals naar aanleiding van het onderzoek van het eerste onderdeel is geconcludeerd, op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat een dergelijke afweging is geschied, o.m. op grond van het principe van de kerngebondenheid; dat de verzoekende partijen geen kritiek uiten op de pertinentie van dit principe, doch zich in hun middel beperken tot het geven van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de bevoegde overheden, zonder deze te relateren aan andere principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen die naar hun mening zouden zijn veronachtzaamd bij de gedane ruimtelijke afweging, en zonder met concrete en relevante argumenten aannemelijk te maken dat de principes die bij de ruimtelijke afweging werden getoetst, in de feiten onjuist zijn of kennelijk onjuist werden beoordeeld; dat zulks des te meer klemt nu alleen al het richtinggevende gedeelte van het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen meer dan 270 pagina's omvat, bevattende verscheidene principes die telkenmale verschillen naargelang de onderscheiden structuurbepalende elementen; dat de verzoekende partijen voorshands niet aannemelijk maken dat de bevoegde overheden in verband met de ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen tot een conclusie zijn gekomen die steunt op gegevens die in feite onjuist zijn, of dat zij de grenzen van de redelijkheid te buiten zijn gegaan; Overwegende, wat de schending betreft van het nog in het middel aangevoerde artikel 23, derde lid, 4/, van de Grondwet, dat de verzoekende partijen X-12.597-19/28 niet uiteenzetten waarin de schending van deze bepaling, op zichzelf genomen, bestaat; dat de kritiek terzake van de verzoekende partijen in elk geval niets lijkt toe te voegen aan de grieven die hiervóór zijn onderzocht; Overwegende dat het tweede onderdeel niet lijkt te kunnen worden aangenomen; Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren, afgeleid uit de schending van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, "doordat in de bestreden besluiten het deel-BPA SV Loppem werd aanvaard, resp. goedgekeurd zonder dat op afdoende wijze werd ingegaan op, minstens verder onderzoek werd gevoerd naar de mogelijke schadelijke effecten van het verder aansnijden van dit landbouwgebied (naast De Toekomst-wijk) op de waterhuishouding en, in voorkomend geval, op de voorwaarden om die schade te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren, terwijl in artikel 8, § 1, lid 1 van het voornoemde decreet van 18 juli 2003 is bepaald dat de overheid die over een plan (dus ook over een BPA) moet beslissen er zorg voor draagt 'door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd' en, zo het schadelijk effect betrekking heeft op de kwantitatieve toestand van het grondwater, het voorliggende plan niet kan worden goedgekeurd dan wanneer er een dwingende redenen van groot maatschappelijk belang bestaat (art. 8, § 1, tweede lid), en terwijl de beslissing over de in § 1 bedoelde watertoets op basis van artikel 8, § 2, van het decreet betreffende het integraal waterbeleid is verbonden aan een bijzondere formele motiveringsverplichting (ook al gaat het om een reglementaire akte), waarbij de genomen goedkeuringsbeslissing in elk geval aan de in de artikelen 5 en 6 van dat decreet bedoelde doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid moet worden getoetst, en terwijl die beoordeling in ieder geval vereist dat de betrokken overheden (gemeenteraad en Vlaamse minister) op de eerste plaats in de formeel uitgedrukte motieven van hun besluiten moeten aangeven of er al dan niet schadelijke effecten zijn te verwachten op de waterhuishouding en, in voorkomend geval, vervolgens moeten ingaan op de op te leggen voorwaarden om die schade te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren, die in het licht van de te realiseren doelstellingen en toe te passen beginselen van integraal waterbeleid passend worden geacht, en terwijl de betrokken overheden ertoe gehouden zijn de ter goedkeuring voorliggende plannen te beoordelen op basis van de in werking zijnde wetgeving X-12.597-20/28 en reglementering, ook al bestond die nog niet op het ogenblik dat met de opmaak van het BPA werd gestart, en terwijl in casu dient vastgesteld dat zowel de gemeenteraad als de Vlaamse minister zich - wat de watertoets betreft - hebben vergenoegd met een loutere en dan nog partiële verwijzing naar de overwegingen van het advies d.d. 24 mei 2004 van de afdeling Water, in die zin dat - niettegenstaande wordt erkend dat het betrokken gebied in een van nature overstroombaar gebied is gelegen - wordt herhaald dat (...) - de afdeling Water geen bezwaar heeft tegen de inplanting van de voetbalvelden, maar wel meegeeft dat recreatieterreinen als dusdanig kunnen ingeschakeld worden voor het bufferen van water bij uitzonderlijke omstandigheden (als nevenfunctie), - de provincie de aanleg voorziet van een wachtbekken stroomopwaarts (Pierlapont) met een bergingsvolume van ca. 30.000 m³, en terwijl tenslotte de verdere beoordeling (lees: remediëring) van deze waterproblematiek werd doorgeschoven naar de vergunningverlening en (
  7. de)op dat moment toe te passen gewestelijke hemelwaterverordening, en terwijl die redengeving - in het licht van de ernst van de problematiek - allerminst als afdoende en draagkrachtig kan worden beschouwd, nu 1/ slechts naar enkele overwegingen uit het advies van de afdeling Water werd verwezen, 2/ hierbij o.m. compleet werd veronachtzaamd dat in dit advies ten eerste werd gewezen op een zeer ernstige overstromingsproblematiek voor de woonwijk De Toekomst, waarin de verzoekende partijen wonen (...) en hierin ten tweede werd aangegeven dat • verder onderzoek nodig was om het voetbalveld als bufferruimte te kunnen gebruiken (aangenomen dat die opties al te verenigen vallen, quod non - zie verder), • een vorm van multifunctioneel ruimtegebruik in de stedenbouwkundige voorschriften zou moeten worden ingeschreven (minstens als nevenfunctie) en • het maaiveld van het voetbalveld zodanig vast te leggen (sic) dat het overstroombaar wordt bij zgn. terugkeerperiodes van 25 jaar of meer, en terwijl in casu moet worden vastgesteld dat - niet het minste onderzoek werd gedaan naar een multifunctioneel ruimtegebruik van het voetbalveld, - in elk geval in de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA geen enkele maatregel in die zin werd opgenomen, noch in de bestemmingsvoorschriften (bvb. door het opleggen van de nevenfunctie waarvan in het bestreden ministerieel besluit nochtans sprake is), noch in de overige voorschriften (bvb. door het vastleggen van het maaiveldniveau van het voetbalveld), terwijl uit het advies van de afdeling Water blijkt dat dit essentiële gegevens zijn om het gebied (inzonderheid De Toekomst-wijk) tegen een reëel vastgesteld overstromingsgevaar te beschermen, en terwijl de overweging als zou de provincie voorzien in de aanleg van een wachtbekken van ca. 30.000 m³ allerminst als remediëring kan worden aanzien, nu in het advies van de afdeling Water zelf is aangegeven dat een buffercapaciteit nodig is die zes keer zo groot is (180.000 m³) (...) én niet in het minst omdat in de bestreden besluiten nog minder wordt verduidelijkt - waar dit noodzakelijke wachtbekken precies zal worden ingeplant, - in welk provinciaal plan of document die optie vorm is gegeven (gaat het om een loutere intentieverklaring of een vaststaand plan of een gerucht ?), - wanneer die maatregel zal worden genomen, - welk effect die maatregel (in een stroomopwaarts gelegen gebied) zal hebben op het overstromingsrisico voor het gebied rond De Toekomst-wijk, X-12.597-21/28 en terwijl uw Raad in elk geval zal vaststellen dat het - zeker nu het overstromingsgevaar door eenieder wordt erkend - niet opgaat dat de betrokken overheden zich aan hun verantwoordelijkheid onttrekken door zich te vergenoegen met onduidelijke, weinig concrete maatregelen die eventueel op een andere locatie, op een ongedefinieerd tijdstip en door een andere overheid zouden (moeten) worden genomen ter remediëring van een problematiek die ingevolge het voorliggende BPA 1) niet zal worden opgelost en 2) zonder twijfel nog zal verergeren (daar waar de bestaande buffercapaciteit al niet volstaat, zal het bijkomend aanleggen van een 3,65 ha groot sportcomplex (met verhardingen, terreinen en gebouwen) nog voor meer problemen zorgen), en terwijl het instrument van de watertoets op die manier volledig zinledig wordt gemaakt - als kan worden erkend dat er een dreigend waterprobleem is, - als niettemin toegelaten wordt dat dit probleem nog wordt vergroot met het nemen van een goedkeuringsbeslissing en - als voor de oplossing louter kan worden volstaan met een verwijzing naar andere (onduidelijke) initiatieven en de latere vergunningverlening, en terwijl - voor zover uw Raad per impossibile zou vaststellen dat dit alles wettig te verantwoorden is, quod non - hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de bestreden besluiten essentieel steunen op het advies van de afdeling Water dat absoluut contradictorisch, zelfs kennelijk onredelijk is (...), nu - enerzijds wordt erkend dat • het gebied niet enkel een van nature overstroombaar gebied is (NOG), maar bovendien ook een zgn. recent overstromingsgebied is (ROG) dat reeds bij herhaling en recent nog (in 2002 en 2003) is overstroomd, • woonwijk De Toekomst, waarin de verzoekende partijen wonen, aan een ernstig overstromingsgevaar bloot zal blijven staan, • om de woonwijk De Toekomst te vrijwaren tegen verdere overstromingen een buffering van ca. 180.000 m³ noodzakelijk is, terwijl er in de omgeving hooguit 30.000 m³ bijkomende buffercapaciteit zal worden aangelegd en - anderzijds - tegelijk - toch een gunstig advies wordt verleend, dit onder het mom van een functioneel ruimtegebruik, nl. dat het voetbalveld als overstromingsbekken zou/zal moeten worden gebruikt, en terwijl geen redelijk weldenkend mens er kan aan twijfelen dat beide functies per definitie niet verenigbaar zijn (hoe kan men nu gebouwen (kantine, cafetaria, douches), tribunes, parkings, wegenis speelpleinen, voetbalvelden en verharde skate-accommodatie oprichten en aanleggen en datzelfde gebied tegelijk aanmerken als een (noodzakelijke) overstromingsbuffer ?), temeer de verhardingen én gebouwen volgens de stedenbouwkundige voorschriften moeten worden ingeplant in de met een asterix gemarkeerde deelzone (in de zone 2) en dus noodzakelijkerwijze zullen worden ingeplant tussen enerzijds de Kerrebeek (...) en de naast het BPA-gebied gelegen gracht (van waaruit het overtollige water afkomstig
  8. is)en anderzijds het voetbalveld, dat als waterbuffer zou moeten dienen (met als enige logische gevolg dat ook de gebouwen en verhardingen zullen overstromen wil men het voetbalveld als buffer gebruiken), (...) en terwijl op grond van alle bovenstaande gerede argumenten moet worden aangenomen dat - de waterproblematiek niet toelaat dat een dergelijk project in deze zone wordt ontwikkeld en de Vlaamse minister enkel tot een weigering van goedkeuring had mogen besluiten (in plaats van de oplossing van deze vaststaande problematiek voor zich uit te schuiven), - deze problematiek allerminst op een zorgvuldige en gedegen wijze is onderzocht, X-12.597-22/28 - werd beslist op grond van een advies (van de afdeling Water) dat kennelijk onlogisch en contradictorisch is en dus geen basis kon bieden voor de bestreden besluiten, - niet op een afdoende en draagkrachtige wijze werd gemotiveerd waarom - rekening houdend met deze voldoende gekende problematiek - dit project verder doorgang kon vinden en - minstens niet deugdelijk werd aangegeven en gemotiveerd op welke wijze - via maatregelen in het BPA zelf - het hoofd kan worden geboden aan de overstromingsproblematiek, zodat ontegensprekelijk een geheel onvolkomen watertoets voorligt"; Overwegende dat artikel 8, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid onder meer bepaalt dat de overheid die, zoals te dezen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in te dezen niet relevante gevallen, gecompenseerd; dat uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de watertoets niet verder lijkt te gaan dan het onderzoeken of een voorgenomen plan "schadelijke effecten", in de zin van artikel 3, § 1, 17/, van het decreet van 18 juli 2003 doet ontstaan, en niet lijkt in te houden dat ook wordt onderzocht hoe het voorgenomen plan lijkt te kunnen, c.q. moet remediëren aan een reeds bestaande toestand; dat de watertoets m.a.w. strekt tot het onderzoeken van het causaal verband tussen het aan te nemen, c.q. goed te keuren plan van aanleg en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 1, 17/; Overwegende dat artikel 8, § 2, tweede lid, van het genoemde decreet bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst; Overwegende dat uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een plan wordt aangenomen of goedgekeurd, een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1, van het decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd; dat uit die motivering meer bepaald moet blijken, hetzij dat uit de ordening die met het plan wordt beoogd geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/, van het decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld; X-12.597-23/28 Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit op het punt van de watertoets is gemotiveerd als volgt: "Overwegende het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid inzonderheid op artikel 8 over de watertoets; dat 5 van de 6 plangebieden niet gelegen zijn in een overstromingsgebied; dat hoewel 'SV Loppem' gelegen is in van nature overstroombaar gebied, afdeling Water vanuit het oogpunt van waterbeheer geen bezwaar heeft tegen de inplanting van de voetbalvelden maar wel meegeeft dat recreatieterreinen als dusdanig kunnen ingeschakeld worden voor het bufferen van water bij uitzonderlijke omstandigheden (als nevenfunctie); dat de provincie de aanleg voorziet van een wachtbekken stroomopwaarts Pierlapont met een bergingsvolume van de orde van grootte van 30.000m³ en een oppervlakte van ongeveer 2ha; dat de st edenbouwkundige (verordening) inzake hemelwat er p u t t en, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater bij de vergunningverlener toepasbaar is en een antwoord biedt op de vraag vanuit het waterbeleid; dat bijgevolg in alle redelijkheid geoordeeld kan worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven"; Overwegende dat uit deze motivering op het eerste gezicht blijkt dat de bevoegde minister "in alle redelijkheid" concludeert dat de eventuele schadelijke effecten van het aangenomen en goedgekeurde sectoraal plan van aanleg beperkt zullen blijven; dat het bestreden ministerieel besluit tot die conclusie komt op grond van drie redenen : het gunstig advies van de afdeling Water dat "wel meegeeft dat recreatieterreinen als dusdanig kunnen ingeschakeld worden voor het bufferen van water bij uitzonderlijke omstandigheden (als nevenfunctie)", de voorziene aanleg van een stroomopwaarts in te planten bufferbekken, en tot slot het gegeven dat de bestaande stedenbouwkundige verordening een antwoord biedt op de vraag vanuit het waterbeleid; Overwegende dat het advies van 24 mei 2004 van de afdeling Water - West-Vlaanderen luidt als volgt: "De Afdeling Water kon niet aanwezig zijn op de vergadering van 19 mei 2004. Hierbij maak ik u mijn advies over, in het bijzonder met betrekking tot het deelaspect BPA III, SV Loppem. Ik wens vooreerst op te merken dat: 1) het voetbalveld dat het voorwerp uitmaakt van het BPA gelegen is op de rand van de vallei van de Kerkebeek, in van nature overstroombaar gebied (NOG) (NOG kaart als bijlage), 2) het voetbalveld in het verleden meerdere malen en recentelijk nog in 2002-2003 gedeeltelijk onder water is komen te staan (zie ROG kaart), 3) de oppervlaktewaterkwantiteitsmodellering van de Kerkebeek aangeeft dat X-12.597-24/28 - voor een significante peildaling in de woonwijk 'Toekomst' een buffering van 180.000 m³ noodzakelijk is bij een 25-jarige storm, dit is een storm die een kans van voorkomen heeft van gemiddeld één keer om de 25 jaar; - deze buffering niet leidt tot het voorkomen van alle overstromingen in het stroomgebied, - de provincie West-Vlaanderen de aanleg van een wachtbekken voorziet stroomopwaarts Pierlapont met een bergingsvolume van de orde van grootte van 30.000 m³ en een oppervlakte van circa 2ha; - een aantal woonwijken langsheen de Kerkebeek (wijk de Toekomst, Tilleghemwijk, Eninkstraat, Sint-Michielslaan, ... ) gebouwd werden in overstromingsgebieden en onderhevig zullen blijven aan de dreiging van watersnood, ondanks de maatregelen die worden genomen; 4) multifunctioneel ruimtegebruik inhoudt dat een ruimte naast een hoofdfunctie eventuele nevenfuncties kan hebben en dat recreatieterreinen als dusdanig ingeschakeld kunnen worden bij uitzonderlijke omstandigheden voor het bufferen van water. De Afdeling Water heeft vanuit oogpunt van waterbeheer geen bezwaar tegen de inplanting van het voetbalterrein. Desalniettemin adviseert de Afdeling Water na te gaan of het voetbalveld onder uitzonderlijke omstandigheden niet ingeschakeld kan worden als bufferruimte. Deze vorm van multifunctioneel ruimtegebruik zou inhouden dat het maaiveld van het voetbalveld op een zodanig peil gebracht wordt dat het overstroombaar wordt bij terugkeerperiodes van 25 jaar of meer. Enkel bij uitzonderlijke calamiteiten zou het plein dan onbespeelbaar zijn"; dat gelet op het wettigheidstoezicht dat de Raad van State vermag uit te oefenen, de partiële verwijzing in het goedkeuringsbesluit naar dit wateradvies afdoende lijkt; dat er immers duidelijk uit blijkt dat de terzake bevoegde dienst -de afdeling "Water", waarvan de verzoekende partijen niet betwisten dat deze dienst vanuit technisch oogpunt het best is geplaatst om de impact van het sectoraal bijzonder plan van aanleg op de waterhuishouding te kunnen nagaan- ervan uitgaat dat het bestreden plan "vanuit het oogpunt van waterbeheer" geen bezwaren heeft tegen de inplanting, maar deze dienst "desalniettemin adviseert (...) na te gaan of het voetbalveld onder uitzonderlijke omstandigheden niet ingeschakeld kan worden als bufferruimte"; dat door dit te stellen het advies niet "absoluut contradictorisch" lijkt, noch lijkt uit te gaan van een kennelijk onredelijke beoordeling van de feiten; dat de kritiek van de verzoekende partijen in fine van het middel weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling of opvatting terzake dan de verwerende partijen, maar dat de verzoekende partijen voorshands niet aannemelijk maken dat dit advies tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat; dat door essentieel te steunen op dat advies, de bevoegde overheden geen blijk geven van miskenning van de door de verzoekende partijen in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen; dat voorts het hiervóór aangehaalde motief lijkt te volstaan om te voldoen aan de eisen van het genoemde artikel 8, § 2, van het decreet van 18 juli 2003; dat een volledige overneming van dit advies vanuit het oogpunt van de X-12.597-25/28 in het middel ingeroepen bepalingen, niet nodig lijkt daar het "veronachtzamen" van de "zeer ernstige overstromingsproblematiek voor de woonwijk 'De Toekomst'" niet het gevolg lijkt te zijn van het kwestieuze plan van aanleg, derwijze dat in de watertoets over de remediëring daaraan geen uitspraak moet worden gedaan; dat het bedoelde motief het bestreden besluit lijkt te dragen; dat de kritiek van de verzoekende partijen op de overige hiervóór aangehaalde motieven in het bestreden ministerieel besluit inzake de watertoets zich richt tegen ten overvloede gegeven motieven; Overwegende, wat betreft de kritiek van de verzoekende partijen dat niet het minste onderzoek werd gedaan naar een multifunctioneel ruimtegebruik van het voetbalveld en dat in elk geval in de stedenbouwkundige voorschriften geen maatregel in die zin zou zijn opgenomen, dat moet worden vastgesteld dat noch het bestreden ministerieel besluit, noch het besluit van de gemeenteraad zelf voor- waarden terzake opleggen; dat evenwel uit een nader onderzoek van de stedenbouw- kundige voorschriften blijkt dat in het beheersingsgebied van het betrokken deelplan voor verschillende bestemmingen uitdrukkelijk bepaald wordt dat een substantieel deel ervan waterdoorlaatbaar moet zijn; dat deze maatregel lijkt tegemoet te komen aan het gestelde in het hiervóór aangehaalde advies van de afdeling Water en niet lijkt uit te gaan van een kennelijk onredelijke beoordeling van de feiten; dat de verzoekende partijen in het middel weliswaar doen blijken van een andere opvatting nopens het gebruik van het voetbalveld als overstromingsbekken, maar dat zij voorshands niet aannemelijk maken dat de verwerende partijen terzake tot een conclusie zijn gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zouden gaan; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen een vierde middel aanvoeren, afgeleid uit de schending van het subsidiariteitsbeginsel "zoals opgenomen in het richtinggevend gedeelte van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen", gelezen in samenhang met de artikelen 19, § 3, en 37 DRO, en uit de schending van de materiële motiveringsplicht; dat zij in essentie doen gelden dat de bevoegde overheden hun goedkeuring hechten aan een gemeentelijk plan van aanleg terwijl het nieuwe ruimtelijke ordeningsbeleid, dat steun vindt in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het DRO, ertoe strekt een nieuwe drieledige bevoegdheidsverdeling te organiseren tussen de drie bestuurlijke niveaus X-12.597-26/28 waarbij het bevoegdheidsonderscheidend criterium is neergelegd in het subsidiariteitsbeginsel dat is opgenomen in het richtinggevende gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, dat op basis van dit laatste principe moet worden onderzocht of het project van lokaal, provinciaal of regionaal belang is, dat in casu van een dergelijk onderzoek geen sprake is (gebrekkige materiële motivering), maar dat ontegensprekelijk vaststaat dat het plan het lokale niveau overstijgt, dat de verzoekende partijen ter ondersteuning van hun these refereren naar hetgeen omtrent deze bevoegdheidsafbakening is bepaald in de omzendbrief RO 98/05 van 22 september 1998 betreffende het bijzonder plan van aanleg voor zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten, zodat de huidige problematiek onmogelijk door een lokale overheid kon en mocht worden geregeld, maar moest beslecht worden via de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, zodat hierbij op geheel ongemotiveerde wijze werd afgeweken van het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Overwegende, in zoverre de verzoekende partijen de schending aanvoeren van het in het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen verwoorde subsidiariteitsbeginsel - en los van de vraag of dit "beginsel" een "rechtsregel" is die het voorwerp van een middel kan zijn in de zin van artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State - en van de artikelen 19, § 3, en 37 DRO, dat deze bepalingen en het voornoemde "beginsel" betrekking hebben op de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen; dat uit de artikelen 48, § 2, en 19, § 5, DRO volgt dat deze laatste worden gemaakt ter uitvoering van een structuurplan, en dus van het richtinggevend en bindend gedeelte ervan; dat het te dezen evenwel om een bijzonder plan van aanleg gaat; dat een bijzonder plan van aanleg niet wordt gemaakt ter uitvoering van een (gewestelijk) ruimtelijk structuurplan, maar wordt aangenomen en goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 12 tot 34 van het coördinatiedecreet, in de gemeenten die binnen het toepassingsgebied vallen van artikel 187 DRO; dat in het planningsproces bepaald bij het voornoemde coördinatiedecreet, de vraag of een recreatieve infrastructuur in een gemeentelijk dan wel in een provinciaal plan - dat overigens in de context van het genoemde decreet niet bestaat - moet worden opgenomen, geen zin heeft; dat het middel niet ernstig is; X-12.597-27/28 Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.597-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.193 Gerelateerde publicatie(
  9. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.698 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.