id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.194 Rolnummer: Zaak: Arrest 164194 - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales - 27/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:29 Fiche Arrest nr 164.194 van 27 oktober 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.194 van 27 oktober 2006 in de zaken A. 172.655/XII-4761 (I) A. 174.494/XII-4857 (II). In zake : de STAD BERINGEN, die woonplaats kiest bij advocaat G. Goffin, kantoor houdende te Beringen, Hospitaalstraat 18 tegen : I. de PROVINCIE LIMBURG, II. het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij in II : de OV AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaten K. Geens, K. Leus en B. Schutyser, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad Beringen op 4 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van vier beslissingen van 14 december 2005 van de provincieraad van de provincie Limburg, genomen naar aanleiding van de voorgestelde fusie van de opdrachthoudende verenigingen Regionale Milieuzorg, Intergemeentelijke samenwerking voor Verwijdering en Verwerking van Vaste Afvalstoffen Regio-3 en Intercompost; Gezien het verzoekschrift dat de stad Beringen op 30 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing te vragen van de besluiten van 5 mei 2006 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering tot goedkeu- ring van de wijzigingen die de buitengewone vergadering van 31 december 2005 van de opdrachthoudende vereniging Regionale Milieuzorg in de statuten heeft aang- ebracht, zowel vóór als ná de fusie; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; XII-4761-1/7 Gezien de verslagen opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 11 juli 2006 en 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Goffin, die verschijnt voor de verzoekster, van advocaat J. Debièvre, die verschijnt voor de provincie Limburg, van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor het Vlaamse Gewest, en van advocaten K. Leus en F. Jenné, loco advocaat K. Geens voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de raden van bestuur van de opdrachthoudende verenigingen Regionale Milieuzorg (R.M.Z.), Intergemeentelijke samenwerking voor Verwijdering en Verwerking van Vaste Afvalstoffen Regio-3 (I.V.V.V.A.) en Intercompost op 21 september 2005 een fusievoorstel opstellen; dat de fusie moet geschieden door overneming van I.V.V.V.A. en Intercompost door R.M.Z.; dat verzoekster aandeelhouder is van R.M.Z., en niet zonder bedenkingen met betrekking tot de fusie; dat ook de provincie Limburg aandeelhouder is van R.M.Z., evenals van Intercompost; Overwegende dat de drie verenigingen tijdens hun respectieve algemene vergaderingen van 31 december 2005 de fusie goedkeuren, tezamen overigens met een aantal begeleidende beslissingen, waaronder een aanpassing van de statuten van de vereniging met het oog op de op til zijnde fusie; dat, aansluitend op de goedkeuring van de fusie door R.M.Z., de aandeelhouders beslissen dat de gefuseerde vereniging voortaan Afvalmaatschappij Limburg (A.M.L.) zal heten, en dat de bestaande statuten door nieuwe worden vervangen; dat nog op 31 december 2005 de toekomstige gemeenten-aandeelhouders van A.M.L. zich op drie na verbinden, samen met R.M.Z., tot naleving van (één van de twee versies van) een zogenaamde aandeelhoudersovereenkomst; dat de overeenkomst ertoe strekt “een bijkomende XII-4761-2/7 zekerheid te bieden in functie van de gemaakte opmerkingen en vragen van de respectievelijke raden van bestuur van de intercommunales”; Overwegende dat op 5 mei 2006 de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering de statuutwijzigingen goedkeurt waartoe I.V.V.V.A. en Intercompost op 31 december 2005 hebben besloten; dat hij eveneens op 5 mei 2006 de statuutwijzigingen goedkeurt waartoe R.M.Z op 31 december 2005 heeft beslist met het oog op de fusie, evenals, met een afzonderlijk besluit, de wijzigingen die R.M.Z. na de fusie aan de statuten toebracht; dat de laatste twee besluiten het voorwerp uitmaken van de vordering tot schorsing in de zaak A.174.494; 1.
- Overwegende dat in voorbereiding op de voormelde algemene vergaderingen van Intercompost, R.M.Z./A.M.L. van 31 december 2005 de provincie- raad van Limburg op 14 december 2005 heeft beslist: 1/ als vennoot van Intercompost in te stemmen met de voorstellen die aan de algemene vergadering van Intercompost ter stemming zullen worden voorgelegd, 2/ als vennoot van R.M.Z. in de stemmen met de voorstellen die aan de algemene vergadering van R.M.Z. (vóór de naamswijzi- ging in A.M.L.) ter stemming zullen worden voorgelegd, 3/als vennoot van A.M.L. in te stemmen met de voorstellen, op één na, die aan de algemene vergadering van A.M.L. zullen worden voorgelegd, en 4/ onder voorbehoud in te stemmen met het ontwerp van statuten van A.M.L.; Overwegende dat de provincieraad van Limburg op 14 december 2005 ten slotte ook instemt met een ontwerp van aandeelhoudersovereenkomst inzake de voorgenomen fusie en machtiging verleent tot het sluiten van de overeenkomst; Overwegende dat de voormelde provincieraadsbesluiten, of tenminste de eerste drie en het vijfde, het voorwerp uitmaken van de vordering tot schorsing in de zaak A.172.655;
- Overwegende dat A.M.L. vraagt in de zaak met nr. A.174.494 te mogen tussenkomen; dat daarin de goedkeuring van de wijziging van haar statuten betwist wordt; dat bijgevolg het verzoek moet worden ingewilligd;
- Overwegende dat op het eerste gezicht de bestreden beslissingen kaderen in een en dezelfde operatie tot fusie van drie opdrachthoudende verenigingen; dat tegen de beslissingen goeddeels dezelfde middelen worden aangevoerd; dat ook XII-4761-3/7 het nadeel dat de beslissingen beweerdelijk dreigen mee te brengen op dezelfde wijze wordt beargumenteerd; dat er reden is de beide vorderingen tot schorsing in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen;
- Overwegende dat de verwerende partijen en de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van de besproken vorderingen betwisten; dat een onderzoek van en een uitspraak over hun ontvankelijkheid zich slechts zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 6.
- Overwegende, met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde, dat verzoekster in haar vorderingen tot schorsing betoogt dat de fusieoperatie onomkeerbaar dreigt te worden zonder schorsing, dat de bestreden besluiten zijn genomen zonder rekening te houden met haar standpunt, noch met het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de verplichting tot motivering, dat zij “sociaal volledig uitgesloten [wordt] met betrekking tot het afvalbeleid” en dat “het niet opgaat dat zij de gevolgen van een beslissing zou moeten ondergaan in afwachting van een vernietigingsarrest dat welhaast onvermijdelijk lijkt te zijn”; 6.
- Overwegende dat een schorsing er toe strekt de verzoekende partij in afwachting van een eventuele annulatie te behoeden voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat het aan de verzoekende partij toekomt dat nadeel aan de hand van precieze en concrete gegevens inzichtelijk en aannemelijk te maken; dat zulks behoudens in uitzonderlijke omstandigheden -waarvan niet blijkt of zelfs maar beweerd wordt dat ze te dezen voorhanden zouden zijn- in het verzoekschrift dient te gebeuren; Overwegende dat een eerste nadeel “moreel” van aard heet te zijn en erin bestaat dat bij het nemen van de bestreden beslissingen geen rekening met verzoeksters bezwaren is gehouden; dat het nadeel wellicht nuttig kan worden aangevoerd ter staving van verzoeksters belang bij de ingestelde vorderingen, maar op zich geen enkele indicatie verstrekt omtrent de ernst van het nadeel dat zij ten XII-4761-4/7 gevolge van de beslissingen riskeert; dat de drie arresten van de Raad van State die verzoekster inroept, geenszins tot een andere conclusie nopen; dat ze integendeel volkomen onvergelijkbare gevallen betreffen; dat het moreel nadeel waarvan sprake is in het arrest Schellens, nr. 82.321 van 21 september 1999, hiermee te maken heeft dat de betrokkene “de zwaarste tuchtmaatregel opgelegd krijgt wegens een beweerde misdraging, hetgeen hem bij zijn omgeving en de publieke opinie in een zeer negatief daglicht stelt”; dat het moreel nadeel dat het arrest Dekoster, nr. 84.226 van 20 december 1999, bijvalt, voortvloeit uit de onthulling aan derden, of het bij hen terug oprakelen, van onterende veroordelingen die de verzoeker opliep; dat het moreel nadeel dat in het arrest inzake Sterckx, nr. 85.746 van 1 maart 2000, wordt aangenomen “het feit [is] dat verzoeker na de vernietiging van de bevordering waarvoor hij kandidaat was, genoodzaakt wordt een nieuw vernietigingsberoep in te stellen om de correcte uitvoering te verkrijgen van het vernietigingsarrest”; Overwegende dat in zoverre verzoekster zich beklaagt over de beweerde schending van het gelijkheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, moet worden vastgesteld dat die schending in wezen niet de schorsingsvoorwaarde in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, maar de voorwaarde dat ernstige middelen moeten worden aangevoerd; dat het getuige artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om twee afzonderlijke, van mekaar te onderscheiden en cumulatief te vervullen, voorwaarden gaat; dat in principe de ernst van de middelen en de onvermijdelijkheid van een vernietigingsarrest die daarmee samenhangt, niet ter zake doen bij de beoordeling van het nadeel; dat zij misschien, bij wijze van uitzondering, als een bijkomend bewijs ter staving van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen dienen, maar -zonder voormeld artikel 17, §2, tekort te doen- niet als het énige, uitsluitende bewijs; Overwegende, wat de zogenaamde “sociale” uitsluiting van verzoekster betreft, dat met het Vlaamse Gewest lijkt te moeten worden aangenomen dat dit nadeel bezwaarlijk rechtspersonen kan treffen; dat niet onterecht ook de tussenkomende partij aangaande het enige arrest waarnaar verzoekster in dit verband verwijst, doet gelden dat daarin geen sociale uitsluiting noch moreel nadeel wordt vastgesteld en de vordering tot schorsing wordt afgewezen “juist bij gebrek aan een MTHEN”; dat voorts de Raad van State evenmin als de provincie Limburg en de tussenkomende partij inziet hoe verzoekster “volledig” met betrekking tot het afvalbeleid wordt uitgesloten, waar zij dan toch deelgenoot is in A.M.L.; XII-4761-5/7 Overwegende dat verzoeksters uiteenzetting niet doet blijken van de dreiging van een ernstig nadeel ten gevolge van de fusieoperatie; dat daar niets van af doet de bewering dat de fusieoperatie irreversibel zou zijn; dat om de gevraagde schorsingen te verantwoorden het aangevoerde nadeel én moeilijk te herstellen én ernstig moet zijn; dat niet aan de tweede schorsingvoorwaarde voldaan is; dat deze vaststelling volstaat om de vorderingen tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de opdrachthoudende vereniging Afvalstoffenmaatschappij Limburg in de zaak A. 174.494/XII-4857, in het administratief kort geding, wordt ingewilligd. Artikel
- De zaken A. 172.655/XII-4761 en A. 174.494/XII-4857 worden, wat de vorderingen tot schorsing betreft, gevoegd. Artikel
- De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure in de zaak A. 174.494/XII-4857, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-4761-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4761-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div