id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.231 Rolnummer: A. 177996/XIV-27532 Zaak: Arrest 164231 - Dienst Vreemdelingenzaken - 27/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:29 Fiche Arrest nr 164.231 van 27 oktober 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 164.231 van 27 oktober 2006 in de zaak A. 177.996/VII-36.708 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MBUMBA VANDU DI PHAKA, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Livornostraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kongolese nationaliteit, op 26 oktober 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 oktober 2006 tot terugdrijving en de beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MBUMBA VANDU DI PHAKA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; VII-36.708-1/5 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten. 1.1. De verzoekende partij is afkomstig uit de Democratische Republiek van Kongo. Zij beweert dat zij in 2003 legaal in België is binnengekomen en een verblijfsmachtiging heeft verkregen die geldig is van 12 juli 2004 tot 15 mei 2009. 1.2. Sinds 14 juni 2004 woont de verzoekende partij in België bij haar schoonzoon en haar dochter en hun twee kinderen. Zij beweert financieel te hunnen laste te zijn. 1.3. De verzoekende partij beweert het grondgebied van België te hebben verlaten op 14 september 2004 om gedurende meer dan één jaar te verblijven in het land van herkomst. 1.4. Op 25 oktober 2006 komt de verzoekende partij België opnieuw binnen. Diezelfde dag neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot terudrijving, die letterlijk als volgt wordt gemotiveerd : “(...) Niet in het bezit van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken (art. 3, eerste lid, 3/) Het (
- de)volgende document(
- en)kon(den) niet worden overgelegd: Betrokkene verklaart terug naar België te komen op basis van IK voor vreemdelingen met nummer geldig van 12.07.2004 tot 15.05.2009 Betrokkene heeft het grondgebied verlaten sinds 14.09.2004 (méér dan 2 jaar). Na een afwezigheid van meer dan 2 jaar wenst betrokkene terug het Rijk te betreden. Artikel 19 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen geeft de vreemdeling die houder is van een Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning en die het land verlaat, gedurende één jaar het recht op terugkeer in het Koninkrijk. Artikel 35 van het Koninklijk Besluit van 08.10.1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen stelt dat elke verblijfs- of vestigingsvergunning ongeldig wordt van zodra de houder langer dan 12 maanden buiten het Rijk verblijft, tenzij hij aan de verplichtingen bepaald in artikel 39 heeft voldaan. Artikel 39§3.1 van diezelfde wet stelt ‘de vreemdeling die houder is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning het recht op terugkeer uitoefenen na een afwezigheid van méér dan 1 jaar op voorwaarde dat hij voor zijn vertrek bewezen heeft dat hij zijn hoofdbelangen in België behoudt en het gemeentebestuur van zijn verblijfsplaats kennis heeft gegeven van zijn voornemen om het land te verlaten en er terug te keren. VII-36.708-2/5 Om deze redenen wordt de verblijfskaart met nummer ingetrokken. (...).”. 2. Beoordeling. 2.1. Op grond van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.2. Het middel. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), omdat de minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissing motiveert op het artikel 39, § 3.1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Zij beweert dat artikel 39 van het voornoemde koninklijk besluit moet worden samengelezen met de artikelen 40, 42 en 43 van de Vreemdelingenwet, dat zij kan gelijkgesteld worden met een EG-vreemdeling, zoals bedoeld door artikel 40 § 3 van de Vreemdelingenwet en dat zij gerechtigd is op een verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 44, 1/ van de Vreemdelingenwet. Zij voert aan dat de minister van Binnenlandse Zaken artikel 40 van de Vreemdelingenwet heeft geschonden. Zij voert ook een schending aan van het artikel 6 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De verzoekende partij roept de schending in van artikel 8 van het Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, omwille van het feit dat zij door de uitvoering van de bestreden beslissing zal gescheiden worden van haar naaste familieleden, zijnde haar kinderen en haar kleinkinderen, die in België verblijven. Artikel 40, § 3, 2/ van de Vreemdelingenwet bepaalt dat personen, van welke nationaliteit ook, met in België werkzame EG-vreemdelingen worden gelijkgesteld, mits deze personen zich met de EG-vreemdeling vestigen of komen vestigen en zij een VII-36.708-3/5 bloedverwante in de opgaande lijn zijn van de EG-vreemdeling of diens echtgenoot en te hunnen laste is. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij sinds 14 juni 2004 samenleeft met haar dochter, haar schoonzoon en hun kinderen, dat haar schoonzoon belg is en werkzaam is als magazijnbeheerder, alsook dat de verzoekende partij te hunnen laste is. Op het eerste gezicht kan worden vastgesteld dat de voorwaarden zijn vervuld om toepassing te maken van artikel 40, §3, van de Vreemdelingenwet en kan de verzoekende partij dus gelijkgesteld worden met een EG-vreemdeling. Artikel 43 van de Vreemdelingenwet stelt dat de binnenkomst en het verblijf aan de E.G.-vreemdeling slechts mag worden geweigerd om redenen van openbare orde, van openbare veiligheid of van volksgezondheid. De verwerende partij haalt in de bestreden beslissing geen dergelijke redenen aan en zet niet uiteen waarom dit voorschrift hier niet van toepassing zou zijn. Het middel is ernstig. 2.3. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de verzoekende partij, die een zwakke gezondheid heeft, gescheiden wordt van haar naaste familieleden in België. Deze uiteenzetting overtuigt. 2.4. De dringende noodzakelijkheid. Aangezien de repatriëring van de verzoekende partij voorzien is voor zaterdag 28 oktober 2006, kan worden aangenomen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. 2.5. Overeenkomstig artikel 71 van de Vreemdelingenwet is de Raad van State niet bevoegd om de beslissing tot vrijheidsberoving te beoordelen. 3. Er is dus voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden bevolen, BESLUIT: VII-36.708-4/5 Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 oktober 2006 tot terugdrijving. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel 3. Bevolen wordt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit arrest. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-36.708-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div