← België

Arrest 164236 - Personeel van de griffies en parketten - 30/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.236 Rolnummer: A. 173481/IX-5335 Zaak: Arrest 164236 - Personeel van de griffies en parketten - 30/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 07:33 Fiche Arrest nr 164.236 van 30 oktober 2006 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.236 van 30 oktober 2006 in de zaak A. 173.481/IX-

  1. In zake : Chantal SCHIPPERS, die woonplaats kiest bij advocaten C. LUYCKX en K. LARDENOIT, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat M. COTTYN, kantoor houdende te AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-
  2. tussenkomende partij : Sonja VERBEKEN, wonende te ANTWERPEN, Ringlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Chantal SCHIPPERS op 30 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 maart 2006 waarbij Sonja VERBEKEN benoemd wordt tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5335-1/9 Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. LUYCKX en K. LARDENOIT, die verschijnen voor verzoekster, van advocaat P. VERHULST, die loco advocaat M. COTTYN verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. STOMMELS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Sonja VERBEKEN met een verzoekschrift van 21 juni 2006 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  4. Overwegende dat de relevante gegevens van de zaak als volgt luiden : 1.
  5. In het Belgisch Staatsblad van 3 juni 2005 wordt de vacature bekendgemaakt van de betrekking van hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom. 1.
  6. Tien personen, onder wie de verzoekende en de tussenkomende partij, stellen zich kandidaat. De verzoekende partij is sinds 1 januari 2004 griffier bij het vredegerecht van het kanton Boom waar de betrekking van hoofdgriffier te begeven is. Voordien was zij griffier bij de Krijgsraad te Brussel. De tussenkomende partij was op dat ogenblik griffier bij het vredegerecht van het negende kanton Antwerpen, waar zij sinds 6 januari 2004 is aangesteld als waarnemend hoofdgriffier. IX-5335-2/9 1.
  7. Met betrekking tot de kandidatuur van de verzoekende partij worden volgende adviezen gegeven : De vrederechter van het kanton Boom geeft op 5 september 2005 een zeer gunstig advies, in de volgende bewoordingen : “POSITIEF : - Goede staat van dienst met voldoende ervaring met betrekking tot het griffiewerk op een vredegerecht; - Vertrouwd met de Boomse Griffie; - Duidelijk bekwaam om leiding te geven : in de specifieke Boomse situatie heeft zij in korte tijd voldoende autoriteit opgebouwd tegenover het griffiepersoneel, zodat de feitelijke leiding van de Boomse Griffie bij haar berust; - Zeer gemotiveerd voor de opdracht met zin voor initiatief en structuur; - Goed voorkomen; - Taalvaardig en communicatief; NEGATIEF : - Nihil EINDCONCLUSIE : - Zeer gunstig - Ik beschouw haar als de meest geschikte kandidate voor de functie”. De procureur des Konings te Antwerpen sluit zich op 6 december 2005 bij dit advies aan. 1.
  8. Met betrekking tot de kandidatuur van de tussenkomende partij worden volgende adviezen gegeven : De vrederechter van het kanton Boom geeft op 5 september 2005 een gunstig advies, in de volgende bewoordingen : “POSITIEF : - Goede staat van dienst met veel ervaring met betrekking tot het werk op een vredegerecht en ook met leiding geven op de griffie; - Goed voorkomen; - Taalvaardig en communicatief; - Sociaal geëngageerd; - Gemotiveerd voor de opdracht; NEGATIEF: - Nihil EINDCONCLUSIE : - Gunstig.” De tussenkomende partij stelt tegen het gunstig advies van de vrederechter beroep in bij de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen. De raad van beroep beslist eenparig het beroep gegrond te IX-5335-3/9 verklaren en het bestreden advies te wijzigen in “zeer gunstig”. Het advies van de raad van beroep steunt op volgende overwegingen : “De Raad stelt vast dat betrokkene reeds sedert geruime tijd (vanaf begin 2004) als plaatsvervanger het ambt van hoofdgriffier waarneemt. Zij heeft in deze minder sterke positie van waarnemend functionaris getoond aan de griffie van het vredegerecht goede leiding te kunnen geven, het team ter griffie te kunnen motiveren en een goede dienstverlening aan de vrederechter en de rechtzoekenden te kunnen organiseren en deze zelfs te kunnen verbeteren. Betrokkene heeft ernstige inspanningen gedaan om door specifieke opleidingen de vereiste kennis voor de vervulling van haar ambt te willen bijschaven en ontwikkelen. Zij maakt aannemelijk dat zij de permanente vorming ook in het kader van het beoogde ambt zal blijven verzorgen. Haar kandidaatstelling voor het ambt van hoofdgriffier van een vredegerecht verkreeg recent tot driemaal toe in diverse omstandigheden een ‘zeer gunstig’ advies. De positieve beoordeling in het bestreden advies, en de afwezigheid van negatieve opmerkingen, tonen aan dat er sedert het meest recente advies (‘zeer gunstig’) in 2005 geen elementen bestaan die tot minder dan een ‘zeer gunstig’- advies zouden moeten doen besluiten. De Raad is ertoe gehouden de adviesaanvraag op haar eigen verdiensten te beoordelen in het licht van de kwaliteiten van de kandidaat tot het vervullen van het beoogde ambt, ongeacht de adviezen door de adviesverlener aan andere kandidaten verstrekt.” De procureur des Konings te Antwerpen geeft in een brief van 19 december 2005 aan de vrederechter van het kanton Boom het volgende advies: “De kandidate voldoet aan de voorwaarden gesteld in art. 263 § 1 Ger. Wb. Ik kan mij aansluiten bij uw advies, dat door de Raad van Beroep voor het rechtsgebied (van het) Hof van Beroep te Antwerpen gewijzigd werd in ‘zeer gunstig’. Volledigheidshalve - en zonder dat dit in de huidige stand van zaken een oordeel inhoudt over de verantwoordelijkheid hiervoor - vermeld ik wel nog dat op de huidige werkplaats van de kandidate, het vredegerecht van het 9e kanton, een zeer gespannen werksituatie bestaat sedert ongeveer twee jaar. Zowel mevrouw Verbeken als mevrouw de vrederechter van voormeld kanton hebben, tegen elkaar, diverse klachtbrieven gericht aan diverse instan- ties.” 1.
  9. Bij koninklijk besluit van 28 maart 2006 wordt de tussenkomende partij benoemd tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom. Het benoemingsbesluit luidt als volgt : “Koninkrijk België Federale Overheidsdienst Justitie Albert II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op artikel 263 § 1; Gelet op de zeer gunstige adviezen van de rechterlijke overheden; IX-5335-4/9 Overwegende dat mevr. Verbeken Sonja van de twee kandidaten die een zeer gunstig advies verkregen reeds in dienst is bij een vredegerecht sinds december 1995 en zich bijgevolg onderscheidt doordat ze beschikt over de langste ervaring in een vredegerecht; Overwegende dat betrokkene reeds sedert februari 2004 overeenkomstig artikel 328 Ger. W. de functies van hoofdgriffier van het vredegerecht van het negende kanton Antwerpen, waarneemt; Overwegende dat betrokkene een goede staat van dienst heeft, met veel ervaring met betrekking tot het werk op een vredegerecht en ook met leiding geven op de griffie; Overwegende dat betrokkene taalvaardig, communicatief en sociaal geëngageerd is; Overwegende dat betrokkene een goed voorkomen heeft; Overwegende dat betrokkene gemotiveerd is om de functie van hoofdgriffier te vervullen; Overwegende dat betrokkene de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult; Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, hebben wij besloten en besluiten wij: Artikel
  10. Mevr. Verbeken Sonja, geboren te Mechelen op 11 juli 1967, griffier bij het vredegerecht van het negende kanton Antwerpen, wordt benoemd tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Boom, ter vervanging van de heer Zegers G., in ruste gesteld. Artikel
  11. Dit besluit treedt in werking op de datum van de eedaflegging. Artikel
  12. Onze minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 28 maart 2006.”
  13. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij betreffende de tweede voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, het volgende betoogt: “Verzoekster ondergaat door de bestreden beslissing tevens een ernstig nadeel dat door een latere vernietiging van de bestreden beslissing moeilijk te herstellen is. Verzoekster oefent op dit ogenblik door de benoeming van de - haar inziens - verkeerde kandidate opnieuw een lagere functie uit dan voorheen. Sedert februari 2005 had verzoekster immers de feitelijke leiding van de Boomse griffie, zoals ook wordt bevestigd door het advies van de Vrederechter. Zij oefende deze functie trouwens tot ieders voldoening uit. Zoals de vrederech- ter het in het advies stelde had verzoekster gedurende de maanden dat zij deze functie uitoefende trouwens reeds de nodige autoriteit opgebouwd om daadwerkelijk de functie van hoofdgriffier in te vullen. Doordat nu echter Mevr. Verbeken tot hoofdgriffier benoemd werd, zal verzoekster opnieuw het takenpakket van een griffier, ipv. dat van een IX-5335-5/9 hoofdgriffier, moeten opnemen, wat een duidelijk persoonlijk moreel nadeel voor verzoekster oplevert. Bovendien had verzoekster autoriteit opgebouwd t.a.v. het overige griffiepersoneel op de griffie van Boom. Doordat zij nu opnieuw ‘op gelijke voet’ komt te staan met het overige griffiepersoneel, kan dit door dit personeel enerzijds ervaren worden als zou verzoekster niet competent zijn voor de functie (hetgeen radicaal wordt tegengesproken door het advies van de vrederechter die haar de meest geschikte kandidate achtte) en anderzijds voor verzoekster een persoonlijk schaamtegevoel opleveren omdat zij met de door haar opgebouwde autoriteit geen leidinggevende functie meer kan uitoefenen. Er kan inderdaad immers de indruk ontstaan bij haar collega’s, dat de capaciteiten waarvan verzoekster blijk gaf in de periode dat ze de feitelijke leiding van de griffie had, toch niet voldoende waren voor een benoeming tot hoofdgriffier. Een bijkomend element dat een moreel nadeel voor verzoekster oplevert, is het feit dat zij de meest geschikte kandidate geacht werd voor de uitoefening van de functie van hoofdgriffier, maar dat zij nu toch de hiërarchisch ondergeschikte wordt van de benoemde kandidate. Tot slot moet nog vermeld dat verzoekster, tot de dag dat de onwettige benoeming van kracht ging, nog in haar CV kon vermelden dat zij reeds een jaar de feitelijke leiding van de Boomse griffie verzorgde, daar waar dit nu niet meer het geval is. Nu kan zij zich hier niet meer op beroepen indien zij zou willen postuleren voor andere vacatures van hoofdgriffier. Al deze elementen samen maken het morele nadeel in hoofde van verzoekster voldoende ernstig en niet te herstellen door een (jaren) later tussenkomende nietigverklaring van de bestreden beslissing.” 2.2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in essentie een moreel nadeel aanvoert; Overwegende dat een moreel nadeel in principe wordt hersteld door de morele genoegdoening die een vernietiging met terugwerkende kracht verleent; dat uitzonderlijk wordt aangenomen dat het moreel nadeel enkel door een schorsing van de bestreden bestuurshandeling kan worden weggenomen of vermeden wanneer daarvoor specifieke redenen gelden, zoals het feit dat de verzoekende partij het voorwerp is van afkeuring of minachting of wanneer de niet-benoeming steunt op gegevens die de betrokkene in een slecht daglicht plaatsen; Overwegende dat hierna wordt onderzocht of in casu dergelijke specifieke redenen voorhanden zijn; Overwegende dat de verzoekende partij stelt dat zij de feitelijke leiding had van de griffie van het vredegerecht en dat zij tengevolge van de bestreden benoeming opnieuw het takenpakket van een griffier moet opnemen; IX-5335-6/9 2.2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij, die overigens niet tot waarnemend hoofdgriffier was aangesteld, ermee rekening moest houden dat zij slechts tijdelijk de feitelijke leiding van de griffie zou uitoefenen en dat mogelijks niet zij, maar een andere kandidaat tot hoofdgriffier zou worden benoemd; dat de verzoekende partij tengevolge van de bestreden benoeming haar functie van griffier opnieuw moet opnemen, is dan ook geen moreel nadeel dat de schorsing van die benoeming kan verantwoorden; 2.2.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij verder stelt dat zij opnieuw op gelijke voet komt te staan met het griffiepersoneel ten aanzien waarvan zij autoriteit had opgebouwd en dat het feit dat zij haar leidinggevende functie niet meer kan uitoefenen een “persoonlijk schaamtegevoel” kan opleveren, omdat de indruk kan bestaan dat haar capaciteiten niet volstonden voor een benoeming tot hoofdgrif- fier; 2.2.
  18. Overwegende dat dit argument louter berust op een subjectieve appreciatie van de verzoekende partij, maar geen steun vindt in de feitelijke gegevens van het dossier; dat de verzoekende partij immers niet ongunstig werd beoordeeld; dat de benoemende overheid oordeelde dat de tussenkomende partij, onder meer omwille van haar langere ervaring in een vredegerecht, de meest geschikte kandidaat was, niet inhoudt, dat geoordeeld werd dat de capaciteiten van de verzoekende partij niet volstaan voor een benoeming tot hoofdgriffier; 2.2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij ook verwijst naar het feit dat zij door de vrederechter als de meest geschikte kandidaat voor de functie van hoofdgriffier werd beschouwd; dat dit gegeven evenwel niet uitsluit dat de benoemende overheid daar anders kon over oordelen, zeker niet, nadat de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen het advies van de vrederechter over de tussenkomende partij van “gunstig” in “zeer gunstig” had gewijzigd; dat de omstandigheid dat de verzoekende partij moet werken onder de leiding van een kandidaat die eveneens zeer gunstige adviezen heeft bekomen, geen moreel nadeel is dat, bij wijze van uitzondering, de schorsing van de bestreden beslissing kan verantwoorden; dat een dergelijk gegeven immers niet als een vorm van vernedering of minachting kan worden beschouwd; 2.2.
  20. Overwegende dat de verzoekende partij tenslotte stelt dat wanneer zij zich voor een andere vacature van hoofdgriffier kandidaat zou stellen, zij geen IX-5335-7/9 melding meer zal kunnen maken van het feit dat zij een jaar de feitelijke leiding van de griffie heeft waargenomen; Overwegende dat de omstandigheid dat de verzoekende partij niet tot hoofdgriffier werd benoemd, evenwel niet uitsluit dat zij bij een latere sollicitatie nog steeds kan doen gelden dat zij haar bekwaamheid bij het uitoefenen van de feitelijke leiding van de griffie heeft aangetoond; 2.2.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat er bijgevolg niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  22. Het verzoek tot tussenkomst van Sonja VERBEKEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  23. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  24. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5335-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzit- ting, op dertig oktober 2000 en zes, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5335-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.236 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.599 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.