id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.237 Rolnummer: A. 173604/IX-5342 Zaak: Arrest 164237 - - 30/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-17 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 07:33 Fiche Arrest nr 164.237 van 30 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.237 van 30 oktober 2006 in de zaak A. 173.604/IX-5342. In zake : Peter DEFREYNE, die woonplaats kiest te IZEGEM, Papestraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DEBOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat38. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter DEFREYNE op 2 juni 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 maart 2006 van de minister van Middenstand en Landbouw tot benoeming van een rechtskundig assessor en een plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-5342-1/14 Gelet op de beschikkingen van 5 september 2006, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De relevante gegevens van de zaak. 1.1. Bij wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen wordt het Beroepsinstituut voor erkende boekhouders en fiscalisten (afgekort “het Beroepsinstituut”) opgericht. Het Beroepsinstituut heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en om de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren, die bekwaam zijn de in artikel 49 van de wet bepaalde werkzaamheden uit te voeren met alle vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Het Beroepsinstituut ziet er tevens op toe dat de aan zijn leden toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd (artikel 44). Artikel 45, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 bepaalt dat de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut worden geregeld door de artikelen 6 , §§ 2 tot 4, 7, 8, 9 en 14 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en door de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van IX-5342-2/14 de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht. 1.2. Luidens artikel 6, § 3, eerste lid, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen omvat het Instituut een Nationale Raad samengesteld uit een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden, alsook twee uitvoerende Kamers en twee Kamers van beroep, die respectievelijk het Frans en het Nederlands als voertaal hebben. Artikel 8, § 1, van de kaderwet van 1 maart 1976 omschrijft de taak van de Kamers als volgt : “1° het tableau van de beoefenaars, de lijst van de stagiairs en het tableau van de personen die de titel van het beroep eershalve mogen voeren, op te maken en bij te houden; 2° de occasionele uitoefening van het beroep door in het buitenland gevestigde personen toe te laten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Rome en van de ter uitvoering van dit verdrag genomen verordeningen of op grond van een wederkerigheidsverdrag en zulks voor zover de betrokkene voldoet aan de voorwaarden tot uitoefening van het beroep die van kracht is in het land waar hij zijn hoofdverblijf heeft; zij die de toelating hebben bekomen moeten zich schikken naar de deontologische regels vermeld in artikel 7, § 1; 3° te waken over de toepassing van het stagereglement en de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen; 4° op gezamenlijk verzoek van de betrokkenen, in laatste aanleg arbitraal uitspraak te doen omtrent betwistingen inzake honoraria die door een beoefenaar van een dienstverlenend beroep aan zijn cliënt worden gevraagd, en op verzoek van de hoven en rechtbanken of in geval van geschil tussen op het tableau of op de lijst van de stagiairs ingeschreven personen, advies uit te brengen over de berekening van de honoraria”. Artikel 8, § 4, van de kaderwet van 1 maart 1976 bepaalt dat de uitvoerende Kamers worden bijgestaan door een rechtskundig assessor of een plaatsvervangend rechtskundig assessor, die door de minister van Middenstand voor zes jaar worden benoemd onder de advocaten die zijn ingeschreven op een tableau van de Orde. 1.3. Verzoeker is sinds 1991 ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten bij de balie te Kortrijk. IX-5342-3/14 Bij ministerieel besluit van 13 april 1994 werd hij met ingang van 1 april 1994 voor een periode van zes jaar benoemd tot plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders. Bij ministerieel besluit van 24 maart 2000 werd hij met ingang van 1 april 2000 voor een periode van zes jaar benoemd tot effectief rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. 1.4. Bij brief van 15 februari 2006 stelt verzoeker zich kandidaat voor een verlenging van zijn mandaat. 1.5. Op 15 februari 2006 richt het Beroepsinstituut een schrijven naar de minister van Middenstand en Landbouw waarbij wordt gevraagd te voorzien in de benoeming van een rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer alsook de benoeming van zijn plaatsvervanger. Er wordt op gewezen dat de benoemingstermijn van de huidige assessor verstrijkt op 31 maart 2006 en een spoedige benoeming van een effectief en plaatsvervangend assessor absoluut onontbeerlijk is voor de goede werking van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer. Bij de brief van 15 februari 2006 zijn drie kandidaturen gevoegd, waaronder die van verzoeker en Arn CALEWAERT. 1.6. In een brief van 3 maart 2006 schrijft de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer aan de minister van Middenstand en Landbouw het volgende : “U zult binnenkort overgaan tot de benoeming van een rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (Legrandlaan Brussel). Als voorzitter van deze Kamer durf ik mij tot uw ambt richten om u te verzoeken dat u voor de goede werking en de continuïteit van de Kamer de kandidatuur van de zittende assessor Mr. Peter Defreyne uit Izegem zou willen weerhouden. Mr. Defreyne oefent het ambt uit sinds hij daartoe werd benoemd bij M.B. van 24 maart 2000. Hij heeft dus zes jaar ervaring. Bovendien was hij voordien plaatsvervangend assessor en nam hij in die hoedanigheid reeds zeer geregeld de functie waar. Hij heeft een belangrijke ervaring. Mr. Defreyne heeft de laatste zes jaar het ambt van assessor bij de Kamer met energie, nauwgezetheid en rechtschapenheid waargenomen en wordt daarvoor door alle leden van de Kamer bijzonder geapprecieerd. IX-5342-4/14 Hij is intussen ook volledig ingewerkt in de delicate taak die krachtens het K.B. van 19 november 2004 o.m. in tuchtzaken aan de assessor is toevertrouwd. De Kamer wordt thans geconfronteerd met een groot aantal aanvragen tot erkenning van boekhoudvennootschappen ingevolge het K.B. van 15 december 2005. De verwachtingen zijn dat er vóór eind september van dit jaar nog een paar duizend aanvragen moeten worden behandeld. Ook hier is de kennis en de ervaring van Mr. Defreyne zeer belangrijk. Op langere termijn lijkt mij de ervaring van de huidige assessor onontbeerlijk in het kader van de geplande fusie tussen ons Instituut en dit van de accountants (IAB), zoals onlangs door u werd aangekondigd”. 1.7. Bij ministerieel besluit van 30 maart 2006 wordt Arn CALEWAERT met ingang van 1 april 2006 voor een periode van zes jaar benoemd tot rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut en wordt Peter VERSTRAETEN voor dezelfde periode benoemd tot plaatsvervangend rechtskundig assessor. Dit besluit bevat de volgende motivering : “Overwegende dat de heer Arn CALEWAERT voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor de benoeming tot rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten; Overwegende (Gelet
- op)zijn bijkomende vorming in fiscaliteit, alsook zijn beroepservaring in economische materies; Overwegende dat de heer Peter VERSTRAETEN voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor de benoeming tot plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten; Overwegende dat hij een bijkomende vorming in economisch recht gevolgd heeft en hij beroepservaring heeft in deze materie;”. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 april 2006. 2. De gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de materiële en formele motiveringsplicht zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat hij vooreerst betoogt, dat de motiveringsplicht terzake streng dient beoordeeld te worden; dat hij desbetreffend, samengevat, de volgende argumenten aanvoert : IX-5342-5/14 - Aangezien de vacature voor de functie van rechtskundig assessor bij de uitvoerende kamer niet officieel wordt bekendgemaakt en de minister derhalve een keuze kan maken onder alle advocaten die ingeschreven zijn op het tableau van een Vlaamse balie, beschikt de minister over een bijzonder ruime discretionaire bevoegdheid en moet de motiveringsplicht zeer streng worden opgevat. - Verzoeker was de enige uittredende rechtskundig assessor en had zich kandidaat gesteld voor de verlenging van dit mandaat. Ten aanzien van verzoeker werden nooit opmerkingen geformuleerd, de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer heeft integendeel expliciet verzocht om verzoeker opnieuw te benoemen. Wanneer de overheid een niet voor de hand liggende beslissing neemt, is de motiveringsplicht steeds strenger. - De kandidatuur van verzoeker werd gesteund door het Beroepsinstituut en door de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer. De benoemende overheid beschikte dus over een niet-verplicht en niet-bindend advies om verzoeker te benoemen, terwijl er geen enkel advies voorligt om verzoeker niet te herbenoemen of een ander advocaat te benoemen tot rechtskundig assessor. In casu blijkt niet waarom de benoemende overheid is afgeweken van het uitdrukkelijk, zij het niet-bindend, gemotiveerd advies van de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut. - Door verzoeker niet te benoemen wijkt de benoemende overheid af van een beleidslijn, waarbij verzoeker, ongeacht de politieke samenstelling van de regering, eerst voor een periode van zes jaar tot plaatsvervangend rechtskundig assessor en daarna, opnieuw voor een periode van zes jaar, tot effectief rechtskundig assessor werd benoemd. In die omstandigheden had de benoemende overheid moeten motiveren waarom zij de kandidatuur van verzoeker niet in aanmerking heeft genomen, in tegenstelling tot haar eerdere beslissingen in 1994 en 2000. - De keuze van een rechtskundig adviseur is geen zogenaamde “politieke benoeming”, waaromtrent de benoemende overheid de vrijheid zou hebben om (partij)politieke motieven in te vullen; Overwegende dat verzoeker vervolgens uiteenzet dat, rekening houdend met het voorgaande, de motivering van het bestreden besluit niet afdoende IX-5342-6/14 is, maar dat het enkel om stijlformules gaat; dat hij desbetreffend, samengevat, het volgende aanvoert : - In de motivering wordt gesteld dat de benoemde effectieve en plaatsvervangende assessoren aan de wettelijke voorwaarden voor benoeming voldoen. Verzoeker voldoet daar eveneens aan. - Daarnaast is er het gegeven dat de effectieve rechtskundig assessor een bijkomende vorming genoten heeft in fiscaliteit en de plaatsvervangende assessor een bijkomende vorming in economisch recht, en dat zij beiden beroepservaring hebben in economische materies respectievelijk in economisch recht. Deze vorming en ervaring is evenwel niet relevant voor de functie. De rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer heeft voornamelijk een dubbele opdracht: een adviesfunctie inzake de inschrijving van natuurlijke en rechtspersonen op het tableau van het Beroepsinstituut, en een vervolgingsfunctie inzake tuchtdossiers. Deze opdrachten hebben in se weinig vandoen met fiscaliteit en economisch recht. De taak van een rechtskundig assessor is anders dan die van een boekhouder of boekhouder-fiscalist. Bij de vraag of een natuurlijke of rechtspersoon kan worden ingeschreven op het tableau is de kennis van fiscaliteit en economisch recht niet van wezenlijk belang, om niet te zeggen irrelevant, te meer daar het koninklijk besluit van 20 januari 2003 het programma, de voorwaarden en de samenstelling van het praktisch bekwaamheidsexamen heeft vastgelegd en wie in dit praktisch bekwaamheidsexamen slaagt ingeschreven wordt op het tableau van de erkende boekhouders of boekhouders-fiscalisten. De beoordelingsbevoegdheid van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer bij de behandeling van verzoeken tot inschrijving op het tableau is hierdoor kleiner geworden dan voorheen, in 2000 en 1994, zodat ook de noodzaak tot een specifieke kennis van fiscaliteit of van economisch recht kleiner is geworden. De benoemingen van verzoeker tot plaatsvervangend rechtskundig assessor in 1994 en tot effectief rechtskundig assessor in 2000, samen met het vaststaand gegeven dat omtrent zijn functioneren als rechtskundig assessor en zijn kennis van de materie geen opmerkingen werden geformuleerd, onderstrepen dat hij over een voldoende kennis van de fiscaliteit en het economisch recht beschikt om de functie van rechtskundig assessor uit te oefenen. Inzake de tuchtbevoegdheid kan de rechtskundig assessor een lid van de Kamer aanstellen om de zaak te onderzoeken en hem verslag uit te brengen en wordt van de assessor niet dezelfde kennis van het boekhouden verlangd als van de boekhouders zelf. De kennis die van de assessor verlangd wordt is een kennis van het recht (tucht- IX-5342-7/14 en administratief recht) en een ervaring als advocaat of magistraat. De kennis van de fiscaliteit en de economische materie zijn derhalve niet bepalend voor de benoeming tot rechtskundig assessor. De voorkeurmateries van verzoeker als advocaat zijn tuchtrecht en grondwettelijk en administratief recht, terwijl die van de effectieve rechtskundig assessor aannemingsrecht, handelsrecht en ondernemingen in moeilijkheden, en van de plaatsvervangend rechtskundig assessor vennootschapsrecht, ondernemingen in moeilijkheden, directe en indirecte belastingen zijn en deze voorkeurmateries voor de functie van rechtskundig assessor minder relevant zijn dan tuchtrecht en administratief recht. - Verzoeker kan zich niet van de indruk ontdoen dat de benoemende overheid eerst de kandidaten heeft gekozen en daarna de motieven heeft gekozen in functie van de verkozen kandidaten. Er blijkt niet waarom de kandidatuur van verzoeker als uittredend rechtskundig assessor over wie geen enkele opmerking geformuleerd werd niet werd in aanmerking genomen. 2.1.2. De verwerende partij antwoordt in haar nota in hoofdzaak het volgende : - De formele motiveringsplicht is duidelijk te onderscheiden van het materieel motiveringsbeginsel: de formele motivering is een vormvoorschrift, terwijl de materiële motivering een grondvoorschrift uitmaakt. Een middel op grond van een miskenning van het materieel motiveringsbeginsel kan slechts worden ingeroepen wanneer de beslissing formeel gemotiveerd is. - Verzoeker stelt ten onrechte dat de verwerende partij bij de benoeming van een rechtskundig assessor en een plaatsvervangend rechtskundig assessor over een buitengewone ruime appreciatiebevoegdheid zou beschikken, omdat zij de keuze zou hebben uit alle advocaten van de Vlaamse balies. Voor de huidige benoemingen heeft het Beroepsinstituut immers drie kandidaten voorgedragen, waaruit de verwerende partij kon kiezen. De verwerende partij had in deze zaak dus geen verstrengde motiveringsplicht. - De brief van 3 maart 2006 van het Beroepsinstituut aan de minister kan niet beschouwd worden als een niet-bindend advies. Het gaat slechts om een beleefde suggestie waardoor de verwerende partij niet gebonden is. Dergelijk advies is ook niet voorzien in de toepasselijke reglementering. De verwerende partij IX-5342-8/14 heeft ook geen advies gevraagd en, indien het werkelijk om een advies zou gaan, zou ook een advies zijn gegeven betreffende de plaatsvervangend rechtskundig assessor. Verzoeker vertrekt van een verkeerd feitelijk uitgangspunt. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een verstrengde motiveringsplicht. - Er is ook geen beleidslijn waarvan slechts met inachtneming van een verzwaarde motiveringsplicht kan worden afgeweken. De bestreden beslissing betreft de benoeming van bepaalde kandidaten in een bepaalde functie. De benoemingen gebeuren individueel en onafhankelijk van elkaar. Verzoeker werd nu vergeleken met een andere kandidaat dan in 2000, waardoor het niet evident was dat verzoeker zou worden herbenoemd. De toepasselijke bepalingen voorzien dat de benoeming tot rechtskundig adviseur slechts geldt voor zes jaar. De veranderlijkheid van de benoeming is dus als beginsel ingeschreven. - Gezien het feit dat verzoeker in zijn vordering tot schorsing op vier bladzijden ingaat op de motivering van de bestreden beslissing, kan verzoeker moeilijk beweren dat hij de motieven van die beslissing niet kent en niet met de nodige kennis van zaken een vordering tot schorsing heeft ingediend. De verwerende partij heeft in het bestreden besluit de motivering opgenomen waarom de rechtskundig assessor en een plaatsvervangend rechtskundig assessor werden benoemd. Algemeen wordt bij benoemingen aangenomen dat een positieve motivering volstaat en de overheid niet moet aangeven waarom een bepaalde kandidaat niet wordt benoemd. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, is het onderzoek van tuchtzaken slechts één van de taken van de uitvoerende Kamer, zodat verzoeker zich ten onrechte beroept op zijn beweerde specialisatie inzake tuchtzaken. Nu binnenkort een fusie tot stand komt met de accountants en de belastingconsulenten zal een persoon die in het bijzonder op de hoogte is van het fiscaal recht een aanwinst zijn en een enorm pluspunt dat, zoals uitdrukkelijk blijkt uit het bestreden besluit, doorslaggevend is geweest. De verwerende partij besluit dat verzoeker de reden van de bestreden benoeming tot rechtskundig assessor kent en deze motieven feitelijk juist en rechtens aanvaardbaar zijn. Noch de formele motiveringsplicht, noch het materieel motiveringsbeginsel zijn geschonden. 2.2.1. Overwegende dat de motiveringsplicht strenger is, wanneer de bestreden beslissing, zoals in casu afwijkt van een niet-bindend advies of wanneer de overheid diegene benoemt die niet voor de hand ligt; IX-5342-9/14 Overwegende dat verzoeker met ingang van 1 april 1994 werd benoemd tot plaatsvervangend rechtskundig assessor voor een periode van zes jaar; dat hij van 1 april 2000 werd benoemd tot effectief rechtskundig assessor voor een periode van zes jaar; Overwegende dat uit de brief van 3 maart 2006 van de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer gericht naar de bevoegde minister blijkt dat de ambtsuitoefening van verzoeker door de leden van de Kamer “bijzonder geapprecieerd” wordt en dat zijn ervaring als “onontbeerlijk” wordt beschouwd, in het kader van de fusie van het Beroepsinstituut met die van de accountants; dat de benoeming van de tussenkomende partijen derhalve niet evident is, zodat in casu een stricte motiveringsplicht geldt; 2.2.2. Overwegende dat de motivering van het bestreden besluit niet steunt op een document waarin de titels en de verdiensten van de kandidaten worden beoordeeld en vergeleken; dat enkel een brief voorligt van de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van 3 maart 2006 waarin ondermeer wordt gewezen op de ervaring van verzoeker en wordt aangedrongen op diens herbenoeming; Overwegende dat het vanzelfsprekend is dat de benoemde kandidaten aan de wettelijke voorwaarden moeten voldoen om tot rechtskundig assessor en tot plaatsvervangend rechtskundig assessor te worden benoemd, zodat de verwijzing naar deze voorwaarden in de bestreden benoemingsbesluiten niet pertinent is; 2.2.3. Overwegende dat de benoeming van Arn CALEWAERT tot rechtskundig assessor steunt op het motief dat hij een “bijkomende vorming in fiscaliteit” heeft gevolgd en dat hij beroepservaring opdeed in economische materies; dat voor de benoeming van Peter VERSTRAETEN wordt verwezen naar zijn “bijkomende vorming in economisch recht” en zijn “beroepservaring in deze materie”; 2.2.4. Overwegende dat voor wat de opdracht van de rechtskundig assessor betreft de artikelen 49 en 50 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten, zoals vervangen bij koninklijk besluit van 19 november 2004, IX-5342-10/14 relevant zijn, omdat zij betrekking hebben op de tuchtprocedure en de procedure inzake erelonen; dat deze artikelen als volgt luiden : “Art. 49. De rechtskundige assessor, ingelicht over een tekortkoming of bij wie een tuchtklacht aanhangig is gemaakt betreffende een persoon ingeschreven op het tableau of op de lijst van stagiairs of betreffende diegene die toestemming heeft gekregen om het beroep occasioneel uit te oefenen, of aan wie een geschil inzake erelonen wordt voorgelegd, schrijft de zaak in onder een volgnummer in een daartoe aangelegd register. Hij kan een werkend of plaatsvervangend lid van de Uitvoerende Kamer aanwijzen om de zaak te onderzoeken en hem dienaangaande verslag uit te brengen. Het staat hem vrij een termijn vast te stellen binnen dewelke dit verslag moet worden voorgelegd. Nadat de rechtskundige assessor de informatie die hij noodzakelijk acht heeft ontvangen of zich heeft laten bezorgen, oordeelt hij, over de opportuniteit van de tuchtrechtelijke vervolging. Hij kan de zaak verwijzen naar de Uitvoerende Kamer indien hij van oordeel is dat de feiten een deontologische inbreuk inhouden en zwaarwichtig genoeg zijn. In het tegengestelde geval klasseert hij het dossier zonder gevolg. Art. 50. § 1. De rechtskundige assessor belast onder zijn controle de secretaris om de belanghebbende persoon op te roepen. § 2. De oproeping tot verschijning omvat de uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten en de plaats, dag en uur van de zitting. De oproeping tot verschijning wordt gericht aan de betrokken persoon, bij ter post aangetekende brief verstuurd, ten minste dertig dagen vóór de datum van de vergadering. Tijdens die termijn moet het tuchtdossier ter beschikking van de betrokkene worden gelaten, op de openingsdagen en -uren van het secretariaat van de Uitvoerende Kamer. De klagende partijen worden ingelicht over de zittingsdatum. § 3. De opgeroepen personen kunnen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door één of meer leden van het Instituut die voldoen aan de voorwaarden om voor de Kamers te worden verkozen; wanneer zij niet vertegenwoordigd worden door een advocaat, dient het mandaat schriftelijk te zijn. De Kamer kan de persoonlijke verschijning bevelen. § 4. De zittingen van de Kamer zijn openbaar, behoudens in de gevallen zoals voorzien door artikel 148 van de Grondwet en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, of wanneer de opgeroepen persoon, geheel vrijwillig en ondubbelzinnig, afstand doet van de openbaarheid van de debatten. § 5. De rechtskundige assessor wordt gehoord; de Kamer kan eveneens de verslaggever, getuigen en de klagende partijen horen. De rechtskundige assessor en de verslaggever kunnen niet deelnemen aan de beraadslagingen.”; Overwegende dat de rechtskundig assessor in het kader van voornoemde procedures over een belangrijke zelfstandige bevoegdheid beschikt, inzake de beoordeling van de opportuniteit van een tuchtvervolging bijvoorbeeld, zodat het evident is dat bij de beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten en de vergelijking van hun aanspraken aan dat aspect van de functie aandacht moet worden besteed; dat de voorzitter van de Nederlandstalige uitvoerende Kamer in zijn brief van 3 maart 2006 op dit aspect expliciet wijst en schrijft naar de bevoegde overheid dat verzoeker “volledig (
- is)ingewerkt in de delicate taak die krachtens het IX-5342-11/14 KB van 19 november 2004 onder meer in tuchtzaken aan de assessor is toevertrouwd”.; dat de benoemende overheid de geschiktheid van de kandidaten om op tuchtrechtelijk vlak op te treden niet bij haar beoordeling heeft betrokken; Overwegende dat de verwerende partij er in haar nota op wijst dat het onderzoek van tuchtzaken slechts één van de taken van de uitvoerende Kamer is en verzoeker zich bijgevolg ten onrechte op zijn beweerde specialisatie in tuchtzaken beroept; Overwegende dat de verwerende partij de andere taken, waarvoor verzoeker minder geschikt zou zijn, niet omschrijft; dat uit de bestreden beslissing evenmin blijkt dat bij de vergelijking van de geschiktheid van de kandidaten aan die andere taken aandacht werd besteed; 2.2.5. Overwegende dat in het benoemingsbesluit van de rechtskundig assessor wordt gewezen op de “bijkomende vorming in fiscaliteit, alsook (
- op)zijn beroepservaring in economische materies” en dat in het benoemingsbesluit tot plaatsvervangend rechtskundig assessor wordt gewezen op de “bijkomende vorming in economisch recht” en op de “beroepservaring in deze materie”, van de benoemde kandidaat; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota doet gelden dat de vorming in fiscaliteit een “enorm pluspunt” zou zijn omwille van de fusie met het Instituut van de accountants en de Belastingconsulenten die binnenkort tot stand zou komen; dat er daarbij klaarblijkelijk van wordt uitgegaan dat een doorslaggevend belang moet worden gehecht aan het feit dat de rechtskundig assessor een bijzondere kennis heeft op het domein waarin de belastingconsulenten werkzaam zijn, terwijl dat nochtans noch in de bestreden beslissing, noch in enig voorbereidend document aannemelijk wordt gemaakt; Overwegende dat voornoemde bijkomende vormingen en beroepservaring geen causaal verband vertonen met het niet beantwoorde motief in de bestreden beslissing dat de langdurige ervaring betreft van verzoeker in zijn functieuitoefening als rechtskundig assessor, gekoppeld aan de algemene tevredenheid, tijdens de uitoefening van die functie, waarop de voorzitter en de leden van de Nederlandstalige kamer hebben gewezen; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat voornoemde beroepservaring van de tussenkomende partijen IX-5342-12/14 volstaan, om zonder enig nader onderzoek voorbij te gaan aan de aanspraken van verzoeker, wiens concrete beroepservaring evenmin werd getoetst aan de “specialiteiten” van de tussenkomende partijen; dat het bestreden besluit bijgevolg niet afdoende is gemotiveerd en dat het enig middel kennelijk gegrond is; Overwegende dat de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 30 maart 2006 van de minister van Middenstand en Landbouw tot benoeming van een rechtskundig assessor en een plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5342-13/14 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2000 en zes, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5342-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.237 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div