id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.239 Rolnummer: A. 139644/IX-3884 Zaak: Arrest 164239 - - 30/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 07:35 Fiche Arrest nr 164.239 van 30 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.239 van 30 oktober 2006 in de zaak A. 139.644/IX-
- In zake : Ethel DE BLIECK, die woonplaats kiest bij advocaten Ph. BOUTENS en M. LANDUYT, kantoor houdende te OOSTENDE, Van Iseghemlaan 149/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ethel DE BLIECK op 25 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de minister van Justitie, aan verzoekster medegedeeld bij brief van 27 mei 2003, waarbij haar verzoek tot naamsverandering van “De Blieck” naar “Pollentier” wordt geweigerd; Gezien de “memorie van antwoord”; Gezien de regelmatige toelichtende memorie van verzoeker; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories van de partijen; IX-3884-1/10 Gelet op de beschikking van 1 september waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de preliminaire excepties. 1.
- Overwegende dat op 11 september 2003 de griffie van de Raad van State een afschrift van een verzoekschrift tot nietigverklaring verstuurt naar de verwerende partij, per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs; dat op 12 september 2003 de verwerende partij voornoemd afschrift tekent voor ontvangst; Overwegende dat de verwerende partij, krachtens de artikelen 6 en 88 van het algemeen procedurereglement, beschikt over een niet verlengbare termijn van zestig dagen om een memorie van antwoord in te dienen; dat deze memorie bijgevolg ten laatste op 12 november 2003 moest worden ingediend; dat op 13 november 2003 de verwerende partij haar memorie van antwoord indient, zodat de memorie laattijdig werd ingediend en zij overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten wordt geweerd; 1.
- Overwegende dat op 9 december 2003 de verzoekende partij een regelmatige toelichtende memorie indient;
- Over de gegevens van de zaak. 2.
- Verzoekende partij Ethel De Blieck is op 18 januari 1978 geboren te Oostende, uit het huwelijk van François De Blieck en Yvette Pollentier. IX-3884-2/10 2.
- De echtgenoten De Blieck en Pollentier zijn uit de echt gescheiden sedert 13 januari
- 2.
- Op 31 mei 2002 dient de raadsman van de verzoekende partij bij de minister van Justitie een verzoek in om de naam van verzoekster te wijzigen van “De Blieck” naar “Pollentier”. Dit verzoek steunt op de volgende motieven: “De ouders van mijn cliënte zijn uit de echt gescheiden sedert 13.01.1992 en sindsdien is elk contact verbroken met haar vader. Bovendien is het zo dat haar vader sedertdien nooit enige vorm van financiële of materiële steun aan haar moeder of grootouders heeft betaald ter compensatie van de kosten voor onderhoud en opvoeding van mijn cliënte. Elke band met haar vader mag dan ook als definitief verbroken beschouwd worden. Bovendien is er sinds de echtscheiding ook geen enkel contact meer met de vaderlijke grootouders. Cliënte is sedert de echtscheiding louter bij haar moeder opgevoed geworden (stukken 2 en 8). Dankzij de morele en financiële steun van haar moeder en haar moederlijke grootouders heeft cliënte haar diploma van Gegradueerde in Bedrijfsbeheer behaald op 23.06.1999 aan de Hogeschool te Gent Departement Bedrijfskunde BME (stuk 7). Wat cliënte tot op heden in haar leven bereikt heeft, heeft zij enkel en alleen te danken aan haar moeder evenals aan haar moederlijke grootouders. Cliënte verlangt dan ook niets liever dan dezelfde naam te kunnen dragen als haar moeder, broer en moederlijke grootouders en zodoende haar naam te zien veranderen van DE BLIECK naar POLLENTIER.” 2.
- Bij brief van 25 juni 2002 verzoekt de minister van Justitie de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent een onderzoek in te stellen betreffende deze aanvraag tot naamsverandering. 2.
- In het kader van dit onderzoek verklaart de vader van verzoekende partij dat hij met de naamsverandering niet akkoord gaat omdat er geen sprake is van enige haatrelatie en het vooral de familie van zijn ex-vrouw en zijzelf is die de kinderen zover drijven. 2.
- De procureur des Konings te Brugge verleent op 5 februari 2003 een gunstig advies voor de naamsverandering, “niettegenstaande de vader bezwaar maakt”. 2.
- De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent verleent op 24 maart 2003 een ongunstig advies, omdat er onvoldoende redenen zijn om de familienaam te wijzigen. IX-3884-3/10 2.
- Met een nota van 29 april 2003 stelt de dienst Burgerlijke Zaken van het ministerie van Justitie aan de minister voor de naamsverandering te weigeren. 2.
- Met een aangetekende brief van 27 mei 2003 wordt aan de verzoekende partij de thans bestreden weigeringsbeslissing medegedeeld. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Onder verwijzing naar de in rubriek vermelde zaak heb ik de eer U mede te delen dat het toekennen van een naamsverandering krachtens de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, onderworpen is aan strikte voorwaarden. Gelet op het principe van de vastheid van naam kan de naamsverandering slechts uitzonderlijk door Z.M. de Koning worden toegestaan en op voorwaarde dat het verzoek gesteund is op behoorlijk bewezen ernstige redenen; bovendien mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoekster of derden niet kunnen schaden (artikel 3, lid 2, van vermelde wet). Tot slot wens ik te preciseren dat de toelating om van naam te veranderen wettelijk beschouwd wordt als een gunst verleend aan betrokkene en niet als een recht voor deze laatste. Na een grondig onderzoek van uw dossier moet ik U tot mijn spijt meedelen dat er in uw geval geen afdoende ernstige motieven in de zin van bovenvermelde wet voorhanden bevonden zijn om aan Z.M. de Koning voor te stellen U toelating te verlenen uw naam te veranderen in die van ‘Pollentier’, mede in acht genomen het principe van de vastheid van naam, waarvan slechts om gewichtige redenen kan afgeweken worden. De door U ingeroepen persoonlijke - emotionele redenen werden niet voldoende geacht om uitzonderlijk toch een naamsverandering toe te staan. Bovendien verzet uw vader zich tegen het gevraagde. Er is niet aangetoond dat een naamsverandering uw belang zou dienen of dat de naam “DE BLIECK” U nadeel zou berokkenen. De naam wordt verkregen op de door de wet opgelegde wijze, hij kan niet vrij gekozen worden.”;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
- Overwegende dat verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, “Doordat artikel 3 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, bepaalt dat de naamsverandering kan worden toegestaan, indien gesteund op ernstige redenen, en indien de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoekster of derden niet kan schaden. Terwijl de Federale Overheidsdienst Justitie haar negatieve beslissing o.m. liet steunen op de overweging dat verzoekster onvoldoende aantoonde dat haar huidige naam haar enig nadeel zou berokkenen, hetgeen evenwel geen wettelijke voorziene toetsingsgrond is nu de wet enkel voorziet in een onderzoek of de gevraagde naam, en niet de reeds gedragen naam, de verzoek-ster of een derde kan schaden (zie het voormelde art. 3 van de wet dd. 15 mei 1987).”; IX-3884-4/10 3.1.
- Overwegende dat verzoekende partij in de toelichtende memorie uiteenzet dat door de toekenning van de naam “POLLENTIER”, aan niemand schade wordt berokkend; dat, aldus de verzoekende partij de toekenning van deze naam enkel voordelen oplevert, voor haarzelf, voor haar moeder, voor haar moederlijke grootouders, voor wie dit een vorm van respect en erkenning zou zijn voor hun niet aflatende inzet bij de opleiding en de opvoeding van de verzoekende partij na de echtscheiding van haar ouders; dat de verzoekende partij daaraan toevoegt dat artikel 3 van de wet van 15 mei 1987 duidelijk en ondubbelzinnig bepaalt dat aan twee voorwaarden moet zijn voldaan om gerechtigd te zijn op naamsverandering: enerzijds mag de verandering geen aanleiding geven tot verwarring en anderzijds mag de verandering de verzoekende partij of derden niet schaden; dat, aldus de verzoekende partij, de bestreden beslissing ten onrechte op de overweging steunt dat zij onvoldoende aantoont dat haar huidige familienaam haar enig nadeel oplevert, omdat nergens als criterium voor de naamsverandering is bepaald dat de huidige naam aan de betrokkene nadeel oplevert; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie in essentie stelt dat de naam “DE BLIECK” haar wel degelijk schaadt, omdat, wanneer haar broer Paul DE BLIECK de familienaam “POLLENTIER” zou toegekend krijgen en verzoekende partij niet, dit voor haar emotioneel zéér zwaar en nadelig zou zijn; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie de drie middelen van verzoekende partij beantwoordt en zich aansluit bij het verslag van het auditoraat, waarin de middelen ongegrond worden bevonden; 3.1.
- Overwegende dat het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” inhoudt dat de administratieve overheid bij individuele beslissingen niet mag afwijken van de algemene regeling die zijzelf heeft uitgevaardigd; dat in casu uit het middel niet blijkt dat verzoekende partij aanvoert dat de verwerende partij een algemene regeling die zij heeft uitgevaardigd, heeft geschonden, maar dat verzoekende partij in essentie betoogt dat de weigeringsbeslissing, en meer bepaald het onderdeel van de motivering waarin wordt gesteld dat: “er niet is aangetoond (...) dat de naam ‘DE BLIECK’ verzoekende partij nadeel zou berokkenen”, artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en de voornamen schendt; IX-3884-5/10 Overwegende dat artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 bepaalt: “De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoekende partij of derden niet kan schaden.” Overwegende dat uit die bepaling blijkt dat om een naamsverande- ring te verkrijgen twee voorwaarden moeten vervuld zijn: enerzijds moet het verzoek tot naamsverandering op ernstige redenen steunen, anderzijds mag de gevraagde naamswijziging geen aanleiding geven tot verwarring en mag verzoekende partij of derden niet schaden; dat bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 1987 wordt bevestigd dat de onveranderlijkheid van de naam de regel is en de naamsverandering de uitzondering; dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat leidt tot de wet van 15 mei 1987 wordt gesteld: “Daarentegen moet voor de verandering van naam de onveranderlijkheid de regel blijven en de verandering de uitzondering. Derhalve moeten de verzoeken, waarvan na onderzoek blijkt dat zij niet berusten op een ernstige reden, verworpen worden, zelfs als de gevraagde naam niemand schade berokkent (Gedr. St., Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1983-1984, nr. 966/1, p. 5 en Gedr. St., Senaat, 1986-1987, nr. 701/2, p. 9.).”; Overwegende dat de vaste rechtspraak van de Raad van State in dezelfde zin luidt, met name dat de naamsverandering uitzonderlijk is en dat de Koning over een discretionaire bevoegdheid beschikt om te oordelen of het verzoek op ernstige redenen steunt; Overwegende dat de omstandigheid dat de gevraagde naamsveran- dering verzoekende partij of een derde niet kan schaden geen afbreuk doet aan de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om te oordelen dat het verzoek tot naamswijziging niet op ernstige redenen steunt; dat de verwerende partij derhalve onder meer op grond van de overweging dat verzoekende partij niet aantoont dat de naam “DE BLIECK” haar nadeel berokkent, wettig kon oordelen dat er geen gewichtige redenen waren om af te wijken van het principe van de vastheid van naam; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van het redelijkheidsbeginsel; IX-3884-6/10 “Doordat de Federale Overheidsdienst Justitie wegens een overdreven gestrengheid, de aanvraag tot naamsverandering heeft getoetst aan in rechte niet toelaatbare criteria te weten: a. of de actueel gedragen naam van verzoekster, haar enig nadeel berokkent; b. of de motieven van verzoekster van emotionele of andere aard waren, waarbij ervan werd uitgegaan dat de emotionele motieven de facto als ‘onvoldoende ernstig’ zouden moeten worden beschouwd. Terwijl de Federale Overheidsdienst Justitie die dit bij de beoordeling van haar beslissing heeft laten doorwegen, door het hanteren van dergelijke criteria haar beoordelingsbevoegdheid te buiten getreden is.” 3.2.
- Overwegende dat in casu de bestreden beslissing steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven die de toets van de redelijkheid doorstaan, gelet op het uitzonderlijk karakter van de naamsverandering, waarbij het beginsel van de naamvastheid wordt gehuldigd, zodat de verwerende partij ondermeer mag nagaan of de huidige naam van de verzoekende partij haar nadeel berokkent en dat de overheid binnen de grenzen van de redelijkheid blijft, wanneer zij de aangevoerde emotionele redenen onvoldoende acht om een naamswijziging toe te staan; Overwegende dat wat de afwezigheid van enige emotionele band met de biologische vader betreft, noch in het administratief dossier, noch in het dossier van verzoekende partij desbetreffend enig begin van bewijs voorligt; dat het tweede middel ongegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het redelijkheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing niet op in rechte toelaatbare motieven zou steunen; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing door te overwegen, “dat er niet is aangetoond dat een naamsverandering het belang van verzoekster zou dienen”, het feit miskent dat een naamsverandering precies zou toelaten om de naam te dragen van degene die haar heeft opgevoed (haar moeder) en om zich te ontdoen van de naam van diegene die zich reeds lang geleden definitief heeft onttrokken aan zijn vaderlijke plichten; dat verzoekende partij daaraan toevoegt dat het motief, “dat de vader van verzoekster zich zou verzetten tegen het gevraag- de”, een miskenning inhoudt van het feit dat verzoekende partij in haar aanvraag aanhaalt dat zij een zeer slechte verstandhouding heeft met haar vader sedert 13 januari 1992, zodat zij geen contact meer heeft met hem en dat haar vader zich aan zijn plichten inzake onderhoud en opvoeding heeft onttrokken; dat bijgevolg het verzet van de vader in dit licht sterk dient te worden gerelativeerd; dat verzoekende partij verder betoogt dat redelijkerwijze dient te worden vastgesteld dat de vader, in IX-3884-7/10 het licht van de gekende historiek, geheel onterecht ervoor opteert om verzoekende partij ten allen tijde te dwarsbomen, hetgeen evenwel geen geldig criterium kan vormen om de aanvraag tot naamsverandering aan verzoekende partij te weigeren; 3.3.
- Overwegende dat verzoekende partij in het derde middel in essentie de motivering van de bestreden beslissing aanvecht; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen voorschrijven dat de overheid in de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze; dat het begrip “afdoende” inhoudt dat de motivering pertinent moet zijn en duidelijk en met de beslissing moet te maken hebben en dat de aangehaalde motieven moeten volstaan om de bestreden beslissing te dragen; Overwegende dat de bestreden beslissing is gemotiveerd door overwegingen gesteund op het principe van de vastheid van de naam, waarvan slechts om gewichtige en uitzonderlijke redenen kan worden afgeweken; Overwegende dat de bestreden beslissing verder op goede gronden overweegt dat de ingeroepen persoonlijke-emotionele redenen die verzoekende partij inroept, niet volstaan om van het principe van vastheid van naam af te wijken; dat hetzelfde geldt voor het verzet van de vader van verzoekende partij tegen de naamsverandering, dat in casu redelijk is, mede gelet op de omstandigheid dat geen bewijselement voorligt, betreffende diens houding jegens de kinderen tijdens of na de echtscheidingsprocedure; dat de vader ook niet werd verzocht om in huidig geding tussen te komen, om eventueel zijn rechten van verdediging te laten gelden; dat de bestreden beslissing daaraan op goede gronden toevoegt dat “er niet is aangetoond dat een naamsverandering uw belang (met name dat van verzoekende partij) zou dienen of dat de naam ‘DE BLIECK’ U (verzoekende partij) nadeel zou berokkenen en dat de naam wordt verkregen op de door de wet opgelegde wijze, (en dat) hij niet vrij kan worden gekozen.”; Overwegende dat het motief van de bestreden beslissing, dat niet is aangetoond dat een naamsverandering het belang van verzoekende partij zou dienen, geenszins het feit miskent dat de naamsverandering het verzoekende partij zou mogelijk maken de naam te dragen van degene die haar heeft opgevoed (haar IX-3884-8/10 moeder) en haar zou toelaten zich te ontdoen van de naam van haar vader, omdat de bestreden beslissing voormelde redenen als “persoonlijke-emotionele redenen” beschouwt die niet volstaan om een naamsverandering toe te staan; Overwegende dat verzoekende partij ten onrechte aanvoert dat verwerende partij geen rekening mocht houden met het feit dat haar vader zich verzet tegen de naamsverandering; Overwegende dat, hoewel de vader niet beschikt over een vetorecht, dit niet betekent dat diens verzet niet bij de besluitvorming mag worden betrokken; dat gelet op wat voorafgaat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd en dat het derde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-3884-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-3884-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.239 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.