id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.240 Rolnummer: A. 173518/IX-5336 Zaak: Arrest 164240 - - 30/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 07:35 Fiche Arrest nr 164.240 van 30 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.240 van 30 oktober 2006 in de zaak A. 173.518/IX-5336. In zake : Greet HUYGHE, wonende te ASSEBROEK, Sint-Trudostraat 74 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Greet HUYGHE op 31 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “een mogelijk bestaande doch niet aan verzoekster ter kennis gebrachte beslissing van de Minister van Justitie op basis waarvan verzoekster sinds begin april 2006 geen betaling meer ontving van haar wedde op haar rekening, wedde doorbetaald sinds (
- de)schorsing door de Directie van de strafinrichting te Oudenaarde dd. 23 september 2003.”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5336-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. FAYT, die loco advocaten P. VAN EECKHAUT en Th. GILLIS, verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; 1. De gegevens van de zaak. 1.1. Verzoekster, bij ministerieel besluit van 26 april 2002 benoemd tot penitentiair beambte, is sinds mei 2002 verbonden aan de strafinrichting van Oudenaarde. 1.2. Zij wordt door de eerstaanwezend directrice van de strafinrichting te Oudenaarde op 26 september 2003 voorlopig de toegang tot de inrichting ontzegd wegens een ernstig vermoeden van ongeoorloofde verstandhouding tussen verzoekster en gedetineerde Murat Kaplan en dit tijdens en na zijn detentie te Oudenaarde. 1.3. Bij brief van 6 oktober 2003 wordt aan verzoekster door de directrice een voorlopig voorstel tot het opleggen van de tuchtstraf van ontslag van ambtswege overgemaakt; ditzelfde voorstel wordt bij brief van 16 oktober 2003 aan het Directoraat-Generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen gezonden. 1.4. Verzoekster wordt gehoord op 17 november 2003 met het oog op het opleggen van de maatregel van schorsing in het belang van de dienst. Uit dit verhoor is gebleken dat verzoekster blijvend contacten had met Murat Kaplan ; de directrice dient bij brief van 19 november 2003 bij de minister een voorstel tot schorsing in het belang van de dienst in. 1.5. Verzoekster wordt bij ministerieel besluit van 11 december 2003 geschorst in het belang van de dienst met ingang van 1 december 2003. Er wordt IX-5336-2/8 haar gewezen op de mogelijkheid van beroep bij de departementale raad van beroep van de federale overheidsdienst Justitie. 1.6. Bij brief van 18 december 2003 wordt verzoekster opgeroepen voor de zitting van het directiecomité van 9 januari 2004 om 11.00 uur. 1.7. Het door dit comité op 3 februari 2004 voorgestelde definitief voorstel van tuchtstraf van ontslag van ambtswege wordt verzoekster op 4 februari 2004 ter kennis gebracht met vermelding van de mogelijkheid van beroep bij de departementale raad van beroep binnen de Federale Overheidsdienst Justitie. Verzoekster tekent hiertegen beroep aan op 16 februari 2004. 1.8. De departementale raad van beroep adviseert de minister op 18 oktober 2005 de tuchtstraf van verplaatsing uit te spreken, waarvan verzoekster bij brief van 16 november 2005 in kennis werd gesteld. Dit advies van 15 september 2005 is gegrond op volgende overwegingen : “De Raad kan zich aansluiten bij de redenen van het definitief voorstel van tuchtstraf van het Directiecomité (…) van 9 januari 2004. Bij het bepalen van de hieruit te trekken gevolgen is de Raad echter van oordeel dat de verplaatsing bij tuchtmaatregel een meer aangewezen sanctie is. De Raad laat zich in deze leiden door de vaststelling dat er geen concrete indiciën zijn dat mevr. Huyghe risico’s zou gecreëerd hebben op het vlak van de veiligheid. De feiten hebben zich voorgedaan in een louter relationele sfeer, niet met een opening naar criminele aangelegenheden. De Raad heeft ook de sociale toestand van mevr. Huyghe in aanmerking genomen en gaat ervan uit dat het onderzoek en de opgelopen schorsing ertoe zullen geleid hebben dat zij zich terdege bewust is van haar verantwoordelijkheden. Ook op het vlak van haar taak als moeder ten opzichte van haar opgroeiend kind. Gelet op het voor het overige goed gedrag van betrokkene, dat zowel door de Directeur als door de verdediging wordt aangehaald. Na beraadslaging wordt de pariteit hersteld, doordat mevrouw M. Matthys bij loting voor de stembeurt uitgeschakeld wordt. Het voorstel houdende ontslag van ambtswege wordt met 6 stemmen tegen 5 verworpen.” 1.9. Bij brief van 3 november 2005 verklaart de minister van Justitie aan de raad van beroep, niet akkoord te kunnen gaan met het advies. 1.10. Bij ministerieel besluit van 3 februari 2006 beslist de minister de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen op grond van volgende motivering : IX-5336-3/8 “Overwegende dat de betrokkene artikel 3 van de bijzondere instructie van toepassing op de personeelsleden van de buitendiensten van het bestuur (der) strafinrichtingen heeft overtreden. Deze regel werd duidelijk geschonden door mevrouw Huyghe. Zij onderhield veelvuldige contacten met gedetineerde Murat Kaplan, die duiden op een relatie die de normale verhouding gedetineerde- personeelslid overstijgt. Deze contacten gebeurden vanaf het toestel toebehorende aan de gevangenis naar het GSM-toestel dat Murat Kaplan clandestien op zijn cel verborgen hield. De geschiedenis leert ons dat Murat Kaplan in het verleden veelvuldig ontsnapte en daarbij geweld en gijzeling niet schuwde. Omdat mevrouw Huyghe nagelaten heeft te signaleren dat Murat Kaplan in het bezit was van een GSM-toestel en meer nog omdat zij veelvuldig contact opnam met Murat Kaplan, heeft zij niet alleen een professionele fout gemaakt, maar heeft zij ook de veiligheid van haar collega’s van de inrichting, van zichzelf en van de maatschappij in het gedrang gebracht. Niettegenstaande voorafgaande verwittigingen van de lokale gevangenisdirectie, heeft mevrouw Huyghe de gevaarlijkheid van haar acties onvoldoende ingeschat, het feit dat zij toch doorging met het verder zetten van de “vriendschapsrelatie” met gedetineerde Murat Kaplan, bewijst dat zij totaal geen inzicht heeft in de ernstige draagwijdte van haar acties en dat er geen enkele garantie kan gegeven worden om te beletten dat mevrouw Huyghe terugvalt in gelijkaardig gedrag. Om deze redenen is een ontslag van ambtswege een gerechtvaardigde straf.” 1.11. Deze beslissing wordt bij aangetekende brief van 6 februari 2006, de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State vermeldend, naar verzoekster op haar adres te Maldegem gestuurd. Daar deze beslissing naar de vorige woonplaats van verzoekster werd verstuurd, werd bij brief van 7 juni 2006 een nieuw afschrift van het ministerieel besluit naar haar huidige woonplaats gezonden. 2. De ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt; Overwegende dat deze exceptie betrekking heeft op het voorwerp van het beroep tot schorsing en bijgevolg is verbonden met de analyse van het eerste middel van verzoekster; dat de exceptie hierna wordt onderzocht; 3. De gegrondheid van de vordering tot schorsing. 3.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden IX-5336-4/8 aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, betreft, verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van de rechten van verdediging, doordat de verwerende partij “een mogelijke beslissing” - die heeft geleid tot de stopzetting van de betaling van de wedde van verzoekster - niet ter kennis heeft gebracht aan verzoekster; dat verzoekster compleet in het ongewisse verkeert en dat zij aanvoert dat dienvolgens haar rechten worden miskend; 3.1.2. Overwegende dat verzoekster beweert dat zij geen afschrift ontving van het ministerieel besluit van 3 februari 2006 houdende haar ontslag van ambtswege uit het ambt van penitentiair beambte; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat op 6 februari 2006 een kopie van voormelde beslissing aangetekend werd verstuurd naar het adres van verzoekster te Maldegem; dat dit adres de vorige woonplaats was van verzoekster, zodat bij brief van 7 juni 2006 een nieuw afschrift werd verstuurd van voornoemd ministerieel besluit naar de huidige woonplaats van verzoekster; Overwegende dat verzoekster op 31 mei 2006, zijnde de datum waarop zij haar verzoekschrift indiende, geen kennis had van voormeld ministerieel besluit, zodat zij niet bij machte was het voorwerp van haar vordering tot schorsing correct te omschrijven; Overwegende dat verzoekster vanaf 10 juni 2006 geacht wordt kennis te hebben van het ministerieel besluit van 3 februari 2006, zodat het voorwerp van haar beroep de tuchtmaatregel is van ontslag van ambtswege uit haar functie van penitentiair beambte; Overwegende dat bijgevolg de exceptie van de verwerende partij die betrekking heeft op de “grote” vaagheid van het beroep en op de onduidelijkheid van het voorwerp van het beroep wordt verworpen; 3.1.3. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel in essentie de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van de rechten van verdediging; IX-5336-5/8 Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat zij zowel formeel als materieel naar behoren is gemotiveerd; dat zij het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht toelicht en de verhouding ervan tot de materiële motiveringsplicht; dat, aldus de verwerende partij, de formele motiveringsplicht niet werd geschonden, nu de verwerende partij precies heeft aangegeven welke feiten verzoekster werden ten laste gelegd en welke regels daarbij werden geschonden; dat de materiële motiveringsplicht evenmin werd geschonden, omdat de verwerende partij duidelijk heeft aangegeven waarom de tuchtstraf van ambtshalve ontslag is gewettigd; 3.1.4. Overwegende dat een eventueel gebrek in de kennisgeving van de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet meebrengt dat de motieven van deze beslissing onwettig zijn; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zowel de rechtsgrond expliciet wordt vermeld, als de feiten, die nauwkeurig worden omschreven, waarop de genomen tuchtmaatregel steunt; dat de materialiteit van de feiten door verzoekster niet wordt betwist; dat de feiten die verzoekster heeft gepleegd binnen de muren van de gevangenis, op het eerste gezicht duiden op een relatie met een gedetineerde, die de normale verhouding gedetineerde-personeelslid overstijgt; dat de bestreden beslissing vervolgens de feiten nauwkeurig omschrijft die worden ten laste gelegd aan verzoekster; dat de repercussie van de gepleegde feiten op de veiligheid van de collega’s van verzoekster wordt beschreven en dat tevens het veiligheidsrisico verbonden aan het gedrag van verzoekster wordt gepreciseerd en gerelateerd aan het gevaarlijk gedrag van de gedetineerde, met wie verzoekster veelvuldige telefonische contacten onderhield; Overwegende dat bijgevolg op het eerste gezicht de motiveringsplicht niet werd geschonden en evenmin de rechten van verdediging, vermits de regels van de tuchtprocedure prima facie correct werden toegepast en verzoekster zich tevens kon verdedigen tijdens de tuchtprocedure en voor de Raad van State; 3.1.5. Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; IX-5336-6/8 Overwegende dat artikel 94, laatste lid van dit koninklijk besluit als volgt luidt: “De Minister beslist binnen de 15 dagen, te rekenen van de betekening van het advies van de raad van beroep; de minister of zijn gemachtigde deelt zijn beslissing zonder verwijl mede aan de ambtenaar en aan de raad van beroep”. 3.2.2. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij de termijn van vijftien dagen niet heeft nageleefd, aangezien het dossier van verzoekster voor definitieve beslissing aan de verwerende partij werd voorgelegd op 18 oktober 2005 en bij brief van 3 november 2005 de verwerende partij heeft verklaard zich niet achter het advies van 15 september 2005 van de raad van beroep te kunnen scharen; dat bij besluit van 3 februari 2006 de verwerende partij beslist de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege op te leggen; dat op 6 februari 2006 deze maatregel aan verzoekster wordt ter kennis gebracht en dat dit een tweede maal gebeurt op 7 juni 2006; Overwegende dat er drie maanden verstreken tussen het niet- akkoord van de verwerende partij met de voorgestelde maatregel van de raad van beroep en het bestreden besluit, met de omstandigheid dat het bestreden besluit vrijwel onmiddellijk ter kennis werd gebracht aan verzoekster, met name drie dagen later, wat aan de vereiste van “onverwijld” beantwoordt en nogmaals vier maanden later, omdat verzoekster inmiddels van adres was veranderd; Overwegende dat de termijn van vijftien dagen, waarvan sprake in voornoemd artikel 94 op het eerste gezicht een termijn van orde is, zodat de overschrijding ervan geen onregelmatigheid oplevert; dat de overschrijding van de termijn bovendien heeft meegebracht dat verzoekster werd doorbetaald en dat zij op administratief vlak anciënniteit bleef opbouwen; dat de overschrijding van de termijn de redelijkheidtoets doorstaat; dat dit tevens geldt voor de vertraging bij de kennisgeving van de bestreden beslissing die te wijten is aan een materiële vergissing betreffende het adres van verzoekster; dat niet blijkt dat verzoekster ooit aandrong bij de verwerende partij om sneller te beslissen; 3.2.3. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 3.2.4. Overwegende dat niet is voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de ingestelde vordering te verwerpen, IX-5336-7/8 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-5336-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.240 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div