id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.251 Rolnummer: A. 93591/VII-22346 Zaak: Arrest 164251 - - 30/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:41 Fiche Arrest nr 164.251 van 30 oktober 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.251 van 30 oktober 2006 in de zaak A. 93.591/VII-22.346 In zake : de b.v.b.a. HEKKENBOUWER, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN DE KEYBUS, kantoor houdende te ESSEN, Heuvelplein 29 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. HEKKENBOUWER op 13 juli 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 mei 2000 waarbij haar beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen van 13 december 1999 houdende de weigering van de vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor het vervaardigen en monteren van metalen poorten en afsluitingen, Spijker 67 te Essen ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; VII-22.346-1/20 Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE ; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. HOEBEEK die, loco advocaat L. VAN DE KEYBUS verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partij baat te Essen, aan de Spijker 67, een inrichting uit voor het vervaardigen en monteren van metalen poorten en afsluitingen. De inrichting, wat de toonzaal en de woning betreft, is overeen- komstig het gewestplan Turnhout gelegen in woongebied met landelijk karakter, en de eigenlijke werkplaats is gelegen in een agrarisch gebied. 1.2. Op 20 september 1999 dient de verzoekende partij een milieuver- gunningsaanvraag in voor de verandering van haar inrichting. Het betreft een verandering door uitbreiding, zonder vermeerdering van de oppervlakte of het volume. In de aanvraag staat vermeld: "De vroegere activiteit van de bvba Hekkenbouwer in het bestaand bedrijfsgebouw, namelijk het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 4,3 kW was niet meldings- noch vergunningsplichtig ( Het betrof volgende metaalbewerkingsmachines : - 1 zaagmachine: 2,5 kW (nr 22 op het plan in bijlage) - 1 boormachine: 1,1 kW (nr 7 op het plan in bijlage) - 1 boormachine: 0,2 kW (nr 20 op het plan in bijlage) - 1 schuurmachine: 0,5 kW (nr 13 op het plan in bijlage) Totaal: 4,3 kW De aangevraagde activiteit omvat: - verandering door uitbreiding van het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal, binnen het bestaand en vergund VII-22.346-2/20 bedrijfsgebouw, dus zonder vermeerdering van oppervlakte of volume, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 20,7 kW, zodat het totaal na uitbreiding 25 kW wordt. Uit gegeven advies van de intercommunale milieudienst van IGEAN blijkt immers dat de 6 in de inrichting aanwezige lastoestellen niet ingedeeld zijn volgens Vlarem. Deze lastoestellen worden wel voor de volledigheid vermeld in de lijst met de toestellen, en op het uitvoeringsplan. - verandering door uitbreiding met twee luchtcompressoren: totaal : 6,7 kW (binnen het bestaand en vergund bedrijfsgebouw, zonder vermeerdering van oppervlakte of volume): 26. Luchtcompressor: 4,2 kW 27. Luchtcompressor: 2,5 kW - opslag van minder dan 300 1 waterinhoudsvermogen aan gasflessen voor laswerken e.d. (niet vergunningsplichtig volgens Vlarem) (ook binnen het bestaand en vergund bedrijfsgebouw, zonder vermeerdering van oppervlakte of volume)"; Bij de "preventieve voorzieningen" wordt in de aanvraag gesteld wat volgt: "Welke zijn de op basis van de best beschikbare techniek voorziene maatregelen en/of installaties om:
- a)het verbruik van energie, water, grondstoffen en hulpstoffen te beperken;
- b)de gasvormige effluenten, afvalstoffen en afvalwaters te voorkomen, te herbruiken en/of te beperken;
- c)de hinder door lawaai, trillingen en stralingen te voorkomen en/of te beperken;
- d)lucht-, bodem- en waterverontreiniging alsmede het gevaar voor de mens buiten de inrichting en het leefmilieu te voorkomen en/of te beperken;
- e)te voldoen aan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting; * Het verbruik van energie, water, grondstoffen, hulpstoffen, alsmede de vorming van gasvormige effluenten, afvalstoffen, afvalwaters, hinder door lawaai, trillingen, lucht-, bodem- en waterverontreiniging wordt voorkomen en beperkt door een goede bedrijfsvoering. * Bodem-(en ook water-)verontreiniging wordt ook voorkomen door het werken op betonnen werkvloeren. * Lawaaihinder wordt voorkomen door het werken met moderne machines. * Er zullen geen bedrijfsafvalwaters, noch huishoudelijke afvalwaters gevormd of geloosd worden in de voorziene werkruimte. * Er is een afzuiging voorzien van de lasrook van de werkplaats, waarbij de vervuilde lucht wordt gefilterd, en niet in de buitenlucht geloosd. * Aan de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van toepassing op de inrichting zal worden voldaan." Uit de bijlagen bij de milieuvergunningsaanvraag blijkt dat de gevraagde exploitatie plaats vindt binnen een bestaand en vergund gebouw. De verzoekende partij bekwam in 1987 een bouwvergunning voor "het bouwen van een toonzaal en winkelruimte met bergplaats en woonruimte". VII-22.346-3/20 1.3. Tijdens het openbaar onderzoek wordt er geen enkel bezwaar ingediend. 1.4. In het kader van de procedure in eerste aanleg brengt de Intercommunale Grondbeleid en Expansie Antwerpen C.V. (IGEAN) een ongunstig advies uit. In het advies wordt gesteld dat de inrichting onverenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied. Weliswaar komt de inrichting in aanmer- king voor een afwijking in toepassing van de regelgeving op de zonevreemde bedrijven maar wordt ervoor geopteerd "hiervan geen gebruik te maken gelet op de intrinsieke hinder die dit bedrijf veroorzaakt en op de onverenigbaarheid met de bestemming op het gewestplan." 1.5. Op 13 december 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen de gevraagde vergunning, en dit op basis van het hierboven vermelde ongunstig advies van de IGEAN. Ook het college van burgemeester en schepenen stelt vast dat de inrichting op basis van de regelgeving inzake de zonevreemde bedrijven in aanmerking komt voor de toepassing van een afwijkingsmogelijkheid, doch opteert er eveneens voor "hiervan geen gebruik te maken gelet op de intrinsieke hinder die dit bedrijf veroorzaakt en op de onverenig- baarheid met de bestemming op het gewestplan". 1.6. De verzoekende partij gaat tegen deze weigeringsbeslissing in beroep. Zij doet gelden wat volgt: "Door middel van dit aangetekend schrijven wenst de BVBA Hekkenbouwer, met zetel te 2910 Essen, Spijker 67,en dit bij monde van haar zaakvoerster, mevrouw Konings Rosina, beroep aan te tekenen tegen het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen der gemeente Essen van 13 december 1999,houdende de weigering van een milieuvergunning klasse 2 aan de BVBA Hekkenbouwer voor de exploitatie van het vervaardigen/monteren van metalen poorten en afsluitingen, Vlarem rubrieken 16.3. 1. 1 en 29.5.2.2. (dossiernum- mer 1999/221) In bijlage zijn gevoegd: - bewijs van betaling der dossiertaks, - het originele attest conform art. 31 § 3 Vlarem I met als afgiftedatum 15 december 1999. Conform de voormelde beslissing, voldoet de aanvraag wel degelijk aan de wettelijke voorwaarden, daar waar deze kadert binnen de voorwaarden van art. 43 § 7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördi- neerd op 22.10.1996. Het gaat hier immers over de verandering van inrichting in een bestaand en vergund bedrijfsgebouw, waar voorheen enkel een niet meldings- en vergun- ningsplichtige totale drijfkracht van 4,3 kW werd gebezigd. VII-22.346-4/20 Nochtans heeft het College deze aanvraag toch geweigerd op grond van volgende motivering: 'Niettegenstaande deze inrichting op basis van het voormelde in aanmerking komt voor de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, wordt geopteerd hiervan geen gebruik te maken gelet op de intrinsieke hinder die dit bedrijf veroorzaakt en op de onverenigbaarheid met de bestemming op het gewest- plan.' Het beroep is gesteund op de volgende gronden : 1. Het College verwijst ten onrechte naar de onverenigbaarheid van de gevraagde verandering met de bestemming op het gewestplan.
- a)Voor dit bedrijfsgebouw, waarin voorheen reeds een niet meldings- noch vergunningsplichtige activiteit werd uitgeoefend, werd een volkomen rechtsgeldige bouwvergunning afgeleverd op 15 december 1987, samen met de bouw van een toonzaal-woning aan straatzijde. Volgens het gewestplan zou de toonzaal-woning gelegen zijn in een woon-gebied met landelijk karakter, en het bedrijfsgebouw in agrarisch gebied, doch beide gebouwen maken uiteraard één ondeelbare bedrijfs- eenheid uit. De bestreden beslissing vermeldt trouwens terecht dat de gehele inrichting in aanmerking komt voor de toepassing der afwijkings- mogelijkheid van art. 43 § 7 en 8.
- b)De toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid heeft er bovendien toe geleid, dat het bedrijf van verzoekster zich weliswaar theoretisch bevind in een woongebied met landelijk karakter, doch in praktijk volledig is ingesloten tussen andere ambachtelijke- en KMO vestigingen. Daar waar het College wel de moeite neemt om het begrip 'agrarisch gebied' te omschrijven, doet zij zulks niet voor het begrip 'woongebied met landelijk karakter'. Hieromtrent bepaalt art. 6 1.2.2 van het K.B. van 28 december 1972 dat 'woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor de woning- bouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven.' Welnu, op de plaats van vestiging van verzoekster, te weten Spijker te Essen, zijn er vrijwel geen privatieve woningen aanwezig, laat staan landbouwbedrijven, alhoewel de ganse zone, gelegen aan de rechterzijde, richting Essen, op het gewestplan is ingekleurd als woongebied met landelijk karakter. (bijlage 1) Welke gebouwen vindt men aldaar wel terug: - BVBA Dolce Vita discotheek gevestigd op het adres Spijker 105, - BVBA Bontfarm, pelsatelier en -verkoop, gevestigd op het adres Spijker 93, - Segers keukenfabricatie, gevestigd op het adres Spijker 81-83, - N.V. De Caigny, drankengroothandel, gevestigd op het adres Spijker 79, - B.V.B.A- AXXES Media, computer- en softwarebedrijf gevestigd op het adres, Spijker 75, - N.V. Brabamij (voorheen Bam),bouwbedrijf gevestigd op het adres, Spijker 69, - N.V. Menbo, bouwbedrijf gevestigd op het adres Spijker 65, - BVBA Verpalen, autocarbedrijf, gevestigd op het adres Spijker 59, - N.V. Bedtime, groothandel in slaapkamers, gevestigd op het adres Spijker 57, - N.V. Unicom Computers, gevestigd op het adres Spijker 55, - N.V. Brantano, groothandel in schoenen, gevestigd op het adres Spijker 49, - N.V. E5 Mode, textielgroothandel, gevestigd op het adres Spijker 45, VII-22.346-5/20 - Donkers, Aveve groothandel in landbouwproducten, gevestigd op het adres Spijker 33, - Kerstens, garage, gevestigd op het adres Spijker 39, - BVBA Prima Print, drukkerij, gevestigd op het adres Spijker 29. (...) Wanneer men de linkerzijde van het Spijker even onder de loep neemt, gezien in de richting Essen, bemerkt men op het gewestplan een drietal kleine entiteiten, dewelke ingekleurd zijn als gebieden voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen, doch welke volledig ingekapseld zijn in agrarische gebieden. Aldaar zijn ingeplant: - N.V. Mantra, inrichting voor textiel- en zeefdruk, gevestigd op het adres Spijker 86, - BVBA Mia Van Loon, tankstation Esso, gevestigd op het adres Spijker 58-62, - BVBA Van Loon, garage, gevestigd op het adres Spijker 58, - N.V. Van den Bergh, schrijnwerkerij, gevestigd op het adres Spijker 38, - BVBA Vado, fabricatie keukens, gevestigd op het adres Spijker 36. (...) Ook deze bedrijven bevinden zich deels aan de overzijde van de straat gezien vanuit de vestiging van verzoekster. Het is volstrekt onlogisch dat het College teneinde haar weigering te gronden, alsnog verwijst naar enige onverenigbaarheid met de bestem- ming op het gewestplan. Immers, enkel om reden dat precies de gemeente voorheen ter plaatse steeds gebruik heeft gemaakt van de bij het decreet voorziene afwijkingen van de bepalingen van het gewestplan, is de vestiging van verzoekster thans in concreto omgeven door minstens 14 andere bedrijven, gevestigd in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch gebied, voor dewelke blijkbaar enige 'onverenigbaarheid met de bestemming op het gewestplan' niet geldt, dermate dat hierdoor alleen reeds het gelijkheids- principe wordt geschonden. Het feit dat aan al deze bedrijven wél een vergunning werd afgeleverd, houdt immers noodzakelijk in dat hierdoor de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, zoals vereist door art. 43 § 7 van het decreet van 22 oktober 1996. Op welke wijze zou dan de uitoefening van een beperkte activiteit in het vergunde bedrijfsgebouw van verzoekster, wél onverenigbaar zijn met de bestemming op het gewestplan, zoals het College motiveert, en dus wél de goede ruimtelijke ordening op enige wijze kunnen schaden? Op deze vraag kan men geen zinnig antwoord bedenken! 2. Het College verwijst ten onrechte naar de intrinsieke hinder welke het bedrijf zou veroorzaken, zonder enige nadere omschrijving. A. Intrinsiek betekent volgens Van Daele 'wezenlijk, innerlijk'. Op basis van een dermate vage omschrijving kan men uiteraard elke milieuaanvraag ongunstig beoordelen. Bovendien voldoet zulke nietszeggende formulering in genendele aan de motiveringsplicht der openbare besturen, zoals omschreven in de wet van 29 juli 1991,temeer daar uit de overige argumentatie in dit besluit nergens blijkt waaruit deze intrinsieke hinder dan wel zou bestaan. B. In concreto veroorzaakt het bedrijf van verzoekster niet de minste hinder. 1) Vooreerst dient benadrukt dat het verzoek tot het bekomen van een vergunning klasse 2 enkel noodzakelijk is ingevolge de rubriek 29.5.2.2,zijnde het mechanisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde drijfkracht van meer dan 10 kW tot en met 200 kW. VII-22.346-6/20 Verzoekster is genoodzaakt geweest deze vergunninsgsaanvraag in te dienen gezien de voorgenomen verhoging van 4,3 kW naar amper...25 kW! Voor de uitbreiding met 2 luchtcompressoren met een totaal vermogen van amper 6,7 kW, zou trouwens enkel een meldingsplicht noodzakelijk geweest zijn, gezien de lichte overschrij- ding van het vrijgestelde minimum van 5 kW, conform de rubriek 16.3. 1. 2) Vervolgens blijkt uit de vergunningsaanvraag dat er hier absoluut geen sprake kan zijn van enige hinder wegens emissies, afvalstoffen en afvalwaters. Het volstaat terzake te verwijzen naar de pagina's 8 en 9 van de vergunningsaanvraag, waaruit duidelijk blijkt dat er: - geen emissie is in de buitenlucht, - de bedrijfsafvalstoffen enkel bestaan uit oud ijzer, dat wordt opgehaald door een erkend ophaler voor recyclage, - noch bedrijfsafvalwaters, noch huishoudelijke afvalwaters gevormd of geloosd worden in de voorziene werkruimte. 3) Tenslotte, indien er in concreto ook maar sprake zou kunnen zijn van enige hinder, dient opgemerkt dat de aanpalende bedrijven dan wel het best geplaatst zijn om zulks te beoordelen. Welnu, uit het weigeringsbesluit blijkt vooreerst dat er geen enkel bezwaar tegen de vergunningsaanvraag werd ingediend. Bovendien bevestigen de eigenaars der aanpalende bedrijven nogmaals schriftelijk dat zij geen enkele hinder van de uitbating van verzoekster ondervinden, en zij evenmin ook maar enige bezwaar hebben tegen de overigens minieme uitbreiding. Terzake verwijst verzoekster naar de schriftelijke verklaringen van de NV De Caigny, de BVBA Verpalen, de NV Menbo, de BVBA Brabamij, de NV Bedtime, de NV Unicom Computers, de BVBA Berckmans-Nelen en de Bouwshop Segers. Zelfs de eigenaars van de meest nabijgelegen privatieve woningen, zijnde dhr. Alfons Matthyssen en dhr. Kamiel Elst, wonende op respectievelijk Spijker 87 en 91,ontkennen ook maar enige hinder te hebben van de uitbating van verzoekster, en formuleren evenmin enig voorbehoud tegen de bijkomende aanvraag. (...) C. Door de weigering schendt het College ook het bij grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel, door aanvragen van bedrijven, welke zich in dezelfde situatie bevinden, anders te beoordelen. Het is uitgesloten dat aanpalende bedrijven zonder meer een milieuver- gunning klasse 2 van datzelfde College (of van de Bestendige Deputatie) bekwamen, zonder dat alsdan door het College werd geschermd met het begrip 'intrinsieke hinder'. Het volstaat terzake te verwijzen naar de volgende vergunningen: 1) Op 3 augustus 1998, zijnde amper een jaar geleden, leverde het College een vergunning inrichting klasse 2 af aan de BVBA Dolce Vita, Spijker 105, met ondermeer, naast toelating tot het lozen van niet in de rubrieken 3.2 of 3.6 begrepen huishoudelijk afvalwater in een gracht en de opslagplaats voor vloeistoffen minder dan 100/ C van 5.000 1., de openstelling van feestzalen en lokalen met een dansgelegenheid, zijne in concreto een discotheek. Volgens het gewestplan is deze zelfs gelegen, niet in een woongebied met landelijk karakter, niet in een agrarisch gebied, doch wel in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl een drukbezochte discotheek ongetwijfeld heel wat meer hinder veroorzaakt dan de VII-22.346-7/20 voorgenomen uitbating van verzoekster. (vergunning tot 3 augustus 2018) (...) 2) Op 8 augustus 1991 verleende de Bestendige Deputatie een vergun- ning af aan de NV Menbo, Spijker 65 voor de inrichting van een schrijnwerkerij. (vergunning tot 8 augustus 2011) Het betreft hier het onmiddellijk aan het bedrijf van verzoekster aanpalende bedrijf. In deze vergunning waren begrepen de plaatsing en inwerkingstelling van diverse houtbewerkingsmachines met een gezamenlijk vermogen van circa 23 kW en een opslagplaats voor 5000 l. gasolie. De vraag dient dan ook gesteld waarom houtbewerkingsmachines van ca. 23 kW geen hinder zouden veroorzaken, en machines voor het mecha- nisch behandelen van metalen met een vermogen van 25 kW wél! Bovendien blijkt uit deze vergunning (p. 1) dat het College inzake Menbo wél een gunstig advies verleende, zonder enig voorbehoud. (...) Hieruit blijkt duidelijk de behandeling met twee maten en twee gewichten, daar waar voor de ene buur met een gelijkaardig kilowattvermogen wordt gesteld dat hij geen hinder veroorzaakt, terwijl voor de andere buur, in casu verzoekster, in eenzelfde situatie, er plots wel sprake zou zijn van een onaanvaardbare intrinsieke hinder. Begrijpe wie begrijpen kan! 3) Naast het eigendom der NV Menbo, en dus quasi aanpalend aan dit van verzoekster, bevindt zich het autocarbedrijf BVBA VERPALEN, met name op het adres Spijker 59. Deze bekwam eveneens bij beslissing van het College van 18 mei 1992 een vergunning voor inrichting klasse 2. (vergunning tot 18 mei 2012) Naast toelating tot het lozen van bedrijfsafvalwaters en opslag van vloeistoffen van meer dan 55/C, werd eveneens gunstig geadviseerd voor de rubrieken 15.3, zijnde werkplaatsen voor nazicht, herstellen en onderhouden van motorvoertuigen met gebruik van meer dan één schouwput of brug, en de rubriek 29.5.2, zijnde inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van meer dan 10 kW tot en met 200 kW! Bovendien betreft het hier een toelating nopens dezelfde rubriek als deze waarvoor verzoekster thans beroep aantekent, te weten de rubriek 29.5.2. (...) 4) Ook de heer Rudolf Segers bekwam op 18 juni 1990 vanwege het College een vergunning inrichting klasse 2 voor keukenfabricatie met houtbewerkingsmachines van samen 13 pK op het adres Spijker 81-83,en dus ook voor een pand, quasi palend aan dit van verzoek- ster.(vergunning tot 18 juni 2020 nl. 30 jaar) (...) 5) De heer Ronny Kerstens bekwam op 10 september 1996 een vergunning inrichting klasse 2 vanwege het College voor het uitbaten van een garage op het adres Spijker 39, op amper 100 m. van de vestiging van verzoekster, doch dan wel in de richting van het Essen-centrum. Naast toelatingen voor het lozen van zowel bedrijfsafvalwater als van huishoudelijk afvalwater en voor de aanleg van een opslagplaats voor vloeistoffen hoger dan 100/ C, bekwam hij tevens de vergunning voor rubriek 15.3, zijnde voor een werkplaats voor herstel en nazicht van voertuigen. VII-22.346-8/20 Hierbij kan deze uitbater dan ook gebruik maken van toestellen met een onbepaald kilowattvermogen. (vergunning tot 10 september 2016 nl. 20 jaar) (...) Verzoekster brengt ook onder de aandacht dat tevens aan de tegenover haar eigendom gelegen bedrijfsvestigingen, te weten aan de linkerzijde de straat het Spijker, gezien in de richting Essen, steeds de gevraagde vergunningen werden afgeleverd, te weten: - aan de NV Mantra voor de inrichting van textiel- en zeefdruk op 7 december 1989 door de Bestendige Deputatie (2/54.775 f2/DC) - aan de BVBA Mia Van Loon voor de uitbating van een omvangrijk pompstation Esso op 17 april 1986 (2/T/52/ 543 f2/BVL) en op 3 november 1989 (2/55. 731 f2/AK) - aan de BVBA Garage Van Loon door het College op 25 mei 1992 en op 6 september 1999 (1999/206) - aan de schrijnwerkerij BVBA Vado door het College op 9 juli 1990, - aan de NV Van den Bergh voor het mechanisch behandelen van hout, door het College op 17 mei 1993. Weliswaar situeren deze laatste bedrijven zich in een drietal kleine, blijkbaar historische enclaves van ambachtelijke zones aan de andere kant der straat, doch, zoals uit het gewestplan blijkt, zijn ook zij volledig ingesloten en omgeven door agrarisch gebied! Kortom het besluit van het College tot weigering van de milieuvergun- ning klasse 2 aan verzoekster is geenszins afdoende gemotiveerd, en is bovendien niet gesteund op enige objectieve grond. Verzoekster verzoekt de Leden der Bestendige Deputatie dan ook het beroep gegrond te willen verklaren en de vergunning af te leveren, conform de oorspronkelijke aanvraag"; 1.7. In het kader van de beroepsprocedure brengen de dienst Milieuvergunningen van ANIMAL en de Provinciale Milieuvergunningscommissie een ongunstig advies uit. 1.8. Op 4 mei 2000 wordt de bestreden beslissing genomen. Het beroep van de verzoekende partij wordt ongegrond verklaard. De motivering van het bestreden besluit luidt als volgt: "(...) Overwegende dat het beroepschrift betrekking heeft op: - Het college verwijst ten onrechte naar de onverenigbaarheid van de gevraagde verandering met de bestemming op het gewestplan. * Voor dit bedrijfsgebouw, waarin voorheen reeds een niet meldings- noch vergunningsplichtige activiteit werd uitgeoefend, werd een volkomen rechtsgeldige bouwvergunning afgeleverd. Volgens het gewestplan is de toonzaal-woning gelegen in een woongebied met landelijk karakter en het bedrijfsgebouw in agrarisch gebied, maar beide gebouwen maken een ondeelbare bedrijfseenheid uit. * De toepassing van de afwijkingsmogelijkheid van art. 43 §7 en §8 van het decreet betreffende ruimtelijke ordening heeft er toe geleid dat het bedrijf zich weliswaar theoretisch bevindt in een woongebied met landelijk karakter, maar in de praktijk volledig is ingesloten tussen andere ambachtelijke en KMO vestigingen. In concreto is het bedrijf VII-22.346-9/20 omgeven door minstens 14 andere bedrijven gevestigd in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch gebied en hiermee wordt het gelijkheidsprincipe geschonden. - Het college verwijst ten onrechte naar de intrinsieke hinder die het bedrijf zou veroorzaken. * Dit is geenszins behoorlijk gemotiveerd. * Het bedrijf veroorzaakt niet de minste hinder. * Door de weigering schendt het college ook het bij grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel door aanvragen van bedrijven die zich in dezelfde situatie bevinden anders te beoordelen; Gelet op het ongunstig advies van de milieudienst (IGEAN) /schepencollege in het kader van de procedure in eerste aanleg, op volgende elementen uit dit advies: Overeenkomstig artikel 43 §7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996 kan het college van burgemeester en schepenen bij het verlenen van een milieuvergunning echter afwijken van de bepalingen van het gewestplan. Dergelijke afwijking kan echter slechts onder de volgende voorwaarden: 1. het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, en 2. de milieuvergunningsaanvraag moet één of meer van de volgende bepalingen als voorwerp hebben:
- a)het hernieuwen van een milieuvergunning van een inrichting
- b)het veranderen van de exploitatie van een inrichting op voorwaar- de dat de verandering geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft, onverminderd hetgeen in punt
- d)wordt bepaald
- c)het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor definitief een bouwvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een vergund gebouw is verleend
- d)het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor definitief een bouwvergunning voor het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of een vaste inrichting is verleend. De in deze milieuvergunningsaanvraag opgenomen inrichting (inrichting voor metaalbewerking) voldoet aan de voorwaarde vermeld in punt 1 aangezien de exploitatie ervan niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. De inrichting voldoet eveneens aan de voorwaarde vermeld onder punt 2b. In het bestaande bedrijfsgebouw wordt door de bvba Hekkenbouwer immers reeds een niet-meldingsplichtige en niet-vergunningsplichtige inrichting uitgebaat, zijnde een inrichting voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 4,3 kW. Deze milieuvergunningsaanvraag heeft betrekking op de uitbreiding van voormeld vermogen van 4,3 kW met 20,7 kW tot een geïnstalleerde totale drijfkracht van 25 kW, waardoor de inrichting vergunnings- plichtig klasse 2 wordt. Niettegenstaande deze inrichting op basis van het voormelde in aanmerking komt voor de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, wordt geopteerd hiervan geen gebruik te maken gelet op de intrinsieke hinder die dit bedrijf veroorzaakt en op de onverenigbaarheid met de bestemming op het gewestplan; Gelet op het ongunstig advies dd. 25 februari 2000 (kenmerk AMV/A/VL2/1851) van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de VII-22.346-10/20 Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer; op volgende elementen uit dit advies : Het voorwerp van onderhavige aanvraag betreft in hoofdzaak de exploitatie van een inrichting voor het vervaardigen/monteren van metalen poorten en afsluitingen. De exploitant vraagt een milieuvergunning aan voor activiteiten in een agrarisch gebied, maar de aangevraagde activiteiten horen niet thuis in een agrarisch gebied. De bij het beroep gevoegde exploitatie- en milieuvergunningen waarvan de activiteiten enigszins als gelijkaardig kunnen beschouwd worden, namelijk Segers keukenfabricatie (13 pk houtbewerkingsmachines), bouwbedrijf Menbo (23 kW houtbewerkingsmachines), autocarbedrijf Verpalen (onderhoudswerk- plaats en metaalbewerkingsmachines) en garage Kerstens zijn geen van allen verleend in agrarisch gebied, zodat de weigering van de vergunning door het college van burgemeester en schepenen geenszins een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Zonder er rekening mee te houden of de gevraagde activiteiten al dan niet thuishoren in een agrarisch gebied, quod non, dient men aan te nemen dat, in tegenstelling met wat de beroepsindiener beweert, er sprake kan zijn van hinder zelfs als deze thans voor metaalbewerkingsmachines met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 4,3 kW door de geburen als aanvaardbaar en daarom als niet bestaande wordt ervaren: de exploitant meldt bovendien in de aanvraag als maatregel om lawaaihinder te voorkomen slechts het werken met moderne machines en in het beroep, meer bepaald onder punt 2B2), waar hij beweert dat er absoluut geen sprake kan zijn van enige hinder, maakt hij helemaal geen gewag meer van geluid; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de Cel Ruimtelijke Ordening van de Afdeling ROHM van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM); Gelet op het ongunstig advies dd. 11 april 2000 van de Provinciale milieuver- gunningscommissie (PMVC); op volgende elementen uit dit advies: - De omschrijving van het voorwerp van de aanvraag opgenomen in het besluit van het schepencollege blijft behouden. - AROHM meldt ter zitting dat de bergplaats gelegen is in agrarisch gebied. In dit gebouw zouden compressoren worden geplaatst. De toonzaal en woning liggen in landelijk woongebied. - De PMVC volgt het ongunstig advies van het schepencollege en AMV. Conclusie: ongunstig; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied (voor de bergplaats) en landelijk woongebied (voor de toonzaal en woning); Overwegend dat de ongunstige adviezen van de AMV en de PMVC in aanmerking worden genomen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting voor het vervaardigen/monteren van metalen poorten en afsluitingen, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de exploitant, verwezen kan worden naar de voornoemde adviezen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen wordt beperkt; (...)"; 2. De gegrondheid van het beroep VII-22.346-11/20 Overwegende dat de vergunning werd geweigerd op grond van beide decisieve weigeringsmotieven: 1. de geluidshinder 2. de onverenigbaarheid van de inrichting met de stedenbouwkundige voorschriften; dat het eerste middel en het derde middel gericht zijn tegen respectievelijk het eerste en het tweede weigeringsmotief; 2.1.1. Overwegende dat in het eerste middel "de niet- of gebrekkige motivering” wordt aangevoerd, dat de verzoekende partij in essentie betoogt dat de milieuvergunning geweigerd wordt op grond van een nietszeggende en onjuiste stijlclausule, en dat de uitbreiding slechts betrekking heeft op 25 kW; dat voorts zij doet gelden wat volgt: "Ook inhoudelijk is de overweging met betrekking tot de risico's voor de veiligheid, hinder en effecten op het leefmilieu volstrekt onjuist. Uit de milieuvergunningsaanvraag (p. 8, 9 en 10) blijkt immers dat: - er geen emissie is in de buitenlucht, - de bedrijfsafvalstoffen enkel bestaan uit oud ijzer, dat wordt opgehaald door een erkend ophaler voor recyclage, - er noch bedrijfsafvalwaters, noch huishoudelijke afvalwaters worden gevormd of geloosd in de voorziene werkruimte. - dat bodemverontreiniging wordt voorkomen door het werken op betonnen werkvloeren, enz... In het in het besluit der Bestendige Deputatie vermelde ongunstig advies van AMV dd. 25 februari 2000, worden twee opmerkingen gesteld, welke terzake niet dienstig zijn:
- a)Het feit dat de buren thans geen hinder ondervinden van machines met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 4,3 kW, betekent niet dat zulks ook het geval zou zijn wanneer deze wordt opgetrokken tot 25 kW. Zulks beweren houdt een manifeste ontkenning in van de voorgebrachte bewijsstukken. Vooreerst is de vestiging van verzoekster, ondanks het gewestplan, gelegen in een 'feitelijke' KMO-zone en bevinden er zich aanpalend en in de onmiddellijke buurt een aantal bedrijven welke wél milieuvergunningen bekwamen, ja zelfs tot een aanzienlijk hoger vermogen dan 25 kW. Welnu, hiervan hebben de buren nooit enige hinder gehad. Bovendien blijkt uit het bij de Bestendige Deputatie gedeponeerde dossier der overtuigingsstukken dat alle omwonenden uitdrukkelijk hebben verklaard geen enkel bezwaar te hebben tegen de gevraagde vergunning, m.a.w. ook zij beseffen uit ervaring dat een verhoging tot amper 25 kW, voor hen geen enkele daadwerkelijke hinder met zich kan meebrengen.
- b)Tevens zoekt AMV spijkers op laag water door te stellen dat verzoekster in haar beroepsakte onder punt 2B2 wel zou beweren dat er absoluut geen sprake kan zijn van enige hinder, doch hierbij helemaal geen gewag meer maakt van eventuele geluidshinder. Verzoekster hoeft in haar akte van beroep toch niet de volledige milieuvergunningsaanvraag te herhalen! VII-22.346-12/20 Hierin staat op p. 10 immers klaar en duidelijk te lezen : 'Lawaaihinder wordt voorkomen door het werken met moderne machines.' Iedereen welke een beetje met de praktijk vertrouwd is, weet immers dat de moderne machines dermate geperfectioneerd zijn, dat eventuele geluidshinder tot een minimum is beperkt. Trouwens, de aanpalende buurman, te weten de NV Menbo beschikt over een milieuvergunning tot het jaar 2011 o.a. voor het gebruik van houtbewerkingsmachines met een vermogen van 23 kW. Ook deze veroorzaken geen geluidshinder. Wat voor de ene geldt, geldt uiteraard ook voor de andere. De beslissing der bestendige deputatie is derhalve niet of minstens onvoldoen- de gemotiveerd"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, samengevat, betoogt dat alle overwegingen van het bestreden besluit samen moeten worden gelezen, dat er immers wordt verwezen naar de ongunstige adviezen van AMINAL en de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat deze adviezen eensluidend zijn en voldoende toegespitst op de concrete gegevens van het dossier, dat ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie door AROHM een ongunstig advies werd uitgebracht, dat ook de afdeling Milieuvergunningen op de planologische onverenigbaarheid heeft gewezen; dat zij opmerkt dat het belangrijkste punt de planologische onverenigbaarheid is, dat de andere bedrijven waarop de verzoekende partij alludeert in haar beroepschrift geenszins gelegen zijn in agrarisch gebied en dat de afwijkingsmogelijkheid neergelegd in artikel 43, §7 en 8 van het gecoördineerd stedenbouwdecreet, louter facultatief is; dat zij nog stelt dat uit het advies van de AMV kan worden afgeleid dat deze dienst van oordeel is dat de verzoekende partij in het aanvangdossier en in het beroepschrift erg karig is met haar informatie over de hinder; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord repliceert dat de adviezen van de AMV en de PMVC slechts op één weigeringsgrond steunen, nl. de ligging van de bedrijfsruimte in agrarisch gebied, doch dat zij geenszins de argumenten van de verzoekende partij beantwoorden, dat uit het advies van de AMV niet blijkt welke hinder zou ontstaan, dat de naaste geburen bevestigden dat zij geen hinder zullen ondervinden, dat de AMV blijkbaar in algemene bewoordingen mag zeggen dat er hinder zal zijn, terwijl de verzoekende partij concreet en in detail moet kunnen aantonen dat er geen hinder zal zijn; 2.1.4.1. Overwegende, wat het weigeringsmotief gestoeld op de hinder betreft, dat de verwerende partij in de bestreden beslissing het ongunstig advies van de AMV als motivering overneemt; dat desbetreffend in dit overgenomen advies wordt gesteld: VII-22.346-13/20 "Zonder er rekening mee te houden of de gevraagde activiteiten al dan niet thuishoren in een agrarisch gebied, quod non, dient men aan te nemen dat, in tegenstelling met wat de beroepsindiener beweert, er sprake kan zijn van hinder zelfs als deze thans voor metaalbewerkingsmachines met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 4,3 kW door de geburen als aanvaardbaar en daarom als niet bestaande wordt ervaren: de exploitant meldt bovendien in de aanvraag als maatregel om lawaaihinder te voorkomen slechts het werken met moderne machines en in het beroep, meer bepaald onder punt 2B2), waar hij beweert dat er absoluut geen sprake kan zijn van enige hinder, maakt hij helemaal geen gewag meer van geluid"; 2.1.4.2. Overwegende dat het in casu gaat om een uitbreiding van het vermogen tot 25 kW, hetgeen eerder gering is; dat de verzoekende partij in haar aanvraagdossier heeft aangegeven dat het om een beperkte uitbreiding gaat, en dat zij een aantal preventieve maatregelen heeft opgesomd zoals het werken met moderne machines en volgens een goede bedrijfsvoering; dat van een dergelijke minieme uitbreiding bezwaarlijk kan worden verwacht dat de exploitant een omvangrijke en gedetailleerde uiteenzetting geeft over de preventieve maatregelen; dat daarbij komt dat er tijdens het openbaar onderzoek geen enkel bezwaar werd ingediend, dat de exploitant in zijn beroepschrift er op gewezen heeft dat de inrichting de facto toch al in een KMO-omgeving lag en dat de omwonenden, met inbegrip van de twee meest nabijgelegen privatieve woningen, hebben verklaard geen enkele hinder te ondervin- den van de activiteiten van de verzoekende partij en bevestigden "evenmin enig bezwaar te hebben tegen de aangevraagde verhoging van het aldaar te gebruiken kilowattvermogen"; dat die verklaringen bij het verzoekschrift waren gevoegd; dat die elementen in acht genomen de AMV, en dan ook de verwerende partij, er niet mee kan volstaan zonder enige concrete uitleg te poneren dat er overdreven hinder zal zijn; dat, tenslotte, voor zover in het bestreden besluit als motivering voor de weigering van het beroep wordt verwezen naar het in eerste aanleg uitgebracht advies van IGEAN, wordt vastgesteld dat daarin louter wordt geponeerd "gelet op de intrinsieke hinder die het bedrijf veroorzaakt” zonder enige nadere toelichting; dat het middel gestoeld op de schending van de formele motiveringsplicht gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat het derde middel als opschrift heeft "het ontbreken van het redelijkheidsbeginsel"; dat het middel als volgt wordt geadstrueerd: "1) De bestendige deputatie stelt in haar besluit: 'Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting voor het vervaardigen/monteren van metalen poorten en afsluitingen, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met de voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften.' Deze motivering berust enkel op het feit dat het aanpalende achtergelegen bedrijfsgebouw zich toevallig in agrarisch gebied bevindt. VII-22.346-14/20 Men moet terzake evenwel realistisch blijven. Eind 1987 bekwam verzoekster wel degelijk een toelating tot het bouwen van een aanpalende, achtergelegen bedrijfsruimte in agrarisch gebied. Reeds jaren wordt hierin gewerkt door middel van 1 zaagmachine, 2 boormachi- nes en 1 schuurmachine, met een totaal vermogen van 4,3 kW, welke activiteit noch meldings- noch vergunningsplichtig was. (p. 5 milieuaanvraag) Thans wenst verzoekster een milieuvergunning klasse 2 te bekomen wegens 'verandering van een inrichting'. 'Verandering van een inrichting' betekent, conform art. 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 o.a. 'uitbreiden',zijnde 'het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft.' Welnu, art. 43 van het Decreet van 22 oktober 1996 bepaalt onder § 8 dat bij het afleveren van een milieuvergunning een afwijking van het gewestplan mag worden verleend bij het veranderen van een inrichting, in casu van niet vergunningsplichtig tot wél vergunningsplichtig, op voorwaarde dat de verandering geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft. Welnu, in casu is er helemaal geen sprake van vermeerdering van oppervlakte of volume, doch enkel van de drijfkracht, zoals trouwens geheel onderschreven in het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen. (...) Door in casu de milieuvergunning te weigeren, louter op grond van het feit dat het bedrijfsgebouw gelegen is in agrarisch gebied, alhoewel de vergunnende instanties terecht van oordeel zijn dat in dit specifiek geval wel degelijk toepassing kan worden gemaakt van voormeld art. 43 § 7 en 8, is elke redelijkheid zoek. Deze artikelen zijn precies met het oog op zulke gevallen in het leven geroepen, en wanneer men dan toch toepassing hiervan weigert, enkel en alleen om reden van een afwijking van het gewestplan -zijnde precies dé reden waarom dit artikel werd gecreëerd- ontneemt men aan dit artikel elke reële waarde en kan men het beter onmiddellijk afschaffen. Bovendien voorziet voormeld art. 43 § 7 als enige beperking dat de goede ruimtelijke ordening niet mag worden geschaad en bepaalt het verder: 'Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort.' Welnu, uit de weigeringsbesluiten én van het College van Burgemeester en Schepenen én van de Bestendige Deputatie, blijkt nergens ook maar enige concrete en controleerbare verwijzing terug te vinden waaruit zou kunnen geconcludeerd worden dat in casu de goede ruimtelijke ordening zou kunnen worden geschaad door de toekenning der milieuaanvraag nopens een bestaand en vergund gebouw, hetgeen op zich bovendien een inbreuk betekent op de lastens hen wegende motiveringsplicht. 2) De redelijkheid gebiedt ook rekening te houden met de feitelijke situatie welke nu reeds decennia ter plaatse heerst. Zoals reeds gesteld, is de plaats van vestiging van het bedrijf van verzoekster, reeds jarenlang omgeven door minimaal een twintigtal KMO-vestigingen aan beide zijden van het Spijker, dermate dat er aldaar van enig landelijk woong- ebied reeds lang geen sprake meer is, doch wel van een feitelijke KMO-zone. Reeds in 1994 heeft de Gemeenteraad van Essen getracht één en ander te regulariseren met het oog waarop een voorlopige goedkeuring werd gehecht aan een wijzigend bijzonder plan van aanleg Spijker, opgesteld door de vzw Mens en Ruimte uit Brussel, blijkens het uittreksel uit de beraadslagingen der gemeenteraad van 28 juni 1994. (...) Hieruit blijkt dat de gemeente Essen reeds in 1994 opteerde tot de omvorming deel Spijker van landelijk woon-gebied tot VII-22.346-15/20 KMO-zone, met inbegrip van het perceel agrarisch gebied, waarop het achtergelegen bedrijfsgebouw van verzoekster zich bevindt. Verder dient de aandacht te worden gevestigd op het Decreet van 18 mei 1999, in het kader waarvan de gemeente gehouden zal zijn om binnen een korte periode over te gaan tot het opstellen van een gemeentelijk ruimtelijk structuur- plan. Het lijkt nu reeds onbetwistbaar dat de gemeente Essen geen andere keuze rest dan voor de zone, waar de vestiging van verzoekster zich bevindt, over te gaan tot omvorming tot KMO-zone met inbegrip van een achtergelegen strook welke nu nog als agrarisch gebied is ingekleurd. Derhalve had de Bestendige Deputatie minstens voor de termijn welke nodig is om deze structuurplannen te realiseren, aan verzoekster een milieuvergunning kunnen toestaan, daar zij deze nadien zonder enige moeilijkheid toch zal kunnen bekomen. Ook hieromtrent dient de redelijkheid in acht te worden genomen. 3)Verder dient opnieuw verwezen naar artikel 43 § 7,laatste alinea van het Decreet van 22 oktober 1996. Deze alinea bepaalt dat, wanneer de ruimtelijke ordening toch zou worden geschaad door toepassing van dit artikel - waarvan in casu evenwel zelfs geen sprake is - de overheden rekening kunnen houden met een termijn die nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren met een maximum van 5 jaar. Nu uit de redengeving van de milieuweigering blijkt dat het College van Burge- meester en Schepenen ten onrechte, doch hierin gevolgd door de Bestendige Deputatie, van oordeel is dat een toekenning der milieuvergunning in casu toch schadelijk zou zijn voor de ruimtelijke ordening, zonder nochtans enige precisering daaromtrent, hadden zij minstens aan verzoekster een milieuvergun- ning moeten toekennen voor een termijn van 5 jaar teneinde haar de mogelijk- heid tot herlocalisatie niet te ontnemen. Zelfs dit heeft het milieuvergunnende bestuur overbodig geacht, hetgeen zeker in het licht van de hierboven geschetste feitelijke omstandigheden ook een aanfluiting betekent van elke redelijkheid. In dat kader dient opgemerkt dat de zaakvoerster van verzoekster en haar echtgenoot dan zelf maar het initiatief hebben genomen en op 3 mei 2000 een kantoorgebouw met een perceel industriegrond hebben aangekocht op het industrieterrein der gemeente Essen, gelegen Rijkmakerlaan.(...) Thans dienen de nodige plannen te worden opgesteld, de vereiste bouw- en milieuvergunningen te worden aangevraagd, de werken te worden uitgevoerd enz ... teneinde dit pand gebruiksklaar te kunnen maken ter uitoefening van haar specifieke bedrijfsactiviteiten. Weliswaar betreft dit een nieuw recent gegeven doch het betreft een reden temeer om, zelfs indien de Raad van State van oordeel mocht zijn dat het besluit der Bestendige Deputatie voldoende zou gemotiveerd zijn nopens het punt dat de toekenning der milieuvergunning aan verzoekster de goede ruimtelijke ordening zou schaden aan verzoekster een milieuvergunning toe te staan voor minstens vijf jaar, met het oog op herlocalisatie. 4) Tenslotte zou het hoe dan ook onverantwoord zijn voor dergelijke beperkte milieuaanvraag, de zaak van verzoekster te moeten sluiten en een zestal personeelsleden de laan uit te sturen wegens eventuele bedrijfssluiting. Bovendien hanteert het Ministerie van Financiën, Administratie van het Kadaster, wel de reële norm, en wordt door deze dienst het ganse perceel sectie B nr. 481 F, en dus ook de strook, gelegen in agrarisch gebeid, niet aanzien als agrarisch, doch enkel en alleen als bouwgrond met gebouwen, zodat het kadastraal inkomen voor dit perceel zomaar eventjes 316.900 fr. beloopt (...) Het is derhalve onbetwistbaar dat er een duidelijke discrepantie bestaat nopens de concrete bestemming van deze grond tussen de onderscheiden overheidsdien- sten. VII-22.346-16/20 Ook daarvoor gebiedt de redelijkheid de door verzoekster gevraagde milieuvergunning gunstig te beoordelen"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord samengevat betoogt dat het bedrijfsgebouw ligt in een agrarisch gebied en dat zij het gewestplan moet toepassen, dat artikel 43, §7 van het gecoördineerd stedenbouwdecreet toelaat van het gewestplan af te wijken, maar dat zij dit niet automatisch moet doen, dat immers het principe blijft dat een milieuvergunning dient geweigerd wanneer zij afsluit op een planologische onverenigbaarheid, dat de voorlopige goedkeuring van een wijziging van een BPA niet relevant is, dat ze evenmin verplicht was een vergunning voor vijf jaar te verlenen, dat de verzoekende partij zichzelf tegenspreekt, vermits zij zelf te kennen geeft dat zij plannen heeft om te verhuizen, wat er op wijst dat zij zelf van oordeel is dat er een stedenbouwkundige onverenigbaarheid is, dat noch het tewerkstellingsargument, noch het argument m.b.t. het kadastraal inkomen relevant is; 2.2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij nog aanstipt dat de omliggende bedrijven wel milieuvergunningen bekwamen; 2.2.4.1. Overwegende dat in de uiteenzetting van het middel de verzoeken- de partij zich niet alleen beklaagt over de schending van het redelijkheidsbeginsel maar eveneens doet gelden dat artikel 43, §7, van het gecoördineerd stedenbouwde- creet niet correct is toegepast en dat er op dit punt ook een schending van de motiveringsplicht is; 2.2.4.2. Overwegende dat artikel 43, §§7 en 8 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening ten tijde van de bestreden beslissing bepaalde wat volgt: "§7 De overheden die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning moeten beslissen over milieuvergunningsaanvragen kunnen bij het verlenen van de milieuvergunningen afwijken van de bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verwerving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag. VII-22.346-17/20 Wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad kunnen de overheden rekening houden met de termijn die er nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren, met een maximum van 5 jaar. §8 Een in de paragrafen 6 of 7 bedoelde afwijking kan slechts onder de volgende voorwaarden worden verleend:
- a)het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, en
- b)de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet één of meer van de volgende bepalingen als voorwerp hebben: -het hernieuwen van een milieuvergunning van een inrichting; -het veranderen van de exploitatie van een inrichting, zoals bedoeld in hoofdstuk V van het decreet van 28 juni 1985, op voorwaarde dat de verandering geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft, onverminderd hetgeen na de vierde gedachtestreep wordt bepaald; -het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, op grond van artikel 42, § 1,7, en overeenkomstig artikel 43, § 2 definitief een bouwvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een vergund gebouw is verleend; -het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, overeen- komstig artikel 43, § 2 definitief een bouwvergunning voor het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of een vaste inrichting is verleend"; 2.2.4.3. Overwegende dat in het advies van IGEAN, dat door de Provinciale Milieuvergunningscommissie en door de verwerende partij als motivering wordt overgenomen, het hiervoor geciteerd artikel 43, §§ 7 en 8 van het gecoördi- neerd stedenbouwdecreet wordt geanalyseerd en wordt gesteld dat "deze inrichting op basis van het voormelde in aanmerking komt voor de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid";dat nergens die stelling wordt betwist, zodat kan worden aangenomen dat de inrichting van de verzoekende partij voldeed aan de voorwaarden om in toepassing van deze bepalingen een milieuvergunning voor een zonevreemde inrichting te bekomen; dat de verwerende partij dienaangaande terecht betoogt dat die afwijkingsmogelijkheid facultatief en niet verplichtend is; dat evenwel wanneer, zoals in casu, de vergunningsaanvrager in zijn beroepschrift er op wijst dat de inrichting in aanmerking komt voor een afwijkingsmogelijkheid met in begrip van de uitleg waarom en ook uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt dat er inderdaad zou kunnen afgeweken worden en deze mogelijkheid onder ogenschouw werd genomen, alsdan moet worden gemotiveerd waarom er desalniettemin voor wordt geopteerd om niet af te wijken; dat dienaangaande in het bestreden besluit de verwerende partij volgende overweging tot de hare maakt: "gelet op de intrinsieke hinder die dit bedrijf veroorzaakt en op de onverenigbaarheid met de bestemming op het gewestplan"; dat de onverenigbaarheid met het gewestplan uiteraard geen reden VII-22.346-18/20 kan zijn tot weigering van de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, vermits een afwijkingsmogelijkheid precies werd gecreëerd voor de gevallen waar er een onverenigbaarheid met het gewestplan is; dat ook het argument van de "intrinsieke hinder" niet overtuigt; dat immers, artikel 43, §§ 7 en 8 een stedenbouwkundige toetsing vereisen; dat daarenboven uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de "intrinsieke hinder" in het geheel niet is aangetoond; Overwegende dat het middel in een hierboven aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 4 mei 2000 waarbij het beroep van de b.v.b.a. HEKKENBOUWER tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen van 13 december 1999 houdende de weigering van de vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor het vervaardigen en monteren van metalen poorten en afsluitingen, Spijker 67 te Essen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig oktober tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, VII-22.346-19/20 E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-22.346-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.251 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div