← België

Arrest 164283 - - 31/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.283 Rolnummer: A. 139428/XIV-16026 Zaak: Arrest 164283 - - 31/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-01 07:52 Fiche Arrest nr 164.283 van 31 oktober 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.283 van 31 oktober 2006 in de zaak A. 139.428/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. TROCH kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Gateway House Brusselstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 18 juli 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 31 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; XIV-16.026-1/7 Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. TROCH, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 21 september 2000 en zich vluchteling verklaart op 22 september 2000; dat op 27 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 juni 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Perzische origine verklaart Iran te hebben verlaten omwille van politieke problemen. Op 20/09/2000 hebt u in België asiel aangevraagd samen met uw minderjarige zoon A. M. .. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand. Volgens de verklaringen die u aflegde op het Commissariaat-Generaal werd u in de 3de maand van 1362 (Iraanse tijdrekening; stemt overeen met mei-juni 1983 Europese tijdrekening) gearresteerd omwille van het feit dat u toevallig een pamflet in handen had gekregen van iemand die pamfletten verdeelde voor de Mujahedin-e Khalq Organisation (MKO- extreem linkse oppositiegroepering). Men beschuldigde u ervan pamfletten te verdelen voor de MKO, niettegenstaande u niets te maken had met hen. U werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Toen u vrijkwam moest u een document ondertekenen dat u zich niet meer zou inlaten met politiek, noch deelnemen aan demonstraties. Tevens kreeg u een maatschappelijk verbod. Daardoor kon u niet meer werken voor de overheid, kon u geen document van goed gedrag en zeden bekomen noch kon u bij een rechtzaak een advocaat verkrijgen. U werd ontslagen op uw werk. Tevens moest u zich regelmatig aanmelden bij het bureau van de Sepah-e Pasdaran (korps van revolutiewachters). In het jaar 1369

(1990)was er een gebeurtenis Mehrsad aan de grens. U moest zich aanmelden bij de Sepah-e Pasdaran maar aangezien u in Teheran woont begreep men dat u niets met de situatie te maken had. In 18/03/1378 (08/06/1999) was er een studentenbetoging. Opnieuw moest u zich aanmelden. Pas na twee maanden kon u bewijzen dat u niet had deelgenomen aan de demonstratie. Daarna moest u zich wederom tweemaandelijks aanmelden. Aangezien men in Iran de mensenrechten, de vrijheid en de democratie niet respecteert, er vrienden en kennissen werden opgepakt zonder dat er nog nieuws van hen was en het feit dat uw bewegingsvrijheid beperkt was besloot u op 15/06/1379 (06/09/2000) het land te verlaten. Tevens had u een enorme schrik opnieuw gearresteerd te worden. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat er onvoldoende elementen zijn die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Eerst en vooral dient te worden opgemerkt dat u zelf nooit politiek aktief was. In 1362
(1983)werd u gearresteerd omdat u toevallig een pamflet van de Mujahedin-e Khalq Organisation in uw handen kreeg. U werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. U hebt uw straf uitgezeten en daarna kon u zeventien jaar lang bijna ongestoord functioneren. U moest zich weliswaar een jaar lang XIV-16.026-2/7 maandelijks en bij elke belangrijke gebeurtenis aanmelden bij de Sepah-e Pasdaran. Tevens kreeg u een maatschappelijk verbod. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de problemen die u inroept betreffende het maatschappelijk verbod, namelijk het niet verkrijgen van een document van goed gedrag en zeden, ontslag op uw werk, geen kans om overheidsfuncties uit te oefenen en geen recht op een advocaat bij een rechtszaak, vallen onder de noemer discriminatie en bijgevolg onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden beschouwd als een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat betreft uw vrees om opnieuw gearresteerd te worden, dient te worden opgemerkt dat hiervoor onvoldoende elementen aanwezig zijn, zo bent u nooit politiek actief geweest en nam u nooit deel aan demonstraties of andere belangrijke gebeurtenissen tegen het regime. U moest zich weliswaar meerdere malen aanmelden bij de autoriteiten maar u werd telkens opnieuw zonder meer vrijgelaten. Na uw vrijlating in 1364
(1985)werd u niet meer gearresteerd, veroordeeld of in beschuldiging gesteld. U verbleef nog 17 jaar in Iran zonder systematische en zwaarwichtige vervolging te kennen zoals omschreven in de Geneefse Vluchtelingenconventie. De door u, in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. De fotokopie van uw boekje van burgerlijke stand en de kopie van het boekje van burgerlijke stand van uw zoon bevatten enkel persoonsgegevens waaraan niet wordt getwijfeld. Het document betreffende de studies van uw zoon tonen enkel aan dat uw zoon in België studeert. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat in het kader van de asielaanvraag van uw zus M. N. F. . eveneens een bevestigende beslissing werd genomen. Uw broer M. N. H. . werd erkend als vluchteling op 10/04/
  1. De problemen die u aanhaalt ter staving van uw asielaanvraag houden echter geen verband met de problemen waarop uw broer zich beroepte bij zijn asielaanvraag. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
  3. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij de schending aanvoert van de artikelen 48, 52, 57/8 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 1, A, 2 en 33 van het internationaal verdrag betreffende de status van de vluchtelingen, gedaan te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van de artikelen 2, 5, 6, 10 en 14 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij in onderdeel B van XIV-16.026-3/7 het eerste middel doet gelden dat het commissariaat-generaal het begrip “vervolging” een engere betekenis heeft gegeven dan bedoeld in de Vluchtelingenconventie, dat de maatregelen die tegen haar werden genomen omwille van haar vermeende politieke voorkeur voor de verboden MKO door de commissaris-generaal omschreven worden als discriminatie en bijgevolg onvoldoende zwaarwichtig zouden zijn om als gegronde vrees voor vervolging volgens de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd, dat dergelijke discriminerende maatregelen dermate de mensenrechten schenden dat zij wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging kunnen opleveren, hetzij zelf als vorm van vervolging kunnen beschouwd worden, dat het de verzoekende partij werd verboden nog op enige wijze haar politieke mening te uiten, op straffe van arrestatie en gevangenisstraf, wat een beperking inhoudt van haar recht op vrije meningsuiting en recht op vrijheid van vergadering en vereniging, dat daarenboven haar recht op bewegingsvrijheid werd beperkt en zij werd gediscrimineerd omwille van haar politieke overtuiging, op het gebied van tewerkstelling, en zelfs op het gebied van de rechten van verdediging aangezien zij geen recht meer had op een advocaat en dat de door de overheid ten opzichte van haar opgelegde maatregelen als discriminerend en willekeurig te beschouwen zijn, terwijl zij steeds leefde met de vrees voor vrijheidsberoving, indien zij uiting zou geven aan haar politieke opinie; 2.2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij met andere woorden van oordeel is dat de hierboven vernoemde discriminerende maatregelen zo zwaarwichtig zijn dat er sprake is van vervolging; dat de commissaris-generaal daarentegen van oordeel is dat de problemen van de verzoekende partij onder de noemer discriminatie vallen en bijgevolg onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden beschouwd als een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal met andere woorden meent dat discriminatie in se steeds onvoldoende zwaarwichtig is om te kunnen spreken van vervolging; Overwegende dat discriminerende maatregelen niet noodzakelijkerwijze onvoldoende zwaarwichtig zijn om als een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd; dat discriminatie slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan gelijkgesteld worden aan een vervolging; dat dit ondermeer zo zal zijn indien de discriminerende maatregelen gevolgen hebben die ernstige schade toebrengen aan de betrokken persoon, bijvoorbeeld ernstige beperkingen om een beroep uit te oefenen, om zijn godsdienst te belijden of om toegang te hebben tot onderwijsinstellingen die normaal voor iedereen openstaan; dat, indien de discriminerende maatregelen op zichzelf niet ernstig zijn, zij niettemin tot gevolg kunnen hebben dat de betrokkene met reden vreest voor vervolging indien ze bij hem een gevoel van vrees en onveiligheid opwekken met betrekking tot zijn eigen lot; dat de vraag of deze discriminerende maatregelen op zichzelf dienen gelijkgesteld te worden met een vervolging slechts kan worden beantwoord in het licht van alle omstandigheden van de situatie; XIV-16.026-4/7 Overwegende dat de verzoekende partij tijdens de asielprocedure duidelijk aanhaalde dat het maatschappelijk verbod heel ernstige gevolgen had voor haar (ontslag op het werk, kon nergens nog aan werk geraken, mocht Teheran niet buitengaan ... -zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken - “During the 17 years (...) was under a lot of pressure and mental torture and I always was afraid. Because I had no place in the society of my country, I mad a difficult choise to leave Iran” - CGVS vragenlijst); Overwegende dat de commissaris-generaal concludeert dat de problemen van de verzoekende partij aangaande het maatschappelijk verbod problemen in verband met discriminatie zijn en alleen daarom onvoldoende zwaarwichtig zijn; dat, gezien de belangrijke gevolgen die volgens de verzoekende partij verbonden waren aan het maatschappelijk verbod dat haar was opgelegd, de commissaris-generaal het al dan niet zwaarwichtige karakter van deze problemen in concreto had moeten nagaan vooraleer te stellen dat deze onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen worden beschouwd als basis van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat hij dit niet zonder meer kon afleiden uit de vaststelling dat het om problemen van discriminatie gaat; dat ook problemen van discriminatie immers dermate zware gevolgen kunnen hebben dat zij onder de toepassing van de Vluchtelingenconventie vallen; dat door de problemen veroorzaakt door het maatschappelijk verbod hoe dan ook als onvoldoende zwaarwichtig te beschouwen omdat het om discriminatie gaat, in plaats van het zwaarwichtige karakter van deze problemen nader in concreto te onderzoeken, de commissaris-generaal het begrip vervolging lijkt te hebben verengd en derhalve artikel 52 van de Vreemdelingenwet te hebben geschonden; dat uit het voorgaande volgt dat onderdeel B van het eerste middel ernstig is; 2.3.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij als moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende aanvoert : “Verzoeker geeft blijf van een moeilijk te herstellen nadeel aangezien hij effectief van het grondgebied kan verwijderd worden, terwijl hij in zijn thuisland gevaar loopt aangetast te worden in zijn fysieke integriteit, omwille van het gevaar op een onrechtmatige vasthouding, zonder rechterlijke tussenkomst. Immers zal de aantasting van zijn fysieke integriteit of zijn recht op vrijheid een nadeel zijn dat moeilijk te herstellen valt, doch dat kan vermeden worden indien de bestreden beslissing geschorst wordt. Daarenboven dient rekening gehouden te worden met de huidige situatie in Iran, waarbij een hele omwenteling in de politiek niet uit te sluiten is. De facto is het dan ook onmogelijk heden een terugkeer naar Iran te organiseren, zodat wanneer verzoeker gedwongen zou worden terug te keren, de omstandigheden zodanig zijn, dat er geen enkele zekerheid zal bestaan dat verzoeker terug tot bij zijn familie kan geraken, en er dus een groot gevaar is dat hij in erbarmelijke omstandigheden zal terecht komen, wat eveneens een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt. Bovendien zal hij daar ongetwijfeld worden gearresteerd, aangezien hij zich niet gehouden heeft aan het verbod om het land te verlaten, en zal verdacht worden van verdere politieke activiteiten, waarmee hij zich niet mag bezighouden. De onrechtvaardige en discriminatoire behandeling zal zich dan ook verder zetten, en tevens de toekomst van de zoon hypothekeren, wat als een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dient beschouwd te worden. Zodoende is er in casu een moeilijk te herstellen nadeel aanwezig, zodat de beslissing dient geschorst te worden.”; XIV-16.026-5/7 2.3.
  6. Overwegende dat uit deze uiteenzetting kan worden besloten dat de verzoekende partij bij een terugkeer naar haar land van herkomst het risico loopt te worden gearresteerd door de autoriteiten en van haar vrijheid te worden beroofd; dat deze uiteenzetting in het licht van het asielrelaas met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel overtuigt; dat de verzoekende partij aldus aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  7. Overwegende dat dienvolgens is voldaan aan de twee door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden om over te gaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de commissaris-generaal van 23 juni 2003, BESLUIT: Artikel
  8. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig oktober tweeduizend en zes, door : XIV-16.026-6/7 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.026-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.