id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.285 Rolnummer: A. 139913/XIV-16189 Zaak: Arrest 164285 - - 31/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-01 07:51 Fiche Arrest nr 164.285 van 31 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.285 van 31 oktober 2006 in de zaak A. 139.913/XIV-16.189 In zake : XXX, die woont te 2900 SCHOTEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 1 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 2003 waarbij een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN KILDONCK, die loco advocaat R. PROOST verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIESE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-16.189-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 21 augustus 1997 een beroepskaart voor vreemdelingen aanvraagt; dat haar een beroepskaart wordt toegekend met een geldigheidsduur tot 30 juni 2000 en een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, geldig tot 29 september 2000; dat de beroepskaart niet is hernieuwd; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 6 december 2002 aan de verzoekende partij een bevel geeft om het grondgebied te verlaten; dat de verzoekende partij op 11 februari 2003 een aanvraag om machtiging tot verblijf indient; dat op 26 juni 2003 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot verblijf niet- ontvankelijk verklaart; dat dit de bestreden beslissing is die luidt als volgt: “(...) Motivering De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9 § 3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: het feit dat betrokkene zaakvoerder is en geen verlenging van zijn beroepskaart heeft gekregen, een privé- woning heeft gekocht, zijn echtgenote cursussen Nederlands volgt, de kinderen hier naar school gaan, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Betrokkene had een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister tot 29/10/2000, tijdelijk verblijf. Voor de verdere verlenging diende betrokkene een geldig beroepskaart voor te leggen. Dit document legde hij niet voor en aldus is betrokkene niet in het bezit van de vereiste arbeidsvergunning om in België te mogen werken. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, al 2 van de wet van 15/12/
- Het feit dat de kinderen hier naar school gaan, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkene niet aantoont dat een scholing in het land van herkomst niet mogelijk is. Betrokkene is in de mogelijkheid om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst. Bijgevolg dient de vreemdeling: gevolg te geven aan de bijlage 13ter, hem betekend op 12/12/2002.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het eerste en enige middel is gesteund op een schending van de motiveringsplicht. Ten eerste dient opgemerkt te worden dat de vreemdelingenwet van 1980 geen bijzondere voorwaarden voorziet. Uit de samenlezing van de wet en de praktijk dienen er twee voorwaarden voldaan te worden: 1 buitengewone omstandigheden 2 onmogelijkheid om de aanvraag in het buitenland te doen Dat verzoeker als buitengewone omstandigheden aanhaalt: 1 . langdurig verblijf te België sinds 21/10/1999
- zaakvoerderschap van zijn eigen firma
- aankoop van een privé-woning
- het volgen van cursussen Nederlands en volledige integratie van zijn echtgenote
- de schoolgaande kinderen en de volledige integratie van de kinderen in België sinds 1999
- de mogelijkheid van verzoeker om alhier een arbeidskaart te verkrijgen, zodat zijn verblijf opnieuw geregulariseerd wordt XIV-16.189-2/6 Dat men in de bestreden beslissing enkel rekening houdt met het feit dat de kinderen alhier schoolgaand zijn en dat niet wordt aangetoond dat scholing in het land van herkomst niet mogelijk is. Dat men voorbij gaat aan de 5 andere gronden van integratie die naar voren worden geschoven. Dat men zelfs bij de enige grond van integratie die men weerhoudt ter beoordeling, geen rekening houdt met het feit dat de kinderen hier scholing volgen sinds 4 jaar en dat een onderbreking in hun scholing de kinderen en hun opleiding uiteraard niet ten goede komt. Dat de bestreden beslissing m.b.t. de onmogelijkheid om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst enkel zegt dat betrokkene in de mogelijkheid is om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst. Dat dit in theorie zeker mogelijk is, doch dat eenieder weet dat een aanvraag in het land van herkomst een zeer langdurige procedure is die een onderbreking in de integratie van het ganse gezin zou betekenen en hun toekomst zou bezwaren. Dat bovendien de aanwezigheid op Belgisch grondgebied van verzoeker onontbeerlijk is voor de goede werking van zijn handelszaak alhier. Dat hij immers de spil is waarrond deze handelszaak draait. Dat de facto de aanvraag in het land van herkomst aldus niet tot de mogelijkheden hoort.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt : “Verzoekers beroepen zich in hun enig middel op een ‘schending van de motiveringsplicht’. De verwerende partij merkt op dat de in casu bestreden beslissing geenszins kan bestreden worden met een dergelijk omschreven middel. Immers, wat de vermelding betreft door verzoekers van de ‘schending van de motiveringsplicht’, merkt de verwerende partij op dat de voormelde omschrijving kan worden beschouwd als onvoldoende duidelijk en niet precies omschreven, alsook dat geen geschonden geachte rechtsregel (de aard van de rechtsbron - (Grond)wet, algemeen rechtsbeginsel, rechtsregel van inter- of supranationale oorsprong - wordt immers niet vermeld) wordt aangeduid. Deze omschrijving is bij elk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State noodzakelijk opdat er sprake zou kunnen zijn van een 'middel' in de zin van art. 2, § 1, 2/ Algemeen Procedurereglement (R.B. dd. 23.8.1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Wanneer een bepaalde rechtstoestand in verband kan worden gebracht met meerdere rechtsregels, quod est in casu met de ‘schending van de motiveringsplicht', dient de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift de geschonden geachte rechtsregel(s) specifiek aan te duiden. Verzoekers blijven in gebreke aan deze vereiste te voldoen Verwerende partij is dan ook van oordeel dat het voorgaande toe laat te stellen dat het enig middel van de verzoekende partij, in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Geheel ten overvloede voegt de verwerende partij aan het bovenstaande toen dat de in casu bestreden beslissing dd. 26.06.2003 van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf, ten genoege van recht met motieven is voorzien opdat zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht die ter zake toepassing vindt. Immers, de formele motiveringsplichtde heeft geen ander doel dan de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem of haar ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij of zij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoekers kennelijk als gebrekkig gemotiveerde bestempelde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoekers immers toe om te achterhalen om welke redenen zijn aanvraag tot verblijfsmachtiging door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk wordt geacht, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. XIV-16.189-3/6 Immers, nu zij o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weet dat de door hen in het kader van hun aanvraag tot verblijfsmachtiging aangebrachte gegevens door het bestuur niet als uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de daarin vermelde wetsbepaling worden aangezien, en dat dit aan de basis ligt van het als onontvankelijk beschouwen van die aanvraag, moeten verzoekers worden geacht voldoende te zijn ingelicht om zich te kunnen realiseren dat hij tegen de te zijnen opzichte genomen beslissing kan opkomen door aan te tonen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan, wat in casu concreet wil zeggen, door aan te tonen dat het niet opgaat de voormelde omstandigheden niet te beschouwen als zijnde uitzonderlijk als bedoeld in de laatstvermelde wetsbepaling. Er is in casu wel degelijk afdoende geantwoord op de door verzoekers in het kader van hun aanvraag tot verblijfsmachtiging voorgelegde elementen. Verzoekers hun kritiek (welke feitelijke grondslag mist, nu in de in casu bestreden beslissing wel degelijk is uiteengezet dat het verblijf van betrokkene in het Rijk, het volgen van Nederlandse les, een woning hebben in België,... niet kunnen worden aanzien als uitzonderlijke omstandigheden) kan aan bovenstaande geen afbreuk doen. Dienaangaande kan bovendien worden opgemerkt dat bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet alleen inhoudelijke kritiek levert, maar er ook in slaagt de motieven vervat in de beslissing van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Het is volgens de verwerende partij dan ook ten overvloede dat kan worden vastgesteld dat verzoekers zichzelf tegenspreekt als zij stellen de motivering van de door hen bedoelde akte gebrekkig te achten, terwijl zij perfect bij machte blijken om de motieven vervat in de bestreden akte weer te geven in hun inleidend verzoekschrift en daarin uit te leggen waarom zij de motivering beschouwt als niet afdoende. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoekers het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers enig middel niet kan worden aangenomen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Verwerende partij werpt op dat de vermelding schending van de motiveringsplicht niet kan worden beschouwd als duidelijke en precies omschreven, zodat deze niet als middel kan aanvaard worden. Het is echter duidelijk dat het middel dat benoemd wordt als schending van de motiveringssplicht een naar recht omschreven middel is zoals bij menig gelegenheid door de Raad van State aanvaard. Dat verwerende partij er trouwens blijk van geeft te weten over welk middel het gaat, daar waar inhoudelijk op het middel wordt gereageerd. De opgeworpen onontvankelijkheid kan dan ook niet aanvaard worden.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij meent dat in de bestreden beslissing geen rekening is gehouden met vijf elementen van integratie die werden vermeld in de aanvraag, namelijk het langdurig verblijf, het zaakvoerderschap van haar eigen firma, de aankoop van een privé-woning, het volgen van cursussen Nederlands door haar echtgenote en de mogelijkheid om een arbeidskaart te bekomen; dat bovendien de verzoekende partij meent dat een aanvraag in het land van herkomst niet mogelijk is omdat dit de goede werking van haar handelszaak zou belemmeren; Overwegende dat de eerste stelling van de verzoekende partij feitelijke grondslag mist aangezien de bestreden beslissing uitdrukkelijk deze elementen vermeldt: “De motieven die betrokkene inroept, te weten: het feit dat betrokkene zaakvoerder is en geen verlenging van zijn beroepskaart heeft verkregen, een privé-woning heeft gekocht , XIV-16.189-4/6 zijn echtgenote cursussen Nederlands volgt, (...) vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België rechtvaardigen. Betrokkene had een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister tot 29/10/2000, tijdelijk verblijf. Voor de verdere verlenging diende betrokkene een geldige beroepskaart voor te leggen. Dit document legde hij niet voor en aldus is betrokkene niet in het bezit van de vereiste arbeidsvergunning om in België te mogen werken”; dat voorts de minister van Binnenlandse Zaken overweegt dat de elementen met betrekking tot de integratie het voorwerp kunnen uitmaken van een onderzoek conform artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet; dat hieruit blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk ingegaan is op deze elementen, zodat het middel in die mate feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het betoog dat de aanvraag niet in India kan worden ingediend omdat dit de goede werking van de handelszaak zou belemmeren, niet kan worden aanvaard; dat de verzoekende partij geen beroeps- of arbeidskaart heeft die haar zou toelaten professionele bezigheden in België uit te oefenen; dat de verzoekende partij zich hier niet op kan beroepen; dat bovendien dit element niet als dusdanig als buitengewone omstandigheid werd aangevoerd in de aanvraag; dat het middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.189-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig oktober tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.189-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div