← België

Arrest 164290 - - 31/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.290 Rolnummer: A. 163799/XIV-22927 Zaak: Arrest 164290 - - 31/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-01 07:51 Fiche Arrest nr 164.290 van 31 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 164.290 van 31 oktober 2006 in de zaak A. 163.799/XIV-22.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 29 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 februari 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 januari 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-22.927-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 30 december 2004 en zich vluchteling verklaart op 3 januari 2005; dat op 10 januari 2005 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 25 februari 2005 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U werd op 8 februari 2005 gehoord op het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Albanese taal machtig is en in aanwezigheid van uw raadsman, mr. Dirickx loco mr. Verstrepen. U verklaarde een Albanese moslim uit Gjakovë, Kosovo, te zijn. U zou in Kosovo problemen hebben gehad wegens uw katholieke vriendenkring, met wie u soms naar de kerk ging. De eerste keer dat u problemen zou gehad hebben, was begin
  3. Moslims zouden u in de wijk Mulla Isuf in Gjakovë lastiggevallen, bedreigd en geslagen hebben. Ze zouden gezegd hebben dat u niet meer met uw katholieke vrienden mocht omgaan en dat ze u in het oog zouden houden. U zou na dit incident niet naar de dokter zijn geweest, noch zou u een klacht ingediend hebben bij de politie, ook al kende u enkele daders van gezicht en wist dat er enkelen onder hen van Gjakovë waren. Ze zouden u elke keer als u hen tegenkwam lastiggevallen hebben. Enkele maanden voor uw vertrek zou u een laatste maal problemen met uw belagers hebben gekend. Van het laatste incident tot aan uw vertrek zou u voornamelijk binnengebleven zijn en u zou dan ook geen problemen meer met uw belagers hebben gehad. U zou Kosovo verlaten hebben op 10 december 2004 en zou via Servië, Kroatië, Slovenië, Italië en Frankrijk naar België zijn uitgeweken. Op 30 december 2004 zou u in België zijn aangekomen en op 3 januari 2005 vroeg u hier asiel aan. U bent in het bezit van een rijbewijs, uitgereikt door UNMIK op 2 september 2003 en een reistitel, uitgereikt door UNMIK in Prishtina op 22 april
  4. B. Motivering Er moet worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen of gegevens hebt aangehaald waaruit blijkt dat u Kosovo hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u zich alsnog op desbedoelde vrees kan beroepen ingeval van een terugkeer naar uw land van herkomst. U verklaarde Kosovo te hebben verlaten omdat u problemen kende met moslims die u uw contacten met katholieken kwalijk namen. De aangehaalde feiten zijn echter problemen van interpersoonlijke en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard. Bovendien heeft u nagelaten na die incidenten klacht in te dienen bij de lokale politie of bij de internationale organisaties, ook al was u wel degelijk op de hoogte van de daar aanwezige internationale instanties zoals UNMIK en KFOR en wist u dat ze een politionele bevoegdheid hebben (gehoorverslag CGVS blz. 6). Gevraagd naar de reden waarom u geen klacht heeft ingediend of bescherming heeft gezocht, antwoordde u dat de autoriteiten geen oplossing zouden hebben voor uw problemen en dat u niet wist wie de daders waren. Daarna verklaarde u echter dat u enkele gezichten van de daders herkend had en wist dat enkelen onder hen uit Gjakove afkomstig waren (gehoorverslag CGVS blz. 5 en 6). Aldus verkeerde u wel degelijk in de mogelijkheid nadere gegevens over uw belagers aan de autoriteiten te verstrekken. Uw verklaringen voor uw nalatigheid zijn dan ook niet afdoende, temeer daar uw bewering dat de autoriteiten toch geen oplossing zouden hebben voor uw problemen, louter is gebaseerd op een vermoeden dat niet wordt ondersteund door objectieve criteria. XIV-22.927-2/7 Daarenboven blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, dat de spanningen en problemen in Kosovo niet het gevolg zijn van religieuze verschillen en dat de positie van etnisch Albanese katholieken niet of nauwelijks verschilt van etnisch Albanese moslims. De wetgeving in Kosovo garandeert immers de vrijheid van godsdienst en overtuiging en er is in Kosovo dan ook geen sprake van vervolging op basis van religie. U heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat u zich bij verdere problemen omwille van uw katholieke vriendenkring niet zou kunnen wenden tot de in Kosovo aanwezige internationale en/of lokale autoriteiten om redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van de motiveringsplicht zoals vastgesteld bij artikel 1 en volgende van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de verplichte motivering van bestuurshandelingen en van artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; De Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen motiveert zijn beslissing met volgend argument: Daarenboven blijkt uit informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd, dat de spanningen en problemen in Kosovo niet het gevolg zijn van religieuze verschillen en dat de positie van etnisch Albanese katholieken niet of nauwelijks verschilt van etnisch Albanese moslims Ik heb verklaard tegenover de Commissaris Generaal dat ik bedreigd werd door moslims omdat ik als moslim omgang had met katholieke vrienden. Ik heb niet verklaard dat de positie van moslims zou verschillen van die van katholieken. Ik heb niet verklaard dat de algemene spanningen en problemen in Kosovo het gevolg zijn van religieuze geschillen. De motivering antwoord dus niet op mijn argument dat ik als moslim die in Gajkove, door omgang te hebben met een katholieke vriendenkring, een risico liep om effectief vervolgd te worden in de zin van de Conventie van Genève. De Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen motiveert zijn beslissing in algemene conclusie als volgt: Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De beslissing vermeld niet of deze aanvraag kennelijk ongegrond is om redenen van bedrieglijkheid dan wel omdat mijn vrees voor vervolging geen uitstaans heeft met de Conventie van Genève. De beslissing stelt nergens dat mijn verklaringen bedrieglijk zouden zijn. De beslissing stelt nergens dat mijn vrees voor vervolging na de regelmatige bedreigingen en slagen omwille van mijn omgang met leden van een andere religie onterecht zou zijn of geen uitstaans zou hebben met een vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De beslissing meldt enkel dat ik niet aannemelijk maak dat ik geen hulp kan zoeken bij de aanwezige internationale en/of lokale autoriteiten. De mogelijkheid om hulp te zoeken bij een overheid houdt echter een onderzoek ten gronde in, en is in ieder geval geen criterium dat in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 wordt vermeld als criterium op basis waarvan een beslissing van onontvankelijkheid genomen kan worden. Door in de motivering te verwijzen naar genoemd artikel 52, terwijl dit artikel niet toelaat een asielaanvraag te weigeren om de redenen genoemd in de motivering, schendt de bestreden XIV-22.927-3/7 beslissing artikel 1 en volgende van de Wet van 19 juli 1991 op de motiveringsplicht, en schendt de bestreden beslissing artikel 52 van de Wet van 15 december 1980.”; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een enig middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 1 en volgende van de wet van 19 juli 1991 (bedoeld wordt 29 juli 1991) betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  7. Verzoeker meent dat in de motivering van de bestreden beslissing niet wordt geantwoord op zijn argument dat hij als moslim door omgang te hebben met een katholieke vriendenkring, het risico liep om effectief vervolgd te worden. De beslissing vermeldt niet of de asielaanvraag kennelijk ongegrond is om redenen van bedrieglijkheid dan wel omdat de vrees geen uitstaans heeft met de Conventie van Genève. Bovendien zou de mogelijkheid om hulp te zoeken bij een overheid een onderzoek ten gronde inhouden en in ieder geval geen criterium zijn dat in artikel 52 van de Vreemdelingenwet als onontvankelijkheidscriterium wordt vermeld. 2.1 Verweerder wenst vooreerst aangaande de algemene motiveringsverplichting, vervat in de wet van 29 juli 1991, aan te stippen dat die motiveringsverplichting tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. 2.2 Verweerder verwijst vervolgens naar de mogelijkheden die artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal biedt om een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren. Eén van die onontvankelijkheidsgronden is de "kennelijk ongegrondheid" van de asielaanvraag. Een asielaanvraag is kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Verweerder wenst in dit verband op te merken dat de Commissaris-generaal over een bepaalde appreciatiemarge beschikt om te oordelen of de kandidaat-vluchteling in kwestie gegevens aanbrengt waaruit blijkt dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Indien een kandidaat-vluchteling niet alle mogelijkheden tot bescherming heeft uitgeput en evenmin kan aannemelijk maken waarom hij geen beroep deed op de nationale autoriteiten, kan de asielaanvraag alleen op basis van dit motief kennelijk ongegrond verklaard worden. In casu werd vastgesteld dat verzoeker voor zijn problemen beroep kon doen op de bescherming van de in Kosovo aanwezige internationale en/of lokale autoriteiten. Het betreft hier geenszins een criterium dat enkel in de fase ten gronde zou mogen aangewend worden. Verzoeker ontkent bovendien in voorliggend verzoekschrift niet dat hij effectief beroep kan doen op de in Kosovo aanwezige autoriteiten. 2.3 Verweerder benadrukt ten slotte dat de Commissaris-generaal niet moet vermelden of de verklaringen van verzoeker bedrieglijk zijn dan wel of verzoekers vrees voor vervolging geen uitstaans heeft met de Conventie van Genève. Volgens artikel 52 van de Vreemdelingenwet kan een asielaanvraag in de ontvankelijkheidsfase immers worden afgewezen wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond blijkt te zijn, zoals in casu het geval is. 2.4 De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. Het enig middel is niet gegrond.”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van de motiveringsplicht, in de zin dat zij als overheidshandeling onderworpen is aan een verplichte motivering zoals bepaald in artikel 3 van de Wet van 29 juli 199 1, en van artikel 52 van de Wet van 15 december 1980, in de zin dat de juridische overwegingen die uitdrukkelijk in de motivering werden opgenomen, niet afdoende kunnen zijn om aan de beslissing ten grondslag te liggen, zonder dit artikel te schenden. XIV-22.927-4/7 Verzoeker volhardt dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is en vindt daarvoor steun in de Memorie van Antwoord van de tegenpartij. De tegenpartij stelt in haar Memorie van Antwoord, paragraaf
  9. 1, dat ‘uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoekt onderwerpt’ Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 stelt echter dat de motivering ook een afdoende juridische motivering moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag ligt, zodat het op zich niet afdiende is een uitdrukkelijke motivering te geven die in casu juridisch niet aan de bestreden beslissing ten grondslag kan liggen. Verzoeker volhardt dat de gegeven motivering niet aan de beslissing ten grondslag kan liggen, zonder artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 te schenden. Artikel 52 stelt dat een aanvraag kennelijk ongegrond verklaard kan worden als betrokkene geen enken gegeven aanbrengt waaruit blijkt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor een vrees voor vervolging. Verzoeker heeft wel degelijk gegevens aangebracht dat er wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor een vrees voor vervolging, namelijk dat er geweldplegingen tegenover hem zijn gebeurd, waartegen de overheid niet is opgetreden. Dat de tegenpartij beweert dat de overheid wel degellijk bescherming zou kunnen bieden, hoewel dat in het verleden blijkbaar niet gebeurde, houdt geen beoordeling in inzake de ‘kennelijke ongegrondheid, maar is een beoordeling ten gronde, die niet als juridische grondslag kan dienen voor een beslissing op grond van artikel 52 van de wet van 15 december 1980.”; 2.
  10. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing uitvoerig de redenen vermeldt waarom de asielaanvraag door de commissaris-generaal kennelijk ongegrond werd bevonden; dat uit deze motivering blijkt dat de verzoekende partij haar problemen, met name als Albanese moslim met andere moslims die haar de contacten met katholieke vrienden kwalijk namen, van interpersoonlijke en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard zijn en dat zij heeft nagelaten om klacht in te dienen bij de lokale politie of bij de daar aanwezige internationale instanties; dat het verweer van de verzoekende partij tegen deze nalatigheid niet afdoende is vermits de bewering dat de autoriteiten toch geen oplossing zouden hebben voor haar problemen, louter is gebaseerd op een vermoeden dat niet wordt ondersteund door objectieve criteria; dat daarenboven uit informatie, waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan zich een kopie in het administratief dossier bevindt, blijkt dat de spanningen en problemen in Kosovo niet het gevolg zijn van religieuze verschillen en dat de positie van etnisch Albanese katholieken niet of nauwelijks verschilt van etnisch Albanese moslims; dat de verzoekende partij het dan ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich bij verdere problemen omwille van haar katholieke XIV-22.927-5/7 vriendenkring niet zou kunnen wenden tot de in Kosovo aanwezige internationale en/of lokale autoriteiten om redenen voorzien in de Vluchtelingenconventie; dat uit de voorgaande uitvoerige motivering blijkt dat wel degelijk op het beweerde risico voor vervolging wordt geantwoord; dat de verzoekende partij deze vaststellingen geenszins weerlegt en bijgevolg niet aantoont dat de bestreden beslissing werd genomen op basis van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; Overwegende dat artikel 52, §1, 2/, 7/ van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat hieruit volgt dat het “kennelijk ongegrond” bevinden van een asielaanvraag wel degelijk een eigen rechtsgrond vormt bij toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het feit dat de verzoekende partij geen bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd niet wegneemt dat de commissaris-generaal kon concluderen dat de verzoekende partij onvoldoende elementen heeft aangehaald die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging; dat zoals de verwerende partij terecht antwoordt, de mogelijkheid om bescherming te vinden bij de autoriteiten geenszins een criterium is dat enkel in de gegrondheidsfase zou mogen worden aangewend; dat indien een kandidaat-vluchteling niet alle mogelijkheden tot bescherming heeft uitgeput zijn asielaanvraag op grond hiervan eventueel kennelijk ongegrond kan worden verklaard; dat de verzoekende partij derhalve niet-aannemelijk maakt dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aldus is geschonden; dat het enige middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-22.927-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig oktober tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-22.927-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.