id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.292 Rolnummer: A. 168090/XIV-24116 Zaak: Arrest 164292 - - 31/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 07:51 Fiche Arrest nr 164.292 van 31 oktober 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 164.292 van 31 oktober 2006 in de zaak A. 168.090/XIV-24.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaten P. VANAGT en E. POOLS, kantoor houdende te 3600 GENK, Bochtlaan 12/8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 24 november 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 oktober 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 augustus 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 29 november 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-24.116-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. OZDEMIR, die loco advocaten P. VANAGT en E. POOLS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 1 april 2005 en zich voor vluchteling verklaart op 4 april 2005; dat op 16 augustus 2005 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 27 oktober 2005 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Algerijnse nationaliteit te bezitten en geboren te zijn in Oran. U zou samen met uw vriend, M., schroot hebben opgekocht en weer doorverkocht. Op een nacht, nadat u en M. gestopt waren met werken, zouden jullie op het moment dat jullie een school passeerden, twee figuren over de muur van deze school hebben zien springen. Jullie vonden dit verdacht en M., die verwant was met A., de bewaker van de school, zou deze hiervan op de hoogte hebben gebracht. U zou intussen naar huis zijn gegaan. De volgende dag zou u hebben vernomen dat de politie diezelfde nacht nog naar de school was gegaan, waar er affiches met extremistische slogans op de muren waren geplakt en een bom werd aangetroffen. M. zou door de politie zijn meegenomen, daarna zou men nooit meer iets van hem hebben vernomen. Toen M.s moeder bij de politie navraag zou hebben gedaan, kreeg ze als antwoord dat M. niet meer bij hen was. Twee dagen later zouden de twee figuren (die u bij de school had gezien) naar uw huis gekomen zijn en naar u gevraagd hebben. U zou echter niet thuis zijn geweest en de twee zouden uw moeder meegedeeld hebben dat ‘de prijs van het verraad de dood was’. U zou er niet alleen van overtuigd zijn dat het dezelfde personen waren die de affiches in de school hadden geplakt, maar er ook van overtuigd zijn dat deze personen extremisten waren, alhoewel u niet wist tot welke groepering ze behoorden. Vier dagen na M.s verdwijning zou de politie op haar beurt naar uw huis zijn gekomen en gezien u niet thuis was, een convocatie voor u hebben achtergelaten waarin u gevraagd werd u aan te melden op het commissariaat zonder dat daarvoor een reden werd opgegeven. Tevens zouden ze uw ‘familieboekje’ hebben meegenomen. Vermits u niet zou hebben geweten of de politie verantwoordelijk was voor M.s verdwijning zou u na overleg met uw ouders beslist hebben zich niet aan te melden, doch naar uw oom in Shataibou te gaan, waar u een tiental dagen zou hebben verbleven. U zou uiteindelijk beslist hebben het land te verlaten en via Frankrijk naar België zijn gekomen, waar u op 4 april 2005 asiel hebt aangevraagd. B. Motivering Er dient in dringend beroep door het Commissariaat-generaal (CGVS) te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk hebt gemaakt uw land van herkomst te hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals begrepen onder de Conventie van Genève en wel om volgende redenen. Vooreerst dient opgemerkt dat noch u, noch uw familie ooit problemen hebben gekend met de Algerijnse autoriteiten (gehoorverslag CGVS, p. 2) en er is dus geen enkele reden waarom u geen gevolg zou geven aan de convocatie van de politie of beroep zou kunnen doen op hun bescherming nadat u door de extremisten werd bedreigd. U bent immers getuige geweest van het feit dat twee personen, die ervan verdacht worden extremistische slogans te hebben aangeplakt en een bom te hebben geplaatst, over de muur van de school waren gesprongen. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de politie, in het kader van een onderzoek, met u zou willen spreken. Het feit dat M. zou zijn verdwenen nadat hij door de politie was meegenomen en u met de politie niets te maken wilde hebben doet hieraan geen afbreuk (gehoorverslag CGVS, pp. 5-6). De politie verklaarde immers dat M. niet meer bij hen zou zijn en er is geen enkele reden waarom u hieraan zou dienen te twijfelen (gehoorverslag CGVS, p. 3). XIV-24.116-2/7 Daarenboven moet u zelf toegeven gewoonweg niet te weten wat er met uw vriend zou zijn gebeurd en er kunnen dus tal van redenen zijn waarom uw vriend zou zijn verdwenen (gehoorverslag CGVS, p. 7). Voorts hebt u niet aannemelijk gemaakt waarom u geen gebruik kon maken van het interne vluchtalternatief. Hiernaar gepeild kon u enkel opwerpen dat de politie u overal op het spoor zou kunnen komen. Blijkt echter uit bovenstaande observaties en uit het feit dat er tot nog toe noch een opsporingsbevel, noch een arrestatiebevel op uw naam is uitgeschreven dat dit geen afdoende reden is (gehoorverslag CGVS, p. 7). Met betrekking tot uw vrees ten overstaan van de extremisten dient te worden opgemerkt dat uit uw verklaringen duidelijk blijkt dat uw problemen met de twee extremisten van lokale aard zijn en moet u daarenboven zelfs toegeven dat het zeer goed mogelijk is dat deze personen niet tot een groepering behoren maar louter op eigen initiatief handelden (gehoorverslag CGVS, p. 7). Het feit dat noch de politie, noch de extremisten uw ouders zouden bezocht hebben nadat u het land bent ontvlucht en het feit dat ze geen verdere problemen hebben bevestigt nogmaals deze appreciatie (gehoorverslag CGVS, pp. 8, 2). Vervolgens dient nog te worden vastgesteld dat er een aantal kanttekeningen kunnen geplaatst worden met betrekking tot de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat u thuis opgezocht werd door een onbekend persoon die dreigde u te doden (gehoorverslag DVZ, p. 10). Op het CGVS daarentegen verklaarde u expliciet dat u thuis bedreigd werd door de twee personen die u eerder over de schoolmuur had zien springen (gehoorverslag CGVS, p. 4). Hiermee geconfronteerd beweerde u voor DVZ dezelfde verklaringen te hebben afgelegd als op het CGVS, maar misschien zouden ze u toen verkeerd hebben begrepen (gehoorverslag CGVS, p. 4). Voorts verklaarde u voor DVZ dat eerst de politie (met convocatie) een bezoek zou hebben gebracht aan uw huis, de dag erna zou de onbekende persoon zijn langsgekomen en u hebben bedreigd (gehoorverslag DVZ, pp. 9-10). Op het CGVS beweert u daarentegen dat eerst de extremisten zouden zijn langsgekomen en pas daarna de politie (gehoorverslag CGVS, p. 6). Telkens u met bovenstaande tegenstrijdigheden werd geconfronteerd kon u enkel opwerpen dat u voor DVZ net hetzelfde zou hebben gezegd, maar dat ze u allicht verkeerd zouden hebben begrepen (gehoorverslag CGVS, pp. 4, 6). Deze uitleg is niet afdoende om uw geloofwaardigheid te herstellen daar u het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, nadat dit u in het Arabisch was voorgelezen, voor akkoord hebt ondertekend en er nergens uit valt af te leiden dat er zich fouten en/of misverstanden zouden hebben voorgedaan (gehoorverslag DVZ, p. 11-12). Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat u niet in het bezit bent van enig reis- en/of identiteitsdocument waardoor noch uw reisweg, noch uw identiteit kunnen worden geverifieerd. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981: artikel 113 quater §2.).”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “Onterechte motieven bestreden beslissing - schendig inhoudt van art. 3 van de Wet van 19.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen In de bestreden beslissing wordt ten onrechte gesteld dat verzoeker niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij zijn land van oorsprong heeft ontvlucht uit gegronde vrees voor vervolging. Dit terwijl uit het feitelijk relaas van verzoeker wel degelijk blijkt dat verzoeker Algerij ontvlucht is uit gegronde vrees voor vervolging. Dat in de bestreden beslissing geen enkel overtuigend of objectief element wordt weerhouden om het vluchtrelaas van verzoeker te weerleggen. Dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van art. 3 van de Wet van 19.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. XIV-24.116-3/7 Dat de bestreden beslissing faalt in feite als in rechte.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “onterechte motieven bestreden beslissing - schending inhoudt van artikel 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet. Verweerder merkt op dat het verzoekschrift zwijgt over de vastgestelde kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag. Deze vaststelling alleen is voldoende om te concluderen dat het verzoekschrift niet van die aard is de vernietiging van de bestreden beslissing met zich mee te brengen. Verzoeker baseert zijn verweer louter op het ontkennen van de motieven zonder een ernstige poging te ondernemen om de motieven concreet te weerleggen of uit te leggen. De Raad van State oordeelde dat een dergelijk verweer niet dienstig is om de wettigheid van de motivering van de bestreden beslissing aan te vechten (R.v.St., nr. 118.489 van 18 april 2003). De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niets toevoegt aan het eerste middel; 2.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing uitvoerig de redenen vermeldt waarom de asielaanvraag door de commissaris-generaal kennelijk ongegrond wordt bevonden; dat uit deze motivering blijkt dat de verzoekende partij het niet aannemelijk heeft gemaakt haar land van herkomst te hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals begrepen onder de Conventie van Genève om volgende redenen; dat uit de bestreden beslissing vooreerst blijkt dat de verzoekende partij noch haar familie ooit problemen heeft gekend met de Algerijnse autoriteiten en dat er dus geen redenen zijn waarom de verzoekende partij geen gevolg zou kunnen geven aan de convocatie van de politie of beroep zou kunnen doen op hun bescherming nadat zij door de extremisten werd bedreigd; dat verder de verzoekende partij het niet aannemelijk heeft gemaakt waarom zij geen gebruik kon maken van een intern vluchtalternatief; dat ten slotte de commissaris- generaal een aantal tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verzoekende partij heeft vastgesteld waardoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het gedrang komt; dat met die uitvoerige motivering wel degelijk op het beweerde risico voor vervolging wordt geantwoord; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals vastgelegd in de door de verzoekende partij ingeroepen bepaling derhalve niet is geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “schending art. 2 en 5 van het E.V.R.M Dat een uitvoering van de bestreden beslissing een schending zou inhouden van de artikelen 2 en 5 van het Verdrag van 4.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. XIV-24.116-4/7 Art. 2 van het EVRM waarborgt een recht van eenieder op het leven beschermd door de Wet. Art. 5 van het EVRM waarborgt voor eenieder een recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Dat in de bestreden beslissing aan verzoeker ten onrechte het bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten. Dat verzoeker in zijn land van afkomst zijn persoonlijke en fysieke integriteit riskeert. Dat verzoeker zondermeer riskeert dat hij fysiek wordt uitgeschakeld en/of gefolterd. Dat ook de plaatselijke autoriteiten aan verzoeker geen afdoende bescherming kunnen bieden. Dat overeenkomstig art. 2 van het Verdrag van Genève van 28.7.1951 betreffende de status van vluchtelingen als vluchteling dient aangenomen elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen. Dat verzoeker in zijn land van afkomst zijn leven en persoonlijke integriteit riskeert derhalve dat hij niet kan worden teruggeleid naar zijn land van herkomst. Dat om al deze redenen de bestreden beslissing dient nietig verklaard.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “schending van artikel 2 en 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (E.V.R.M.). Verzoeker meent dat hij op basis van de bestreden beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen, die ingaan tegen de rechten van de mens. Verweerder antwoordt dat de verantwoordelijkheid van de Belgische Staat voor verdragschendingen door een derde staat enkel in het gedrang kan komen indien met concrete elementen de waarschijnlijkheid van schendingen komt vast te staan. In de bestreden beslissing werd duidelijk vastgesteld dat de asielmotieven van verzoeker kennelijk ongegrond zijn. Er zijn bijgevolg geen ernstige aanwijzingen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging koestert. Ook in de ontwikkeling van het middel brengt verzoeker geen objectieve elementen aan die wijzen op de niet bescherming van het recht op leven of van het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat verzoekers bewering dat hij overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag van Genève een vluchteling is, juridische grondslag mist nu dit artikel handelt over de plichten van een vluchteling tegenover het land waarin hij zich bevindt. Het in casu toepasselijke artikel is artikel 1 van de Vluchtelingenconventie. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “schending art.2en5vanhetE.V.R.N Dat een uitvoering van de bestreden beslissing een schending zou inhouden van de artikelen 2 en 5 van het Verdrag van 4.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Art. 2 van het EVRM waarborgt een recht van eenieder op het leven beschermd door de Wet. Art. 5 van het EVRM waarborgt voor eenieder een recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Dat in de bestreden beslissing aan verzoeker ten onrechte het bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten. Dat verzoeker in zijn land van afkomst zijn persoonlijke en fysieke integriteit riskeert. Dat verzoeker zondermeer riskeert dat hij fysiek wordt uitgeschakeld en/of gefolterd. Dat de plaatselijke autoriteiten aan verzoeker geen afdoende bescherming kunnen bieden aangezien deze niet betrouwbaar zijn. Zo ook maken de politiediensten in Algerije zich schuldig aan foltering en mensonterende praktijken. Zo verzoeker in Algerije was gebleven en in het onmogelijke geval zou worden teruggeleid naar dit land, zou zijn fysieke en persoonlijke integriteit ernstig gevaar lopen. XIV-24.116-5/7 Dat overeenkomstig art. 2 van het Verdrag van Genève van 28.7.1951 betreffende de status van vluchtelingen als vluchteling dient aangenomen elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen. Dat verzoeker in zijn land van afkomst zijn leven en persoonlijke integriteit riskeert derhalve dat hij niet kan worden teruggeleid naar zijn land van herkomst. Dat om al deze redenen de bestreden beslissing dient nietig verklaard.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij slechts op algemene wijze haar eigen standpunt bevestigt, zonder rekening te houden met de motieven waarom haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is verklaard en zonder met concrete elementen een schending van de door de aangehaalde bepalingen beschermde rechten in het land van herkomst aannemelijk te maken; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending art.33 van de Concentie van Genève. Art. 33 van de Conventie van Genève in 20 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen bepaalt uitdrukkelijk dat: ‘
- Geen der verdragsluitende staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zal worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.’ Dat zoals hierboven uiteengezet verzoeker in zijn land van afkomst zijn persoonlijke en fysieke integriteit riskeert. Dat de bestreden beslissing art.33 van de Concentie van Genève schendt en ook om deze reden dient nietig verklaard.”; 2.3.
- Overwegende, daargelaten de vraag of de schending van artikel 33 van de Conventie van Genève de openbare orde raakt en dus voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd, dat de asielaanvraag door de commissaris- generaal onontvankelijk is verklaard en dat de verzoekende partij zich dus niet op artikel 33 van de Conventie van Genève kan beroepen, omdat die bepaling enkel van toepassing is op als dusdanig erkende vluchtelingen; dat het derde middel niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-24.116-6/7 Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig oktober tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-24.116-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.