← België

Arrest 164300 - - 31/10/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.300 Rolnummer: A. 79449/X-8271 Zaak: Arrest 164300 - - 31/10/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:51 Fiche Arrest nr 164.300 van 31 oktober 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.300 van 31 oktober 2006 in de zaak A. 79.449/X-

  1. In zake : Yvan BEIRENS, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VINCKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Jan Moritoenstraat 1, bus 7 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE, Bossuytlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvan BEIRENS op 17 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 mei 1998 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 25 september 1997 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de vergunning is geweigerd voor het uitbreiden van een loods en het bijbouwen van een zoogkoeienstal aan de Loweg te Zuienkerke, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 657d, e; Bij het arrest nr. 154.192 van 26 januari 2006 werden de debatten heropend en aan het Arbitragehof een aantal prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de voorgehouden schending door: "- artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, - de wet van 22 december 1970, in zoverre deze, wat betreft de gevolgen van de verzending van de rappelbrief een wijziging en een bevestiging inhield van het bepaalde in artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962, en thans - het artikel 53, § 2, vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 23, derde lid, 4/, van de Grondwet; X-8271-1/4 a. waarvan de aard elk beroep tot nietigverklaring en, in voorkomende geval, tot schorsing, voor de afdeling administratie van de Raad van State zou uitsluiten; b. waarvan het toezicht door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde niet gelijkwaardig zou zijn met de jurisdictionele toetsingen die worden uitgeoefend ten aanzien van een stedenbouwkundige vergunning uitgereikt door een daartoe bevoegde overheid, inzonderheid : - in zoverre dat toezicht niet zou kunnen steunen op de schending van andere bepalingen dan de bepalingen die de aanvrager krachtens artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, de wet van 22 december 1970, in zoverre deze, wat betreft de gevolgen van de verzending van de rappelbrief een wijziging en een bevestiging inhield van het bepaalde in artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962, en thans het artikel 53,§ 2, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 moet naleven; - in zoverre dat toezicht, zelfs marginaal, geen betrekking zou kunnen hebben op de inachtneming van de beginselen van goede ruimtelijke ordening of de inachtneming van de voorwaarden voor een afwijking of een uitzondering op een vooraf bestaand bouwverbod?
  3. Bestaat die schending op zijn minst niet wanneer die stilzwijgende vergunning voortvloeit uit het ontbreken van een beslissing van de Gewestregering terwijl de andere bevoegde overheid of overheden die zich in de eerste of tweede aanleg zouden hebben uitgesproken, geweigerd zouden hebben de stedenbouwkundige vergunning uit te reiken?
  4. Bestaat die schending op zijn minst niet wanneer die stilzwijgende vergunning geen betrekking heeft op een grond waarop in principe mag worden gebouwd, maar op een grond waarop bouwen, om reden van een erfdienstbaarheid non aedificandi in principe is uitgesloten en slechts uitzonderlijk kan worden toegestaan middels een daadwerkelijke en met redenen omklede beoordeling van de administratieve overheid die betrekking heeft op het bestaan van specifieke plaatselijke omstandigheden?"; Gelet op het arrest nr. 74/2006 van 10 mei 2006 van het Arbitragehof; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 oktober 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. DELMOTTE die loco Advocaat K. VINCKE verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; X-8271-2/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het arrest nr. 74/2006 van 10 mei 2006 van het Arbitragehof voor recht zegt dat artikel 53, §2, vijfde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt; dat het eerste middel, genomen uit de schending van deze bepaling, evenals de daarmee verbonden exceptie van niet ontvankelijkheid wegens gebrek aan het rechtens vereiste belang opgeworpen door de verwerende partij, dienen te worden verworpen; Overwegende dat het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat haar op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State opgemaakte verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft beperkt tot het onderzoek van het eerste middel van het verzoekschrift; dat het noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen door een lid van het Auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht; BESLUIT: Artikel
  5. De debatten worden heropend. Artikel
  6. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-8271-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig oktober 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8271-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.300 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.192 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.952 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.