id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.341 Rolnummer: A. 97611/IX-2600 Zaak: Arrest 164341 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 07:55 Fiche Arrest nr 164.341 van 6 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.341 van 6 november 2006 in de zaak A. 97.611/IX-
- In zake : Marc ROOFTHOOFT, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc ROOFTHOOFT op 20 november 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 30 augustus 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de tuchtmaatregel van de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 94.537 van 5 april 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 mei 2001 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-2600-1/8 Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat zijn in het arrest nr. 94.537 van 5 april 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen is omdat geen ernstig middel werd aangevoerd; dat volledigheidshalve daaraan toegevoegd kan worden dat verzoeker ook na het voormeld arrest geen verzoek tot herziening van zijn strafzaak ingediend blijkt te hebben; 2.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht doordat krachtens die bepaling een tuchtvordering die leidt tot het ontslag van ambtswege, verjaart door verloop van twee jaar na de feiten, terwijl in zijn geval de feiten dagtekenen van einde 1989 en begin 1990 en het inleidend verslag waarmee de tuchtprocedure is gestart dagtekent van 18 april 2000, zijnde meer dan twee jaar na de feiten; dat naar zijn oordeel de verwerende partij niet met recht kan voorhouden dat de tuchtvordering tussen 1990 en 2000 geschorst is geweest, aangezien artikel 24/38, § 2, duidelijk IX-2600-2/8 bepaalt dat de strafvordering de tuchtvordering kan schorsen tot op het ogenblik dat de gerechtelijke overheden het dossier hebben overgezonden, hetgeen in zijn geval gebeurd is op 5 oktober 1994, zodat, vanaf die datum gerekend, de tuchtvordering verjaard was op het ogenblik dat het bestreden besluit is getroffen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet wat volgt : de tuchtvordering die leidt tot een ontslag van ambtswege verjaart twee jaar na de vaststelling van de feiten, dit is de dag waarop de overheid voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens heeft verzameld; in dit geval evenwel heeft verzoeker de feiten niet erkend en is zowel door de districtscommandant als door de korpscommandant en de onderzoeksraad vastgesteld dat de feiten niet door een intern onderzoek bewezen konden worden, zodat toepassing gemaakt moet worden van artikel 24/38, § 2, van de wet van 27 december 1973, dat de tuchtoverheid toelaat met het starten van de tuchtprocedure te wachten tot zij het dossier heeft gekregen van de gerechtelijke autoriteiten; die toezending is gebeurd op 4 februari 2000; Overwegende dat de verwerende partij ook opmerkt dat de situatie van verzoeker, vooraleer de wet van 24 juli 1992 waarbij het tuchtstatuut van het rijkspersoneel grondig is gewijzigd, op 1 juli 1994 in werking getreden is, geregeld was door artikel 42 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht, naar luid waarvan elke gerechtelijke procedureakte de tuchtvordering schorste; dat zij daaraan toevoegt dat zij in ieder geval niet gedurende de gehele strafprocedure stilgezeten heeft maar dat zij geregeld bij de gerechtelijke overheid heeft geïnformeerd naar de stand van de strafprocedure; dat zij ten slotte toegeeft dat de gerechtelijke overheid op 5 oktober 1994 een kopie van het strafdossier naar de rijkswacht heeft gezonden, maar dat toen vastgesteld is dat het onmogelijk was om op grond daarvan een standpunt in te nemen over het daadwerkelijk plegen van de feiten door verzoeker; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat onmogelijk voorgehouden kan worden dat de tuchtvordering tussen 1990 en 2000 geschorst was; dat hij herhaalt dat het beginpunt van de verjaringstermijn, met name het ogenblik waarop de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om met kennis van zaken de tuchtvordering te voeren, in ieder geval gesitueerd moet worden op het ogenblik dat hij in 1996 door het hof van beroep veroordeeld is; dat volgens hem het feit dat hij tegen dat arrest een IX-2600-3/8 cassatieberoep ingediend heeft voor de verwerende partij geen reden mocht zijn om de aan verzoeker ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden; 2.4.
- Overwegende dat, op het ogenblik dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten gepleegd zijn, op tuchtrechtelijk vlak rekening moest gehouden worden met artikel 42 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht, naar luid waarvan het recht om tuchtstraffen op te leggen verjaart één jaar na de feiten met dien verstande dat die verjaring gestuit wordt door elke tijdig gestelde disciplinaire of gerechtelijke procedureakte; dat, betrokken op de onderhavige zaak waarin reeds in december 1989 een strafrechtelijk onderzoek is opgestart, zulks betekent dat de termijn voor de uitoefening van de tuchtvordering tegen verzoeker onmiddellijk gestuit is en dat die stuiting heeft geduurd totdat de wet van 14 januari 1975 zelf zijn geldingskracht verloor, met name door de inwerkingtreding, op 1 juli 1994, van de wet van 24 juli 1992 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het personeel van het actief kader van de rijkswacht; 2.4.
- Overwegende dat de situatie van verzoeker vanaf 1 juli 1994 onder de regeling gekomen is van artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973; dat paragraaf 1, derde lid, van dat artikel bepaalt dat de tuchtvordering met het oog op de toepassing van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege "verjaart twee jaar na de datum waarop de feiten zijn vastgesteld" en dat paragraaf 2 luidt als volgt : "§
- Onder voorbehoud van het tweede en derde lid en van het gezag van het gewijsde omtrent de feiten, beïnvloedt de strafvordering de tuchtvordering niet. Behalve wanneer het betrokken personeelslid de feiten erkent als vaststaand of wanneer die door een intern administratief onderzoek bewezen kunnen worden, schorst de strafvordering de tuchtvordering tot op het ogenblik van de ontvangst van het dossier overgezonden door de gerechtelijke overheden. De verjaring van de tuchtvordering wordt geschorst zolang de tuchtvordering zelf geschorst is door een strafvordering. De verjaring wordt eveneens geschorst tijdens de duur van de afwezigheid om gezondheidsredenen"; Overwegende dat de wetgever, met het eerste lid van artikel 24/38, § 2, de tuchtvervolging principieel losgekoppeld heeft van de strafvordering; dat in het tweede lid van die bepaling dan wel opnieuw is bepaald dat, in geval de betrokkene de feiten niet erkent of in geval de feiten niet door een intern administratief onderzoek kunnen bewezen worden, de tuchtvordering geschorst wordt -niet meer gestuit- door de strafvordering, zulks totdat de gerechtelijke overheden het dossier van de strafzaak aan de administratieve overheid heeft IX-2600-4/8 overgemaakt; dat volgens de rechtspraak die de Raad van State onder meer met betrekking tot artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 aanhoudt en welke in deze bijgevallen wordt, die wettelijk ingestelde schorsing van de tuchtvordering evenwel voor het bestuur geen vrijbrief vormt om zich achter een strafvordering te verschuilen, om de aangelegenheid niet van nabij te volgen en al het mogelijke te doen om zodra mogelijk, de tuchtvordering los van de strafvordering voort te zetten; 2.4.3.
- Overwegende dat verzoeker bij de uiteenzetting van het middel in zijn verzoekschrift niet concreet aanduidt wanneer, in zijn visie, de verwerende partij de feiten heeft vastgesteld; dat hij daar wel verwijst naar de mededeling van het strafdossier aan de rijkswacht op 5 oktober 1994; dat evenwel op dat ogenblik het strafrechtelijk onderzoek nog niet was afgesloten hetgeen, wegens de permanente ontkenning door verzoeker van zijn betrokkenheid bij de feiten, de verwerende partij tot het besluit heeft gebracht dat, zoals de commandant van het district Mechelen aan de generale staf op 22 september 1995 heeft medegedeeld, het aangewezen was de "afloop van de strafvordering af te wachten alvorens de tuchtvordering verder te zetten"; dat, gelet op de ontkenning van de feiten door verzoeker, dergelijk besluit niet onredelijk is; 2.4.3.
- Overwegende dat op 1 juli 1994, de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juli 1992, een strafvordering tegen verzoeker liep; dat, aangezien verzoeker de feiten niet erkend had en de verwerende partij op grond van de stukken die zij had kunnen bemachtigen twijfels had over de tenlastelegging van de feiten aan verzoeker, de tuchtvordering op grond van die strafprocedure geschorst was; dat in de daaropvolgende periode de verwerende partij de zaak ook niet op haar beloop gelaten heeft, maar dat zij integendeel, naar blijkt uit de door haar in het administratief dossier neergelegde briefwisseling, geregeld bij het parket heeft ge- ïnformeerd naar de stand van de zaak op strafrechtelijk vlak; dat, opnieuw gelet op de blijvende ontkenning van de feiten door verzoeker, aan de verwerende partij ook geen onredelijkheid kan verweten worden waar zij met het instellen van de tuchtvordering uiteindelijk gewacht heeft tot de uitspraak van de strafrechter definitief was; dat de verwerende partij dan op 4 februari 2000 in het bezit is gesteld van het gerechtelijk dossier; 2.4.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat de verwerende partij in ieder geval na zijn veroordeling door het hof van beroep te Antwerpen op 13 maart 1996, een voldoende nauwkeurige kennis had van IX-2600-5/8 de feiten om op dat ogenblik de tuchtvordering te kunnen opstarten; dat evenwel, nu hiervoor uiteengezet is dat de verwerende partij redenen had om het tuchtonderzoek uit te stellen totdat de verantwoordelijkheden op strafrechtelijk vlak waren vastgesteld, niet wordt ingezien waarom dat uitstel niet zou lopen totdat het arrest van het hof van beroep definitief rechtskracht verworven heeft, dus zeker tot aan de afwijzing van het cassatieberoep dat verzoeker tegen dat arrest had ingesteld; dat bovendien uit het dossier blijkt dat verzoeker zelf ook na het arrest van het hof van beroep het standpunt bleef aanhouden dat de zaak niet definitief beslecht was en hij daarom weigerde in te gaan op de vraag van de verwerende partij van 17 september 1996 om zich loyaal op te stellen en de nodige inlichtingen te verstrekken om de zaak op tuchtrechtelijk vlak voortgang te laten vinden; dat, daargelaten overigens de vaststelling dat artikel 24/38 van de wet de tucht-vordering schorst “tot op het ogenblik van de ontvangst van het dossier overgezonden door de gerechtelijke overheden” - wat gebeurde op 4 februari 2000 - ook uit de kennisneming van het arrest van het hof van beroep niet volgt dat de verwerende partij de verplichting had om onmiddellijk de tuchtprocedure op te starten; 2.4.
- Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de tuchtvordering tegen verzoeker overeenkomstig artikel 24/38, § 2, tweede lid van de wet van 27 december 1973 geschorst was en dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verwerende partij zich diligent gedragen heeft om met voldoende zekerheid de feiten en de tuchtrechtelijke inbreuk in hoofde van verzoeker te kunnen vaststellen; dat haar niet kan verweten worden met het instellen van de tuchtprocedure gewacht te hebben totdat zij het strafdossier op 4 februari 2000 medegedeeld kreeg; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en van zijn rechten van verdediging doordat hij in zijn verdediging voor de onderzoeksraad heeft gesteld dat zijn veroordeling door de strafrechter uitsluitend steunt op de verklaring van één persoon, met name Pieter VOLANT, maar dat die persoon toegegeven heeft dat zijn verklaring van weleer niet met de waarheid strookt en dat op die grond een procedure in herziening van de uitspraak van de strafrechter wordt voorbereid, zodat het van voorzichtigheid zou getuigd hebben en ook beter met zijn rechten van verdediging overeengestemd zou hebben indien de onderzoeksraad en de minister de behandeling van zijn tuchtzaak zouden uitgesteld hebben tot na de uitspraak van het Hof van Cassatie over die vordering tot herziening; IX-2600-6/8 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord op antwoordt dat de strafrechter de feiten bewezen heeft bevonden, dat die vaststelling de tuchtoverheid bindt en dat voor het overige verzoeker voldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn rechten van verdediging te doen gelden en de elementen ten ontlaste die uit het strafdossier blijken ter kennis van het bestuur te brengen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar de uiteenzetting in zijn verzoekschrift; 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij verzoeker tuchtrechtelijk gestraft heeft voor de feiten die de rechter in aanmerking genomen heeft om verzoeker strafrechtelijk te veroordelen; dat, voor wat het bewijs van de feiten betreft, de uitspraak van de strafrechter de tuchtoverheid bindt; dat, door de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van 13 maart 1996, de uitspraak van de strafrechter definitief geworden was; dat de verwerende partij zich dan ook met betrekking tot het bewijs van de door de strafrechter in aanmerking genomen feiten geen enkele vraag meer mocht stellen; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker verwijst naar een verzoek tot herziening van een strafrechtelijke uitspraak; dat evenwel die uitzonderlijke procedure, geregeld door artikel 443 en volgende van het wetboek van strafvordering, om reden dat het instellen ervan niets afdoet aan het definitief karakter van de uitspraak, buiten de eigenlijke strafprocedure staat en dat zij in artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 ook niet vermeld is als een afzonderlijke grond voor de schorsing van een tuchtprocedure; dat, meer nog, verzoeker zich voor de tuchtoverheid alleen maar beroepen heeft op de intentie om een aanvraag tot herziening in te dienen en hij overigens nadien nooit een vraag tot herziening blijkt ingediend te hebben; 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij niet onzorgvuldig is geweest toen zij over de opmerking van verzoeker betreffende zijn intentie heen stapte; dat ook niet wordt ingezien hoe de verwerende partij daarmee de rechten van verdediging van verzoeker zou miskend hebben; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: IX-2600-7/8 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-2600-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.341 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.94.537 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.