id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.343 Rolnummer: A. 103502/IX-2835 Zaak: Arrest 164343 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 07:56 Fiche Arrest nr 164.343 van 6 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.343 van 6 november 2006 in de zaak A. 103.502/IX-2835. In zake : de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD), gevestigd te BRUSSEL, Fontainasplein 9-11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47, 2. de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. HOFSTRÖSSLER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 99. tussenkomende partij : de VZW Nationaal Syndicaat van Politie- en Veiligheidspersoneel (NSPV), die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Algemene Centrale der Openbare Diensten (de ACOD) op 18 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de artikelen 67, 68 en 69 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de VZW Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel (NSPV); IX-2835-1/10 Gelet op de beschikking van 3 juli 2000 die de tussenkomst van het NSPV toelaat; Gelet op de memorie van de tussenkomende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, van advocaat E. VANLOO die, loco advocaat P. HOFSTRÖSSLER verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, en van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-2835-2/10 1. Overwegende dat de artikelen 67 tot 69 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001) luiden als volgt: - Art. 67 : “ De representatieve professionele syndicale organisatie die op grond van de besluiten toepasselijk voor 1 januari 2001 een financiering van het syndicaal opleidingsverlof genoot, behoudt die gedurende vijf jaren te rekenen vanaf 1 januari 2001 en tot beloop van het globaal maximumbedrag en de parameters vervat in voormelde besluiten.” - Art. 68 : “De representatieve professionele syndicale organisatie bedoeld in artikel 67 legt de aard en de inhoud van de opleidingen ten minste dertig dagen voor de aanvang ervan voor aan de directeur-generaal van het personeel.” - Art. 69 : “De representatieve professionele syndicale organisatie bedoeld in artikel 67 stuurt aan de directeur-generaal van het personeel per semester de facturen van de opleidingen, alsmede een lijst van de personeelsleden die de opleiding hebben genoten en het per personeelslid gevolgde aantal opleidingsdagen. Daartoe wordt het model aangewend dat de minister bepaalt. Na controle van die documenten door de directeur-generaal van het personeel, wordt het te betalen bedrag binnen de grenzen van artikel 67 gestort op het bankrekeningnummer aangegeven door de betrokken syndicale organisa- tie.” Overwegende dat het koninklijk besluit van 8 februari 2001 in de aanhef onder meer verwijst naar het protocol nr. 9 van 5 juli 2000 van het onderhan- delingscomité van de politiediensten; dat het bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2001; 2.1.1. Overwegende dat de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist doordat het verzoekschrift ondertekend is door “Chris RENIERS, Algemeen Secretaris”, terwijl het bewijs niet wordt overgelegd dat het bevoegde orgaan van de verzoekende organisatie haar te gepasten tijde gelast zou hebben met het indienen van het beroep; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij met haar verzoekschrift het bewijs voorgelegd heeft dat het algemeen secretariaat van de ACOD, overeen- komstig artikel 20, e, van de statuten van de vereniging, op 23 februari 2001 besloten IX-2835-3/10 heeft om Chris RENIERS, algemeen secretaris, aan te wijzen om het ACOD als verzoekende partij te vertegenwoordigen; dat de verzoekende partij derhalve rechtsgeldig in rechte getreden is; 2.2.1. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij en de tussenkomende partij aanvoeren dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep, aangezien zij niet uiteenzet welk nadeel zij van de bestreden bepalingen ondergaat en de vernietiging ervan haar ook geen enkel voordeel oplevert; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij erop wijst dat de bestreden bepalingen totstandgekomen zijn met miskenning van haar prerogatieven en zij er uiteraard belang bij heeft die prerogatieven erkend te zien; dat zij ook stelt dat de bestreden bepalingen haar in een ongelijke positie brengen in vergelijking met de door die bepalingen begunstigde vakorganisaties; 2.2.3.1. Overwegende dat buiten betwisting staat enerzijds dat de verzoekende partij een representatieve vakorganisatie is in de zin van artikel 6 van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (hierna: de wet van 24 maart 1999) en in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en anderzijds dat de verzoekende partij gerechtigd is om zitting te hebben in het onderhandelingscomité voor de politiediensten; dat evenmin betwist wordt dat een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, die door de overheid erkend is en die bij de werking van de overheidsdienst betrokken is, een annulatieberoep kan indienen wanneer het ertoe strekt de voordelen en de bevoegdheden die de overheid door de erkenning heeft willen verlenen, te verkrijgen of te behouden; 2.2.3.2. Overwegende dat de verzoekende partij er als representatieve vakvereniging, vertegenwoordigd in het onderhandelingscomité voor de politiedien- sten, belang bij heeft om de vernietiging na te streven van reglementaire bepalingen die totstandgekomen zijn met miskenning van de wettelijke bepalingen aangaande de verplichte onderhandelingen; dat immers na een gebeurlijke vernietiging, de verwerende partij geen nieuwe bepalingen zal kunnen uitvaardigen dan na daarover met de representatieve vakorganisaties te hebben onderhandeld in het onderhande- lingscomité waarin de verzoekende partij vertegenwoordigd is; dat overigens ook opgemerkt kan worden dat de verzoekende partij de schending van het gelijkheidsbe- IX-2835-4/10 ginsel aanvoert doordat de bestreden regeling aan een bepaalde representatieve vakorganisatie het voordeel toekent van een voortgezette financiering van het syndicaal opleidingsverlof tot 1 januari 2006; 2.2.4. Overwegende dat de excepties, geput uit de ontstentenis van rechtsgeldige procesvertegenwoordiging en uit de ontstentenis van belang, niet aangenomen worden; 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de verplichting tot voorafgaande onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties; dat zij, verwijzend naar de artikelen 3 en 31 van de wet van 24 maart 1999 betoogt dat de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 betrekking hebben op een beslissing “die niet in overeenstemming is met de ontworpen of voorgestelde maatregelen die aan de syndicale raadpleging werden voorgelegd”; dat volgens haar die bepalingen “zelfs een geheel nieuwe regeling” behelzen; 3.2.1. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: op 20 december 2000 is over drie besluiten onderhandeld en deze onderhandelingen zijn afgesloten met een protocol van niet- akkoord nr 36/02 van 13 februari 2001; de onderhandeling had oorspronkelijk betrekking op een ministerieel besluit, maar de overheid heeft vervolgens besloten de bepalingen op te nemen in het koninklijk besluit van 8 februari 2001, hetgeen een zuiver technische aanpassing uitmaakt; 3.2.2. Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verweren- de partij zijnerzijds antwoordt wat volgt: de bestreden artikelen hebben geen betrekking op een grondregel in verband met de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden -regel waarover onderhandeld moet worden-; het betreft immers alleen de verlenging met vijf jaar van de regeling opgenomen in het ministerieel besluit van 21 september 1999 tot vaststelling van de nadere regels inzake financiering van het syndicaal opleidingsverlof ten gunste van de professionele representatieve syndicale organisaties van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: het ministerieel besluit van 21 september 1999); subsidiair weze overigens opgemerkt dat er wel degelijk over de bestreden bepaling onderhandeld is in het kader van de totstandkoming van het ministerieel besluit tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 21 september 1999; IX-2835-5/10 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij zich aansluit bij het antwoord van de verwerende partij; 3.4. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat, in het kader van het totstandbrengen van een geheel nieuwe reglementering inzake de betrekking- en tussen de overheid en de vakbonden, het behoud van een regeling uit het verleden een belangrijk gegeven vormt waarover onderhandeld moest worden; dat zulks volgens haar des te meer klemt nu zij niet betrokken was bij de onderhandelingen die destijds gevoerd werden over het ministerieel besluit van 21 september 1999; dat zij ook stelt dat de onderhandelingen van 20 december 2000 over een ontwerp van ministerieel besluit, die “in een andere context werden gevoerd” en die afgesloten werden met het protocol van niet-akkoord van 13 februari 2001, de schending van de onderhandelingsverplichting ten aanzien van de hier bestreden bepalingen niet ongedaan kunnen maken, aangezien de bestreden beslissing dagtekent van 8 februari 2001 en de onderhandelingen slechts op 13 februari 2001 werden afgesloten; 3.5. Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij in haar laatste memorie nog uiteenzet dat het standpunt van het ACOD over de bestreden bepalingen -niet akkoord- reeds bekend was sinds het onderhandelingsco- mité van 20 december 2000, dat de overheid het protocol niet moest afwachten om het standpunt van het ACOD te kennen, dat een protocol geen kracht van wet heeft en dat de erin opgenomen principes steeds gewijzigd of gepreciseerd kunnen worden, rekening houdend met de verschillende adviesorganen die geraadpleegd moeten worden; 3.6.1. Overwegende dat artikel 3, eerste lid, van de wet van 24 maart 1999, die in werking getreden is op 1 januari 2001, bepaalt wat volgt: “Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde overheden alleen na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité, vaststellen: 1/ de ontwerpen en de grondregelen met betrekking tot:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.