id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.344 Rolnummer: A. 67032/IX-379 Zaak: Arrest 164344 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 07:56 Fiche Arrest nr 164.344 van 6 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.344 van 6 november 2006 in de zaak A. 67.032/IX-
- In zake : Eric LODDEWYKX, wonende te TIELT-WINGE, Keulestraat 4 B tegen : de Vlaamse Gemeenschap, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- tussenkomende partij : Maria STAPPAERTS, die woonplaats kiest bij advocaten H. GEYSKENS, A. VANDEURZEN, A. VAN DER GRAESEN, C. COOMANS, M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric LODDEWYKX op 4 januari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1995 houdende de bevordering van Maria STAPPAERTS tot directeur-generaal bij het departement Economie, Werkgelegen- heid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw, administratie Werkgelegenheid; Gelet op het arrest nr. 59.746 van 21 mei 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Maria STAPPAERTS; Gelet op de beschikking van 22 november 1996 die de tussenkomst van Maria STAPPAERTS toelaat; IX-379-1/24 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 23 oktober 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. DE GROOTE die, loco advocaat M. BOES verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is bij besluit van de Vlaamse Executieve van 15 mei 1991 benoemd tot bestuursdirecteur bij de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid en Binnenlandse Aangelegenheden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Bij besluit van de Vlaamse regering van 19 oktober 1994 is hij ambtshalve bij wijze van graadverandering benoemd tot directeur. IX-379-2/24 Bij ministerieel besluit van 18 januari 1995 wordt hij met ingang van 1 januari 1995 voor een periode van één jaar belast met het hoger ambt van directeur-generaal bij de administratie Werkgelegenheid. De motivatie van dit besluit luidt als volgt : “(...) Overwegende dat de heer Eric LODDEWYKX, directeur bij administratie Werkgelegenheid, van de kandidaten die in aanmerking komen om het ambt waar te nemen, ontegensprekelijk over de meeste ervaring, de nodige persoonlijke kwaliteiten en vaardigheden beschikt; Overwegende dat hij bij verschillende gelegenheden voor langere periodes de feitelijke leiding van de administratie heeft uitgeoefend; hij door de directeur- generaal van de administratie Werkgelegenheid aangewezen werd als lid van de departementale directieraad -bekrachtigd door de Vlaamse regering op 26 januari 1994; deze aanwijzing inhoudt dat de heer Eric LODDEWYKX de directeur-generaal vervangt bij tijdelijke afwezigheid”. 1.
- Maria STAPPAERTS, de tussenkomende partij, is bij besluit van de Vlaamse executieve van 4 december 1991 benoemd tot bestuursdirecteur bij de Algemene Planningsdienst van het departement Algemene Zaken en Financiën van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Bij besluit van de Vlaamse regering van 19 oktober 1994 is zij ambtshalve bij wijze van graadverandering benoemd tot directeur. Bij ministerieel besluit van 23 december 1994, is zij aangesteld tot afdelingshoofd van de afdeling Statistiek van de administratie Planning en Statistiek. 1.
- Op 21 december 1994 beslist de Vlaamse regering de betrekking van directeur-generaal bij de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw vacant te verklaren. De oproep tot de kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 februari
- 1.
- Op 24 respectievelijk 27 maart 1995 stellen verzoeker en de tussenkomende partij zich kandidaat. 1.
- Op 22 juni 1995 worden de kandidaten overeenkomstig artikel VIII 69, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaams Personeelsstatuut) door IX-379-3/24 het college van secretarissen-generaal, dat te dezen opgetreden is in de hoedanigheid van directieraad, gehoord omtrent hun visie over hun toekomstige functie. Vervolgens gaat het college over tot een uitgebreide discussie over de geschiktheid van beide kandidaten. Tot besluit stelt de voorzitter van het college voor : “(...) om mevrouw Mieke STAPPAERTS als eerste kandidaat te rangschikken omwille van haar sterkere leiderskwaliteiten alsmede omwille van haar competenties inzake conceptueel denken, impact, resultaatgerichtheid, communicatie-openheid, politieke feeling en organisatiebetrokkenheid, en omwille van haar vermogen om na een korte inwerkperiode, vanuit een brede beleidsvisie, nieuwe impulsen te geven aan de administratie Werkgelegenheid, en er een meerwaarde te realiseren. De heer Erik LODDEWYKX wordt in tweede orde voorgedragen omwille van zijn technische kennis, en zijn vertrouwdheid met de sector en met de administratie Werkgelegenheid die hij de facto sinds 1991 geleid heeft.” Het college beslist in geheime stemming met vijf stemmen voor, één stem tegen en één onthouding de tussenkomende partij als eerste en verzoeker als tweede kandidaat voor te dragen. 1.
- Op 7 juli 1995 dient verzoeker tegen de voorgestelde rangschikking bezwaar in. Hij is van oordeel dat hij de eerste plaats in de rang- schikking verdient en motiveert zulks uitvoerig. Hij vraagt om door het college van secretarissen-generaal te worden gehoord. 1.
- Dat verhoor vindt plaats op 20 juli
- De leden van het college stellen hierbij vast dat “de heer Erik LODDEWYKX nu, op een meer overtuigende wijze, aangetoond heeft dat hij een visie op de beleidssector kan opbouwen en ontwikkelen”. Tot besluit van de bespreking stelt de voorzitter van het college “dat beide kandidaten de potentialiteit hebben om de betrekking van directeur- generaal van de administratie Werkgelegenheid op een waardige wijze in te vullen - hetgeen overigens ook bleek uit de initiële rangschikking.” Het college beslist vervolgens in geheime stemming met vier stemmen voor en twee tegen beide kandidaten ex aequo te rangschikken. IX-379-4/24 1.
- Op 27 oktober 1995 beslist de Vlaamse regering, op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, de tussenkomende partij met ingang van 1 november 1995 te bevorderen tot directeur-generaal bij de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw. De beslissing wordt geformaliseerd in een besluit van de Vlaamse regering van 8 november
- Deze beslissing verwijst naar het advies van 10 juli 1995 van de directieraad en vervolgt : “gelet op het feit dat de toekenning van een hoger ambt geen rechten op bevordering opent; dat het ministerieel besluit van 18 januari 1995 tot toekenning van het hoger ambt van waarnemend directeur-generaal van de administratie Werkgelegenheid stelt dat ‘overwegende dat de heer E. LODDEWYKX, directeur bij de administratie Werkgelegenheid, van de kandidaten die in aanmerking komen om het ambt waar te nemen, ontegensprekelijk over de meeste ervaring, de nodige persoonlijke kwaliteiten en vaardigheden beschikt’, maar dat uit het administratief dossier niet blijkt met welke ambtenaren de betrokkene werd vergeleken vooraleer hem het hoger ambt van directeur-generaal toe te kennen, integendeel dat het traditioneel tot de geplogenheden van de administratie behoort om kandidaten voor een hoger ambt te selecteren uit de sector in de onmiddellijke omgeving van de betrekking die tijdelijk of definitief vacant is; dat derhalve niet is aangetoond dat de aanspraken en verdiensten van de bij deze bevorderingsprocedure weerhouden kandidaten op dat moment reeds tegen mekaar werden afgewogen; overwegende dat aan de kandidaten die zich door de eerste rangschikking van de directieraad benadeeld achten weliswaar de mogelijkheid wordt geboden om hun bezwaren kenbaar te maken en deze persoonlijk toe te lichten bij de directieraad, maar dat bij de procedure voor de vergelijking van de kandidaten voor een ambt van directeur-generaal zoals deze thans binnen het statutair geregelde kader verlopen is, in redelijkheid niet mag aanvaard worden dat dit zou leiden tot een nieuwe volwaardige presentatie van een aangepaste beleidsvisie, omdat anders geen gelijkwaardige vergelijking van de kandidaten meer mogelijk is; overwegende dat, alhoewel de technisch-operationele opdrachten van de directeur-generaal van wezenlijk belang zijn, men niet buiten de vaststelling kan dat, gelet op de klemtonen die het regeerakkoord van deze Vlaamse regering legt inzake de verbetering van de werking van de Vlaamse administratie en het verder zetten van de veranderingsprocessen enerzijds en de stand van zaken van het project H.O.O.P. anderzijds, de Vlaamse regering op dit moment een bijzonder gewicht moet toekennen aan de opdrachten die elke directeur-generaal naast het technisch-inhoudelijke en operationele aspect heeft m.b.t. het medebeheer van het departement en als veranderingsmanager binnen het globale ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; overwegende dat mevrouw Maria STAPPAERTS de voorkeur geniet op de andere kandidaat omdat zij voor wat de functietechnische kennis en kunde betreft hoog scoort op het vlak van kennis van de werking van de overheid en van de organisatie; zij de hoogste score behaalt voor inzicht in nieuwe tendensen en in de maatschappelijke evolutie die zich op het vlak van de werkgelegenheid en de tewerkstelling aanbieden en haar visie in de wijze waarop de maatschappij de problemen inzake werkgelegenheid, tewerkstelling en werkloosheid percipieert; zij in haar kandidaatstelling duidelijk aangetoond heeft dat zij de sector goed heeft leren kennen zowel op nationaal als op internationaal vlak; zij op de potentieelinschatting van de persoonlijke competenties en vaardigheden veruit de sterkste score behaald heeft; zij duidelijk de achtergrond en het potentieel bezit om op zeer korte termijn een specifiek en onderbouwd inzicht IX-379-5/24 te verwerven in de internationale tendensen inzake werkgelegenheid en tewerkstelling en dit te vertalen naar het Vlaams beleid toe; zij blijk heeft gegeven van een globale beleidsgerichte visie op de werkgelegenheid, waarbij zij de werkgelegenheidsproblematiek projecteert tegen een brede maatschappelijke achtergrond, met een federaal en Europees perspectief; zij over de nodige impact beschikt om haar brede beleidsvisie ingang te doen vinden in de administratie Werkgelegenheid en om nieuwe impulsen te geven aan deze beleidssector; zij omwille van haar sterkere leiderskwaliteiten alsmede omwille van haar competenties inzake conceptueel denken, impact, resultaatgerichtheid, communicatieopenheid, politieke feeling en organisatiebetrokkenheid, ook omwille van haar vermogen na een korte inwerkperiode, vanuit een brede beleidsvisie, nieuwe impulsen te geven aan de administratie Werkgelegenheid, en er een meerwaarde te realiseren, reeds in de initiële rangschikking als eerste voor deze betrekking van directeur-generaal werd voorgedragen door de directieraad van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.” Dit is de bestreden beslissing. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van het motiveringsbeginsel doordat de bestreden beslissing “op een onbegrijpbare manier is gemotiveerd, of in elk geval geen exacte, afdoende en rechtens aanvaardbare motivering bevat die het niet weerhouden van de kandidatuur van verzoeker rechtvaardigt”; dat het middel in drie onderdelen opgesplitst is; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het middel betoogt dat de bestreden beslissing, nu de directieraad beide kandidaten ex aequo gerangschikt heeft, op bijzondere wijze gemotiveerd dient te worden om zo het doorslaggevende verschil tussen beiden duidelijk te maken; dat naar zijn oordeel het verschil dat zijn benoeming wettigt gelegen is in zijn ervaring, zoals die blijkt uit het feit dat hij reeds meermaals gedurende langere periodes de feitelijke leiding van de administratie uitgeoefend heeft, dat hij de directeur-generaal vervangt bij tijdelijke afwezigheid en dat hij met ingang van 1 januari 1995 voor de periode van één jaar belast is geworden met het hoger ambt van directeur-generaal bij het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw; dat hij betoogt dat er bij zijn feitelijke uitoefening van deze functies nooit klachten zijn geuit, wat erop wijst dat hij over alle kwaliteiten beschikt om de te begeven functie in te vullen, hetgeen de tussenkomende partij niet kan aantonen in dezelfde administratie en voor dezelfde functie; dat hij aldus van oordeel is dat de verwerende partij een doorslaggevend element bij de evaluatie van beide kandidaten miskent door geen rekening te houden met zijn ervaring in de te begeven functie; IX-379-6/24 Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het middel aanvoert dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd is, aangezien zij voorbijgaat aan het ministerieel besluit van 18 januari 1995 waarin gesteld is dat verzoeker van alle kandidaten “ontegensprekelijk over de meeste ervaring, de nodige persoonlijke kwaliteiten en vaardigheden beschikt”, en aldus geen rekening houdt met deze uitzonderlijke beoordeling maar integendeel stelt dat “uit het administratief dossier niet blijkt met welke ambtenaren de betrokkene werd vergeleken vooraleer hem het hoger ambt van directeur-generaal toe te kennen”; dat hij de objectiviteit en waarheid van deze laatste stelling betwist, aangezien de minister die de beslissing van 18 januari 1995 genomen heeft, ook deel uitmaakte van de regering die de thans bestreden beslissing genomen heeft en geacht kan worden op 18 januari 1995 als een zorgvuldig persoon alle mogelijke valabele personen in aanmerking te hebben genomen, -ook de tussenkomende partij-, op gevaar af het Vlaams Personeelsstatuut elke bestaansreden te ontnemen, gezien in het bijzonder artikel II 39 bepaalt dat het hoger ambt toegekend dient te worden aan de meest geschikte ambtenaar; Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van het middel aanvoert dat de bestreden beslissing stelt dat “het traditioneel tot de geplogenheden van de administratie behoort om kandidaten voor een hoger ambt te selecteren uit de sector in de onmiddellijke omgeving van de betrekking die tijdelijk of definitief vacant is”, en dat hij zelf ontegensprekelijk aan die voorwaarde voldoet maar dat hij dan toch niet benoemd geworden is; dat zulks volgens hem de bestreden beslissing vitieert doordat eerst een bepaald selectiecriterium vooropgesteld wordt om vervolgens de kandidatuur die daaraan voldoet toch te verwerpen, hetgeen de motivering tegenstrijdig maakt; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker geen formeel motiveringsgebrek kan aanvoeren wanneer dit verzuim in feite de inhoud van de bestreden beslissing niet beïnvloed heeft; dat zij aanvoert dat zulks ook geldt wanneer verzoeker in weerwil van de voorgehouden schending op een passende wijze in staat is geweest zijn oordeel over de deugdelijkheid van de motieven voor te leggen; Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, de verwerende partij aanvoert dat de bestreden beslissing duidelijk steunt op het voorgestelde profiel van de kandidaat en de vooropgestelde functievereisten, en dat verzoeker niet verduidelijkt op welk onderdeel van de functiebeschrijving hij steunt om te stellen dat “het evident is dat het doorslaggevend criterium van vergelijking van beide IX-379-7/24 kandidaten, uiteraard de ervaring is die werd opgedaan”; dat zij van oordeel is dat het dienaangaande niet volstaat te verwijzen naar vroegere ministeriële besluiten houdende een tijdelijke invulling van een functie; dat zij erop wijst dat de benoeming in overeenstemming is met het Vlaams Personeelsstatuut, aangezien een vacature gepubliceerd werd, een profiel vooropgesteld en een functiebeschrijving opgemaakt werd en dat de motivering verduidelijking geeft waarom de tussenkomende partij de voorkeur kreeg; dat zij aanvoert dat om dezelfde reden de bestreden beslissing terdege motiveert waarom verzoekers aanstelling tot waarnemend directeur-generaal niet geacht kan worden een afweging in te houden van zij die zich kandidaat stelden voor de uiteindelijke benoeming, aangezien die aanstelling tot stand is gekomen na een “prima facie” beoordeling van personeelsleden werkzaam in de onmiddellijke omgeving van de tijdelijk in te vullen functie, waarbij enkel een vergelijking kan gebeurd zijn met de aanvankelijk derde kandidaat die binnen dezelfde administratie en hetzelfde departement werkte en later zijn kandidatuur terug introk, terwijl de tussenkomende partij tewerkgesteld was in het departement Algemene Zaken en Financiën; dat zij betoogt dat de uitgeschreven vacature nergens vermeldt dat het belangrijk criterium van ervaring uitsluitend inhoudt dat die ervaring dient te zijn opgedaan binnen het eigen departement, maar integendeel voorziet in de mogelijkheid van benoeming zowel bij wijze van bevordering als bij wijze van mutatie; dat zij voorts betoogt dat niet de ervaring met betrekking tot de materie centraal staat, maar eerder de algemene ervaring die de functie vereist en enige vertrouwdheid met het toekomstige werkterrein, minstens de bekwaamheid om zich daarmee op zeer korte termijn vertrouwd te maken, wat volgens haar duidelijk blijkt uit de functiebeschrijving; dat zij besluit dat de bestreden beslissing aldus verzoekers standpunt weerlegt en de motivering duidelijk en afdoende is in de zin van de wet van 29 juli 1991; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, de verwerende partij verwijst naar haar bespreking van het eerste onderdeel; dat zij aanvoert dat, waar de bestreden beslissing terecht stelt dat “uit het administratief dossier niet blijkt met welke ambtenaren de betrokkene werd vergeleken vooraleer hem het hoger ambt van directeur-generaal toe te kennen”, zij opmerkt “dat het traditioneel tot de geplogenheden van de administratie behoort om kandidaten voor een hoger ambt te selecteren uit de sector in de onmiddellijke omgeving van de betrekking die tijdelijk of definitief vacant is en dat derhalve niet is aangetoond dat de aanspraken en verdiensten van de bij deze bevorderingsprocedure weerhouden kandidaten op dat moment reeds tegen mekaar werden afgewogen”; dat zij betoogt dat verzoeker geen enkel gegeven aanreikt ter weerlegging van deze motivering; dat IX-379-8/24 zij voorts betoogt dat de bestreden beslissing niet betekent dat de minister, die het besluit van 18 januari 1995 genomen heeft, niet objectief of zorgvuldig gehandeld zou hebben, aangezien bij de aanstelling van een waarnemend ambtenaar het onmogelijk is tientallen kandidaturen van personeelsleden uit alle andere administraties van de Vlaamse Gemeenschap in aanmerking te nemen; dat zij erop wijst dat de bepalingen van het Vlaams Personeelsstatuut aangaande de waarneming van een hoger ambt van geen belang zijn voor de definitieve invulling van een vacature door benoeming; Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, de verwerende partij verwijst naar haar voorgaande uiteenzetting; dat zij niet betwist dat verzoeker uit de “onmiddellijke omgeving van de betrekking” afkomstig is, maar wel betoogt dat dit geen doorslaggevend criterium is en slechts een deelaspect van het begrip “ervaring”, dat in aanmerking genomen wordt naast andere gegevens zoals algemene ervaring om een omvangrijke administratie te leiden en de capaciteit tot het ontwikkelen van een beleidsvisie op lange termijn; dat zij besluit dat verzoeker geenszins aantoont dat de motivering van de bestreden beslissing tegenstrijdigheden bevat, aangezien het selectiecriterium dat hij bekritiseert geen doorslaggevend criterium is geweest; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de materiële en formele motiveringsplicht inhoudt dat de motieven van een rechtshandeling kenbaar zijn, beantwoorden aan de realiteit en draagkrachtig zijn en uitdrukkelijk vermeld worden in het bestreden besluit, en dat het doel van de motiveringsplicht erin bestaat inzicht te verschaffen in de exacte motieven van de beslissing, teneinde de benadeelde toe te laten zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid om een rechtsmiddel in te stellen; dat hij betoogt dat, hoewel hij reeds een identieke functie uitoefende en afkomstig is uit de onmiddellijke omgeving van de te begeven functie -in tegenstelling tot de tussenkomende partij- er in de bestreden beslissing daarover geen enkele motivatie terug te vinden is, wat strijdig is met de motiveringsplicht; dat hij voorts betoogt dat, gezien zijn pertinent grotere aanspraken op de functie, de overheid niet enkel verplicht was te motiveren waarom een andere kandidaat werd benoemd, maar ook waarom hij niet werd aangesteld, dat de bestreden beslissing ook geen rekening houdt met het belang van de dienst en dat, waar de verwerende partij stelt dat het verzuim van een formele motivering niet ter zake dienend is wanneer deze in feite geen invloed heeft gehad op de inhoud van de beslissing, zij volgens hem toegeeft de formele motiveringsplicht te hebben miskend; IX-379-9/24 Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, verzoeker aanvoert dat, gezien hij en de tussenkomende partij ex aequo geklasseerd werden, de bestreden beslissing op een bijzondere wijze diende gemotiveerd te worden, temeer omdat hij met ingang van 1 januari 1995 reeds belast werd met dezelfde functie binnen dezelfde administratie, en de verwerende partij die ervaring terzijde geschoven heeft; dat hij betoogt dat het benoemingsbesluit enkel stelt dat de tussenkomende partij “in haar kandidaatstelling duidelijk aangetoond heeft dat zij de sector goed heeft leren kennen zowel op nationaal als op internationaal vlak”, wat volgens hem een uiterst vage motivering is, die geenszins verantwoordt waarom hij, die over meer ervaring beschikt in een identieke functie, niet werd voorgesteld; dat hij voorts betoogt dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat ervaring in dezelfde functie geen doorslaggevend criterium is, dat precies hij op grond van bewezen diensten in dezelfde functie geëvalueerd kan worden en dat zijn ervaring uitsluitend gericht is op tewerkstelling, zodat hij, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, beschouwd kan worden als expert op dat vlak, wat duidt op zijn geschiktheid om de functie in te vullen; dat hij aanvoert dat zijn bewezen diensten in concreto beoordeeld kunnen worden, terwijl de beoordeling van de tussenkomende partij op dat vlak slechts hypothetisch is; dat hij wijst op de omzendbrief A2 - MIN - 94/8 die in punt 2.2 bepaalt dat het hoger ambt altijd moet toegekend worden aan de meest geschikte ambtenaar voor de bedoelde -tijdelijke of definitieve- vacante betrekking, zodat het volgens hem evident is dat die “geschikte kandidaat” de kandidaat moet zijn die reeds een identieke functie met vrucht heeft waargenomen, zoniet dringt een uiterst omstandige motivering zich op -wat volgens hem te dezen niet gebeurd is-; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze de verdiensten van de kandidaten tegen elkaar afweegt; dat hij betoogt dat het argument van de verwerende partij, dat met zijn aanstelling als waarnemend directeur-generaal geen rekening kan worden gehouden omdat die tot stand is gekomen na een “prima facie” beoordeling van personeelsleden werkzaam “in de onmiddellijke omgeving” van het tijdelijk waar te nemen ambt, in strijd is met artikel II 30 van het Vlaams Personeelsstatuut dat bepaalt dat het hoger ambt altijd moet toegekend worden aan de meest geschikte ambtenaar voor de bedoelde vacante betrekking; dat hij voorts betoogt dat de minister, verantwoordelijk voor zijn aanstelling als waarnemend directeur-generaal, ook lid is van de regering die de bestreden beslissing genomen heeft, zodat deze bij het nemen van de beslissing van 18 januari 1995 ook rekening heeft gehouden met de verdiensten van de tussenkomende partij; dat verzoeker er van uitgaat dat de Vlaamse regering bij zijn aanstelling als waarnemend directeur-generaal alle IX-379-10/24 potentiële kandidaten gescreend heeft; dat hij erop wijst dat de verwerende partij het bewijs niet levert dat de tussenkomende partij destijds niet als “een valabele kandidaat” kon worden aangemerkt, maar dat zij enkel stelt : “hierover blijkt niet het minste gegeven beschikbaar te zijn”; Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, verzoeker verwijst naar de tekst van de bestreden beslissing “dat het traditioneel tot de geplogenheden van de administratie behoort om kandidaten voor een hoger ambt te selecteren uit de sector in de onmiddellijke omgeving van de betrekking die tijdelijk of definitief vacant is”, terwijl dan toch de tussenkomende partij aangesteld wordt, hoewel zij niet uit de onmiddellijke omgeving afkomstig is; dat hij besluit dat de bestreden beslissing in strijd is met de motiveringsplicht, gezien deze tegenstrijdigheid niet verantwoord wordt en gezien de performante en succesvolle wijze waarop hij dezelfde functie reeds uitgeoefend had; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij, wat het eerste onderdeel betreft, aanvoert dat verzoekers ervaring in dezelfde functie binnen dezelfde administratie geen doorslaggevend gegeven vormt en zelfs een nadeel kan zijn; dat zij betoogt dat ook zij over leidinggevende ervaring beschikt, aangezien zij van 1 januari 1992 tot 31 december 1994 bestuursdirecteur van de Algemene Planningsdienst was en vanaf 1 januari 1995 afdelingshoofd van de afdeling Statistiek, Administratie Planning en Statistiek; dat zij erop wijst dat afdelingshoofden belast zijn met de leiding van een afdeling en dat het feit dat zij gekozen werd uit alle in aanmerking komende ambtenaren van rang A2, het bewijs bevat van haar leidinggevende capaciteiten die minstens even sterk zijn als die van verzoeker; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, de tussenkomende partij aanvoert dat verzoeker ten onrechte stelt dat bij zijn aanstelling als waarnemend directeur-generaal een vergelijking plaatsgevonden heeft met alle daarvoor in aanmerking komende ambtenaren, aangezien zulke tijdelijke aanstelling niet gepaard gaat met een vacature en een oproep tot de kandidaten, zodat er volgens haar slechts sprake was van een beperkte vergelijking van een beperkt aantal kandidaten, waaruit geenszins afgeleid kan worden dat reeds op dat ogenblik verzoekers kandidatuur zou zijn afgewogen met de hare; Overwegende dat, wat het derde onderdeel betreft, de tussenkomende partij aanvoert dat, waar de bestreden beslissing naar “de IX-379-11/24 onmiddellijke omgeving van de te begeven functie” verwijst, dit ter indicatie is van de draagwijdte van verzoekers tijdelijke aanstelling, gezien immers een gepast kandidaat voor een tijdelijke aanstelling in een hogere functie, in afwachting van een definitieve benoeming, gezocht wordt in de onmiddellijke omgeving van de te begeven functie; dat zij betoogt dat zulke handelwijze bij een definitieve benoeming uit den boze is, gezien dan de tijdelijke aanstelling als het ware recht zou geven op de definitieve benoeming, wat volgens haar in strijd is met de rechtspraak van de Raad van State; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie zijn uiteen- zetting uit het verzoekschrift herneemt; dat hij, wat het eerste onderdeel betreft, nog betoogt dat de bestreden beslissing een tegenstrijdigheid bevat, aangezien zij stelt dat de technisch-operationele opdrachten van wezenlijk belang zijn om daarna toch de tussenkomende partij te benoemen, die op dat vlak minder goed scoort dan hijzelf; dat hij van oordeel is dat de toelichting bij artikel VIII 69 van het Vlaams Personeelsstatuut, waarnaar het auditoraatsverslag verwijst, er niet toe kan leiden dat een functie op grond van arbitraire criteria wordt toegekend; dat hij, wat het tweede onderdeel betreft, erop wijst dat de bestreden beslissing ook geen rekening houdt met het ministerieel besluit van 18 januari 1995, waar dit stelt dat hij reeds meerdere malen voor langere periodes de feitelijke leiding van de administratie uitgeoefend heeft en dat hij de directeur-generaal bij diens tijdelijke afwezigheid vervangt; dat hij, wat het derde onderdeel betreft, stelt dat het onderscheid tussen de aanstelling tot een hoger ambt en de bevordering door verhoging in graad niet ter zake dienend is; 2.1.6.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, - met name dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met verzoekers ervaring, opgedaan binnen de te begeven functie - dat de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van de overheid, maar dat hij enkel kan nagaan of het bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid niet kennelijk onredelijk gehandeld heeft en of het wel uitgegaan is van gegevens die in feite correct en in rechte aanvaardbaar zijn; dat, steunend op de motieven die in de bestreden beslissing vervat zijn, de Vlaamse regering geoordeeld heeft dat de tussenkomende partij de meest geschikte kandidaat was; dat uit die motieven -hiervoor sub 1.
- geciteerd- duidelijk blijkt dat de Vlaamse regering bij de beoordeling van de kandidaten niet enkel rekening gehouden heeft met de technische kennis, maar ook met andere bekwaamheden dan die welke door ervaring in de te begeven functie verworven worden; dat zulke beoordeling niet kennelijk onredelijk is en past in het opzet van het Vlaams Personeelsstatuut dat, blijkens de toelichting bij de bepalingen over de bevordering, erop gericht is de meest geschikte kandidaat de voorrang te geven en bij het bepalen van die voorrang ook IX-379-12/24 rekening te houden met anciënniteit en “andere appreciatie elementen (houding, gedragingen, vorming, de documenten van het evaluatiedossier zoals persoonlijke nota’s en de persoonlijke visie voor rang A3 en A4 hierna vermeld). Voor de twee hoogste rangen wordt a.h.w. een beleidsverklaring over de toekomstige functie aan de procedure toegevoegd (...)”; dat het eerste onderdeel, waarin verzoeker aanvoert dat zijn ervaring inzake de leiding van de dienst Werkgelegenheid het beslissend beoordelingscriterium had moeten zijn, niet gegrond is; 2.1.6.
- Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat een tijdelijke aanstelling tot een hoger ambt niet gepaard gaat met een oproep tot de kandidaten; dat derhalve niet alle belanghebbenden hun aanspraken hebben kunnen doen gelden; dat voor zulke tijdelijke aanstelling -omdat zij er per definitie op gericht is een tijdelijk probleem binnen een bepaalde dienst te verhelpen en de werking het minst zal verstoord worden wanneer een personeelslid van de dienst zelf met deze opdracht belast wordt- geen even diepgaand onderzoek van de kandidaturen vereist wordt als zulks bij een definitieve bevordering het geval is en die algemener en meer op de toekomst gericht is; dat de Vlaamse regering dan ook in redelijkheid heeft kunnen oordelen wegens de in het bestreden besluit vermelde redenen niet gebonden te zijn door de motivering van het ministerieel besluit van 18 januari 1995 waarbij verzoeker tot waarnemend directeur-generaal van de administratie Werkgelegenheid aangesteld werd; dat het tweede onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.1.6.
- Overwegende, wat het derde onderdeel van het middel betreft, - waarin verzoeker een tegenstrijdigheid aanvoert doordat voor het tijdelijk invullen van het hoger ambt iemand uit de onmiddellijke omgeving van die functie aangesteld wordt, terwijl dan dezelfde kandidatuur voor de definitieve benoeming tot die functie verworpen wordt- het Vlaams Personeelsstatuut een “Titel
- De waarneming van een hoger ambt” bevat, waarin onder meer de artikelen II 39 en II 40 opgenomen zijn; dat de waarneming van een hoger ambt een essentieel tijdelijke maatregel is die ertoe strekt aan de onmiddellijke dienstnoodwendigheden te voldoen; dat artikel II 39 van het Vlaams Personeelsstatuut bepaalt dat “de uitoefening van het hoger ambt wordt toevertrouwd aan de ambtenaar die het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien”; dat, om tijdelijk het hoger ambt uit te oefenen, het evident is dat personeelsleden aangesteld worden die in de betrokken dienst of administratie werkzaam zijn; dat artikel II 40, § 2, van het Vlaams Personeelsstatuut bepaalt “dat de functioneel bevoegde Vlaamse minister beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A2 en A3, na advies van de departementale directieraad”; dat volgens de toelichting bij deze bepaling, die IX-379-13/24 procedure beoogt “de besluitvorming zo dicht mogelijk bij de betrokken ambtenaar te houden”; dat de bevordering door verhoging in graad een andere finaliteit heeft; dat zeker van leidende ambtenaren ook verwacht wordt dat zij in staat zijn een beleidsvisie op langere termijn te ontwikkelen en dat zij blijk moeten geven van andere bekwaamheden dan die welke door ervaring in de betrokken dienst of administratie verworven worden; dat er in die optiek bijgevolg geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de vaststelling dat kandidaten voor een hoger ambt doorgaans gezocht worden in de onmiddellijke omgeving van de betrekking die tijdelijk of definitief vacant is terwijl voor een definitieve benoeming ook andere criteria worden gehanteerd; dat ook het derde onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.2.1 Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel VIII 66 van het Vlaams Personeelsstatuut, van het beginsel van behoorlijk bestuur dat vereist “dat een overheid de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten voor een openbaar ambt vergelijkt, (dat) de overheid op zorgvuldige wijze handelt en beslist, steunend op een feitelijk en rechtens aanvaardbare motivering”, en dat hij ook wijst op het bestaan van een dwaling en een tegenstrijdigheid “in de oorzaken en motieven”, doordat de bestreden beslissing het tweede voorstel van de directieraad, dat de twee kandidaten gelijk rangschikt, verwerpt, om reden dat het benutten van de bezwaarprocedure voor de directieraad, in het kader van het toekennen van een functie als directeur-generaal, redelijkerwijze niet mag leiden “tot een nieuwe volwaardige presentatie van een aangepaste beleidsvisie, omdat anders geen gelijkwaardige vergelijking van de kandidaten meer mogelijk is”; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel de “exceptio obscuri libelli” aanvoert, aangezien de desbetreffende motivering stijlformules hanteert, onlogisch en onduidelijk is, geen verband houdt met de genomen beslissing en niet toelaat de juiste draagwijdte van de beslissing na te gaan; Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel aanvoert dat de bestreden beslissing wel degelijk van het voorstel van de directieraad mag afwijken, maar dat zij dit voorstel niet zonder meer mag verwerpen, zo niet zou het door de benadeelde ambtenaar ingediende bezwaar elke zin ontnomen worden en zou artikel VIII 66, § 2, van het Vlaams Personeelsstatuut geen gevolg of toepassing meer krijgen, gezien deze bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de ambtenaar om een bezwaar in te dienen, zonder enige voorwaarde van welke aard dan ook; dat hij betoogt dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de positieve gegevens IX-379-14/24 waarop de beslissing tot ex aequo klassering, genomen naar aanleiding van zijn bezwaar, steunt, zodat zij volgens hem geen rekening houdt met al zijn titels en verdiensten en geen objectieve beoordeling kan inhouden van zijn professionele capaciteiten; Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van het middel aanvoert dat elke benoeming tot een openbaar ambt dient te geschieden op grond van de vergelijking van de waarden en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten, dat, wanneer de bevoegde overheid afwijkt van het voorstel van de directieraad, de motivering van de akte dient aan te tonen dat die bevoegde overheid zelf de titels en verdiensten van de kandidaten vergeleken heeft en dat zij aanduidt waarom die benoemde kandidaat de voorkeur krijgt; dat hij betoogt dat te dezen die vergelijking niet op correcte wijze gebeurd is en dat de tussenkomende partij bevorderd werd, louter op grond van haar eigen verdiensten, zonder enige vergelijking met de zijne; dat hij besluit dat de benoemende overheid terzake wel over een discretionaire bevoegdheid beschikt, maar dat haar keuze geenszins arbitrair mag zijn; Overwegende dat verzoeker in een vierde onderdeel van het middel aanvoert dat, nu de Vlaamse regering zelf van oordeel was dat het voorstel van de directieraad onregelmatig, minstens onvolledig was, zij het dossier ter vervollediging had moeten terugzenden, omdat een onregelmatig advies van de directieraad tot een onwettige beslissing leidt; 2.2.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar weerlegging van het eerste onderdeel van het eerste middel; dat zij aanvoert dat de artikelen VIII 63 en VIII 66 van het Vlaams Personeelsstatuut bepalen dat de bevordering tot de graad A3 en A2 door de Vlaamse regering geschiedt op voorstel van de functioneel bevoegde minister en na een gemotiveerd voorstel van het college van secretarissen-generaal, dat van de voorstellen van de directieraad aan de ambtenaren kennis gegeven wordt en dat de ambtenaar die zich benadeeld acht binnen 15 kalenderdagen na de kennisgeving bezwaar kan indienen en op zijn verzoek ook gehoord wordt; dat zij betoogt dat het te dezen een bevordering door verhoging in graad zonder examen betrof, waarbij het vacaturebericht uitdrukkelijk de toepasselijkheid van artikel VIII 69 van het Vlaams Personeelsstatuut vermeldde, dat bepaalt dat de bevordering verleend wordt aan de meest geschikte kandidaat, aan de hand van de profielvereisten en de functiebeschrijving en met vergelijking van de in aanmerking komende kandidaten op grond van hun functioneringsevaluatie en kandidaatstelling; dat zij voorts betoogt dat IX-379-15/24 voor een bevordering tot een graad van rang A3 of A4 -zoals te dezen-, de gegadigden ook hun beleidsvisie dienden uiteen te zetten, waarna de bevoegde directieraad de kandidaten via een gemotiveerd voorstel zou voordragen in orde van hun geschiktheid; dat zij erop wijst dat bij de vergelijking van de kandidaten de gelijkwaardigheid van die kandidaten, meer bepaald het krijgen van gelijkwaardige kansen een absolute vereiste is; dat zij aanvoert dat verzoeker meent dat de ex aequo klassering van de “tweede ronde” na het bezwaarschrift de enige is waarmee rekening gehouden kan worden; dat zij opmerkt dat hij nergens in zijn verzoekschrift de motieven aanvecht van de bestreden beslissing waaruit blijkt om welke redenen de tweede rangschikking niet in aanmerking genomen werd; dat zij betoogt dat de eerste rangschikking, waarbij de tussenkomende partij om duidelijke redenen als eerste gerangschikt werd, totstandkwam op grond van een gelijkwaardige beoordeling van de beide kandidaten, die deelnamen met de wetenschap dat op grond van de gegevens die zij alsdan zouden verstrekken, de beoordeling en rangschikking zou gebeuren; dat zij voorts betoogt dat verzoeker terecht het bij voornoemd artikel VIII 66 voorziene bezwaarrecht benut heeft, maar dat die bezwaarschriftprocedure alleen leidt tot het verhoor van de betrokkene en geenszins aanleiding kan geven tot “een volledig hernemen van de eerste beoordelingssessie op basis van gekende doch bovendien van toen niet gekende en thans nieuw bijgebrachte elementen”; dat zij erop wijst dat de bestreden beslissing motiveert waarom het opnieuw horen na bezwaarindiening niet mag leiden tot een nieuwe uiteenzetting van de beleidsvisie van de bezwaarindiener; dat zij besluit dat die motivering geen stijlformule is, maar duidelijk en pertinent en dat zij het gevolg is van een zorgvuldige besluitvorming; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de verwerende partij aanvoert dat de bestreden beslissing het advies van de directieraad niet zonder meer verwerpt, maar integendeel motiveert waarom geen rekening gehouden werd met de tweede rangschikking maar wel met de eerste, die ook deel uitmaakte van het administratief dossier op grond waarvan zij diende te benoemen; dat zij betoogt dat een bezwaarschriftprocedure met betrekking tot een rangschikking van kandidaten, na een selectie en een evaluatie op grond van een ganse beoordelingsprocedure, onmogelijk vergelijkbaar is met enige andere bezwaarschriftprocedure, precies omdat in die stand van de voorbereiding van de benoeming de gelijkwaardigheid van de kandidaten essentieel is; dat zij bijgevolg duidt op de duidelijke inherente voorwaarden verbonden aan die bezwaarschriftprocedure; IX-379-16/24 Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de verwerende partij verzoekers standpunt bijtreedt dat elke benoeming tot een openbaar ambt op grond van een vergelijking van de waarden en kwaliteiten van de kandidaten dient te geschieden, maar dat zij daaraan toevoegt dat die vergelijking dient te gebeuren “in redelijkheid en op basis van gelijkwaardige kansen van beide kandidaten”; dat zij betoogt dat om die reden geen rekening gehouden werd met de tweede rangschikking, maar met het volledige dossier dat aan de Vlaamse regering ter benoeming overgemaakt werd, met inbegrip van de notulen van de vergaderingen van het college van secretarissen-generaal van 22 juni 1995 en 20 juli 1995 en van het ingediende bezwaarschrift met zijn bijlagen; dat zij voorts betoogt dat het overmaken van de eerste rangschikking van 22 juni 1995 en het bezwaarschrift door het college van secretarissen-generaal aan de benoemende overheid precies bewijst dat het college geoordeeld heeft dat niet enkel op grond van de tweede rangschikking van 20 juli 1995 benoemd kon worden; dat zij benadrukt dat de Vlaamse regering rekening gehouden heeft met het volledige dossier en met alle geformuleerde adviezen zodat bezwaarlijk gesteld kan worden dat zij arbitrair gehandeld heeft; dat zij betoogt dat uit de tweede rangschikking ook blijkt dat het bezwaar, in zoverre uitsluitend rekening zou zijn gehouden met de uit de “eerste ronde” gekende gegevens, niet zou hebben kunnen leiden tot een gewijzigde rangschikking en dat het bezwaarschrift slechts twee bladzijden telde maar de bijlagen meer dan vijfhonderd bladzijden, allemaal gegevens die niet werden voorgelegd tijdens de eerste ronde en die, zoals blijkt uit het verslag van de directieraad, allen werden besproken, dat het enige gegeven dat de rangschikking gewijzigd heeft de nieuw ontwikkelde beleidsvisie was, die uitsluitend steunde op nieuwe elementen die de gelijkwaardigheid van de kandidat en schonden, waardo o r de bezwaarschriftprocedure een inhoud gekregen zou hebben die geenszins de bedoeling geweest kan zijn bij het door de overheid inschrijven van die procedure in het Vlaams Personeelsstatuut; dat zij betoogt dat om die reden de bestreden beslissing geen rekening houdt met die nieuw ontwikkelde beleidsvisie en bijgevolg ook na de behandeling van het bezwaar de rangschikking ongewijzigd gebleven is; dat zij besluit dat een vergelijking plaatsvond van de waarden en kwaliteiten van beide kandidaten en dat de bestreden beslissing duidelijk aangeeft waarom de benoemde kandidaat de meest geschikte is; Overwegende, wat het vierde onderdeel betreft, dat de verwerende partij aanvoert dat de tweede rangschikking niet impliceert dat de eerste rangschikking onregelmatig totstandgekomen zou zijn; dat zij betoogt dat de Vlaamse regering tot een regelmatige beoordeling en benoeming is gekomen, IX-379-17/24 steunend op regelmatig ingewonnen gegevens en met afwijzing van bijkomende nieuwe gegevens die met het bezwaarschrift waren overgelegd; dat zij voorts uiteenzet dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk motiveert waarom de tweede rangschikking niet werd bijgetreden en voorts verwijst naar de weerlegging van de voorgaande onderdelen van het middel; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker, wat het eerste onderdeel betreft, in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de tweede rangschikking de eerste herziet, steunend op bij de eerste beoordeling niet gekende gegevens; dat hij betoogt dat uit de praktijk blijkt dat een bezwaarschrift tegen een beslissing tot rangschikking slechts gegrond verklaard wordt wanneer nieuwe gegevens en argumenten aangebracht worden, wat hij effectief gedaan heeft, zodat met de eerste rangschikking geen rekening gehouden kan worden; dat hij het standpunt bijtreedt dat de kandidaten gelijkwaardige kansen moeten krijgen, maar dat volgens hem dit te dezen niet gebeurd is, gezien de overheid zijn bezwaar aanvaard heeft en op grond daarvan de rangschikking gewijzigd heeft maar nagelaten heeft ook zijn tegenkandidaat opnieuw te horen; dat hij ook betoogt dat hij nooit gehoord werd door de Vlaamse regering zelf; dat het argument, dat hij nergens in zijn verzoekschrift tot schorsing de motivering van de bestreden beslissing aanvecht, niet terzake dienend is, gezien de schorsingsprocedure voornamelijk gericht is op het bewijs van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat hij ook nog betoogt dat de verwerende partij stelt dat er geenszins sprake kan zijn van stijlformules in de bestreden beslissing, maar dat zij nergens aantoont welke bepaling van de bestreden beslissing een concrete toepassing is op hem; dat hij besluit dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat het enige gegeven dat de rangschikking gewijzigd heeft de nieuw ontwikkelde beleidsvisie is, aangezien hij geen nieuwe visie hieromtrent ontwikkeld had, maar wel een verdere verduidelijking gegeven heeft bij zijn eerder uiteengezette visie, en dat hij aldus aangetoond heeft dat hij, inzake werkgelegenheid, de afgelopen jaren wel degelijk een visie ontwikkeld heeft; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat verzoeker aanvoert dat er geenszins “duidelijke inherente voorwaarden” bestaan voor een bezwaarschriftprocedure en dat de verwijzing door de verwerende partij naar zulke inherente, maar niet expliciete voorwaarden een eigengereide benadering vormt die de rechtszekerheid niet ten goede komt; dat hij betoogt dat de bezwaar- schriftprocedure zich geenszins dient af te spelen binnen de perken van de bij de eerste rangschikking reeds gekende gegevens, aangezien de eerste rangschikking hem meegedeeld werd zonder enige motivering, zodat hij geen kennis had van de IX-379-18/24 gegevens waarin hij minder goed scoorde, en waarna hij zijn bezwaarschrift indiende op grond van alle gegevens die volgens hem relevant waren om de rangschikking aan te vechten, onder meer ook nieuwe gegevens; dat hij dienaangaande opnieuw opmerkt dat een bezwaarschrift slechts gegrond wordt verklaard wanneer zich nieuwe gegevens voordoen; dat hij verwijst naar het vorige onderdeel; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat verzoeker nog betoogt dat het niet in aanmerking nemen van nieuwe gegevens, aangevoerd met het oog op het formuleren van een nieuwe rangschikking of het niet in aanmerking nemen van de bezwaarschriftprocedure bij de uiteindelijke benoeming, erop neerkomt dat het ambtenarenstatuut uitgehold wordt; 2.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij aanvoert dat in de meest gunstige hypothese verzoeker ex aequo met haar gerangschikt diende te worden, zodat de Vlaamse regering hoe dan ook een keuze diende te maken tussen twee op papier gelijkwaardige kandidaten; dat zij betoogt dat de door verzoeker als onduidelijk bestempelde passage uit de bestreden beslissing duidelijk weergeeft dat de Vlaamse regering zich de vraag gesteld heeft of het college van secretarissen- generaal eigenlijk alleen maar het bezwaar tegen het eerste voorstel onderzocht heeft en of dit college verzoeker in feite niet de kans gegeven heeft om nieuwe gegevens voor te leggen, bij gebrek aan gegevens in de oorspronkelijke kandidaatstelling; dat zij in elk geval van oordeel is dat de door verzoeker gelaakte passage niet doorslaggevend is als motivering van de bestreden beslissing en dat zij zeker duidelijk en verstaanbaar is; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de tussenkomende partij aanvoert dat de directieraad niet voorgesteld heeft verzoeker te benoemen, maar enkel verzoeker en haarzelf ex aequo te rangschikken, zodat verzoeker dan ook ten onrechte beweert dat de directieraad voorgesteld heeft hem te benoemen, wat hij poogt af te leiden uit het feit dat zijn bezwaar gedeeltelijk gegrond werd verklaard, maar wat in strijd is met de feiten; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de tussenkomende partij aanvoert dat er wel degelijk een afdoende vergelijking van titels en verdiensten gebeurd is, maar dat dit niet betekent dat het uiteindelijk benoemingsbesluit zelf de titels en verdiensten van beide kandidaten in haar motivering moet opsommen en vergelijken en dat het volstaat de redenen te vermelden waarom de benoemde kandidaat de meest geschikte is; dat zij betoogt dat IX-379-19/24 die redenen geenszins arbitrair of willekeurig zijn, maar wel een afdoende motivering vormen, ook al vermelden zij niet expliciet waarom de teleurgestelde kandidaat niet benoemd werd; Overwegende, wat het vierde onderdeel betreft, dat de tussenkomende partij aanvoert dat de Vlaamse regering nergens gesteld heeft dat het advies van de directieraad onregelmatig is, maar dat zij enkel twijfel geuit heeft over de wijze waarop de directieraad verzoekers bezwaar onderzocht heeft en hem toegestaan heeft nieuwe gegevens voor te leggen; dat zij betoogt dat verzoeker geen belang heeft bij dit onderdeel, aangezien een eventuele onregelmatigheid in zijn voordeel is geweest; dat zij daar aan toevoegt dat, waar verzoeker dit onderdeel in de voorwaardelijke wijs stelt, het niet ontvankelijk is; 2.2.5.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft zoals dat aangevoerd is in het verzoekschrift, dat de bestreden beslissing de reden aangeeft waarom de Vlaamse regering van oordeel is dat het recht om als kandidaat een bezwaar in te dienen tegen het voorstel van de directieraad en door de directieraad gehoord te worden, er niet toe mag leiden dat die kandidaat, anders dan de andere kandidaten, de gelegenheid zou krijgen opnieuw zijn beleidsvisie uiteen te zetten, meer bepaald omdat “een nieuwe volwaardige presentatie van een aangepaste beleidsvisie” een gelijkwaardige vergelijking van de kandidaten onmogelijk zou maken; dat zulks geen stijlformule vormt; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.2.5.
- Overwegende, wat het tweede en het derde onderdeel van het middel betreft, dat de bestreden beslissing het tweede voorstel van de directieraad niet negeert maar verzoekers bezwaarschrift afwijst om de reden die er uitdrukkelijk in wordt vermeld; dat aldus uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de redenen, waarom de tussenkomende partij als meest geschikte kandidaat weerhouden wordt, dezelfde zijn als die op grond waarvan de directieraad haar initieel op de eerste plaats gerangschikt had; dat de bestreden beslissing bijgevolg op grond van een afdoende motivering afwijkt van de ex aequo rangschikking door de directieraad; dat het tweede en het derde onderdeel niet gegrond zijn; 2.2.5.
- Overwegende dat, wat het vierde onderdeel betreft, de bestreden beslissing nergens stelt dat het tweede voorstel van de directieraad onregelmatig of onvolledig is, maar wel dat verzoekers bezwaar, waarbij een nieuwe beleidsvisie ontwikkeld werd, tot geen wijziging van de rangschikking mag leiden; dat de IX-379-20/24 Vlaamse regering bijgevolg het dossier niet aan de directieraad diende terug te zenden; dat ook het vierde onderdeel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 33, 105 en 106 van de Grondwet en van artikel VIII 66 van het Vlaams Personeelsstatuut, doordat de Vlaamse regering het tweede voorstel van de directieraad naast zich neergelegd heeft, schijnbaar steunend op het feit dat de bezwaarprocedure, voorzien bij voornoemd artikel VIII 66, niet van toepassing is op de aangevochten bevordering, terwijl uit het Vlaams Personeelsstatuut voortvloeit dat de directieraad zelf beslist over de ontvankelijkheid en over zijn bevoegdheid met betrekking tot een ingediend bezwaar; dat hij betoogt dat de beslissing van de directieraad door de verwerende partij niet invraaggesteld kan worden en dat de directieraad het bezwaar behandeld heeft en zelfs gegrond verklaard heeft, zodat de verwerende partij eigenlijk haar bevoegdheid overschreden heeft door zijn bezwaar naast zich neer te leggen; 2.3.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat niet in te zien is hoe de bestreden beslissing de artikelen 33, 105 en 106 van de Grondwet zou kunnen schenden; dat zij, met betrekking tot de schending van voornoemd artikel VIII 66, verwijst naar haar weerlegging van het tweede middel; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing geenszins oordeelt dat de bezwaarprocedure, voorzien bij voornoemd artikel VIII 66, niet van toepassing is op de aangevochten bevordering, maar wel dat die procedure “slechts aanleiding kan geven tot een herbeoordelen van de situatie op grond van uitsluitend en voordien bekende elementen die aanleiding hebben gegeven tot de rangschikking van de kandidaten”; dat zij voorts betoogt haar bevoegdheid niet te hebben overschreden, aangezien zij geenszins betwist dat een bezwaar mag worden ingediend, maar wel van oordeel is dat zij de grenzen mag bepalen waarbinnen dat bezwaar behandeld wordt; dat zij betoogt dat zij ook bij het formuleren van haar opmerkingen inzake de bezwaarprocedure haar bevoegdheid niet overschreden heeft, aangezien de directieraad zowel de eerste rangschikking als de tweede rangschikking aan de Vlaamse regering heeft voorgelegd, en dat hij daarmee duidelijk te kennen gaf dat al die stukken deel uitmaken van de beoordeling met het oog op de benoeming; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar zijn uiteenzetting bij het tweede middel; dat hij betoogt dat het standpunt van de verwerende partij, dat de bezwaarschriftprocedure “slechts aanleiding kan geven tot een herbeoordelen van de situatie op grond van uitsluitend IX-379-21/24 en voordien bekende elementen die aanleiding hebben gegeven tot de rangschikking van de kandidaten”, die procedure elke zin ontneemt, gezien uit de praktijk blijkt dat een rangschikking nooit wordt herzien wanneer geen nieuwe gegevens worden aangevoerd; 2.3.4 Overwegende dat de tussenkomende partij verwijst naar haar weerlegging van het eerste onderdeel van het tweede middel; dat zij aanvoert dat verzoeker ten onrechte uit de bestreden beslissing afleidt dat de verwerende partij de bezwaarprocedure als onregelmatig beschouwt, gezien volgens haar de Vlaamse regering enkel twijfels heeft geuit bij de wijze waarop de directieraad de bezwaarschriftprocedure afgehandeld heeft; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker geenszins verduidelijkt welk verband er bestaat tussen de artikelen 33, 105 en 106 van de Grondwet en het bezwaarrecht van de ambtenaar tegen een voorstel van de directieraad; dat het middel onontvankelijk is in zoverre de schending van deze bepalingen wordt aangevoerd; dat noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat de Vlaamse regering beslist zou hebben dat het bezwaarrecht en het recht om door de directieraad gehoord te worden niet zou gelden bij de totstandkoming van de hier bestreden bevordering; dat de bestreden beslissing artikel VIII 66 van het Vlaams Personeelsstatuut niet schendt wanneer zij, in tegenstelling tot de directieraad, oordeelt dat het bezwaar van een kandidaat, die zich benadeeld acht, tot geen wijziging van de rangschikking aanleiding geeft; dat het middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) en van artikel 119 van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (hierna: het EU- verdrag), doordat volgens hem de benoeming van de tussenkomende partij enkel het gevolg is van het beleid van de verwerende partij om bij de invulling van hogere posten binnen de Vlaamse administratie het aantal vrouwen te laten toenemen, - hetgeen in de pers uitgebreid aan bod is gekomen -, terwijl uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet het verbod voortvloeit om vergelijkbare gevallen verschillend te behandelen op grond van het geslacht en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, mits een aantal uitzonderingsgevallen, dit ook reeds bevestigd hebben; dat hij betoogt dat, hoe verdienstelijk het initiatief van de Vlaamse overheid ook moge zijn, er toch geen reden is om, in zijn nadeel, een vrouw te benoemen; dat hij ook nog stelt dat hier het IX-379-22/24 evenredigheidsbeginsel tussen het doel en de aangewende middelen geschonden is en dat reeds vooraf uit een emancipatie-effectenrapportage gebleken was dat vermoedelijk een vrouw benoemd zou worden tot directeur-generaal; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing omstandig motiveert waarom de tussenkomende partij benoemd wordt en waarom geen rekening gehouden wordt met de tweede rangschikking door de directieraad; dat zij betoogt dat noch in de bestreden beslissing, noch in het administratief dossier één enkel gegeven terug te vinden is dat zou wijzen op een verschillende behandeling van vergelijkbare gevallen op grond van het geslacht; dat zij aanvoert dat de benoeming van de meest geschikte kandidaat precies gebeurd is om te vermijden dat voornoemde artikelen van de Grondwet of het EVRM zouden worden geschonden; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het standpunt van de verwerende partij, dat te dezen uit niets blijkt dat er een discriminatie zou zijn, betwist en verwijst naar de volgende passage uit emancipatie- effectenrapportage : “Tot nu toe werden voor 4 vacatures de sollicitaties afgesloten. Er stelden zich zeventien mannen en twee vrouwen kandidaat. Twee mannen en één vrouw stelden zich tweemaal kandidaat. Er werd geen enkele vrouw gerangschikt. Eén vrouw doet mee aan de ronde voor de vijfde vacature. Zij maakt vermoedelijk een kans op een rangschikking.”; 2.4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat zij over voldoende capaciteiten en verdiensten beschikt om tot directeur-generaal bevorderd te worden en dat uit geen enkel gegeven van het administratief dossier of uit de bestreden beslissing blijkt dat enige vorm van positieve discriminatie op grond van geslacht in de overwegingen betrokken is geworden; 2.4.
- Overwegende dat het door verzoeker aangehaalde emancipatie- effectenrapport vaststelt dat voor de eerste keer sinds vijf vacatures een vrouw “vermoedelijk” een “kans” maakt op een rangschikking; dat dit bezwaarlijk kan gelden als bewijs dat de tussenkomende partij haar benoeming te danken heeft aan een voorkeursbehandeling op grond van het geslacht; dat integendeel uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de tussenkomende partij benoemd werd omdat zij de meest geschikte kandidaat is, los van enige verwijzing naar het geslacht; dat verzoekers bewering, dat haar benoeming “enkel” het gevolg zou zijn van het beleid van de Vlaamse overheid om het aantal vrouwen in “hogere posten” IX-379-23/24 te doen toenemen, dan ook niet ernstig genomen kan worden; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-379-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.344 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.