id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.348 Rolnummer: A. 119957/-0 Zaak: Arrest 164348 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:57 Fiche Arrest nr 164.348 van 6 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.348 van 6 november 2006 in de zaak A. 119.957/IX-
- In zake : Fabrice DELAHAYE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4 bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fabrice DELAHAYE op 19 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing (...) om een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te vorderen (...), in casu het bedrag van 9.356,02 euro”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3301-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN GRIEKEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker treedt op 24 december 1985 in dienst van de Krijgsmacht als leerling van de Koninklijke Kadettenschool. In 1987 wordt hij kandidaat-beroepsofficier bij de Luchtmacht en zet hij zijn studies voort aan de Koninklijke Militaire School. Op 25 september 1989 wordt hij opgenomen in het varend personeel van de Luchtmacht, waar hij met ingang van 26 september 1998 tot kapitein van het vliegwezen wordt benoemd. 1.
- Bij koninklijk besluit van 10 augustus 2001 wordt verzoeker van ambtswege uit zijn ambt ontslagen wegens de weigering om zijn eenheid te vervoegen na afloop van een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden en de weigering van zijn ontslagaanvraag. 1.
- Met een aangetekende brief van 22 februari 2002 richt de chef van de dienst Afvloeiingen van de Algemene Directie Human Resources zich als volgt tot verzoeker : “U werd op 14 september 2001 van ambtswege ontslagen uit het kader der beroepsofficieren (koninklijk besluit nr. 3637 van 10 augustus 2001 en nota JSP- A/D/Disc 5 01-036958 van 30 augustus 2001 waarvan kopie in bijlage). Aangezien U op die datum nog niet voldeed aan de wettelijk vereiste rendementsvoorwaarden vordert de Staat een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug (wet van 16 maart 2000 aangepast met de wet van 16 maart 2001). In uw geval bedraagt het terug te betalen bedrag 9.356,02 EUR (377.421 BEF). Artikel 8 van de voormelde wet stipuleert dat: ‘Voor uitzonderlijke sociale redenen, kan de Koning de militair die er om verzoekt vrijstellen van de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vormingskosten en van de tijdens de vorming genoten wedden.’ Om van die mogelijkheid eventueel te kunnen IX-3301-2/6 genieten, moet U ons uw argumentatie laten geworden. Deze moet wel van uitzonderlijke en sociale aard zijn. Indien we geen antwoord ontvangen vóór 01 april 2002, zal uw dossier overgemaakt worden aan het Ministerie van Financiën - Hoofdbestuur van het kadaster, de registratie en de domeinen - Directie I/5/A - R.A.C. - Financietoren - us 58 - Kruidtuinlaan, 50 - 1010 BRUSSEL. Deze dienst zal U, via het kantoor van de belastingontvanger waarvan U afhangt, contacteren om het hierboven vermelde bedrag terug te vorderen. Een beroep tot nietigverklaring van de voormelde beslissing met betrekking tot de terugbetaling kan voor de afdeling administratie van de Raad van State (adres : Wetenschapsstraat, 33, 1040 BRUSSEL) worden gebracht via een ter post aangetekend schrijven binnen de zestig dagen te tellen vanaf de dag volgend op deze van deze betekening. (...)” Deze brief bevat de thans bestreden beslissing. 1.
- Op 28 mei 2002 wordt verzoekers dossier overgemaakt aan het ministerie van Financiën met het oog op de invordering van de schuld. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de Raad van State niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, aangezien verzoeker de erkenning van een subjectief recht beoogt, met name het recht om een overeenkom- stig de vigerende reglementering vaststaande schuld aan de overheid niet te hoeven betalen; dat zij betoogt dat in het geval van verzoeker de overheid geen discretionaire appreciatiebevoegdheid uitgeoefend heeft, maar dat zij enkel heeft kunnen vaststellen dat de voorwaarden voor terugvordering van de kosten van de genoten opleiding, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet van 16 maart 2000, vervuld waren; 2.
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat de verwerende partij zelf gewezen heeft op de mogelijkheid van een annulatieberoep en dat de verwerende partij de beslissing tot terugvordering heeft doen afhangen van een initiatief van zijnentwege vóór 1 april 2002, wat erop wijst dat de terugbetaling niet als een vaststaande schuld werd beschouwd, hetgeen overigens ook niet mogelijk was aangezien de overheid de mogelijkheid heeft om een lager bedrag vast te stellen; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie bijkomend nog betoogt dat hij de vernietiging gevraagd heeft van de weigering van zijn vrijwillig ontslag -beslissing van 1 oktober 1999-, dat die vernietiging de intrekking impliceert van zijn ontslag van ambtswege en dat daar evenzeer uit volgt dat de onderhavige vraag tot terugbetaling vernietigd moet worden; IX-3301-3/6 2.4.
- Overwegende dat het beroep gericht is tegen de beslissing waarbij de verwerende partij van verzoeker de terugbetaling vordert van een gedeelte van de wedde die hij tijdens zijn vorming in de Krijgsmacht genoten heeft; dat die terugvordering geregeld is door de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden (hierna: de wet van 16 maart 2000); dat artikel 4 van die wet, gewijzigd door de wet van 22 maart 2001, bepaalt dat de beroepsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege ontslagen wordt, ertoe gehouden is een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedde terug te betalen, dat de vergoeding degressief is en dat zij “een breukdeel van de 73% van de netto uitbetaalde wedden gedurende de vorming (bedraagt)”; 2.4.
- Overwegende dat, volgens het voormeld artikel 4 van de wet van 16 maart 2000, de overheid niet discretionair kan beslissen over het al dan niet terugvorderen van de tijdens de vorming genoten wedden, noch over het bedrag dat teruggevorderd wordt; dat zij enkel kan nagaan of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 4 vervuld zijn en, wanneer dit het geval is, de wettelijk bepaalde bedragen moet terugvorderen; dat de omstandigheid dat de betrokken militair krachtens artikel 8 van de wet van 16 maart 2000 kan vragen om vrijgesteld te worden van de terugbetaling, wat verzoeker niet gedaan heeft, en dat de Koning die vraag kan inwilligen “voor uitzonderlijke sociale redenen”, niets afdoet aan de initiële verplichting van de verwerende partij, vastgelegd in artikel 4 van de wet en waarvan de bestreden beslissing uitsluitend toepassing maakt; 2.4.
- Overwegende dat bij het treffen van het bestreden besluit de verwerende partij geen discretionaire bevoegdheid uitgeoefend heeft; dat de aangelegenheid kadert in de vaststelling van de rechten die verzoeker in het kader van zijn statuut tegenover de overheid kan doen gelden; dat betwistingen aangaande dergelijke beslissingen over subjectieve rechten door de justitiële rechter worden beslecht; dat verzoeker geen wetsbepaling aanwijst die de kennisneming ervan aan de bevoegdheid van de gewone rechtbanken onttrokken zou hebben; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog het verband legt tussen de bestreden beslissing en de mogelijke vernietiging van de IX-3301-4/6 weigering om hem vrijwillig ontslag te verlenen; dat hij daarmee evenwel niet aantoont dat de Raad van State bevoegd is om over dit beroep uitspraak te doen; dat de eventuele vernietiging waarop verzoeker alludeert het bestuur er overigens zal toe verplichten de rechtspositie van verzoeker opnieuw te bepalen en daarbij eventueel ook oog te hebben voor de wet van 16 maart 2000 en de verplichtingen die daarin opgenomen zijn; 2.4.
- Overwegende dat de bevoegdheidsexceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is; dat, aangezien de verwerende partij aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij tegen het bestreden besluit een annulatieberoep kon indienen, het past de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3301-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3301-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.