id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.350 Rolnummer: A. 67779/IX-1685 Zaak: Arrest 164350 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 07:59 Fiche Arrest nr 164.350 van 6 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.350 van 6 november 2006 in de zaak A. 67.779/IX-1685. In zake : de NV FIRMA LEON VAN PARYS, die woonplaats kiest bij advocaat P. VLAEMMINCK, kantoor houdende te GENT, Gebroeders Vandeveldestraat 68 tegen : het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV FIRMA LEON VAN PARYS op 22 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 december 1995 van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau “waarbij verzoekster als borg wordt aangesproken tot het betalen van een bedrag van 7.396.073 BEF wegens het niet gebruiken van een EU-certificaat”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 31 maart 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-1685-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. ZONNEKEYN die, loco advocaat P. VLAEMINCK verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. COEN die, loco advocaat E. VERVAEKE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoekster is invoerder van bananen in België. 1.2. Bij Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (hierna : de Verordening 404/93) is een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen ingevoerd. Die verordening voert een tariefcontingent in voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen. De invoermogelijk- heden staan in principe open voor in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die voor eigen rekening een nader te bepalen minimumhoeveelheid bananen van bepaalde oorsprong hebben afgezet. Elke marktdeelnemer ontvangt invoercertificaten op basis van de gemiddelde hoeveelheden bananen die hij in de laatste drie jaar, waarover gegevens beschikbaar zijn, verkocht heeft. Die certificaten worden slechts afgegeven na een borgstelling voor de naleving van de verbintenis tot invoer onder de voorwaarden van deze verordening tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Indien de transactie niet binnen die termijn of slechts gedeeltelijk plaatsvindt, vervalt de aanspraak op deze zekerheid geheel of ten dele. Met de Verordening (EEG) nr. 1442/93 van de Commissie van 10 juni 1993 houdende bepalingen ter toepassing van de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (hierna : de Verordening 1442/93) is de Verordening 404/93 nader uitgevoerd. De gevraagde zekerheid wordt er bepaald op 15 ECU per IX-1685-2/11 ton. Artikel 20 bepaalt voorts dat Verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (hierna : Verordening 3719/88) van toepassing is met uitzondering van de in artikel 8, vierde en vijfde lid, van die verordening vervatte bepalingen en behoudens de in Verordening nr. 1442/93 vastgestelde afwijkingen. 1.3. Op 21 december 1994 verkrijgt verzoekster voor het eerste kwartaal 1995 een invoercertificaat voor 24 783 900 kg bananen (certificaat nr. 54551018900). Dat certificaat wordt gesplitst in meerdere deelcertificaten waaronder één met het nummer 54551018901 voor 10 000 ton bananen. Dat deelcertificaat wordt door verzoekster ter beschikking gesteld van haar agent te Hamburg, Pacific Fruchtimport GmbH. Op 3 januari 1995 deelt die agent mee dat het deelcertificaat zoek is geraakt. 1.4. Op 14 maart 1995 dient verzoekster op grond van artikel 10.3 van Verordening 1442/93 -waarin bepaald is dat de niet-gebruikte hoeveelheden “op verzoek in het volgende kwartaal weer aan dezelfde marktdeelnemer (worden) toegewezen”- een aanvraag tot reattributie (dit wil zeggen een aanvraag om in het volgend kwartaal de niet-gebruikte hoeveelheid toegewezen te krijgen) in bij de in België bevoegd gemaakte autoriteit, de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen (hierna : de CDCV). Een gelijkaardige aanvraag wordt ingediend op 6 juni en 1 september 1995 bij diens opvolger, het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (hierna : het BIRB). 1.5. Op 16 januari 1995 vraagt verzoekster aan de CDCV met toepassing van artikel 34.10 van Verordening nr. 3719/88 een vervangingscertificaat af te leveren. Genoemd artikel 34.10 maakt het mogelijk dat een niet-gebruikt certificaat dat wegens vernietiging ook niet meer kan worden gebruikt, vervangen wordt door een vervangingscertificaat. 1.6.1. Op 23 januari 1995 vraagt de CDCV advies aan het ministerie van Landbouw met betrekking tot de toepassing van voornoemd artikel 34.10. Hij wint ook het standpunt in van de Europese Commissie over de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling en over de mogelijkheid tot reattributie. IX-1685-3/11 Op 15 februari 1995 vraagt het ministerie van Landbouw aan de Europese Commissie advies over de toepassing van voornoemd artikel 34 en over het concreet geval van verlies van een certificaat. Gemeld wordt dat de CDCV, wanneer geen negatief advies wordt gegeven, een vervangingscertificaat zal afleveren op 1 maart 1995. 1.6.2. Met een brief van 28 februari 1995 antwoordt de Europese Commissie niet akkoord te kunnen gaan met de aflevering van een vervangingscertifi- caat, omdat niet voldoende feitelijke gegevens werden overgemaakt met betrekking tot het concrete geval van verlies van het certificaat. Zij vraagt vervolgens op 27 maart 1995 aan de CDCV en de ministeries van Landbouw en van Economische Zaken om aanvullende informatie te verstrekken over de exacte omstandigheden van het verlies van het certificaat en stelt een verder onderzoek in het vooruitzicht. Met een brief van 27 maart 1995 verstrekt de CDCV bijkomende informatie aan de Europese Commissie. Er wordt ook gesteld dat moeilijk kan worden geloofd dat verzoekster gefraudeerd zou hebben, en dat de voorwaarden van artikel 10.3 van Verordening 1442/93 nageleefd werden. 1.7. Op 7 april 1995 deelt de Europese Commissie aan de CDCV en de ministeries van Landbouw en van Economische Zaken mee dat de voorwaarden voor het afleveren van een reattributiecertificaat op 7 april 1995 niet vervuld zijn maar dat de zaak verder wordt onderzocht. Op 15 mei 1995 verzoekt de Europese Commissie de lidstaten om hun douanediensten na te laten gaan of het certificaat nr. 54551018901 niet gebruikt werd voor de invoer van bananen tussen 23 december 1994 en 7 april 1995. 1.8. Op 14 september 1995 wijst verzoeksters raadsman de Europese Commissie op het feit dat bij verder dralen zijn cliënte een hoeveelheid van 10 000 ton definitief verliest. Hij vraagt dringend een gunstig standpunt in te nemen. Op 15 september 1995 dringt het ministerie van Landbouw bij de Europese Commissie eveneens aan op een spoedige oplossing en meldt dat, behoudens andersluidend advies vanwege de Commissie op 21 september 1995, overgegaan zal worden tot afgifte van een vervangingscertificaat voor de betrokken hoeveelheid voor het vierde trimester. IX-1685-4/11 1.9. Op 21 september 1995 deelt de Europese Commissie aan het BIRB en de ministeries van Landbouw en van Economische Zaken mee dat de aanvraag van een vervangingscertificaat op grond van artikel 34.3 van Verordening nr. 3719/88 niet ontvankelijk is wanneer het certificaat verleend werd in het kader van een kwantitatief contingent en dat de voorwaarden voor het afleveren van een reattribu- tiecertificaat, zoals bepaald in artikel 10.3 van Verordening nr. 1442/93, op dat ogenblik niet vervuld zijn. 1.10. Op 27 september 1995 deelt de directeur-generaal van het ministerie van Landbouw aan verzoeksters raadsman mee dat er volgens de Europese Commissie onvoldoende garanties bestaan dat het verloren certificaat toch niet ergens gebruikt is, dat een strikte toepassing van Verordening nr. 3719/88 niet toelaat om een vervangingscertificaat af te geven omdat het certificaat niet vernietigd maar verloren is en dat niet voldaan is aan de voorwaarden van Verordening nr. 1442/93 voor een reattributie. Meegedeeld wordt dat op basis van de huidige regelgeving en gezien het negatieve advies van de Commissie niet kan overgegaan worden tot afgifte van een vervangingscertificaat. 1.11. Met een aangetekende brief van 27 december 1995 wordt verzoekster door het BIRB aangemaand 7.396.073 BEF te betalen. Gesteld wordt dat dit bedrag door de borg verschuldigd is wegens het niet gebruiken van het certificaat voor 10 000 000 kg. In de motivatie wordt verwezen naar de artikelen 31.1 en 33.2 van Verordening nr. 3719/88. Dit is de bestreden beslissing; 2. Overwegende dat de bestreden beslissing betrekking heeft op de aan verzoekster opgelegde verplichting om een bepaald bedrag aan het BIRB te betalen; dat dit bedrag volgens het BIRB verschuldigd is omdat niet bewezen wordt dat de 10 miljoen kilo bananen vermeld op het invoercertificaat 54551018901 ingevoerd zijn en de verstrekte zekerheid derhalve verbeurd wordt; 3.1. Overwegende dat de Raad van State ambtshalve moet onderzoeken of hij, in het licht van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, wel van dergelijke vordering kennis kan nemen; dat hij overeenkomstig die grondwettelijke bepalingen zijn bevoegdheid moet afwijzen wanneer, na onderzoek van het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het annulatieberoep, de vordering betrekking blijkt te hebben IX-1685-5/11 op de erkenning of de vaststelling van de omvang van een subjectief recht, aangezien de kennisneming van dergelijke geschillen tot de bevoegdheid van de justitiële rechter behoort; dat, in geval van een beslissing waarbij de overheid een door de rechtson- derhorige te betalen som vaststelt, er sprake is van dergelijke betwisting inzake een subjectief recht wanneer het bestuur blijkens de bestaande reglementering geen discretionaire bevoegdheid bezit aangaande de vaststelling van of de omvang van haar recht, zodat de gewone rechter het geschil kan oplossen op basis van een interpretatie van de toepasselijke teksten; 3.2.1. Overwegende dat voor de beslechting van de bevoegdheidsvraag volgende reglementaire bepalingen onder de aandacht gebracht dienen te worden :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.