id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.351 Rolnummer: A. 163657/IX-4957 Zaak: Arrest 164351 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 07:59 Fiche Arrest nr 164.351 van 6 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.351 van 6 november 2006 in de zaak A. 163.657/IX-4957. In zake : de NV LIMBURGSE EIPRODUCTEN-CENTRALE (L.E.C.), die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55 A2 tegen : 1. het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat 61 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV LIMBURGSE EIPRODUCTEN-CENTRALE (LEC) op 27 juni 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 juni 2005 van de minister van Volksgezondheid waarbij haar vergunning om voedingsmiddelen te fabriceren of in de handel te brengen wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2005; Gelet op het arrest nr. 147.194 van 1 juli 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 4 augustus 2005 door de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; IX-4957-1/15 Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. DE GROOTE die, loco advocaat J. FRANSEN verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. De verzoekende partij verwerkt eieren in diverse eigeel- en/of eiwitproducten die worden aangekocht door voedselproducenten. Zij beschikt hiertoe over een vergunning, afgegeven op 28 februari 2001. 1.2. Op 15 maart 2005 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat haar vergunning van 28 februari 2001 wordt ingetrokken. De redenen daartoe hebben te maken met een op 21 februari 2005 uitgevoerde audit waarbij werd nagegaan in hoeverre eerder vastgestelde tekortkomingen werden gecorrigeerd. Volgende tekortkomingen blijven bestaan : - er zou een centrifuge aanwezig zijn die gebruikt wordt om eieren te breken en niet om het volume van de eierschalen te verkleinen; - het bekomen slingerwit wordt niet of onvoldoende gedenatureerd; - het slingerwit kan als grondstof in de pasteurisatiekamer worden gebracht; IX-4957-2/15 - er is vastgesteld dat een product dat als slingerwit werd aangewezen een gekleurde waterige vloeistof was met een droge stof gehalte van 0,45% waardoor onduidelijk is wat de werkelijke bestemming is van dat slingerwit; - er zijn onvoldoende bewijzen dat het gefabriceerde eigeel effectief wordt gepasteuriseerd; - vervallen producten worden opnieuw gepasteuriseerd en in de handel gebracht; - er zijn vuile eieren aanwezig. Er is geen wasprocedure beschreven en ze kan ook niet gecontroleerd worden; - er is een tegenspraak tussen de bewering van de firma dat zij gezouten producten aanbiedt en de etikettering van de producten; - het zou fysisch onmogelijk zijn een rendement van om en bij de 90% te bekomen. 1.3. Voorafgaand aan deze intrekkingsbeslissing was de gedelegeerd bestuurder van de verzoekende partij op 9 maart 2005 over al de weerhouden vaststellingen verhoord. Uit dat verhoor blijkt dat voor een aantal vaststellingen verklaringen gegeven worden of kunnen worden, dat er inderdaad een aantal verbeteringen mogelijk zijn en dat daar, ingevolge de controles, ook aan wordt gewerkt. 1.4. Overeenkomstig artikel 10, § 5, van het koninklijk besluit van 4 december 1995 tot onderwerping aan vergunning van plaatsen waar voedingsmid- delen gefabriceerd of in de handel gebracht worden of met het oog op de uitvoer behandeld worden, stelt de verzoekende partij tegen de beslissing van 15 maart 2005 gemotiveerd beroep in bij de minister. In een op 25 maart 2005 gedateerde brief wordt een verklaring gegeven voor de verschillende aan de verzoekende partij verweten onregelmatigheden. Ingevolge dat beroep wordt de intrekking geschorst en beschikt de minister na verzending van het beroep over 90 kalenderdagen om een beslissing te nemen. 1.5. Als gevolg van het beroepschrift volgt een nieuwe inspectie bij de verzoekende partij op 25 en 27 april 2005. De dan gedane vaststellingen staan vermeld in de bestreden beslissing die op 22 juni 2005 wordt genomen. Samengevat worden nu nog de volgende tekortkomingen aangehouden : - eerder geproduceerd slingerwit is niet gedenatureerd; IX-4957-3/15 - de uitleg in verband met de containers die spoelwater in plaats van slingerwit bevatten, wordt niet aanvaard omdat nog steeds geen uitleg gegeven werd aangaande de bestemming ervan; - de tanks met slingerwit kunnen nog steeds naar het pasteurisatielokaal; - het eigeel wordt verdund met water om te kunnen pasteuriseren. In hun verslag formuleren de inspecteurs het besluit dat de aangehouden tekortkomingen tot een “verhoogd toezicht” moeten leiden, eerder dan tot de intrekking van de vergunning. 2. Overwegende dat de bestreden beslissing uitgaat van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, die onder het gezag staat van de minister van Volksgezond- heid; dat de Belgische Staat als zodanig niet in de besluitvorming betrokken is geweest en hij derhalve als verwerende partij buiten de zaak gesteld wordt; 3. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsverplichting; dat zij aanvoert dat de vier motieven die in het bestreden intrekkingsbesluit vermeld zijn en die telkens verwijzen naar een overtreding van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de bereidingen en het in de handel brengen van eiproducten (hierna: het koninklijk besluit van 31 december 1992), de beslissing niet op een pertinente wijze kunnen dragen; 3.1.1. Overwegende dat het eerste motief van het besluit luidt als volgt: “inbreuk op punt 3 van hoofdstuk IV van de bijlage : ‘eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, moeten worden verwijderd en gedenatureerd zodat zij niet opnieuw voor menselijke consumptie kunnen worden gebruikt’ : tijdens de inspectie van 25 april 2005 is er door onze inspecteurs vastgesteld dat de voorraad slingerwit die eerder geproduceerd was, niet gedenatureerd was. De eerder bekomen eierschalen waren minder of niet gedenatureerd (opgeslagen in de container).”; Overwegende dat de verzoekende partij dienaangaande stelt dat het slingerwit en de eischalen waarnaar de eerste verwerende partij verwijst -en die overigens niet in het productieproces terechtgekomen zijn- “afkomstig waren uit een productie die dateerde van 10 dagen vóór de uitgevoerde controle”, dat zij wel degelijk volgens de richtlijnen gedenatureerd waren met een rode kleurstof, maar dat de kleurstof naar de bodem van de containers gezakt was; dat zij daar aan toevoegt IX-4957-4/15 dat de controlerende ambtenaren haar tijdens de inspectie van 25 april 2005 niets gezegd hebben over deze inbreuk en dat zij bijgevolg niet de gelegenheid gehad heeft om monsters te nemen om met een analyse te kunnen aantonen dat de producten wel degelijk gedenatureerd waren; dat zij besluit dat de verwerende partij de inbreuk niet bewijst zodat het motief niet pertinent is; 3.1.2. Overwegende dat in het arrest nr. 147.194 gesteld is dat eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor consumptie “verwijderd en gedenatureerd” moeten worden, dat niet betwist wordt dat de verzoekende partij de eischalen en het slingerwit effectief “verwijderd” heeft en dat uit de overgelegde gegevens niet opgemaakt kon worden op welke grond de bevoegde ambtenaren hebben kunnen besluiten dat er geen of slechts een onvoldoende denaturatie was gebeurd, zeker nu de verzoekende partij voor haar optreden een uitleg geeft die de verwerende partij niet tegenspreekt; 3.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat “de aanwezigheid van duidelijke geconcentreerde verse sporen van gemorste kleurstof aan de opening van de container op het moment van de controle erop duidt dat de producent op het laatste moment geprobeerd heeft om het eiwit te denatureren” en dat de kleurstof nog niet in de container was uitgezakt, wat erop wijst dat de kleurstof zeer recent en niet tien dagen voordien toegevoegd werd, zoals de verzoekende partij stelt; dat zij daar aan toevoegt dat slingerwit “onmiddel- lijk gedenatureerd (moet worden)” en verplaatst moet worden naar het daarvoor bestemde lokaal en dat, wegens het gevaar voor verwisseling van deze containers met containers die geschikte producten bevatten, “van een normaal zorgvuldige producent verwacht (mag worden) dat hij de eieren denatureert voordat of uiterlijk op het moment dat de ongeschikte eieren en eiproducten worden verplaatst naar het (daarvoor bestemd) lokaal”; dat zij nu ook stelt dat punt 8 van hoofdstuk II spreekt van een “onmiddellijke verwijdering” van het afval waaruit volgt dat de verwijdering -en de daaraan voorafgaande denaturatie- geen tien dagen mag uitblijven; dat zij besluit dat de controle op denaturatie steeds een “de visu”-vaststelling is, zodat het verwijt van de verzoekende partij, dat een staalname het probleem had kunnen uitklaren, irrelevant is aangezien dergelijke monsterneming toch het bewijs niet had kunnen opleveren van het beweerd laattijdig denatureren; 3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij voor het eerst in haar memorie van antwoord -en zulks zonder daarvan enig bewijs te leveren- gewaagt van de aanwezigheid van kleurstof bovenop IX-4957-5/15 de inhoud van de container en aan de opening ervan; dat zij wijst op de tegenstrijdig- heid in de uiteenzetting van de verwerende partij waar zij blijkens het bestreden besluit het verwijt formuleerde dat de afvalstoffen niet gedenatureerd werden, terwijl zij nu voorhoudt dat zij laattijdig gedenatureerd zijn; dat volgens haar uit de -nieuw aangehouden- stelling van de verwerende partij zelf volgt dat het eerste motief -met name dat de ongeschikte producten niet gedenatureerd werden- niet draagkrachtig is; dat zij besluit dat de verwerende partij “een smoes probeert te vinden voor het feit dat men nagelaten heeft om in casu een staal te nemen”; 3.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog benadrukt dat haar controleurs hebben kunnen vaststellen dat het aangetroffen slingerwit, dat volgens de producent tien dagen oud was en toen ook gedenatureerd maar waarvan de kleurstof naar de bodem van de container was gezakt, zeer recentelijk gedenatureerd was, aangezien er verse sporen van kleurstoffen waren aangetroffen en de kleurstof ook bovenop de inhoud van de container dreef; dat volgens haar daarmee aangetoond wordt dat de producten niet volgens de geldende reglementering gedenatureerd werden; dat volgens haar de Raad van State in het schorsingsarrest geen rekening gehouden heeft met de tegenstrijdige verklaringen van de verzoekende partij en met de vaststellingen die door haar ambtenaren gemaakt waren in een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegendeel bewezen wordt; 3.1.6.1. Overwegende dat punt 3 van hoofdstuk IV van de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 december 1992 luidt als volgt: “Eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, moeten worden verwijderd en gedenatureerd zodat zij niet opnieuw voor menselijke consumptie kunnen worden gebruikt; deze eieren en eiproducten dienen onmiddellijk in het in hoofdstuk II, punt 8 bedoelde lokaal te worden geplaatst”; dat in genoemd punt 8 van hoofdstuk II sprake is van voorzieningen voor onmiddel- lijke verwijdering en aparte opslag van lege schalen, alsmede van eieren en eiproducten die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie; 3.1.6.2. Overwegende dat de verzoekende partij terecht opmerkt dat de uiteenzetting in de memorie van antwoord met betrekking tot het miskennen van de verplichting om slingerwit onmiddellijk te denatureren een nieuw gegeven is dat niet in de oorspronkelijke tenlastelegging betrokken was, aangezien deze enkel betrekking had op de vaststelling, gemaakt op 25 april 2005, dat nog aanwezig slingerwit, afkomstig van vroegere producties -de verzoekende partij heeft het over een IX-4957-6/15 productie van tien dagen oud-, niet gedenatureerd was en dat de eierschalen van diezelfde productie “minder of niet” gedenatureerd waren; dat de verwerende partij daarmee een nieuwe tenlastelegging formuleert -het niet onmiddellijk denatureren- die uiteraard niet in het onderhavig dossier betrokken kan worden; 3.1.6.3. Overwegende dat de door het bestreden motief aangehouden inbreuk steunt op een vaststelling van de ambtenaren van de verwerende partij gedaan ter gelegenheid van een controlebezoek op 25 april 2005; dat de verwerende partij daarmee een nieuw feit in haar besluitvorming betrokken heeft en dat zij dat feit alleen tot grondslag van het bestreden motief gemaakt heeft; dat evenwel het formuleren van een nieuwe tenlastelegging, nadat de betrokkene in kennis gesteld is van het voornemen om zijn vergunning in te trekken en hij zich heeft moeten verdedigen over de oorspronkelijke tenlasteleggingen, strijdig is met het reglementair uitgetekende besluitvormingsproces; dat de verzoekende partij dan ook terecht bezwaren uit tegen de wijze waarop de verwerende partij de feiten binnen het hier besproken besluitvormingsproces gebracht heeft; Overwegende dat in het kader van het hier besproken middel onderzocht moet worden of de verwerende partij de inbreuk als een regelmatige grond voor de intrekking van de vergunning in aanmerking kon nemen; dat zulks de vraag oproept naar het afdoende bewijs van de inbreuk; 3.1.6.4. Overwegende dat de verwerende partij het bewijs van de overtreding vindt in een document, genaamd “Bevindingen na de inspecties van 25/04/2005 en 27/04/2005, uitgevoerd door irs. N. Kalanis en E. Vanaken als gevolg op het bezwaarschrift van de firma LEC dd 25/03/2005”; dat dit stuk, in de rubriek “punt 2: denaturatie van het slingerwit” het volgende vermeldt: “Op 25/04/2005 is vastgesteld dat het geproduceerd slingerwit onvoldoende gedenatureerd was. Dit was ook zo voor de bekomen eierschalen: de eierschalen die bekomen werden tijdens de aanwezigheid van de inspecteurs waren duidelijk gedenatureerd, de eerder bekomen eierschalen waren minder of niet gedenatureerd (opgeslagen in container)”; dat hetzelfde verslag ook de volgende verduidelijking bevat: “Tijdens de inspectie van 25/04/05 en 27/04/05 is gebleken dat er inderdaad continue werd gedenatureerd. Tijdens de inspectie van 25/04/05 is ook gebleken dat de voorraad slingerwit die eerder geproduceerd was, niet gedenatureerd was. Wel is er tijdens het inspectiebe- zoek kleurstof bijgevoegd in de drie aanwezige tanks met slingerwit. Dit was duidelijk te zien omdat er naast de opening gemorst was.” IX-4957-7/15 3.1.6.5. Overwegende dat de verzoekende partij de bewijswaarde van het verslag van de inspecteurs niet betwist; dat, afgaande op dat stuk, de samenlezing van beide voormelde citaten wel degelijk laat begrijpen wat de inspecteurs op 25 april 2005 hebben vastgesteld, te weten dat de verzoekende partij op het ogenblik van het inspectiebezoek kleurstof heeft toegevoegd aan containers die volgens haar oud slingerwit bevatten; dat zij daaruit dan de logische conclusie getrokken hebben dat dit slingerwit voordien niet of minstens niet afdoende gedenatureerd werd, wat een inbreuk vormt omdat aldus de mogelijkheid ontstaat dat het afval opnieuw in de menselijke voedselketen gebracht wordt; dat de verzoekende partij in ieder geval het feit van de toevoeging van kleurstof aan het slingerwit op het ogenblik van de inspectie niet tegenspreekt; dat, met die vaststellingen voor ogen, de verwerende partij geredelijk uit die vaststelling kon afleiden dat de containers met slingerwit te gelegener tijd niet of onvoldoende gedenatureerd waren; dat daarmee de eerste inbreuk wel deugdelijk bewezen wordt; 3.2.1. Overwegende dat het tweede motief van het bestreden besluit luidt als volgt : “inbreuk op punt 6 van hoofdstuk V van de bijlage : ‘De ei-inhoud mag niet worden verkregen door centrifugering of persing van de eieren.’ : Tijdens een inspectie van 21/10/2004 is er vastgesteld geweest dat het slingerwit dat zich moest bevinden in drie containers, die zich op de buitenkoer van de bedrijfsgebouwen bevonden, geen slingerwit was maar spoelwater (PV 2200/05/0001/LIM). Dit is vastgesteld na monstername van één van de containers. Op 25/10/2004 heeft een controleur van het Agentschap ook een monster genomen juist na het centrifugeren van de eierenschalen voordat het slingerwit in de container wordt gepompt. Bij een vergelijking van deze resultaten kan er besloten worden dat de inhoud van de containers opgestapeld op de buitenkoer geen slingerwit was maar spoelwater. De Limburgse Eiproducten Centrale beweert in haar gemotiveerd beroep van 25/03/2005 dat (het) mogelijk is dat bij doorspoeling van het pompje dat het slingerwit verpompt naar de container, er toevallig waswater mee in de container is terechtgekomen. Het betrof een occasionele, niet gewilde gebeurtenis waardoor het gemeten droge stof gehalte veel lager was. Deze uitleg wordt niet aanvaard omdat er nog steeds geen uitleg is gegeven door de Limburgse Eiproducten Centrale over de bestemming van het ‘slinger- wit’ vermits (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.