← België

Arrest 164351 - - 06/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.351 Rolnummer: A. 163657/IX-4957 Zaak: Arrest 164351 - - 06/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 07:59 Fiche Arrest nr 164.351 van 6 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.351 van 6 november 2006 in de zaak A. 163.657/IX-4957. In zake : de NV LIMBURGSE EIPRODUCTEN-CENTRALE (L.E.C.), die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55 A2 tegen : 1. het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten J. FRANSEN en R. DRIESKENS, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat 61 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV LIMBURGSE EIPRODUCTEN-CENTRALE (LEC) op 27 juni 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 juni 2005 van de minister van Volksgezondheid waarbij haar vergunning om voedingsmiddelen te fabriceren of in de handel te brengen wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2005; Gelet op het arrest nr. 147.194 van 1 juli 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 4 augustus 2005 door de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; IX-4957-1/15 Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. DE GROOTE die, loco advocaat J. FRANSEN verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. De verzoekende partij verwerkt eieren in diverse eigeel- en/of eiwitproducten die worden aangekocht door voedselproducenten. Zij beschikt hiertoe over een vergunning, afgegeven op 28 februari 2001. 1.2. Op 15 maart 2005 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat haar vergunning van 28 februari 2001 wordt ingetrokken. De redenen daartoe hebben te maken met een op 21 februari 2005 uitgevoerde audit waarbij werd nagegaan in hoeverre eerder vastgestelde tekortkomingen werden gecorrigeerd. Volgende tekortkomingen blijven bestaan : - er zou een centrifuge aanwezig zijn die gebruikt wordt om eieren te breken en niet om het volume van de eierschalen te verkleinen; - het bekomen slingerwit wordt niet of onvoldoende gedenatureerd; - het slingerwit kan als grondstof in de pasteurisatiekamer worden gebracht; IX-4957-2/15 - er is vastgesteld dat een product dat als slingerwit werd aangewezen een gekleurde waterige vloeistof was met een droge stof gehalte van 0,45% waardoor onduidelijk is wat de werkelijke bestemming is van dat slingerwit; - er zijn onvoldoende bewijzen dat het gefabriceerde eigeel effectief wordt gepasteuriseerd; - vervallen producten worden opnieuw gepasteuriseerd en in de handel gebracht; - er zijn vuile eieren aanwezig. Er is geen wasprocedure beschreven en ze kan ook niet gecontroleerd worden; - er is een tegenspraak tussen de bewering van de firma dat zij gezouten producten aanbiedt en de etikettering van de producten; - het zou fysisch onmogelijk zijn een rendement van om en bij de 90% te bekomen. 1.3. Voorafgaand aan deze intrekkingsbeslissing was de gedelegeerd bestuurder van de verzoekende partij op 9 maart 2005 over al de weerhouden vaststellingen verhoord. Uit dat verhoor blijkt dat voor een aantal vaststellingen verklaringen gegeven worden of kunnen worden, dat er inderdaad een aantal verbeteringen mogelijk zijn en dat daar, ingevolge de controles, ook aan wordt gewerkt. 1.4. Overeenkomstig artikel 10, § 5, van het koninklijk besluit van 4 december 1995 tot onderwerping aan vergunning van plaatsen waar voedingsmid- delen gefabriceerd of in de handel gebracht worden of met het oog op de uitvoer behandeld worden, stelt de verzoekende partij tegen de beslissing van 15 maart 2005 gemotiveerd beroep in bij de minister. In een op 25 maart 2005 gedateerde brief wordt een verklaring gegeven voor de verschillende aan de verzoekende partij verweten onregelmatigheden. Ingevolge dat beroep wordt de intrekking geschorst en beschikt de minister na verzending van het beroep over 90 kalenderdagen om een beslissing te nemen. 1.5. Als gevolg van het beroepschrift volgt een nieuwe inspectie bij de verzoekende partij op 25 en 27 april 2005. De dan gedane vaststellingen staan vermeld in de bestreden beslissing die op 22 juni 2005 wordt genomen. Samengevat worden nu nog de volgende tekortkomingen aangehouden : - eerder geproduceerd slingerwit is niet gedenatureerd; IX-4957-3/15 - de uitleg in verband met de containers die spoelwater in plaats van slingerwit bevatten, wordt niet aanvaard omdat nog steeds geen uitleg gegeven werd aangaande de bestemming ervan; - de tanks met slingerwit kunnen nog steeds naar het pasteurisatielokaal; - het eigeel wordt verdund met water om te kunnen pasteuriseren. In hun verslag formuleren de inspecteurs het besluit dat de aangehouden tekortkomingen tot een “verhoogd toezicht” moeten leiden, eerder dan tot de intrekking van de vergunning. 2. Overwegende dat de bestreden beslissing uitgaat van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, die onder het gezag staat van de minister van Volksgezond- heid; dat de Belgische Staat als zodanig niet in de besluitvorming betrokken is geweest en hij derhalve als verwerende partij buiten de zaak gesteld wordt; 3. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsverplichting; dat zij aanvoert dat de vier motieven die in het bestreden intrekkingsbesluit vermeld zijn en die telkens verwijzen naar een overtreding van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de bereidingen en het in de handel brengen van eiproducten (hierna: het koninklijk besluit van 31 december 1992), de beslissing niet op een pertinente wijze kunnen dragen; 3.1.1. Overwegende dat het eerste motief van het besluit luidt als volgt: “inbreuk op punt 3 van hoofdstuk IV van de bijlage : ‘eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, moeten worden verwijderd en gedenatureerd zodat zij niet opnieuw voor menselijke consumptie kunnen worden gebruikt’ : tijdens de inspectie van 25 april 2005 is er door onze inspecteurs vastgesteld dat de voorraad slingerwit die eerder geproduceerd was, niet gedenatureerd was. De eerder bekomen eierschalen waren minder of niet gedenatureerd (opgeslagen in de container).”; Overwegende dat de verzoekende partij dienaangaande stelt dat het slingerwit en de eischalen waarnaar de eerste verwerende partij verwijst -en die overigens niet in het productieproces terechtgekomen zijn- “afkomstig waren uit een productie die dateerde van 10 dagen vóór de uitgevoerde controle”, dat zij wel degelijk volgens de richtlijnen gedenatureerd waren met een rode kleurstof, maar dat de kleurstof naar de bodem van de containers gezakt was; dat zij daar aan toevoegt IX-4957-4/15 dat de controlerende ambtenaren haar tijdens de inspectie van 25 april 2005 niets gezegd hebben over deze inbreuk en dat zij bijgevolg niet de gelegenheid gehad heeft om monsters te nemen om met een analyse te kunnen aantonen dat de producten wel degelijk gedenatureerd waren; dat zij besluit dat de verwerende partij de inbreuk niet bewijst zodat het motief niet pertinent is; 3.1.2. Overwegende dat in het arrest nr. 147.194 gesteld is dat eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor consumptie “verwijderd en gedenatureerd” moeten worden, dat niet betwist wordt dat de verzoekende partij de eischalen en het slingerwit effectief “verwijderd” heeft en dat uit de overgelegde gegevens niet opgemaakt kon worden op welke grond de bevoegde ambtenaren hebben kunnen besluiten dat er geen of slechts een onvoldoende denaturatie was gebeurd, zeker nu de verzoekende partij voor haar optreden een uitleg geeft die de verwerende partij niet tegenspreekt; 3.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat “de aanwezigheid van duidelijke geconcentreerde verse sporen van gemorste kleurstof aan de opening van de container op het moment van de controle erop duidt dat de producent op het laatste moment geprobeerd heeft om het eiwit te denatureren” en dat de kleurstof nog niet in de container was uitgezakt, wat erop wijst dat de kleurstof zeer recent en niet tien dagen voordien toegevoegd werd, zoals de verzoekende partij stelt; dat zij daar aan toevoegt dat slingerwit “onmiddel- lijk gedenatureerd (moet worden)” en verplaatst moet worden naar het daarvoor bestemde lokaal en dat, wegens het gevaar voor verwisseling van deze containers met containers die geschikte producten bevatten, “van een normaal zorgvuldige producent verwacht (mag worden) dat hij de eieren denatureert voordat of uiterlijk op het moment dat de ongeschikte eieren en eiproducten worden verplaatst naar het (daarvoor bestemd) lokaal”; dat zij nu ook stelt dat punt 8 van hoofdstuk II spreekt van een “onmiddellijke verwijdering” van het afval waaruit volgt dat de verwijdering -en de daaraan voorafgaande denaturatie- geen tien dagen mag uitblijven; dat zij besluit dat de controle op denaturatie steeds een “de visu”-vaststelling is, zodat het verwijt van de verzoekende partij, dat een staalname het probleem had kunnen uitklaren, irrelevant is aangezien dergelijke monsterneming toch het bewijs niet had kunnen opleveren van het beweerd laattijdig denatureren; 3.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij voor het eerst in haar memorie van antwoord -en zulks zonder daarvan enig bewijs te leveren- gewaagt van de aanwezigheid van kleurstof bovenop IX-4957-5/15 de inhoud van de container en aan de opening ervan; dat zij wijst op de tegenstrijdig- heid in de uiteenzetting van de verwerende partij waar zij blijkens het bestreden besluit het verwijt formuleerde dat de afvalstoffen niet gedenatureerd werden, terwijl zij nu voorhoudt dat zij laattijdig gedenatureerd zijn; dat volgens haar uit de -nieuw aangehouden- stelling van de verwerende partij zelf volgt dat het eerste motief -met name dat de ongeschikte producten niet gedenatureerd werden- niet draagkrachtig is; dat zij besluit dat de verwerende partij “een smoes probeert te vinden voor het feit dat men nagelaten heeft om in casu een staal te nemen”; 3.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog benadrukt dat haar controleurs hebben kunnen vaststellen dat het aangetroffen slingerwit, dat volgens de producent tien dagen oud was en toen ook gedenatureerd maar waarvan de kleurstof naar de bodem van de container was gezakt, zeer recentelijk gedenatureerd was, aangezien er verse sporen van kleurstoffen waren aangetroffen en de kleurstof ook bovenop de inhoud van de container dreef; dat volgens haar daarmee aangetoond wordt dat de producten niet volgens de geldende reglementering gedenatureerd werden; dat volgens haar de Raad van State in het schorsingsarrest geen rekening gehouden heeft met de tegenstrijdige verklaringen van de verzoekende partij en met de vaststellingen die door haar ambtenaren gemaakt waren in een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegendeel bewezen wordt; 3.1.6.1. Overwegende dat punt 3 van hoofdstuk IV van de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 december 1992 luidt als volgt: “Eieren en eiproducten die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, moeten worden verwijderd en gedenatureerd zodat zij niet opnieuw voor menselijke consumptie kunnen worden gebruikt; deze eieren en eiproducten dienen onmiddellijk in het in hoofdstuk II, punt 8 bedoelde lokaal te worden geplaatst”; dat in genoemd punt 8 van hoofdstuk II sprake is van voorzieningen voor onmiddel- lijke verwijdering en aparte opslag van lege schalen, alsmede van eieren en eiproducten die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie; 3.1.6.2. Overwegende dat de verzoekende partij terecht opmerkt dat de uiteenzetting in de memorie van antwoord met betrekking tot het miskennen van de verplichting om slingerwit onmiddellijk te denatureren een nieuw gegeven is dat niet in de oorspronkelijke tenlastelegging betrokken was, aangezien deze enkel betrekking had op de vaststelling, gemaakt op 25 april 2005, dat nog aanwezig slingerwit, afkomstig van vroegere producties -de verzoekende partij heeft het over een IX-4957-6/15 productie van tien dagen oud-, niet gedenatureerd was en dat de eierschalen van diezelfde productie “minder of niet” gedenatureerd waren; dat de verwerende partij daarmee een nieuwe tenlastelegging formuleert -het niet onmiddellijk denatureren- die uiteraard niet in het onderhavig dossier betrokken kan worden; 3.1.6.3. Overwegende dat de door het bestreden motief aangehouden inbreuk steunt op een vaststelling van de ambtenaren van de verwerende partij gedaan ter gelegenheid van een controlebezoek op 25 april 2005; dat de verwerende partij daarmee een nieuw feit in haar besluitvorming betrokken heeft en dat zij dat feit alleen tot grondslag van het bestreden motief gemaakt heeft; dat evenwel het formuleren van een nieuwe tenlastelegging, nadat de betrokkene in kennis gesteld is van het voornemen om zijn vergunning in te trekken en hij zich heeft moeten verdedigen over de oorspronkelijke tenlasteleggingen, strijdig is met het reglementair uitgetekende besluitvormingsproces; dat de verzoekende partij dan ook terecht bezwaren uit tegen de wijze waarop de verwerende partij de feiten binnen het hier besproken besluitvormingsproces gebracht heeft; Overwegende dat in het kader van het hier besproken middel onderzocht moet worden of de verwerende partij de inbreuk als een regelmatige grond voor de intrekking van de vergunning in aanmerking kon nemen; dat zulks de vraag oproept naar het afdoende bewijs van de inbreuk; 3.1.6.4. Overwegende dat de verwerende partij het bewijs van de overtreding vindt in een document, genaamd “Bevindingen na de inspecties van 25/04/2005 en 27/04/2005, uitgevoerd door irs. N. Kalanis en E. Vanaken als gevolg op het bezwaarschrift van de firma LEC dd 25/03/2005”; dat dit stuk, in de rubriek “punt 2: denaturatie van het slingerwit” het volgende vermeldt: “Op 25/04/2005 is vastgesteld dat het geproduceerd slingerwit onvoldoende gedenatureerd was. Dit was ook zo voor de bekomen eierschalen: de eierschalen die bekomen werden tijdens de aanwezigheid van de inspecteurs waren duidelijk gedenatureerd, de eerder bekomen eierschalen waren minder of niet gedenatureerd (opgeslagen in container)”; dat hetzelfde verslag ook de volgende verduidelijking bevat: “Tijdens de inspectie van 25/04/05 en 27/04/05 is gebleken dat er inderdaad continue werd gedenatureerd. Tijdens de inspectie van 25/04/05 is ook gebleken dat de voorraad slingerwit die eerder geproduceerd was, niet gedenatureerd was. Wel is er tijdens het inspectiebe- zoek kleurstof bijgevoegd in de drie aanwezige tanks met slingerwit. Dit was duidelijk te zien omdat er naast de opening gemorst was.” IX-4957-7/15 3.1.6.5. Overwegende dat de verzoekende partij de bewijswaarde van het verslag van de inspecteurs niet betwist; dat, afgaande op dat stuk, de samenlezing van beide voormelde citaten wel degelijk laat begrijpen wat de inspecteurs op 25 april 2005 hebben vastgesteld, te weten dat de verzoekende partij op het ogenblik van het inspectiebezoek kleurstof heeft toegevoegd aan containers die volgens haar oud slingerwit bevatten; dat zij daaruit dan de logische conclusie getrokken hebben dat dit slingerwit voordien niet of minstens niet afdoende gedenatureerd werd, wat een inbreuk vormt omdat aldus de mogelijkheid ontstaat dat het afval opnieuw in de menselijke voedselketen gebracht wordt; dat de verzoekende partij in ieder geval het feit van de toevoeging van kleurstof aan het slingerwit op het ogenblik van de inspectie niet tegenspreekt; dat, met die vaststellingen voor ogen, de verwerende partij geredelijk uit die vaststelling kon afleiden dat de containers met slingerwit te gelegener tijd niet of onvoldoende gedenatureerd waren; dat daarmee de eerste inbreuk wel deugdelijk bewezen wordt; 3.2.1. Overwegende dat het tweede motief van het bestreden besluit luidt als volgt : “inbreuk op punt 6 van hoofdstuk V van de bijlage : ‘De ei-inhoud mag niet worden verkregen door centrifugering of persing van de eieren.’ : Tijdens een inspectie van 21/10/2004 is er vastgesteld geweest dat het slingerwit dat zich moest bevinden in drie containers, die zich op de buitenkoer van de bedrijfsgebouwen bevonden, geen slingerwit was maar spoelwater (PV 2200/05/0001/LIM). Dit is vastgesteld na monstername van één van de containers. Op 25/10/2004 heeft een controleur van het Agentschap ook een monster genomen juist na het centrifugeren van de eierenschalen voordat het slingerwit in de container wordt gepompt. Bij een vergelijking van deze resultaten kan er besloten worden dat de inhoud van de containers opgestapeld op de buitenkoer geen slingerwit was maar spoelwater. De Limburgse Eiproducten Centrale beweert in haar gemotiveerd beroep van 25/03/2005 dat (het) mogelijk is dat bij doorspoeling van het pompje dat het slingerwit verpompt naar de container, er toevallig waswater mee in de container is terechtgekomen. Het betrof een occasionele, niet gewilde gebeurtenis waardoor het gemeten droge stof gehalte veel lager was. Deze uitleg wordt niet aanvaard omdat er nog steeds geen uitleg is gegeven door de Limburgse Eiproducten Centrale over de bestemming van het ‘slinger- wit’ vermits (

  1. in)de aanwezige tanks duidelijk gekleurd water was. Dit werd ook na analyse bevestigd.”; Overwegende dat de verzoekende partij dienaangaande stelt dat uit de aanwezigheid van spoelwater in een container niet kan worden afgeleid dat eieren worden gebroken door centrifuge, dat de uitleg die zij in haar verweerschrift van 25 maart 2005 gegeven heeft, door het bestreden besluit niet wordt weerlegd, aangezien zij wel degelijk een bestemming heeft voor het slingerwit en zulks kan bewijzen met documenten van het afvalverwerkingsbedrijf Orinso; dat zij daar aan IX-4957-8/15 toevoegt dat zij over een professionele breker beschikt en dat de aanwezigheid van een centrifuge noodzakelijk is; dat zij besluit dat geen enkel deugdelijk bewezen feit aantoont dat zij eieren breekt door te centrifugeren; 3.2.2. Overwegende dat in het arrest nr. 147.194 in essentie gesteld is dat de bestreden beslissing het breken van eieren met de centrifuge bewezen acht door de vaststelling enerzijds dat de containers voor slingerwit gevuld waren met spoelwater en anderzijds dat de verzoekende partij niet uiteenzet langs welke weg zij dan wel haar slingerwit zou kwijtraken, dat evenwel de verwerende partij op grond van die gegevens de inbreuk -breken van eieren met de centrifuge- niet voor bewezen kon houden, om reden dat de aanwezigheid van veel spoelwater in de container met slingerwit niet bewijst dat eieren met de centrifuge gebroken zijn en om reden dat de uitleg van de verzoekende partij over de aanwezigheid van veel spoelwater in de container niet afgedaan kon worden met een verwijzing naar het uitblijven van uitleg over de bestemming van het slingerwit, zeker nu de verzoekende partij ter gelegenheid van het controleonderzoek van 25 en 27 april 2005 aangetoond heeft dat er wel slingerwit werd geproduceerd en dat zij ook een afnemer had voor dat afvalproduct; 3.2.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat reeds in 2000 de visu vastgesteld werd dat eieren met de centrifuge gebroken worden, dat tijdens de inspecties van 21 oktober 2004 en 6 januari 2005 vastgesteld is dat de containers die zogezegd slingerwit dienden te bevatten eigenlijk spoelwater bevatten, terwijl de uitleg voor de aanwezigheid van dat spoelwater zeker niet overtuigend is, zodat het “duidelijk is dat men containers met spoelwater aangewezen heeft omdat er helemaal geen slingerwit aanwezig was”, wat precies bewijst dat de eieren met een centrifuge gebroken zijn; 3.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij daarop repliceert dat geen reglementaire bepaling stelt dat een container voor afvalproducten geen spoelwater mag bevatten en dat de aanwezigheid van spoelwater in een afvalcontainer volledig losstaat van de vraag of eieren gebroken zijn met een centrifuge, dat de verwerende partij aldus geen duidelijk bewijs kan leveren van het breken van eieren met een centrifuge en dat de verwijzing naar een proces-verbaal uit 2000 met betrekking tot een persoonlijke vaststelling door de ambtenaren, tegengesproken is door vaststel- lingen die een deurwaarder toentertijd gedaan heeft; IX-4957-9/15 3.2.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat in geval de eieren gebroken worden met een centrifuge, er geen slingerwit geproduceerd wordt en dat in dit geval de vraag rees, wanneer de containers met slingerwit water bleken te bevatten, waar het slingerwit dan wel naartoe was en dat de verzoekende partij daar geen antwoord op heeft kunnen geven; 3.2.6.1. Overwegende dat de vaststellingen gedaan in het jaar 2000 ten aanzien van het breken van eieren met een centrifuge, evident niet bewijzen dat ook in 2004 en 2005 eieren gebroken zijn met de centrifuge, terwijl de bestreden beslissing steunt op inbreuken die bij de verzoekende partij vastgesteld geworden zijn door het auditverslag van 21 februari 2005; dat de omstandigheid dat de containers, die volgens de exploitant slingerwit bevatten, voor een groot deel gekleurd spoelwater bevatten, gewis een vermoeden doet ontstaan dat de verzoekende partij iets te verbergen had maar dat zulks als alleenstaand gegeven niet volstaat als bewijs van het breken van eieren met de centrifuge, temeer daar de verzoekende partij aan de verwerende partij een verklaring heeft gegeven en de verzoekende partij wel degelijk bewijzen voorgelegd heeft over het verwijderen van slingerwit; dat aldus de Raad van State in de argumentatie van de verwerende partij geen reden ontwaart om de overwegingen van het schorsingsarrest niet bij te vallen; dat het bewijs niet voorligt dat de verzoekende partij eieren gebroken heeft met een centrifugetoestel; 3.2.6.2. Overwegende aldus dat het tweede motief geen regelmatige grondslag kan vormen voor het bestreden intrekkingsbesluit; 3.3.1. Overwegende dat het derde motief van het bestreden besluit luidt als volgt : “inbreuk op punt 12 van hoofdstuk V van de bijlage : ‘in erkende inrichtin- gen mogen geen eiproducten worden bereid met grondstoffen die niet geschikt zijn voor de bereiding van voedingsmiddelen, ook niet indien de producten bestemd zijn voor technisch gebruik’: De tanks met slingerwit kunnen uit de technische ruimte naar het pasteuri- satie lokaal gebracht worden met de heftruck. Daartoe dient een afstand (af)gelegd (
  2. te)worden van 30 meter bij benadering.”; Overwegende dat de verzoekende partij stelt dat dit motief manifest onjuist is, aangezien de technische ruimte waar de centrifuge voor het verpulveren van de eierschalen zich bevindt fysisch niet toegankelijk is vanuit de overige productieruimte waar zich het pasteuriseertoestel bevindt; dat zij te dien aanzien verwijst naar uitgevoerde werken die op aanvraag van de verwerende partij IX-4957-10/15 -haar brief van 23 augustus 2004- uitgevoerd zijn; dat zij niet akkoord kan gaan met de insinuatie van de verwerende partij dat de tanks met slingerwit vanuit de technische ruimte zouden kunnen worden overgebracht naar de erkende inrichting -de productieruimte- en betoogt dat de verwerende partij ter zake bewijzen van concrete inbreuken moet leveren, hetgeen zij nalaat; 3.3.2. Overwegende dat in het arrest nr. 147.194 gesteld is dat de kritiek van de verzoekende partij op het bestreden motief steun vindt in het dossier, dat louter de mogelijkheid dat containers vanuit de technische ruimten overgebracht kunnen worden naar het pasteuriseerlokaal geen grondslag kan vormen voor de intrekking van de vergunning en dat in ieder geval daarin het bewijs niet gevonden kan worden van het bereiden van eiproducten met niet toegelaten grondstoffen; 3.3.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat er in 2001 een proces-verbaal opgemaakt is waarin vastgesteld is dat “bij volle productie geen gebruik gemaakt werd van de eierbreker, maar wel van de centrifuge”, maar dat eieren die met de centrifuge gebroken zijn niet mogen verwerkt worden in voedingsmiddelen; 3.3.4. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat haar technische ruimte afgesloten is van de productieruimte en dat zij slechts extern toegankelijk is, dat zij bewijzen voorlegt van de aanpassingswerken die zij op instigatie van de verwerende partij te dien aanzien heeft uitgevoerd en dat het geen steek houdt zonder enig bewijs te beweren dat het feit dat de tanks met slingerwit “zouden kunnen worden overgebracht naar (de productieruimte) automatisch inhoudt dat (zij) dit slingerwit zou aanwenden als grondstof”; dat zij er ook op wijst dat de uiteenzetting in de memorie van antwoord niets te maken heeft met het derde motief; 3.3.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat in een proces-verbaal uit 2001 vastgesteld werd dat bij volle productie geen gebruik gemaakt werd van de breker maar van de centrifuge, dat de verzoeken- de partij die vaststelling niet tegenspreekt en dat de betwisting tussen partijen erin bestaat of de aanpassingswerken waarop de verzoekende partij doelt “conform de instructies van de technische diensten werden uitgevoerd”; 3.3.6.1. Overwegende dat het bestreden motief geen betrekking heeft op de conforme uitvoering van de aanpassingswerken die de verwerende partij bevolen heeft; dat de weerhouden inbreuk erin bestaat dat, aangezien de containers met IX-4957-11/15 slingerwit kunnen vervoerd worden naar het pasteurisatielokaal, de verzoekende partij niet-conforme eiproducten heeft aangemaakt; dat de verzoekende partij terecht opmerkt dat de uitleg in de memorie van antwoord, waarin gesteld wordt dat de verzoekende partij ooit met een centrifugetoestel eieren gebroken heeft, niets met dergelijke inbreuk te maken heeft; 3.3.6.2. Overwegende dat de Raad van State zich aansluit bij de overwe- ging uit het schorsingsarrest, waarin aangenomen is dat de mogelijkheid dat containers met slingerwit “kunnen” overgebracht worden naar het pasteurisatielokaal evident geen grondslag kan vormen voor de intrekking van de productievergunning wanneer niet aangetoond wordt dat alleen al het bestaan van de mogelijkheid een inbreuk op de bestaande wetgeving uitmaakt en dat in ieder geval geen enkel bewijs voorgelegd wordt dat de verzoekende partij daadwerkelijk op de genoemde wijze haar eindproducten gecontamineerd heeft; 3.3.6.3. Overwegende dat het derde motief geen regelmatige grondslag kan vormen voor het bestreden besluit; 3.4.1. Overwegende dat het vierde motief van het bestreden besluit luidt als volgt : “inbreuk op punt 5 van hoofdstuk II van de bijlage : ‘de inrichting moet voorzien zijn met door het FAVV goedgekeurde apparatuur voor de behande- ling van eiproducten’ : Tijdens de inspectie van 27 april 2005 is een partij van 190 kg eigeel gepasteuriseerd in aanwezigheid van twee inspecteurs. Volgens het kwaliteits- handboek gebeurt de pasteurisatie bij een constante flow van 1000 liter/uur. In werkelijkheid is de pasteurisatie gebeurd bij een beginflow van 1265 liter/uur en is deze gezakt tot 870 liter/uur over een tijdspanne van 9 minuten. De pomp diende continu bijgesteld te worden om de drukval op te vangen. Dit heeft geleid tot een product met een droge stof van 43% ten opzichte van het oorspronke- lijke product dat een droge stof bevatte van 49%. Het eigeel wordt dus verdund met water om het te kunnen pasteuriseren. Deze platenpasteur is ongeschikt voor het pasteuriseren van ‘eigeel’.”; Overwegende dat de verzoekende partij dienaangaande stelt dat de reglementering -zij verwijst naar het kwaliteitshandboek- geen constante maar een gemiddelde flow van 1000 liter/uur eigeel vereist, en dat het bijstellen van de pomp het precies mogelijk maakt dat dit gemiddelde gehaald wordt; dat zij daar aan toevoegt dat het niet abnormaal -veeleer normaal, want het eigeel wordt verwarmd tot 64 graden- is dat na het pasteurisatieproces het product niet meer hetzelfde percentage droge stof bevat als bij de aanvang ervan, dat nergens bepaald is hoeveel IX-4957-12/15 droge stof een eiproduct moet bevatten, dat bijgevolg haar pasteurisatietoestel wel degelijk geschikt is om eigeel te pasteuriseren en dat de monsters die van haar producten genomen zijn niet aantonen dat er verboden stoffen of stoffen in niet- toegelaten hoeveelheden in aangetroffen zouden zijn; 3.4.2. Overwegende dat in het arrest nr. 147.194 gesteld is dat uit het kwaliteitshandboek, zoals het door de verzoekende partij aan de Raad van State voorgelegd is, niet blijkt dat er tijdens het pasteuriseren een constante flow van 1000 liter/uur vereist is zodat de verwerende partij daarin geen reden kon vinden om de installatie van de verzoekende partij ongeschikt te verklaren, dat de verzoekende partij ook aannemelijk maakt waarom de hoeveelheid droge stof tijdens het pasteurisatieproces kan verminderen en dat in ieder geval niet blijkt dat een vermindering van de droge stof tijdens het productieproces een reden kan zijn om de apparatuur ongeschikt te bevinden; dat er terloops ook aangestipt is dat de vermeende tekortkoming steunt op een inspectie van 25 april 2005 en het aldus gaat om een nieuwe inbreuk waarover de verzoekende partij geen verweer heeft kunnen voeren; 3.4.3. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt -en in haar laatste memorie ook nog herhaalt- dat volgens het kwaliteitshandboek de pasteurisatie gebeurt “bij een constante flow van 1000liter/uur, terwijl bij de machine van de verzoekende partij een variabele flow werd vastgesteld”; dat zij betoogt dat dienaangaande reeds in het auditverslag een bemerking was gemaakt en dat de verzoekende partij aldus wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om zich te dien aanzien te verdedigen; dat de verzoekende partij in haar repliek de laatst vermelde stellingname betwist en herhaalt dat er slechts voor het eerst in het bestreden besluit over deze inbreuk gesproken is; 3.4.4. Overwegende dat, los van de vraag of de opmerking aangaande de variabele flux van de pasteurisator en de daarop gesteunde bemerking dat de installatie niet conform de reglementering kon produceren, reeds onder de aandacht van de verzoekende partij was gebracht op het ogenblik dat zij zich daar nog tegen kon verdedigen, aan de Raad van State geen bijkomende gegevens voorgelegd zijn die hem toelaten af te wijken van de vaststelling dat het kwaliteitshandboek geen constante flow van 1000 liter/uur vereist; dat aldus de uiteenzetting van de verwerende partij de Raad van State er niet toe brengt de desbetreffende overweging- en van het schorsingarrest te nuanceren; IX-4957-13/15 3.4.5. Overwegende dat ook het vierde vermeld motief het bestreden besluit niet kan schragen; 3.5. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij alleen de eerste inbreuk rechtsgeldig als een motief voor het bestreden besluit in aanmerking kon nemen; dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat uitsluitend dit motief voor de verwerende partij volstond om de vergunning van de verzoekende partij in te trekken; dat integendeel het besluit zelfs uitdrukkelijk verwijst naar “de verschillende inbreuken” die waren vastgesteld; dat derhalve het enige deugdelijk bevonden motief de intrekkingsbeslissing niet kan wettigen; dat, vanuit dat oogpunt, het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. De Belgische Staat wordt buiten de zaak gesteld. Artikel 2. Vernietigd wordt de beslissing van 22 juni 2005 van de minister van Volksgezondheid waarbij de vergunning van de NV LIMBURGSE EIPRODUC- TENCENTRALE (LEC) om voedingsmiddelen te fabriceren of in de handel te brengen wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2005. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-4957-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4957-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.351 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.