← België

Arrest 164373 - - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.373 Rolnummer: A. 177976/XII-4904 Zaak: Arrest 164373 - - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 08:01 Fiche Arrest nr 164.373 van 7 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.373 van 7 november 2006 in de zaak A. 177.976/XII-

  1. In zake : Jasmin BERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat T. L’Allemand, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 47-49, bus 1 tegen : de VZW DE PELGRIM, die woonplaats kiest bij advocaat M. Gelders, kantoor houdende te Leuven, Celestijnenlaan 17, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jasmin Bergen, minderjarige leerling vertegenwoordigd door haar ouders Paul Bergen en Martine Versluys, op 25 oktober 2006 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de delibererende klassenraad van 12 oktober 2006 waarbij verzoeksters B-attest met uitsluiting ASO, Techniek-Wetenschappen TSO en Industriële wetenschappen TSO wordt behouden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. van Lidth de Jeude, die loco advocaat T. L’Allemand verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Gelders, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-4904-1/10 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  3. Overwegende dat verzoekster tijdens het schooljaar 2005-2006 leerlinge is van het tweede jaar van de tweede graad ASO, richting economie- moderne talen in het Sint-Norbertusinstituut te Duffel; Overwegende dat de delibererende klassenraad op 26 juni 2006 beslist om verzoekster een oriënteringsattest B uit te reiken, met clausulering voor alle richtingen ASO en voor de richtingen techniek-wetenschappen en industriële wetenschappen in het TSO; Overwegende dat, na overleg tussen de ouders van verzoekster en de voorzitter van de delibererende klassenraad aan de eerstgenoemden op 30 juni 2006 wordt ter kennis gebracht dat de klassenraad opnieuw vergaderd heeft op diezelfde dag en dat hij “de beslissing (b-attest) gehandhaafd [heeft]”; Overwegende dat de beroepscommissie, op bezwaar van verzoekster en na haar ouders te hebben gehoord, aan het schoolbestuur adviseert om de klassenraad samen te roepen om de beslissing opnieuw te overwegen “gezien het klein tekort enkel voor het vak geschiedenis”; dat de raad van bestuur het advies volgt en beslist om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen; dat de delibererende klassenraad evenwel op 1 september 2006 het B-attest handhaaft; Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 162.921 van 28 september 2006, overwegende onder meer “dat verzoekster op enkele essentiële vragen niet de antwoorden heeft gekregen die zij in het kader van de beroepsprocedure van een zorgvuldig handelend bestuur mocht verwachten en die, in voorkomend geval, tot een anders luidende beslissing zouden kunnen leiden”, de schorsing beveelt bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de voornoemde beslissing van de delibererende klassenraad van 1 september 2006;
  4. Overwegende dat de delibererende klassenraad op 12 oktober 2006 opnieuw beraadslaagt over verzoekster en beslist om haar een B-attest te geven met clausulering voor ASO, Industriële wetenschappen TSO en Techniek-wetenschappen TSO; dat dit de thans bestreden beslissing is, die door de algemeen directeur met een 17 oktober 2006 gedateerd schrijven aan verzoekster is ter kennis gebracht; XII-4904-2/10
  5. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden;
  6. Overwegende dat verwerende partij het vervuld zijn van de eerste schorsingsvoorwaarde niet betwist; dat daar ook geen reden toe bestaat; 5.
  7. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoekster doet gelden dat zij “haar schoolloopbaan niet in het ASO kan volgen dat zij wenst”, dat zij “namelijk haar middelbare school [wil] afmaken binnen zonder uitgesloten te worden in de technische en industriële wetenschappen” en dat zij, mocht de schorsing worden toegestaan, “haar schoolloopbaan in het ASO naar keuze [kan] verder zetten zodat de schorsing nog een nuttig effect tot gevolg kan hebben”; Overwegende dat verwerende partij die uiteenzetting “te algemeen, vaag en summier” noemt, dat volgens haar een opleiding “willen” geen afdoende motivering is voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat zij verzoekster ook verwijt tegenstrijdig te zijn “in de mate dat zij tegelijk stelt dat zij in het lopende, nieuwe schooljaar leerling wil zijn in een ASO-richting, en tegelijk poneert dat zij ‘haar middelbare school wil afmaken zonder uitgesloten te worden in de technische en industriële wetenschappen’”; dat verwerende partij voorts argumenteert dat verzoekster geen onderscheid maakt tussen het nadeel dat er in bestaat geen ASO- richting meer te mogen volgen en het nadeel dat bestaat uit het niet meer mogen volgen van de richtingen Techniek-Wetenschappen en Industriële Wetenschappen in het TSO; 5.
  8. Overwegende dat volgens de vaste rechtspraak van de Raad, het verlies van een schooljaar dat met een zogenaamd C-attest gepaard gaat reeds voldoende het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aantoont; Overwegende dat, anders dan het geval is met een C-attest, de leerling met een B-attest wel mag overgaan naar een volgend schooljaar maar met XII-4904-3/10 uitsluiting van de onderwijsvormen waarvoor de delibererende klassenraad haar niet geschikt acht; dat dienvolgens het nadeel dat een leerling ondervindt bij een B-attest niet zo evident is als wel het geval is bij een C-attest; Overwegende dat de Raad in zijn eerdere arrest nr. 162.921 van 28 september 2006 wel heeft aangenomen “dat een clausulering die de omvang heeft als de voorliggende (alle ASO richtingen en twee TSO richtingen) in beginsel zo een hinderpaal vormt voor een leerling om zijn opleiding voort te zetten, dat het een nadeel van dergelijke omvang vormt dat het ernstig is en moeilijk te herstellen” en dat verwerende partij toen niet het tegendeel aantoonde; dat voorts over het toenmalige B-attest na afronding van de interne beroepsprocedure pas op 1 september 2006 werd beslist en het eerst op 4 september 2006 aan verzoekster werd aangezegd; dat daarenboven verzoekster op dat ogenblik nog aan het begin van het nieuwe schooljaar stond en zich over haar verdere studiekeuze nog moest beraden; dat de Raad in het licht van dit alles geen reden zag om van het zo-even aangehaalde beginsel af te wijken; Overwegende dat ondertussen evenwel het schooljaar verder is gevorderd; dat van verzoekster thans wel verwacht mag worden dat zij met meer precisie aangeeft waarin het nadeel dat zij van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het B-attest ondervindt is gelegen; dat ten minste mag worden verwacht dat zij duidelijk maakt welke ambities zij nu wel koestert voor haar schoolloopbaan en op welke wijze zij daarin wordt gefrustreerd door de bestreden beslissing; dat zulks vereist is om de Raad toe te laten zich een concreet oordeel te vormen over de ernst en het moeilijk herstelbaar karakter van het aangevoerde nadeel; dat verwerende partij in zoverre wordt bijgevallen dat het in de huidige stand van de zaak niet meer volstaat om enkel te verklaren, eensdeels, niet te willen “uitgesloten te worden in de technische en industriële wetenschappen” en, anderdeels, te willen de “schoolloopbaan in het ASO naar keuze verder [te] zetten”; dat, om te beginnen, verzoekster van geen enkele richting wordt “uitgesloten”, voor zover zij zich er bij neerlegt een jaar over te doen; dat verwerende partij voorts niet door verzoekster wordt tegengesproken waar zij stelt dat er nog technische richtingen zonder verlies van schooljaar open blijven, zoals “sociale en technische wetenschappen”; dat het inleidend verzoekschrift ook geen opheldering verschaft over de vraag of verzoekster nu een ASO-richting wil volgen -en dan welke?- of een van de geclausuleerde TSO- richtingen; dat zelfs ter terechtzitting niet kan worden verduidelijkt welke studierichting verzoekster precies wenst te volgen; dat haar raadsman zelfs het XII-4904-4/10 antwoord moet schuldig blijven op de vraag welke studie verzoekster op dit ogenblik effectief volgt; dat verwerende partij dan weer verklaart, zonder tegenspraak, dat verzoekster het eerste jaar van de derde graad volgt in de TSO-richting Toerisme; dat verzoekster dan ook geen schooljaar meer lijkt te zullen verliezen ingevolge die studiekeuze; dat zij enkel nog nadeel zou ondervinden in het zich afgesloten weten van een andere studierichting die zij liever wenst te volgen; dat zij echter noch in het inleidend verzoekschrift, noch ter terechtzitting de minste concrete gegevens aanreikt over welke studierichting dit dan wel zou zijn en waarom het niet kunnen volgen van die studierichting haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel oplevert; dat het natuurlijk ook mogelijk is dat verzoekster de studierichting Toerisme slechts voorlopig, in afwachting van de afloop van het geschil, volgt; dat de Raad van State daar slechts over kan gissen; dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel echter niet door de Raad moet worden geraden, maar door de verzoekende partij worden aangetoond; dat zulks niet is gebeurd; dat deze schorsingsvoorwaarde niet is vervuld; 6.
  9. Overwegende, wat de derde schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van “de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”: “Doordat de delibererende klassenraad het énige tekort van verzoekster dermate zwaarwichtig beoordeeld heeft dat zij bij de bestreden beslissing werd uitgesloten van het ASO. Terwijl het redelijkheidsbeginsel inhoudt dat het bestuur zich niet kan te buiten gaan aan een kennelijke wanverhouding. Zodat de clausulering voor het ASO, TW (TSO) en IW (TSO), gelet op het enige tekort, een schending uitmaakt van het redelijkheidsbeginsel”; 6.
  10. Overwegende dat verzoekster aldus letterlijk het eerste middel herneemt uit haar verzoekschrift, gericht tegen de karig gemotiveerde beslissing van 1 september 2006; dat zij ook -zie hetgeen hiervoor reeds is overwogen in verband met het nadeel- niet al te duidelijk is of zij de motivatie voor de volledige ASO- clausulering dan wel de clausulering voor twee TSO richtingen aanvecht, of zelfs meent een A-attest te verdienen; XII-4904-5/10 Overwegende dat thans echter de delibererende klassenraad een nieuwe beslissing heeft genomen waarvan op het eerste gezicht niet kan worden gesteld dat verzoekster “van het ASO” werd uitgesloten om reden van “het énige tekort” voor het vak geschiedenis; dat het middel zoals het in de vordering wordt aangevoerd feitelijke grondslag lijkt te missen; dat de klassenraad ditmaal immers blijkens de vijf bladzijden motivering van het B-attest zijn beslissing heeft gesteund op, met de woorden van verwerende partij in de nota met opmerkingen: “het studietraject, de leerhouding, de inzet en de motivatie”, geplaatst “in een bepaald tijdsperspectief (heden, verleden, toekomst)”; dat de klassenraad blijkens de notulering van de bestreden beslissing zo, onder meer, -al dan niet terecht- rekening houdt met de studieloopbaan van verzoekster, die reeds in het verleden een B-attest had gekregen, een jaar had gedubbeld en een A-attest met waarschuwing had gekregen, met “de basiskennis voor een aantal vakken en de algemene studiehouding”, met de “lage score voor de vele -algemene (en meer ASO- georiënteerde- vakken, de vier tekorten voor de toetsen in het laatste trimester, het slechte dagelijks werk in de laatste periode, de talrijke opmerkingen en de vele C’s (= onvoldoende) voor leerhouding op het rapport”, met de onvoldoende voor het vak geschiedenis en met het gegeven dat verzoekster voor zeven vakken resultaten behaalt tussen 48% en 55%; dat de klassenraad daarenboven meent -al dan niet terecht- dat verzoeksters basiskennis voor Frans en Engels “duidelijk onvoldoende” is “wat betreft grammatica, woordenschat en vaardigheden” en hij vaststelt dat verzoekster verplichte herhalingsoefeningen voor Engels en vrije herhalings- oefeningen voor Frans nooit gemaakt heeft en inhaallessen Frans niet heeft bijgewoond; dat de klassenraad vervolgens aan de hand van de ook in de notulen opgenomen deelresultaten voor het vak wiskunde (analyse, meetkunde, statistiek) en de “zeer matige resultaten voor de wetenschappen” de overtuiging neerschrijft -waar of niet- dat verzoekster een aantal leerplandoelstellingen die essentieel zijn voor het eerste jaar van de derde graad industriële wetenschappen TSO en techniek- wetenschappen TSO op onvoldoende wijze zal bereiken; dat de klassenraad tenslotte nog steun zoekt in de ook overgenomen opmerkingen die in de loop van het jaar werden genoteerd in verzoeksters rapport; Overwegende, wat het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, dat de delibererende klassenraad zijn beslissing ditmaal gesteund lijkt te hebben op tal van relevante gegevens; dat de klassenraad op dat vlak prima facie geen onzorgvuldigheid verweten kan worden; dat het korte citaat uit de vijf bladzijden notulering ook aantoont dat verzoekster niet meer ernstig kan beweren dat enkel het XII-4904-6/10 ene tekort voor het vak geschiedenis in aanmerking is genomen of zelfs doorslaggevend was en dat de verwerende partij geen inspanningen heeft gedaan om een antwoord te geven op verzoeksters vraag waarom zij wordt uitgesloten voor IW (TSO) en TW (TSO) ondanks het feit dat zij meer dan 50% heeft behaald voor de wetenschappelijke vakken; dat verzoekster met dit antwoord mogelijk geen vrede neemt; dat echter het middel, zoals het in de vordering is aangevoerd, vooralsnog niet de onzorgvuldigheid van de thans voor de clausulering gegeven motivering aantoont omdat, bij voorbeeld, onterecht bepaalde gegevens in rekening zouden zijn gebracht of uit bepaalde gegevens verkeerde conclusies zouden worden getrokken; Overwegende, wat dan het redelijkheidsbeginsel betreft, dat de Raad van State zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad mag stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken; dat de delibererende klassenraad daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de Raad van State verzoekster derhalve niet kan beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen; dat een strenge beslissing door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren kan worden; dat het ook niet uitgesloten is dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen; dat een beoordeling door de delibererende klassenraad door de Raad van State echter enkel voor onwettig kan worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen; dat uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster, in de huidige stand van de procedure, er niet in is geslaagd de Raad daarvan te overtuigen; dat de door de delibererende klassenraad gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoekster in rechte, zo lijkt, een beslissing om haar het bewuste B-attest te geven vermogen te verantwoorden; 6.
  11. Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; XII-4904-7/10 7.
  12. Overwegende dat verzoekster als tweede middel de schending aanvoert “van het verbod op discriminatie, van de materiële motiveringsplicht en [...] de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel”: “Doordat de delibererende klassenraad twee andere leerlingen een A-attest afleverde, niettegenstaande de resultaten van deze leerlingen ernstigere tekorten vertoonden op hoofdvakken. Terwijl het discriminatieverbod inhoudt dat ieder subject binnen eenzelfde categorie op gelijke wijze behandeld wordt. Zodat het feitelijk bestaan van de beslissingen om de andere leerlingen een A- attest toe te kennen een discriminatoire behandeling impliceert van verzoekster”; dat verzoekster meer bepaald vaststelt dat twee medeleerlingen een A-attest kregen, ofschoon de ene voor het vak wiskunde een totaalscore behaalde van 48% en de andere een tekort had van 49% voor wiskunde en 48% voor chemie; dat de bestreden beslissing volgens haar geen objectieve reden geeft voor deze ongelijke behandeling; 7.
  13. Overwegende dat verzoekster vragen heeft bij de vermeend ongelijke behandeling en haar uitslag daarbij vergelijkt met de uitslag van twee andere leerlingen; dat zij echter enkel scherp stelt op haar ene tekort voor geschiedenis; dat de bestreden beslissing zoals reeds opgemerkt overheen vijf bladzijden om tal van andere redenen argumenteert waarom verzoekster dit B-attest krijgt; dat de notulering van die beslissing uiteindelijk concludeert : “De klassenraad houdt zich aan dezelfde beoordelingsmaatstaf voor alle leerlingen en geeft een attest in functie van het studietraject, de leerhouding, de inzet en de motivatie van elke leerling afzonderlijk. Zoals hierboven werd uiteengezet, leidde dan ook niet het loutere onvoldoende eindresultaat van Jasmin voor het vak geschiedenis (48%) tot de onderhavige beslissing. Dit verklaart overigens waarom sommige leerlingen uit dezelfde klas met één klein tekort een oriënteringsattest A behaalden, hoewel er ook enkelen waren die daarmee (net als Jasmin) een B-attest bekwamen”; Overwegende dat volgens de klassenraad de door verzoekster aangevoerde en als vergelijkbaar genoemde tekorten geplaatst moeten worden tegenover de andere gegevens van de desbetreffende leerlingen wanneer de klassenraad over zijn of haar slagen oordeelt; dat de Raad van State in de huidige stand van de procedure die zienswijze van de klassenraad bijvalt; dat het zelfs niet uitgesloten mag worden geacht, zoals verwerende partij in de nota uiteenzet, dat “eenzelfde mathematisch resultaat (bijvoorbeeld een totaalscore voor een bepaald schooljaar of een onvoldoende score op een of meerdere vakken) voor twee leerlingen van eenzelfde klas kan leiden tot de uitreiking van een ander XII-4904-8/10 oriënteringsattest, zonder dat daarbij het gelijkheidsbeginsel en/of het beginsel van het verbod op discriminatie worden geschonden”; dat, toegepast op de voorliggende zaak, de uitvoerig geconcretiseerde motivering waarvan verzoekster vooralsnog de wettigheid niet in het gedrang heeft kunnen brengen en het geciteerde antwoord lijken te volstaan om prima facie aan te nemen dat de klassenraad tot een beoordeling in concreto is overgegaan zonder haar algemene beoordelingsmaatstaf geweld aan te doen; dat zelfs de vergelijkbaarheid van verzoekster en de twee andere leerlingen niet vaststaat; 7.
  14. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is;
  15. Overwegende dat niet voldaan is aan twee van de drie voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-4904-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4904-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.