← België

Arrest 164382 - Dienst Vreemdelingenzaken - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.382 Rolnummer: A. 178149/XIV-27064 Zaak: Arrest 164382 - Dienst Vreemdelingenzaken - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 08:02 Fiche Arrest nr 164.382 van 7 november 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 164.382 van 7 november 2006 in de zaak A. 178.149/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, kantoor houdende te 4020 LUIK, quai de l’Ourthe tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 juli 1982 en van Russische nationaliteit, op 31 oktober 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 oktober 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 oktober 2006; Gelet op de beschikking van 6 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op dinsdag 7 november 2006 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-27.064-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. BECKERS, die loco Advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, overeenkomstig artikel 3, lid 2, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat deze bepaling zo dient te worden opgevat dat de verzoekende partij zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij tengevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan; dat de verzoekende partij gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat zij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; Overwegende dat de verzoekende partij voor wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft aanvoert wat volgt: “Het staat vast dat een verwijdering naar Oostenrijk verzoeker zou verhinderen zijn familiale banden in België te kunnen onderhouden. Hij zou immers niet meer bij zijn familie kunnen vertoeven, hetgeen op zich reeds een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zou meebrengen. Gelet op de traumatische ervaringen van zijn gevangenschap waarbij verzoeker werd gefolterd en dagelijks dacht vermoord te worden zoals zijn vader, is de ondersteuning van zijn familie volkomen onontbeerlijk. In geen enkele andere lidstaat heeft verzoeker nauwe familie. XIV-27.064-2/5 Verzoeker heeft na jarenlange opsluiting en folteringen op jonge leeftijd, de familie die hij nooit levend dacht terug te zien, eindelijk kunnen vervoegen. Dit maakt de steun van zijn broer en zussen des te belangrijker. De getuigenissen die door zijn broer en zussen, die als vluchteling werden erkend in België, zouden kunnen bijgebracht worden en bepalend zouden kunnen zijn voor zijn asielverzoek, zouden, gelet op de afstand en de administratieve situatie van verzoeker en zijn familieleden, niet in optimale omstandigheden aangewend kunnen worden indien de asielaanvraag in Oostenrijk zou behandeld worden. Deze vaststellingen hebben als gevolg dat de uitvoering van de beslissing een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zou berokkenen.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop als volgt repliceert: “Verzoekende partij toont niet op basis van concrete gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke uitvoering van de aangevochten admi- nistratieve beslissing. Verzoeker die het voordeel inroept van de behandeling van een asielaanvraag heeft niet alleen het recht op de behandeling van die aanvraag, doch anderzijds ook de plicht zich te gedragen naar de internationale en nationale regelgeving desbetreffend. Er wordt geen bewijs geleverd van traumatische toestand van verzoeker die de bijstand van zijn familie zou noodzaken.”; Overwegende dat de verzoekende partij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal worden teruggeleid naar Oostenrijk en dat haar asielaanvraag daar verder zal worden behandeld; dat dit echter een gevolg is van het feit dat de verzoekende partij oorspronkelijk zelf haar (eerste) asielaanvraag in Oostenrijk heeft ingediend; dat waar de verzoekende partij aanvoert dat de getuigenissen die door haar broer en zussen, die als vluchteling werden erkend in België, zouden kunnen bijgebracht worden en bepalend zouden kunnen zijn voor haar asielverzoek, gelet op de afstand en de administratieve situatie van haarzelf en haar familieleden, niet in optimale omstandigheden zouden aangewend kunnen worden indien de asielaanvraag in Oostenrijk zou behandeld worden, deze bewering louter hypothetisch is en op generlei wijze wordt gestaafd door enig overtuigend argument of concreet gegeven; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat Oostenrijk heeft ingestemd met de vraag tot terugname van de verzoekende partij; dat bijgevolg de bestreden beslissing de mogelijke erkenning van de verzoekende partij als vluchteling niet in de weg staat; dat zij alleen bepaalt dat de asielaanvraag in Oostenrijk dient te worden behandeld; dat Oostenrijk een volwaardig lid van de Europese Unie is en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden, zodat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de verzoekende partij voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen in Oostenrijk dan in België zou genieten; dat als de verzoekende partij in aanmerking zou komen voor bescherming op basis van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), zij de door dit verdrag gewaarborgde bescherming ook in Oostenrijk kan krijgen; dat in dit opzicht de verzoekende partij geen concrete aanwijzingen bijbrengt, laat staan bewijzen, die aantonen dat haar asielaanvraag niet met de nodige zorg en garanties in Oostenrijk kan behandeld worden; XIV-27.064-3/5 Overwegende dat de verzoekende partij opwerpt dat een verwijdering naar Oostenrijk haar zou verhinderen haar familiale banden in België te kunnen onderhouden; dat ze immers niet meer bij haar familie zou kunnen vertoeven; dat gelet op de traumatische ervaringen van haar gevangenschap waarbij ze werd gefolterd en dagelijks dacht vermoord te worden zoals haar vader, de ondersteuning van haar familie volkomen onontbeerlijk is; dat ze in geen enkele andere lidstaat nauwe familie heeft en dat ze na jarenlange opsluiting en foltering op jonge leeftijd, de familie die ze nooit levend dacht terug te zien eindelijk kan vervoegen; dat in dit verband de vaststelling volstaat dat het door de verzoekende partij voorgehouden nadeel aan zichzelf is te wijten; dat de verzoekende partij thans beweert zeer nauwe familiebanden te hebben met haar in België verblijvende broer en zussen; dat zij dus uiteraard wist dat dezen sedert meerdere jaren in België verbleven; dat de verzoekende partij nochtans in Oostenrijk een eerdere asielaanvraag heeft ingediend en daaromtrent geen uitleg geeft; dat de verzoekende partij bijgevolg niet aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een ernstig, laat staan een moeilijk te herstellen nadeel zal veroorzaken; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten worden in beraad gehouden. XIV-27.064-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-27.064-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.