id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.418 Rolnummer: A. 133887/XIV-14114 Zaak: Arrest 164418 - - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-20 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 08:05 Fiche Arrest nr 164.418 van 7 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.418 van 7 november 2006 in de zaak A. 133.887/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Y. BRION, kantoor houdende te 5000 NAMEN, rue des Quatre Maisons 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 februari 1956 en van Joegoslavische nationaliteit, op 7 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 7 februari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 26 mei 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-14.114-1/10 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 oktober 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat Y. BRION verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 4 augustus 1999 en verklaart zich vluchteling op 5 augustus
- 1.
- Op 18 februari 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 30 juni 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. Bij arrest nr. 111.559 van 16 oktober 2002 van de VIIde kamer van de Raad van State werd het beroep tegen deze beslissing verworpen. 1.
- Op 7 maart 2001 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 17 september 2001 wordt de verzoekende partij om medische redenen tijdelijk ingeschreven in het vreemdelingenregister, voor een termijn van 22 september 2001 tot 22 juli
- 1.
- Op 29 januari 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) XIV-14.114-2/10 in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in liet buitenland. Betrokkene diende een aanvraag art.9.3 in op basis van medische motieven. Uit de tegenexpertise van onze controle-arts blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen naar zijn land van herkomst en dat daar de nodige zorgen kunnen worden toegediend. Bovendien is het gegeven dat hij vriendelijk en behulpzaam is, zijn twee kinderen hier schoollopen, geen uitzonderlijke omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “MOYEN UNIQUE Pris de la violation des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, en vertu desquels cette motivation formelle est requise et doit être adéquate, c'est-à-dire comporter l'énonciation des considérations de droit et de fait qui lui servent de fondement; ATTENDU que la décision attaquée se borne à la motivation suivante: ‘Betrokkene diende een aanvraag art. 9.
- in op basis van medische motieven. Uit de tegenexpertise van onze controlearts blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen naar zijn land van herkomst en dat daar de nodigen zorgen kunnen worden toegediend. ...’ ATTENDU que l'obligation de motivation qui pèse sur les parties adverses implique que, dans le corps même de sa décision, plus particulièrement la deuxième partie adverse fasse formellement et adéauatement mention non seulement des considérations de droit mais aussi des considérations de fait qui en constituent le fondement; QUE force est de constater, en l'espèce, que la décision attaquée ne répond pas aux exigences de motivation ainsi précisées; ATTENDU que la motivation indiquée ci-dessus constitue une affirmation qui revêt, de toute évidence, un caractère stéréotypé et s'apparente à une pure clause de style; ATTENDU, comme le Conseil d'Etat a eu l'occasion de le souligner à maintes reprises, que la seule motivation de fait dont est ainsi assortie la décision attaquée ne permet pas au requérant de connaître les raisons précises et concrètes qui ont amené la deuxième partie adverse à considérer que la situation du requérant ne pouvait être qualifiée comme une situation rentrant dans les circonstances exceptionnelles visées à l'article 9, al. 3 de la loi du 15 décembre 1980 plus précisément en ce qui concerne les circonstances médicales invoquées; ATTENDU que dans un deuxième temps, n'apparaît pas non plus adéquate et répondre au prescrit légal l'affirmation de la deuxième partie adverse telle qu'elle est énoncée dans le texte repris cidessus; ATTENDU qu'en effet, le prescrit des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs impose aux parties adverses et plus précisément à la deuxième partie adverse de faire formellement et adéquatement mention non seulement des considérations de droit mais aussi des considérations de fait qui en constituent le fondement. ATTENDU qu'il résulte donc que si la motivation et la description des éléments de fait doivent formellement figurer dans la décision, cette décision doit également en avoir vu une analyse adéquate, constatation adéquate des faits pouvant servir effectivement de base et justifier le fondement même de la décision qui en découle; ATTENDU que force est de constater que l'attendu énoncé ci-dessus et servant manifeste- ment de base à la décision attaquée est un exposé de fait qui n'est absolument pas adéquat. ATTENDU que le prescrit légal impose une motivation formelle, motivation qui doit être adéquate, par rapport aux faits qui y sont insérés; ATTENDU que le requérant tient à ce propos à préciser ce qui suit: QUE la ‘contre-expertise’ à laquelle il fut soumis par le Docteur DE BLOCK, médecin expert des parties adverses a consisté en réalité en une seule visite de quelques minutes, le médecin contrôle de l'Etat Belge limitant son ‘examen’ d'une part à la prise de la tension du requérant et d'autre part à la pesée de celui-ci. ATTENDU que le Docteur DE BLOCK n'a pour le surplus strictement procédé à aucun autre examen du requérant. XIV-14.114-3/10 ATTENDU qu'une prise de tension ainsi qu'une pesée apparaissent être deux ‘contrôles’ dont le moins que l'on puisse dire est qu'ils sont légers pour servir de base à l'affirmation suivant laquelle le requérant ne serait nullement empêché de voyager et de retourner dans son pays d'origine tout en affirmant de la même manière que dans son pays d'origine, les soins adéquats concernant son état de santé pourraient lui être dispensés. ATTENDU qu'indépendamment du fait qu'un examen médical ainsi limité ne peut en aucun cas servir de base à pareilles affirmations, les multiples et différents certificats médicaux déposés par le requérant démontrent pour le surplus exactement le contraire de la conclusion du médecin contrôle de l'Etat belge; ATTENDU que ces attestations médicales particulièrement circonstanciées sont annexées aux présentes et sont numérotées de 1 à 7; ATTENDU qu’il convient tout d'abord d'observer que ces examens médicaux s'étendent sur la période du 18 juillet 2001 (pièce 1) au 18 février 2003 (pièce 7);QU'il ressort inconstestable- ment de ces attestations médicales qu'elles sont d'une part particulièrement circonstanciées en répondant à des questions précises et qu'elle concluent toutes aux mêmes constatations médicales dont les termes ne peuvent être sujets à aucune interprétation; QU'il est d'autre part constant de constater que l'évolution de l'état physique du requérant empire au fur et à mesure de l'écoulement du temps et de la lecture des sept documents médicaux ci-annexés; QU'en effet, si les pièces 1 et 2 contiennent déjà des affirmations évidentes indiquant notamment que la présence d'une tierce personne est indispensable en permanence aux côtés du requérant compte tenu de son état de santé, ainsi que le fait qu'il est hors de question pour lui de pouvoir voyager, il est également indiqué que les possibilités thérapeutiques du pays d'origine apparaissent limitées compte tenu de l'état de santé du requérant; ATTENDU que la pièce 3 détaille pour sa part les affections subies par le requérant étant d'une part la maladie dite "de Graves" ainsi que d'autre part des lésions importantes à la colonne vertébrale et plus précisément en L2-L3-L4-L5 et Sl. ATTENDU qu'il convient d'observer que la maladie dite ‘De Graves’ constitue une pathologie particulièrement lourde étant due à un dérèglement de l'immunité qui n'attaque plus seulement les éléments pathogènes étrangers à l'organisme (comme les virus, par exemple) mais également les propres tissus de l'organisme en sécrétant des anticorps contre eux. ATTENDU que l'état actuel de la médecine dans nos pays modernes ne connaît pas encore bien les mécanismes de cette maladie; QU'en l'espèce c'est la glande thyroïde qui est touchée mais pas seulement, dans la mesure ou l'on retrouve également une atteinte oculaire : la thyroïde augmente de volume et la sécrétion d'hormones thyroïdiennes s'emballe, les yeux augmentent également de volume donnant ce qu'on appelle une ‘exophtalmie’ (aspect des yeux exorbités). ATTENDU que le seul traitement actuellement préconisé pour lutter contre cette maladie consiste en 1 "administration d'iode radioactif sur une très longue période, force étant de constater qu'existe un risque d'hypothyroïdie (insuffisance de sécrétion d'hormones thyroïdien- nes) secondaire au bout de plusieurs années dans près de 50 % des cas. ATTENDU qu'il est en conséquence permis de constater même pour un non-spécialiste du caractère gravissime de cette maladie dont la science actuellement ne connaît encore que peu de chose ainsi que de la nécessité de soins constants s'étendant sur une période très longue avec un espoir plus que mesuré de rémission; ATTENDU que la deuxième affection médicale dont souffre le requérant étant une atteinte gravissime à la colonne vertébrale, comme indiqué par les multiples praticiens consultés, constitue en elle-même également une atteinte gravissime à l'état de santé général du requérant; ATTENDU que c'est sur base de ces constatations évidentes que le Docteur BOSQUE indique en pièce 3, lui aussi, qu'il y a nécessité permanente de la présence d'une tierce personne aux côtés du requérant, que les maladies dont il souffre empêche le patient de se déplacer et qu'il est hors de question pour lui d'envisager la possibilité de voyager. QUE le même médecin indique et précise cette impossibilité de se déplacer quels que soient les moyens spécifiés dans le questionnaire -train, avion, ou autres moyens, ni même vol sanitaire; ATTENDU que les attestations médicales suivantes confirment les constatations qui précèdent en les précisant si besoin en était encore; ATTENDU que le Docteur POLLEFLIET de la Clinique Jan PALFIJN de GENT indique en pièce 4 également la présence obligatoire d'une tierce personne aux côtés du requerant et constate également le caractère particulièrement limité des possibilités thérapeutiques au pays d'origine; ATTENDU que la pièce 5 établie par le Docteur DE ROOVER de GENT est encore plus explicite dans la mesure où il indique sans interprétation possible que le requérant est inguérissable, que son état requiert la présence permanente à ses c8tés d'une tierce personne, que l'affection dont il souffre interdit tout déplacement, qu'il est hors de question qu'il puisse voyager, qu'il reprend également à son compte l'affirmation qu'aucun moyen de transport ne peut être autorise que ce soit train, avion, autres moyens ou vol sanitaire, les présentes constatations ayant été établies en date du 17 février 2003; XIV-14.114-4/10 ATTENDU que le certificat médical coté 6 constate également le caractère inguérissable des affections qui touchent le requérant en ajoutant, ce qui constitue une précision supplémentaire, que les affections qui touchent le requérant ne peuvent en aucun cas être soignées au pays d'origine, cette constatation ayant été établie également à la clinique Jan PALFIJN de GENT en date du 17 février 2003; ATTENDU enfin que la pièce 7 reprend et condense les observations médicales susindiquées dans la mesure ou il est attesté que le requérant est suivi dans cet établissement, soit la clinique Jan PALFIJN de GENT depuis 2001, qu'il présente une maladie dégénérative de la colonne vertébrale de L1 jusque et y compris L3, L4 et S1, ladite pièce se clôturant en énoncant le 18 février 2003 que les affections dont souffre le requérant sont toujours en phase évolutive, que cette évolution consiste en une aggravation incontestable des symptomes présentés et qu'il est certain de ne pouvoir poursuivre les soins médicaux dont le requérant a un impérieux, constant et urgent besoin au pays d'origine; ATTENDU que l'ensemble des constatations médicales qui précèdent constituent autant d'éléments incontournables dont le médecin contrôle de l'Etat belge a fait table rase sans aucune explication de quelque nature que ce soit après un ‘examen’ consistant en une prise de tension et une pesée du requérant; ATTENDU qu'en conséquence de tout ce qui précède que la décision querellée ne motive en aucun cas de manière adéquate et suffisante les éléments de fait servant de base au fondement de la décision querellée, la motivation de la décision attaquée étant à l'évidence en défaut de répondre, et loin s'en faut, au prescrit des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991, exigeant pour la motivation des actes administratifs que cette motivation soit impérativement formelle et adéquate; ATTENDU à cet égard que la jurisprudence du Conseil d’Etat apparaît constante (voir notamment : C. E. 23/07/1998, arrêt n/ 75.434; C. E. 03/08/1998, arrêt ng 75.549; C.E. 10/05/1999, arrêt nLI 80.153, R.D.E. 1999 ng 104, p. 447; C.E. 15/07/1999, R.D.E. 1999, ng 104, p. 450); ATTENDU qu'il s'ensuit que la décision attaquée doit à l'évidence être annulée.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Er wordt een enig middel aangevoerd, geput uit de schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat verzoeker niet kan ontkennen dat het verblijf werd gesolliciteerd omwille van de problemen die hij ondervindt met zijn gezondheid. Uit het administratief dossier en daaruit afgeleid uit de bestreden beslissing blijkt dat de gezondheidstoestand werd geëvalueerd met behulp van de controlearts die niet alleen verzoeker zelf op consultatie kreeg, doch die herhaaldelijk in verbinding trad met de behandelende geneesheren en kennis nam van hun visie en adviezen. Het komt niet toe aan de dienst vreemdelingenzaken, die niet bemand is door geneesheren, de adviezen van de controlearts van commentaren en motieven te voorzien. De discretie waarmee de gegevens van medische aard dienen te worden behandeld laten de dienst vreemdelingenzaken evenmin toe in de bestreden beslissing melding te maken van de kwalen die aan de orde zijn, de gestelde diagnose en de voorziene medicatie of medische ingrepen. Er kan enkel worden melding gemaakt van de aard van het medisch advies: ofwel is terugkeer mogelijk ofwel niet. Het waarom van dat advies kan omwille van de bescherming van de private levenssfeer van verzoeker niet worden vermeld Dat de vermelding: ‘Betrokkene diende een aanvraag artikel 9.3 in op basis van medische motieven. Uit de tegenexpertise van onze controlearts blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen naar zijn land van herkomst en dat daar de nodige zorgen kunnen worden toegediend’ kan dan ook weinig origineel lijken, doch is afdoende om de bestreden beslissing te ondersteunen. Verzoeker heeft ruimschoots de mogelijkheid kennis te nemen van de redenen dat de artsen hebben geleid tot het finaal besluit. Uit geen enkel gegeven blijkt als zou verzoeker om inzage van het dossier hebben verzocht. Dat belet hem blijkbaar niet gemakkelijke kritiek te leveren op de wijzen van besluitvorming en de door hem aangebrachte medische getuigschriften uitvoerig te commentariëren, gegevens waaraan in de finale besluitvorming de beslissende ambtenaar geen ambtenaar heeft en die de Raad van State evenmin verheldering kunnen brengen. Het middel is op z'n minst niet ernstig.”; XIV-14.114-5/10 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de medische “tegenexpertise” door de controle-arts van de Dienst Vreemdelingenzaken, enkel bestond uit het opnemen van de bloeddruk en het wegen van de verzoekende partij; dat dit geen onderzoek vormt dat tot de conclusie kan leiden dat de verzoekende partij niet verhinderd is te reizen naar zijn land van herkomst waar de nodige zorgen kunnen worden toegediend; dat de verzoekende partij medische attesten heeft ingediend, daterend van 18 juli 2001 tot 18 februari 2003, die het tegendeel aantonen; 2.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kan rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. XIV-14.114-6/10 In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aang- evraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandighe- den die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werd aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij XIV-14.114-7/10 de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat de verzoekende partij haar medische toestand aanvoerde (zij lijdt aan twee aandoeningen die volgens haar moeilijk behandeld kunnen worden in het land van herkomst), verklaringen en getuigenissen voorlegde van tal van personen dat zij vriendelijk en behulpzaam is, en verwees naar het feit dat zij twee schoolgaande kinderen heeft; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing volgende motieven opgeeft: - uit de tegenexpertise van de controlearts blijkt dat de verzoekende partij niet verhinderd is te reizen naar haar land van herkomst en dat daar de nodige zorgen kunnen worden toegediend; - het gegeven dat zij vriendelijk en behulpzaam is en dat haar twee kinderen hier school lopen, is geen uitzonderlijke omstandigheid die het indienen van de aanvraag in België verantwoordt; Overwegende dat de verzoekende partij meent dat een loutere verwijzing naar het advies van de controlearts geen afdoende motivering is, en dat zij tevens kritiek uit op het onderzoek van de controlearts dat heeft geleid tot de conclusie dat de verzoekende partij kan reizen en dat zij de nodige zorgen kan krijgen in het land van herkomst, terwijl zij medische attesten heeft voorgelegd waaruit het tegenovergestelde blijkt; Overwegende dat de verzoekende partij geen kritiek uit op het tweede motief; dat, wat het eerste motief betreft, de plicht tot uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de minister van Binnenlandse Zaken de motieven van de gegeven redenen van de beslissing moet vermelden; dat hij dus niet “verder” dient te motiveren waarom hij zich steunt op de tegenexpertise van de controlearts; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partij de medische attesten die dateren van na haar aanvraag van 7 maart 2001, telkens heeft meegedeeld aan de minister van Binnenlandse Zaken; dat het medisch attest van 18 februari 2003 dateert van na de bestreden beslissing, zodat de verwerende partij er geen rekening mee kon houden bij het nemen van deze beslissing; dat de Raad van State evenmin rekening kan houden met dit attest, omdat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; Overwegende dat uit het dossier eveneens blijkt dat er correspondentie heeft plaatsgevonden tussen de controlearts van de Dienst Vreemdelingenzaken en de artsen van de verzoekende partij; dat daaruit volgt dat de controlearts zich niet louter heeft gebaseerd op een éénmalig onderzoek voor zijn advies; dat het niet aan de Raad van State toekomt om deze medische attesten te beoordelen; dat de Raad zich bij de beoordeling van de feiten niet in de plaats kan stellen van de bevoegde overheid; dat hij er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct XIV-14.114-8/10 heeft beoordeeld en op grond daarvan in alle redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met de elementen van het dossier en meer bepaald met het verslag en het advies van de controlearts dat de verzoekende partij niet verhinderd is te reizen naar haar land van herkomst en dat daar de nodige zorgen kunnen worden toegediend; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig en deugdelijk zijn; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.114-9/10 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, De H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-14.114-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.418 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.