← België

Arrest 164420 - - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.420 Rolnummer: A. 153004/XIV-19927 Zaak: Arrest 164420 - - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 08:06 Fiche Arrest nr 164.420 van 7 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.420 van 7 november 2006 in de zaak A. 153.004/XIV-19.927. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. TALHA, kantoor houdende te 4430 ANS, rue Walthère Jamar 77 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 februari 1976 en van Indische nationaliteit, op 21 juni 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juni 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 april 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 7 juni 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 2 juni 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-19.927-1/11 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 oktober 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. TALHA, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 20 maart 2004 en verklaart zich vluchteling op 24 maart 2004. 1.2. Op 14 april 2004 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 4 juni 2004 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Indiër afkomstig uit Sharpur, gelegen in Vilaspur. Op 28 december 2001 raakte u in uw kruidenierszaak in conflict met een zekere R. P. en diens handlangers. Hoewel R. P. bekend stond als een schurk die voor diverse politieke partijen uit de regio moorden uitvoerde, stond u erop dat deze betaalde voor het telefoontje dat hij gepleegd had. In het hierop volgende gevecht werden de vingers van uw rechterhand afgehakt toen u een zwaardslag poogde af te weren. U verloor het bewustzijn en kwam pas in het hospitaal weer bij positieven. In februari 2001 trok u naar het politiekantoor om van deze geweldpleging aangifte te doen. De dienstdoende agent beweerde echter dat u reeds een verklaring had afgelegd en weigerde een ‘FIR’ (First Information Report) op te stellen. De volgende dag bezocht u de ‘Superintendent of Police’ van Yamuna Nagar maar deze stelde eveneens dat het onmogelijk was om een ‘FIR’ op te stellen. Toen u de volgende dag de ‘District Magistrate’ van Yamuna Nagar opzocht, bevestigde deze dit. Via een bevriend journalist liet u op 3 maart 2002 in diverse lokale kranten een artikel publiceren waarin gesteld werd dat R. P. u verminkt had en dat de autoriteiten nalieten om u te helpen. Dezelfde avond meldde een vriend u dat R. P. en diens handlangers uw kruidenierszaak bezocht hadden en u opspoorden. Op de avond van de volgende dag ontvluchtte u uw kruidenierszaak toen buiten revolverschoten weerklonken. Van de overkant van de straat zag u hoe R. P. en diens handlangers het lichaam van een onbekende voor de ingang van uw winkel deponeerden. Na een korte tussenstop in uw woonst vluchtte u vervolgens via Vilaspur naar Delhi. Op 5 maart 2002 telefoneerde u een vriend in Vilaspur. Deze meldde u dat in drie kranten vermeld stond dat de politie u van moord verdacht. Omdat daarenboven ook Rana en diens handlangers u opspoorden, raadde deze u af om naar uw geboortedorp terug te keren. De hierop volgende maanden en jaren leefde u ondergedoken. Op XIV-19.927-2/11 19 maart 2004 vloog u vervolgens over naar Europa en vroeg op 24 maart 2004 in België asiel aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt om aan te tonen dat u in India vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie riskeert. U stelde India te zijn ontvlucht omdat u in uw geboortedorp door een criminele bende geviseerd wordt. Daarenboven zou u valselijk beschuldigd zijn en wegens moord opgespoord worden. Betreffende de door u ingeroepen moeilijkheden met de criminele bende rondom R. P. dient te worden opgemerkt dat deze geen vervolgingsdaden in de zin van de Vluchtelingenconventie uitmaken. U verklaarde weliswaar dat deze crimineel goede connecties had met leden van diverse politieke partijen maar slaagt er niet in om aan te tonen dat het in uw regio van afkomst uitgesloten was om gerechtelijke stappen tegen deze misdadiger te ondernemen. Integendeel, uw verklaring dat deze crimineel diverse keren gearresteerd werd en ondergedoken leeft (zie gehoorverslag CGVS, p.6) is een aanwijzing dat de Indische autoriteiten wel degelijk bereid zijn om tegen hem op te treden. Ondanks uw vergeefse pogingen om via de lokale politie, de ‘Superintendant of Police’ van Yamuna Nagar en de ‘District Magistrate’ van Yamuna Nagar klacht in te dienen tegen uw belager(

  1. s)dient dan ook te worden geconcludeerd dat u onvoldoende inspanning ondernam om beroep te doen op de door de Indische overheid voorziene rechtsbescherming. Uw verklaring dat u in deze zaak naliet om een advocaat in te schakelen omdat u er de tijd niet voor vond (zie gehoorverslag CGVS, p.10), is wat dit betreft een concrete aanwijzing. Bovendien slaagt u er niet in om aannemelijk te maken dat u vanwege R. P. criminele bende vervolging op nationaal vlak hoeft te vrezen. Vermist u aangaf dat deze bende enkel actief is in de regio Haryana en Uttar Pradesh (zie gehoorverslag CGVS, p.7) dient te worden geconcludeerd dat u aan verdere problemen met deze misdadigers kon ontsnappen door elders in het land te verblijven en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen. Het feit dat u na uw vlucht uit uw geboortedorp aan verdere moeilijkheden met R. P. ontsnapte door afwisselend in Delhi, Rampur en Mogha te verblijven, is hiervan illustratie (zie gehoorverslag CGVS, p. 5 + p. 13). Aangaande uw bewering dat u door de Indische autoriteiten van moord verdacht wordt, dient te worden opgemerkt dat deze bewering louter op informatie van derden gebaseerd is. In verband met deze beschuldiging van moord werd u nooit rechtstreeks met de Indische autoriteiten geconfronteerd, werd daarenboven nooit aangehouden en baseert deze bewering uitsluitend op informatie van een kennis (zie gehoorverslag CGVS, P.13). Vermits deze zich uitsluitend op een artikel uit een lokale krant baseert (zie gehoorverslag CGVS, p.13), dient te worden geconcludeerd dat u onvoldoende elementen aanbrengt om aan te tonen dat u door de politie daadwerkelijk van moord verdacht wordt en opgespoord wordt. Gesteld echter dat de politie van uw geboortestreek u in verband met een moordonderzoek opspoort, dient te worden opgemerkt dat u geen elementen aanbrengt die erop wijzen dat zulks tot vervolging op nationaal vlak leidde. Integendeel, het feit dat u na uw vlucht uit uw geboortedorp op 5 maart 2002 tot en met 19 maart 2004 in India verbleef zonder hierbij directe moeilijkheden met de Indische autoriteiten te ondervinden (zie gehoorverslag CGVS, p.13), illustreert dat het mogelijk was om aan uw voorgehouden moeilijkheden met de lokale politie te ontsnappen door elders in het land te verblijven en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen. Ook het feit dat u onder eigen naam (zie gehoorverslag CGVS, p.2) via Delhi India uitreisde en hierbij probleemloos de controle van de luchthavenautoriteiten doorstond (zie gehoorverslag CGVS, p.14), is verdere aanwijzing dat u in India niet op nationaal vlak opgespoord wordt. Het door u neergelegde document ( een kopie van een krantenartikel betreffende het lijk van een onbekende dat in maart 2002 voor uw kruidenierszaak aan getroffen werd) is niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen, temeer daar u er niet in slaagt om uw identiteit aan te tonen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. XIV-19.927-3/11 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “PREMIER MOYEN: Violation des articles 1, 2, 6, et 12 du Pacte International du 19 décembre 1966 relatif aux droits économiques, sociaux et culturels ratifiés par la Belgique par la loi du 15 mai 1981, des articles 2.3a, 6, 9, 14 et 26 du Pacte relatif aux droits civils et politiques, conclu à New-York, le 19 décembre 1996 et ratifié par la Belgique le 21 avril 1983, et les articles 16 et 33 de la, Convention de Genève du, 28 juillet 1954.
  2. a)Première branche: Attendu que le requérant considère qu'il a fui son pays parce qu'il craignait des persécutions de la part des autorités de police de son pays car il a été suspecté de meurtre ; que de plus, il était activement recherché par la bande criminelle de R. P. qui l'avait déjà sauvagement torturé et mutilé; qu'il a produit un récit circonstancié des évènements qui l'ont amené à fuir, Que le requérant a également fui son pays parce qu'il ne pouvait ni poursuivre son éducation ni entreprendre une activité du fait des poursuites policières et des menaces de mort; Que ce droit à la vie et à la liberté, de même que le droit au travail, est notamment reconnu par le Pacte relatif aux droits civils et politiques et par le Pacte relatif aux droits économiques, sociaux et culturels, mais également par la Déclaration Universelle des Droits de l'Homme de même que par la Convention de Genève qui impose aux états contractants de ne pas refouler les demandeurs d'asile vers la frontière du pays qu'il a fui; Que si la Convention de Genève n'a pas réglementé la manière dont les états devaient examiner cette demande, le Pacte sur les droits civils et politiques a imposé aux états membres de garantir à toute personne de soumettre sa cause devant un tribunal compétent, indépendant et impartial établi par la loi (articles 2 et 14 du Pacte sur les droits civils et politiques); Que l'audition à l'Office des Etrangers est déterminante puisque la partie adverse se fonde essentiellement sur cette audition pour refuser la demande d'asile formée par le requérant en précisant que les craintes invoquées ne relèvent pas de la Convention de Genève; Que le requérant n'avait aucune possibilité de contrôle sur le rapport de l'audition rédigé à l'Office des Etrangers et devait uniquement répondre à des questions, la rédaction du rapport étant laissée à l'arbitraire du fonctionnaire qui a procédé à l'interrogatoire; Que le requérant estime également qu'en interdisant la présence d'un avocat lors de l'audition à l'Office des Etrangers, il subit une discrimination visée par l'article 26 du Pacte relatif aux droits civils et politiques;
  3. b)Deuxième branche: Attendu que la procédure en recours urgent instituée par les articles 63/2 à 63/5, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le sejour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ne confère pas au requérant le droit de soumettre sa cause devant une instance juridictionnelle qui l'examine de manière contradictoire et ne respecte donc pas les droits de la défense; Que le requérant a, certes, été entendu mais que le débat est mené unilatéralement par la partie adverse, autorité administrative; que dans ces conditions, la procédure n'est pas, à ce stade, conforme aux exigences imposées par le Traité auquel la Belgique a adhéré; Que le requérant estime que les impératifs que s'assigne l'Etat Belge, ne peuvent justifier la suppression d'un recours effectif devant une instance juridictionnelle dès l'instant où le recours concerne un droit subjectif de ne pas être refoulé vers la frontière d'un pays qu'il a fui, en raison d'une crainte de persécution; Que la différence de traitement que la loi instaure entre le demandeur d'asile qui forme un recours urgent et celui qui forme un recours devant la CPRR, n'est pas justifié pour des motifs raisonnables; Qu'il s'agit donc d'une discrimination au sens de l'article 26 du Pacte sur les droits civils et politiques;”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste middel: schending van de artikelen 1, 2, 6 en 12 van het ECOSOC-Verdrag, van de artikelen 2.3a, 6, 9, 14 en 26 van het BUPO-Verdrag en van de artikelen 16 en 33 Vluchteling- enconventie. In een eerste onderdeel werpt verzoeker op dat de bestreden beslissing hoofdzakelijk gebaseerd is op zijn verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en dat hij geen mogelijkheid had om dit verslag te controleren noch kon worden bijgestaan door een advocaat, hetgeen een schending inhoudt van het BUPOVerdrag. Verweerder antwoordt, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, dat de Commissaris- generaal op grond van de gegevens van het dossier heeft besloten dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat hij geen gegevens heeft aangebracht dat er wat hem betreft, XIV-19.927-4/11 ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker niet aannemelijk maakt in India een gegronde vrees voor vervolging te hebben die hem ervan zou weerhouden terug te keren, daar zijn beweerde problemen met de criminele bende geen vervolgingsdaden in de zin van Vluchtelingenconventie uitmaken en verzoeker onvoldoende inspanning ondernam om beroep te doen op de door de Indische overheid voorziene rechtsbescherming, daar verzoeker niet aannemelijk maakt daadwerkelijk door de politie (valselijk) beschuldigd en opgespoord te worden wegens moord en daar verzoeker gebruik kon maken van het interne vluchtalternatief om aan zijn beweerde problemen te ontsnappen. Bovendien merkt verweerder op dat uit het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenza- ken blijkt dat verzoeker daar geen opmerkingen heeft geformuleerd, terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had vermits hem zijn verklaringen op het einde van het interview werden voorgelezen. Bovendien heeft verzoeker bevestigd door zijn handtekening dat het gehoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de rechten van de verdediging zijn geschonden tijdens zijn dringend beroep voor het Commissariaat~generaal. Verweerder antwoordt dat het dringend beroep waarbinnen de bestreden beslissing zich situeert, een administratieve beroepsprocedure is, die volgens de wet werd toevertrouwd aan een onafhankelijke en gespecialiseerde administratieve instantie, en die dus niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege, waar de rechten van verdediging moeten worden gerespecteerd. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 1, 2, en 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 19 december 1966 (ECOSOC-verdrag); van de artikelen 2.3a, 6, 9, 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 (BUPO-verdrag); van de artikelen 16 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel stelt dat zij haar land van herkomst is ontvlucht omdat zij er vervolgd wordt, en omdat zij haar studies niet kon voortzetten en er evenmin een onderneming kon uitbouwen door deze vervolging, terwijl haar recht op leven en vrijheid en op arbeid wordt erkend door bovenvermelde internationale verdragen; dat zij vervolgt dat het BUPO-verdrag de lidstaten verplicht te garanderen dat elke persoon een beroep kan doen op een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige rechtbank, terwijl de bestreden beslissing hoofdzakelijk steunt op haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, waar zij niet de mogelijkheid had om het verhoorverslag na te kijken, en waar er bovendien geen advocaat aanwezig mocht zijn; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel aanvoert dat de procedure in dringend beroep aan de kandidaat-vluchteling niet het recht verleent om zijn zaak aan een onafhankelijk rechtscollege voor te leggen, met een tegensprekelijk onderzoek en met toepassing van de rechten van de verdediging; dat de wijze waarop de verzoekende partij werd gehoord door een administratieve overheid, niet strookt met de bepalingen van het verdrag dat mee werd goedgekeurd door België; dat er ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen een kandidaat-vluchteling die de procedure van dringend beroep doorloopt en hij die de procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen doorloopt; dat dit een discriminatie vormt in de zin van artikel 26 van het BUPO-verdrag; XIV-19.927-5/11 2.1.4. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, de verzoekende partij de schending van de door haar ingeroepen bepalingen van het ECOSOC-verdrag niet met concrete gegevens uiteenzet; dat hetzelfde kan worden overwogen voor wat betreft de schending van de artikelen 6 en 9 van het BUPO-verdrag; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat deze procedure een administratieve en geen jurisdictionele procedure is; dat de artikelen 2 en 14 van het BUPO- verdrag betrekking hebben op burgerrechtelijke en strafrechtelijke procedures, en dat de schending ervan bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd; dat in zoverre de verzoekende partij kritiek uit op het feit dat er geen jurisdictionele procedure is voorzien in de ontvankelijkheidsfase van de asielaanvraag, dit een wetskritiek uitmaakt die niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat, wat de schending van artikel 26 van het BUPO- verdrag betreft, de verzoekende partij er niet in slaagt een ongelijke behandeling aan te tonen; dat de aanwezigheid van een advocaat in deze fase van de administratieve procedure niet is voorzien, en dat geen enkele kandidaat-vluchteling de aanwezigheid van een advocaat tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken kan eisen; dat er op dit vlak geen ongelijke behandeling tussen de asielzoekers kan worden aangetoond; Overwegende dat, wat de schending van de artikelen 16 en 33 van de Vluchtelingenconventie betreft, deze artikelen betrekking hebben op erkende vluchtelingen en bijgevolg niet kunnen worden ingeroepen door de verzoekende partij; Overwegende dat, voor het overige, de verzoekende partij aanvoert dat zij op geen enkele manier het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft kunnen nakijken, en dat de Commissaris-generaal zich hoofdzakelijk steunt op dit verhoorverslag om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partij dit verslag heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de gegevens die zij heeft verschaft; dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift dringend beroep geen opmerkingen heeft gemaakt XIV-19.927-6/11 over het verloop van dit verhoor, en evenmin tijdens het verhoor bij het Commissariaat- generaal; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat er tegenstrijdigheden zouden zijn in het relaas van de verzoekende partij die zouden steunen op deze verklaringen; dat de verzoekende partij evenmin aanduidt welke van haar verklaringen verkeerd zouden zijn weergegeven of geïnterpreteerd; Overwegende dat het eerste onderdeel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, de verzoekende partij zich hoofdzakelijk beperkt tot het uiten van wetskritiek, die niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partij de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, dit beginsel een verschillende behandeling niet verhindert, mits dit verschil in behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is; dat de verzoekende partij niet met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat vreemdelingen die zich in een identieke situatie met haar bevonden, anders werden behandeld; dat de verzoekende partij verwijst naar de procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor Vreemdelingen, die een andere procedure betreft dan deze in dringend beroep; dat de schending van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 26 van het BUPO-verdrag niet kunnen worden aangenomen; dat het tweede onderdeel van het middel, inzoverre het ontvankelijk is, ongegrond is; Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen, in de mate dat deze ontvankelijk zijn, ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “DEUXIEME MOYEN, pris en violation de la loi du 29juillet 1991, sur la motivation formelle des actes administratifs, ainsi que les lois, règlements et décisions antérieures relatifs à ce même sujet, et notamment l'article 62 de la loi du 15 décembre 1980, En ce que, la loi prévoit explicitement que la motivation doit être adéquate, précise et pertinente; c'est-à-dire correspondre aux faits et ne peut en aucun cas être une simple motivation d'appréciation subjective. Qu'en l'espèce, le Commissaire Général devait vérifier la pertinence des arguments qui sont de nature à asseoir une décision de refus; Qu'au contraire, il se limite à affirmer que les faits invoques par le requérant, à l'appui de sa demande, ne rentrent pas dans le champ d'application de la Convention de Genève et que le requérant ne justifierait pas des craintes qu'il invoque ; que de plus, les persécutions seraient d'ordre local et que le requérant aurait pu s'installer dans une autre région de l'Inde; Que Monsieur le Commissaire Général n'a, nullement, examiné le motif de la décision annexe 26 bis mais a procédé à une instruction différente pour asseoir sa décision de refus; qu'il s'agit manifestement d'un abus de pouvoir, Que le requérant a pourtant précisé la nature de ses craintes qui sont réelles, graves et constantes; qu'il a dû subir la torture et la mutilation d'une bande criminelle à la solde de certains partis politiques; qu'en outre, il a été directement menacé de mort par cette organisation et poursuivi par la police indienne car suspecté de meurtre; XIV-19.927-7/11 Qu'ainsi, le requérant qui ne pouvait vivre dignement dans son pays, du fait des menaces de mort et des poursuites policières, a été contraint de fuir son pays; Que ces faits présentent des craintes qui se rattachent incontestablement aux critères de l'article 1 er de la Convention de Genève puisque le requérant risquait dans son pays la liquidation physique ou la prison pour le seul chef de la revendication de ses droits et en raison du fait que ses autorités nationales lui ont refusé la protection; Qu'enfin, le Commissaire Général ne pouvait sérieusement soutenir que le requérant n'avait pas de craintes dans son pays alors qu'il a vécu caché et s'est trouvé contraint de fuir; Que la motivation de la décision est inadéquate, inopportune et abusive en ce qu'elle se limite à relever que les faits allégués ne peuvent être pris en considération pour la demande d'asile; Que, dès lors, le refus de recevabilité de la demande sans aucune instruction au fond est illégale;”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Tweede middel: schending van de Uitdrukkelijke Motiveringswet en van artikel62 Vreemdelingenwet Verzoeker voert aan dat de Commissaris-generaal zijn macht misbruikte door de bestreden beslissing te baseren op andere motieven dan de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing een dringend beroep betreft bij het Commissariaat-generaal tegen een beslissing waarbij de Minister of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52, de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart. In overeenstemming met artikel 6313, § 1 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 bevestigt de Commissaris-generaal of één van zijn adjuncten de aangevochten beslissing of beslist dat een verder onderzoek noodzakelijk is. Artikel 6213 van de Vreemdelingenwet bepaalt niet uitdrukkelijk op welke gronden de Commissaris-generaal de bij dringend beroep, bij hem aanhangig gemaakte beslissing kan bevestigen, doch het is een kenmerk van een georganiseerd beroep dat door de beroepsinstantie zowel de opportuniteit als de rechtmatigheid van de bestreden beslissing kan worden onderzocht. Bijgevolg stelde de Raad, beschikte de Commissaris-generaal over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als de Dienst Vreemdelingenzaken en kon hij zich, bij het bevestigen van de beslissing steunen op de onontvankelijkheidsgronden voorzien in artikel 52 van de Vreemdelingenwet (R.v.St., nr. 98.758 van 10 september 2001). Verzoeker werpt op dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd en hij herhaalt de door hem beweerde problemen. Verweerder benadrukt dat het verzoekschrift zwijgt over de vastgestelde kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag. Deze vaststelling alleen is voldoende om te concluderen dat het verzoekschrift niet van die aard is de schorsing van de bestreden beslissing met zich mee te brengen. Verzoeker baseert zijn verweer louter op het ontkennen van de motieven zonder een ernstige poging te ondernemen om de motieven concreet te weerleggen of uit te leggen. De Raad van State oordeelde dat een dergelijk verweer niet dienstig is om de wettigheid van de motivering van de bestreden beslissing aan te vechten (R.v.St., nr. 118.489 van 18 april 2003). De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij aanvoert dat de Commissaris-generaal zich ertoe beperkt te stellen dat de door de verzoekende partij ingeroepen feiten niet vallen onder de criteria van de Vluchtelingenconventie en dat zij de door haar ingeroepen vrees niet rechtvaardigt; dat de Commissaris-generaal de motieven van de beslissing van de minister niet heeft onderzocht maar andere motieven heeft gebruikt om de asielaanvraag te verwerpen; dat dit machtsoverschrijding uitmaakt; XIV-19.927-8/11 2.2.4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing tot de conclusie komt dat er ten opzichte van de verzoekende partij geen ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, op grond van volgende motieven: - de verzoekende partij brengt onvoldoende elementen aan om aan te tonen dat zij in India vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie riskeert: zij stelde India te zijn ontvlucht omdat ze in haar geboortedorp door een criminele bende wordt geviseerd, en dat ze daarenboven valselijk beschuldigd is en wegens moord wordt opgespoord; - betreffende de moeilijkheden met de criminele bende rondom R. P. wordt opgemerkt dat deze geen vervolgingsdaden in de zin van de Vluchtelingenconventie uitmaken: de verzoekende partij verklaarde weliswaar dat deze crimineel goede connecties had met leden van diverse politieke partijen maar ze slaagt er niet in om aan te tonen dat het in haar regio van afkomst, uitgesloten was om gerechtelijke stappen tegen deze misdadiger te onderne- men; haar verklaring dat deze crimineel diverse keren gearresteerd werd en ondergedoken leeft is een aanwijzing dat de Indische autoriteiten wel degelijk bereid zijn om tegen hem op te treden; ondanks haar vergeefse pogingen om via de lokale en hogere politie klacht in te dienen tegen haar belager(
  4. s)dient te worden geconcludeerd dat ze onvoldoende inspanning ondernam om beroep te doen op de door de Indische overheid voorziene rechtsbescherming; haar verklaring dat ze in deze zaak naliet om een advocaat in te schakelen omdat ze er de tijd niet voor vond, is wat dit betreft een concrete aanwijzing; - zij slaagt er niet in om aannemelijk te maken dat ze vanwege R.P. criminele bende vervolging op nationaal vlak hoeft te vrezen.; ze gaf aan dat deze bende enkel actief is in de regio Haryana en Uttar Pradesh, zodat dient te worden geconcludeerd dat ze aan verdere problemen met deze misdadigers kon ontsnappen door elders in het land te verblijven en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen; het feit dat ze na haar vlucht uit haar geboortedorp aan verdere moeilijkheden met R. P. ontsnapte door afwisselend in Delhi, Rampur en Mogha te verblijven, is hiervan een illustratie; - haar bewering dat zij door de Indische autoriteiten van moord wordt verdacht, is louter op informatie van derden gebaseerd; in verband met deze beschuldiging van moord werd ze nooit rechtstreeks met de Indische autoriteiten geconfronteerd, werd ze nooit aangehouden XIV-19.927-9/11 en baseert ze deze bewering uitsluitend op informatie van een kennis; vermits deze kennis zich uitsluitend op een artikel uit een lokale krant baseert, dient te worden geconcludeerd dat de verzoekende partij onvoldoende elementen aanbrengt om aan te tonen dat zij door de politie daadwerkelijk van moord verdacht wordt en opgespoord wordt; - gesteld dat de politie van haar geboortestreek haar in verband met een moordonderzoek zou opsporen, dient te worden opgemerkt dat ze geen elementen aanbrengt die erop wijzen dat zulks tot vervolging op nationaal vlak leidde; het feit dat ze na haar vlucht uit haar geboortedorp op 5 maart 2002 tot en met 19 maart 2004 in India verbleef zonder hierbij directe moeilijkheden met de Indische autoriteiten te ondervinden, illustreert dat het mogelijk was om aan haar voorgehouden moeilijkheden met de lokale politie te ontsnappen door elders in het land te verblijven en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen; ook het feit dat ze onder haar eigen naam via Delhi India uitreisde en hierbij probleemloos de controle van de luchthavenautoriteiten doorstond, is een verdere aanwijzing dat ze in India niet op nationaal vlak wordt opgespoord; - het door haar neergelegde document (een kopie van een krantenartikel betreffende het lijk van een onbekende dat in maart 2002 voor haar kruidenierszaak werd aangetroffen) is niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen, temeer daar ze er niet in slaagt om haar identiteit aan te tonen; Overwegende dat uit deze opsomming blijkt dat de Commissaris- generaal uitdrukkelijk aangeeft waarom de door de verzoekende partij ingeroepen feiten niet vallen onder de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de motieven worden geconcreti- seerd en gestaafd door een aantal precieze voorbeelden; dat de verzoekende partij geen enkel van de motieven betwist; Overwegende dat, gelet op de devolutieve werking van het dringend beroep, de Commissaris-generaal niet is gebonden door de motieven van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat de Commissaris-generaal bij het behandelen van dit beroep de aanvraag in haar volledigheid, zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de opportuniteit, kon onderzoeken; dat de Commissaris-generaal, wanneer hij oordeelt in hoger beroep, over dezelfde beoordelingsbevoegdheid beschikt als die waarover de minister van Binnenlandse Zaken in eerste aanleg beschikt; dat niet wordt ingezien hoe de Commissaris-generaal zich in dit verband schuldig zou maken aan “machtsmisbruik”; dat van machtsafwending slechts sprake is wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid die haar bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel, én dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de betrokken handeling is; dat wie machtsafwending aanvoert, daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens moet aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd; dat de verzoekende partij de vermeende machtsafwending niet met concrete gegevens aantoont; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-19.927-10/11 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-19.927-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.