← België

Arrest 164425 - Dienst Vreemdelingenzaken - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.425 Rolnummer: A. 154426/XIV-20327 Zaak: Arrest 164425 - Dienst Vreemdelingenzaken - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 08:08 Fiche Arrest nr 164.425 van 7 november 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.425 van 7 november 2006 in de zaak A. 154.426/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. VERLEYEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Hubert Frère-Orbanlaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 december 1979, van Nigeriaanse nationaliteit, op 3 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 juli 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 juli 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 13 juli 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-20.327-1/7 Gelet op de beschikking van 17 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 11 oktober 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VERLEYEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op 24 maart 2004 dient de verzoekende partij bij de burgemeester van de stad Antwerpen een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  4. De aanvraag wordt bij beslissing van 7 juli 2004 van de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Betreffende beslissing wordt aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 juli
  5. Deze beslissing, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen : De aangehaalde elementen vormen geen uitzonderlijke omstandigheid. Het feit dat betrokkene sedert juni 2002 in België verblijft, zijn land heeft verlaten omwille van problemen met zijn familie, de financiële middelen niet heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst, vormen geen buitengewone omstandigheden die het indienen van een aanvraag in België zou rechtvaardigen. Betrokkene hoeft geen contact op te nemen met zijn familie om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst. Indien betrokkene persoonlijk gevaar loopt in het land van herkomst, kan hij steeds een asielprocedure indienen. Het feit dat betrokkene de financiële middelen niet heeft om terug te keren naar land van herkomst, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid. Betrokkene kan beroep doen op verschillende hulporganisaties, o.a. IOM, om de terugreis mee te financieren. Bijgevolg dient betrokkene gevolg te geven aan het, bevel om het grondgebied te verlaten hem betekend op 21/03/
  6. (...).”.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-20.327-2/7 “Schending van art. 2 en 3 WET 29.7.1991 Eerste middel : geen juridische motivering Verzoeker heeft verwezen naar de bepalingen van de Omzendbrief van 19.2.2003 waarin duidelijk wordt gesteld dat de buitengewone omstandigheden, vereist opdat een verzoek ontvankelijk in België zou kunnen worden ingediend, onder andere vermoed worden aanwezig te zijn wanneer de aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf wordt ingediend tijdens het wettig verblijf van de aanvrager. Verzoeker motiveerde in zijn verzoek de toepassing van deze regel in die zin dat hij op 21.3.2004 bevel kreeg het grondgebied te verlaten uiterlijk op 26.3.
  8. Dit bevel betekende evenwel dat verzoeker wettig in België kon verblijven tot aan het aflopen van de gestelde termijn. Aangezien zijn aanvraag bij de Stad Gent werd ingediend op 25 maart 2004, geschiedde deze aanvraag tijdens het wettig verblijf van verzoeker. De verwerende partij is op dit juridisch argument NIET ingegaan, zodat de bestreden beslissing faalt in haarjuridische motivering. Evenmin heeft de verwerende partij standpunt ingenomen betreffende het argument van verzoeker dat hij zich in de juridische onmogelijkheid bevindt het bevel tot het verlaten van het grondgebied na te leven, nu hij daarvoor over een geldige reistitel dient te beschikken en hij daarover niet beschikt. Ook op dit punt faalt de motivering van de verwerende partij.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hieromtrent het volgende stelt: “Enig middel: ‘Geen juridische motivering.’ Verzoeker verwijt de overheid niet te zijn ingegaan op het juridische element dat hij zou hebben bijgebracht, met name dat de aanvraag om machtiging tot verblijf werd ingediend onder dekking van een bevel het grondgebied te verlaten en zo meent verzoeker - bijgevolg onder wettig verblijf. De verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat, een bevel het grondgebied te verlaten geen verblijfstitel is, doch in tegendeel de onwettigheid vaststelt van het verblijf en dat de termijn die wordt vermeld bedoeld is om betrokkene de nodige maatregelen te laten nemen om zijn vertrek voor te bereiden. Er kan dienvolgens geen sprake zijn van wettig verblijf onder het bevel het grondgebied te verlaten dat immers niet behoord tot de categorieën van verblijfstitels die de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aangeeft. De machtiging die aan een vreemdeling in buitengewone omstandigheden kan worden verleend om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, heeft eerst rechtsgevolgen vanaf het tijdstip waarop dergelijke machtiging wordt verleend. (Cassatie derde kamer, 19 maart 2001 A.J.T., 2000-01 - 926) Bijgevolg blijft de verblijfstoestand voor die datum illegaal en komt het verlenen van een verblijfsvergunning bij toepassing van artikel 9 niet neer op het intrekken jan dat bevel. Het middel is niet ernstig.”; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de verzoekende partij onder meer aanvoert dat de minister van Binnenlandse Zaken “evenmin (...) standpunt heeft ingenomen betreffende het argument van verzoeker dat hij zich in de juridische onmogelijkheid bevindt het bevel tot het verlaten van het grondgebied na te leven, nu hij daarvoor over een geldige reistitel dient te beschikken en hij daarover niet beschikt.”; XIV-20.327-3/7 2.2 Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze; dat het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
  10. Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kan rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; XIV-20.327-4/7 Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werd aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat de verzoekende partij XIV-20.327-5/7 ondermeer het feit inriep dat ze niet over een geldige reistitel beschikt om zich naar een ander land te begevenen zich aldus in de juridische onmogelijkheid bevindt België te verlaten om in Nigeria of elders de aanvraag te verrichten overeenkomstig artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing volgende motieven opgeeft: - het feit dat betrokkene sedert juni 2002 in België verblijft, zijn land heeft verlaten omwille van problemen met zijn familie, de financiële middelen niet heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst, vormen geen buitengewone omstandigheden die het indienen van een aanvraag in België zou rechtvaardigen; - betrokkene hoeft geen contact op te nemen met zijn familie om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst; - indien betrokkene persoonlijk gevaar loopt in het land van herkomst, kan hij steeds een asielprocedure indienen; - het feit dat betrokkene de financiële middelen niet heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst, kan niet aanzien worden als buitengewone omstandigheid; hij kan beroep doen op verschillende hulporganisaties, o.a. IOM, om de terugreis mee te financieren; Overwegende dat in de bestreden beslissing van 7 juli 2004 met geen woord wordt gerept over het door de verzoekende partij aangevoerde feit dat ze niet over een geldige reistitel beschikt om zich naar een ander land te begeven en zich aldus in de juridische onmogelijkheid bevindt België te verlaten om in Nigeria of elders de aanvraag te verrichten overeenkomstig artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet, laat staan dat er op enerlei wijze wordt gemotiveerd waarom met dit element geen rekening kon worden gehouden en het niet kon worden beschouwd als zijnde een buitengewone omstandigheid; dat uit de bestreden beslissing dienvolgens niet kan worden afgeleid dat de minister van Binnenlandse Zaken bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat bijgevolg de motiveringsverplichting werd geschonden, dat het eerste middel in die mate gegrond is, XIV-20.327-6/7 BESLUIT: Artikel
  11. Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 juli 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij, ter kennis gebracht op 20 juli
  12. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, De H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-20.327-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.425 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.