← België

Arrest 164430 - - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.430 Rolnummer: A. 150803/XIV-19320 Zaak: Arrest 164430 - - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 08:08 Fiche Arrest nr 164.430 van 7 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.430 van 7 november 2006 in de zaak A. 150.803/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. SEGERS, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 16 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 april 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 24 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.320-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEPOVERE, die loco advocaat S. SEGERS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 24 november 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 13 januari 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 15 maart 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "A. Vluchtrelaas U, een Oekraïns staatsburger, verklaart in Oekraïne problemen gekend te hebben omwille van uw homoseksuele geaardheid. U heeft op 20 november 2003 het land verlaten en bent op 23 november 2003 aangekomen in België, waar u op 24 november 2003 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat u reeds jarenlang last heeft van discriminatie omwille van uw geaardheid. U werd uitgelachen en bespot op straat en had problemen op het werk. U werd onder druk gezet om uw ontslag in te dienen en had problemen om nieuw werk te vinden. Uw kinderen begonnen het kontakt met u tot een minimum te beperken en wilden niet dat u nog langer naar oudervergaderingen ging op school. In september 2000 werd u op straat aangevallen door vier politiemannen. Toen u daarna naar de politie ging om klacht in te dienen en de nummerplaat noemde van de patrouillewagen waarmee de vier politiemannen reden, beweerde het hoofd van de patrouilledienst dat deze wagen op het moment van de aanval helemaal niet in de stad was. Bovendien zei deze politieofficier dat de homofobe houding van de politiemannen hun persoonlijke zaak was en dat hij hieraan niets kon veranderen. Ongeveer een jaar later werd u op straat beledigd door een bende tieners. U wou van hen weglopen, maar werd met een metalen voorwerp op het achterhoofd geslagen. Hierdoor is uw zicht aanzienlijk verslecht. B. Motivering Wat betreft de algemene pesterijen op straat en de problemen op de werkvloer dient opgemerkt te worden dat dit vormen zijn van algemene discriminatie die niet van die aard zijn dat zij kunnen beschouwd worden als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Verder dient opgemerkt te worden dat u slechts éénmaal problemen kende met de politie, en dit in
  4. In de jaren die volgden op dit ene incident ben u niet meer in aanraking gekomen met de politie. Bijgevolg kan niet gesteld worden dat u door de Oekraïnse autoriteiten op systematische wijze zou vervolgd zijn. U verklaart dat u nogmaals werd aangevallen op straat door gewone burgers. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde u dat dit gebeurde in de zomer van
  5. Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dat het voorval dateerde van ongeveer een jaar na de aanval door de politiemannen, m.a.w. rond september
  6. Wat betreft deze aanval door privé-personen heeft u geen stappen ondernomen om bescherming te zoeken bij de Oekraïnse autoriteiten. Bovendien gaat het ook hier om een geïsoleerd feit waaruit geen systematische vervolging kan geconcludeerd worden. Het is duidelijk dat dit feit voor u niet de directe aanleiding vormde van uw vertrek. U bleef immers nog tot in november 2003 in Oekraïne. De echte aanleiding voor u om Oekraïne te verlaten, was het feit dat u in september 2003 door de archiepiskop verzocht werd niet langer actief de Kerk te bezoeken. Ook dit feit kan hoogstens als discriminatie beschouwd worden en kan niet beschouwd worden als een actieve daad van vervolging in de zin van de Conventie van Genève van 28 juli
  7. Informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier) bevestigt trouwens dat er in Oekraïne weliswaar nog XIV-19.320-2/5 heel wat vormen van homofobie bestaan, maar dat er geen sprake meer kan zijn van massale vervolgingen, aanvallen en afpersingen van homoseksuelen. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. Het door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde document (kopie paspoort) bevestigt enkel uw identiteit en is niet van die aard dat het enige wijzigingen kan aanbrengen aan de hierboven vermelde vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Enig middel: schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 De bestreden beslissing stelt dat de incidenten van verzoeker onvoldoende zijn om van een systematische vervolging te kunnen spreken en de meeste van deze incidenten vormen van algemene discriminatie zijn die niet van die aard zijn om te worden beschouwd als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De bestreden beslissing lijkt hierbij echter uit het oog te zijn verloren dat de pesterijen, verwijten, bedreigingen en geweldplegingen omwille van de homoseksuele geaardheid van verzoeker en bijgevolg tot het behoren van een bepaalde groepering, 10 jaar onophoudelijk hebben voortgeduurd waardoor verzoeker op zijn vijfendertigste psychisch volledig leeg en gekraakt was. Bovendien kon verzoeker nergens bescherming of steun bekomen aangezien de overheidsdiensten, meer concreet de politie, weigerde om onderzoek te voeren naar klachten die door verzoeker werden geuit en zij evenmin wensten tussen te komen of preventief op te treden om eventuele toekomstige incidenten te vermijden. Integendeel werd verzoeker zelfs door leden van de politie uitgelachen, verweten en brachten ze hem slagen en verwondingen toe. Meer nog, bleef een klacht van verzoeker met betrekking tot dit incident onbeantwoord en nam de plaatselijk verantwoordelijke zijn ‘mannen’ in bescherming en deelde hij verzoeker mee niks voor hem te kunnen doen. Bijgevolg kan verzoeker moeilijk worden verweten dat hij wat betreft voornoemde aanval door een aantal jongeren, geen beroep heeft gedaan op de autoriteiten aangezien ze hem reeds duidelijk hadden gemaakt dat ze niet zouden tussenkomen en geen onderzoek zouden verrichten naar eventuele nieuwe gebeurtenissen. Daarnaast kan de redenering als zou er in Oekraïne geen sprake meer zijn van massale vervolgingen, aanvallen en afpersingen van homoseksuelen, moeilijk van veel ernst betuigen aangezien dit geenszins wil zeggen dat er geen individuele geweldplegingen en pesterijen meer plaatsvinden en evenmin aantoont dat homoseksualiteit zou worden aanvaard in Oekraïne zodat verzoeker zonder vrees zou kunnen terugkeren. Daarentegen komt de vrees van verzoeker als reëel over en is er geen enkele informatie die erop wijst dat op heden de situatie in Oekra7me aanzienlijk is gewijzigd. De motivering van de bestreden beslissing is derhalve volkomen onterecht, en vormt een schending van de art. 52 en 62 Vreemdelingenwet. Verzoeker is van mening dat het bovenvermelde middel ernstig is. Ten bewijze van de gestelde feiten legt verzoeker de genummerde en gebundelde stukken over, waarvan hieronder de inventaris wordt opgegeven.”; 2.
  9. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat XIV-19.320-3/5 uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat die motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt blijkt dat “er in Oekraïne weliswaar nog heel wat vormen van homofobie bestaan, maar dat er geen sprake meer kan zijn van massale vervolgingen, aanvallen en afpersingen van homoseksuelen”; dat de verzoekende partij hieromtrent zich louter beperkt tot de stelling dat “dit geenszins wil zeggen dat er geen individuele geweldplegingen en pesterijen meer plaatsvinden”, zonder concreet aan te tonen dat de informatie waarnaar de commissaris-generaal verwijst niet op haar individueel geval slaat; dat voorts het argument van de verzoekende partij dat het haar moeilijk kan worden verweten de aanval door een aantal jongeren niet te hebben aangeklaagd bij de autoriteiten, “aangezien (de)ze (autoriteiten haar) reeds duidelijk hadden gemaakt dat ze niet zouden tussenkomen en geen onderzoek zouden verrichten naar eventuele nieuwe gebeurtenissen”, niet kan worden bijgetreden; dat immers de commissaris-generaal omtrent de kwestieuze aanval een tegenstrijdigheid heeft vastgesteld in de verklaringen van de verzoekende partij, en dat de verzoekende partij geen enkele poging heeft ondernomen om deze tegenstrijdigheid te verklaren of te weerleggen; dat daarenboven de commissaris-generaal opmerkt dat het kwestieuze incident “niet de directe aanleiding vormde” voor de vlucht van de verzoekende partij, en dat laatstgenoemde dienaangaande geen enkele kritiek formuleert; dat de verzoekende partij zich in wezen beperkt tot het herhalen van haar eigen standpunt; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-19.320-4/5 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.320-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.