← België

Arrest 164437 - - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.437 Rolnummer: A. 151605/XIV-19541 Zaak: Arrest 164437 - - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 08:08 Fiche Arrest nr 164.437 van 7 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.437 van 7 november 2006 in de zaak A. 151.605/XIV-19.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat L. PEPERMANS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 7 mei 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.541-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. PEPERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de eerste verzoekende partij op 14 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 1/ van die wet; dat deze aanvraag eveneens de tweede verzoekende partij en hun kinderen betreft; dat het secretariaat van de commissie voor Regularisatie op 23 januari 2001 de aanvraag met een gunstig advies overzendt naar de minister van Binnenlandse Zaken; dat in dit advies wordt gesteld dat “de aanvraag beter behandeld kon worden op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22/12/1999" en dat “de vereisten van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 vervuld zijn”; dat de gemeente Beveren op 26 februari 2001 een brief met bijkomende stuken naar de commissie voor Regularisatie stuurt; dat de 2de Kamer van de commissie voor Regularisatie op 6 december 2001 een gunstig advies geeft betreffende de aanvraag van de verzoekende partij en haar gezin; dat dit advies de volgende overwegingen bevat : “Het dossier werd behandeld ter zitting van 20 februari
  5. Tijdens het beraad ontving de Commissie een schrijven van 26 februari 200~van de burgemeester van Beveren. Anderzijds werd het dossier opgevraagd voor een onderzoek naar een eventuele uitsluiting op grond van openbare orde (artikel 5 van de regularisatiewet). Dienvolgens bleek een nieuwe oproeping van de betrokkene noodzakelijk. Hij was aanwezig ter zitting van 27 november
  6. Uit de nota van het secretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend en dat de identiteit van de aanvragers kan vastgesteld worden, dat zij gekend zijn in de zin van de regularisatiewet en dat de aanwezigheid op 1 oktober 1999 kan worden aanvaard. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2, 10, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk: de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van drie jaar, rekening gehouden met de minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan. Asielprocedure 12/4/1995 DVZ: asielaanvraag en beslissing tot weigering van verblijf. 201611995 CGVS 1evestigende beslissing van weigering van verblijf 7/7/1995 : Verzoek tot regularisatie op grond van artikel 9 al 3 van de vreemdelingenwet, afgewezen op 81911995 1/9/1995 -. CGVS :Intrekking van de bevestigende beslissing 30/11/1995 -. CGVS: ontvankelijk en verder onderzoek noodzakelijk. 11/8/1997 : CGVS : niet erkend 5/1/1998 : VBC: niet erkend XIV-19.541-2/10 Op 9 april 1998 wordt opnieuw een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9§3 ingediend. Blijkens de gegevens van het DVZ-dossier werd geen bevel betekend o m het grondgebied te verlaten : Het immatriculatie-attest bleef verder maandelijks verlengd. Bijgevolg dient vastgesteld dat de vereiste gesteld in artikel 2,10 van de regularisatiewet is vervuld. In verband met het artikel 2, 4' van de wet dient vastgesteld te worden dat het gezin in ons land verblijft vanaf april 1995, hetzij gedurende bijna 5 jaar op het ogenblik van de aanvraag. De drie kinderen volgen de basisschool in Vrasepe. De aanvrager werkt via een interimkantoor bij Logisport als sorteerder sinds november 2000, en n.ii nog steeds. Bij schrijven van 26 februari 2001 vestigt de gemeente Beveren nochtans de aandacht van de Commissie op het verslag van het OCMW Beveren waaruit o.m. blijkt dat er regelmatig problemen zijn wegens niet betalen van huur, geluidoverlast, problemen met veelvuldig geparkeerde auto's, en dat betrokkenen nog steeds begeleiding nodig hebben voor eenvoudige zaken en nog een aantal schulden te vereffenen hebben. XXX komt regelmatig in aanraking met politie en rijkswacht. Wanneer hij met de gerechtelijke veroordelingen wordt geconfronteerd ontkent hij deze en hij reageert in het algemeen onverschillig of kwaad. De gemeente stelt een manifeste onwil tot:!ntegratie vast. Uit het uittreksel van het strafregister blijken inderdaad dat een 14-tal vonnissen door de politierechtbanken te Antwerpen, te St-Niklaas Waas en Dendermonde en door de correctionele rechtbank te Dendermonde werden uitgesproken in de periode april 1997 tot november
  7. Het betreft het besturen van een voertuig zonder geldig schouwingsbewijs, zonder verzekering, zonder rijbewijs, zonder toegekende nummerplaat, zonder inschrijving, alsmede dronken sturen, en herhaling van deze feiten. De Commissie komt nochtans tot het besluit dat de betrokkenen formeel beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 2, l' van de reguiarisatiewet, zodat een gunstig advies wordt uitgebracht.”; Overwegende dat op 2 maart 2004 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie van de verzoekende partijen verwerpt; dat dit de bestreden beslissing is, die luidt als volgt : “(...) Ik wens u op de hoogte te brengen van het feit dat ik beslist heb uw verzoek om uw verblijfstoestand te regulariseren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk niet in te willigen om de volgende redenen: Ik van oordeel dat u, in tegenstelling tot het advies gegeven door de Commissie tot Regularisatie van Verblijf, niet aan de voorwaarden voldoet die worden omschreven in artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.1, Artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999 bepaalt letterlijk dat : ‘1/ hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling (te) hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vierjaar; deze termijn wordt teruggebracht tot driejaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan;’. Uit de stukken waarover ik beschik blijkt dat u op 12 april 1995 uw asielaanvraag bij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ingediend. Uw aanvraag werd af~gesloten met een beslissing weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op 5 januari
  8. Hieruit blijkt dat de behandeling van uw asielaanvraag door de bevoegde instanties de wettelijke termijn (rekening houdende met het feit dat u lid bent van een gezin met minderjarige kinderen) voorzien in artikel 2,1 van de wet van 22 december 1999, niet heeft overschreden. Artikel 2,1/ van de wet van 22 december 1999 voorziet wat betreft het type van beslissing als enig criterium dat de regularisatieaanvrager nog geen ‘uitvoerbare beslissing’ inzake zijn asielaanvraag mag ontvangen hebben. Een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen betreffende een asielaanvraag is een uitvoerbare beslissing in de zin van artikel 2, l' van de wet van 22 december
  9. De Vreemdelingenwet voorziet immers in artikel 57/23 dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (Carlier, J.Y., Loi Relative á la régularisation des étrangers, JT., 22 janvier, 77-82). Het loutere feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken na de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen geen bevel om het grondgebied te verlaten nam, volstaat niet om te concluderen dat aan de termijnvereiste voorzien in artikel 2,1/ van de wet van 22 december 1999 wordt voldaan. Het ‘afleveren van het bevel om het XIV-19.541-3/10 grondgebied te verlaten’ wordt in artikel 2, 1/ van de wet van 22 december 1999 niet als criterium voorzien. Bovendien is in voorliggend geval een bevel om het grondgebied te verlaten niet meer dan een administratieve beslissing dewelke een louter gevolg is van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. Uit de aanvraag tot regularisatie door betrokkene ingediend op 14 januari 2000 blijkt dat deze zich enkel beroept op de categorieën voorzien in artikel 2, 1 van de wet van 22 december
  10. De betrokkene heeft zijn aanvraag niet ingediend op grond van artikel 2, 4 van de wet van 22 december
  11. Niettemin dient echter te worden opgemerkt dat uit het administratief dossier blijkt dat de Gemeente Beveren bij brief van 26 februari 2001 de aandacht van de Commissie tot Regularisatie heeft gevestigd op het feit dat er zich vanaf de komst van betrokkene en zijn gezin geregeld ernstige problemen voordeden. Zo wordt gemeld dat betrokkene en zijn gezin voor eenvoudige zaken als voor het betalen van huishuur, gas elektriciteit en schoolrekeningen begeleiding nodig heeft. Ook zou betrokkene regelmatig in aanraking zijn gekomen met het gerecht. Uit de stukken meegestuurd met de brief van 26 februari 2001 blijkt dat betrokkene meermaals werd veroordeeld door zowel de politierechtbank van Sint-Niklaas, Dendermonde als Antwerpen alsook door de correctionele rechtbank van Dendermonde. Het betreft allen veroordelingen voor de periode 1997-
  12. De Gemeente Beveren besluit met te stellen dat betrokkene een manifeste onwil tot integratie vertoont. Rekening houdende met hetgeen hiervoor wordt uiteengezet kan worden geconcludeerd dat betrokkene er noch in slaagt aan te tonen dat hij duurzame sociale bindingen in België heeft ontwikkeld, noch dat er in zijn hoofde humanitaire redenen aanwezig zijn die een toepassing van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 rechtvaardigen. Overeenkomstig artikel 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 beschikt u over een termijn van 30 dagen om bij de afdeling Administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en verzoek tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen deze beslissing.”; 2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede middel het volgende doen gelden: “Niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschrevenvormen; Schending van art.2en3vandeWetvan29juli1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; Schending van het algemeen principe van de motivering door een foute, gebrekkige motivering; Schending van de motiveringsplicht: bij afwijking van een niet-bindend advies en van in de praktijk aanvaarde beleidslijn, door af te wijken van haar eigen beleidslijn Overeenkomstig de Wet van 22.12.1999 werd de regularisatie-aanvraag van verzoekers in eerste instantie overgelegd aan het Onderzoekssecretariaat voor advies. Dit secretariaat maakte de aanvraag met een positief advies over aan de Minister, die het advies niet wenste te volgen en het dossier overmaakte aan de Commissie voor Regularisatie. De Commissie maakte de aanvraag opnieuw over aan de Minister met een (tweede) positief advies. De Minister beslist van dit advies af te wijken. Verzoekers verwijzen naar OPDEBEECK, I. Formele motivering, nrs. 196: ‘Wanneer het -inwinnen van een advies is voorgeschreven, is dit uiteraard omdat de regelgever het noodzakelijk vond dat de overheid terzake werd voorgelicht door deskundigen. De overheid kan dit advies dan ook niet negeren.’ Ook dergelijke niet-bindende adviezen zijn belangrijke onderdelen van de procedure - anders zou de regelgever ze niet voorschrijven - en de overheid mag dus niet doen alsof deze adviezen niet bestaan. Soms schrijft de toepasselijke regelgeving dan ook voor dat de overheid mag afwijken van een advies via een formeel gemotiveerde beslissing. Maar ook wanneer de specifieke regelgeving hierover niets vermeldt, is er uiteraard de wet Motivering Bestuurshandelingen. Wanneer de overheid zich niet aansluit bij het advies, neemt zij een niet voor de hand liggende beslissing en moet -in de formele motivering worden vermeld om welke redenen het advies niet wordt gevolgd. De motivering mag niet beperkt blijven tot een louter tegenspreken van het advies, maar moet duidelijk maken waarom de beslissende overheid meent de argumenten waarop het advies steunt niet te kunnen volgen. Uit de formele motivering moet dus blijken op grond van welke precieze, juiste en pertinente motieven zij afwijkt van het advies. De redenen waarom de overheid afwijkt van het advies moeten dus kenbaar zijn. Stijlformules zijn hierbij uit den boze.’ (OPDEBEECK, I., Formele Motivering, nr. 197) Volgens OPDEBEECK zijn er omstandigheden die leiden tot een strengere motiveringsplicht : ‘Zoals vermeld zal het van de concrete omstandigheden afhangen of een bepaalde motivering al dan niet ‘afdoende’ is. Toch kunnen enkele algemene gevallen worden XIV-19.541-4/10 omschreven waarin de motiveringsplicht strenger zal worden opgevat. Dit is met name het geval wanneer de overheid afwijkt van een niet-bindend advies, van een beleidslijn of een eerdere beslissing, of van de normale procedures, wanneer zij de argumenten ingeroepen door de bestuurde verwerpt of aan de bestuurde een uitzondering op de algemene regel toestaat; Wanneer zij, in geval van een discretionaire bevoegdheid, kiest voor de meest ingrijpende maatregel. Vooreerste zal de motiveringsplicht strenger zijn wanneer de overheid ... meer in het algemeen wanneer zij een niet voor de hand liggende beslissing neemt.’ Ten eerste is het zo dat de Minister in de bestreden afwijkt van een niet-bindend advies van de Tweede Kamer van de Commissie voor Regularisatie en aldus de formele motiveringsplicht strenger dient beoordeeld te worden. Ten tweede is het zo dat de Minister afwijkt van een beleidslijn van de Commissie voor Regularisatie (Proces-Verbaal van de Algemene Vergadering van de Kamers van de Regularisatiecommissie van 09.09.2000) door te stellen dat de uitvoerbare beslissing ingaat van de beslissing van de VBC, terwijl de Commissie in haar PV als beleidslijn het overschrijden van de termijn in het bevel als aanvangspunt van de uitvoerbare beslissing heeft aangenomen. Dat de Minister quasi altijd de gunstige adviezen van de Commissie voor Regularisatie gevolgd heeft. Dat de Minister onrechtstreeks dan ook quasi altijd de beleidslijn van de Commissie gevolgd heeft. ‘Een beslissing die afwijkt van een beleidslijn zal dan ook omstandig moeten worden gemotiveerd.’ 'Wanneer de overheid zijn zienswijze wijzigt in vergelijking met een eerdere nagenoeg identieke situatie, zal dit moeten worden verantwoord. Ten derde is het zo dat de Minister niet alleen afwijkt van de beleidslijn van de Commissie die hij telkenmale gevolgd is, maar hij ook afwijkt van zijn eerdere eigen beleidslijn, met name deze van verzoekers toe te laten tot legaal verblijf ook na de beslissing van de Vaste Beroepscommissie, en daarop nu door de bestreden beslissing 'op terug te komen'. De Minister stelt in de bestreden beslissing : ‘Uit de aanvraag tot regularisatie door betrokkene ingediend op 14 januari 2000 blijkt dat deze zich enkel beroept op de categorieën voorzien in artikel 2, 1 van de wet van 22 december
  14. De betrokkene heeft zijn aanvraag niet ingediend op grond van artikel 2, 4 van de wet van 22 december
  15. Niettemin dient te worden opgemerkt dat uit het administratiefdossier blijkt dat de gemeente Beveren bij brief van 26.02.2001 de aandacht van de Commissie voor Regularisatie gevestigd heeft op het feit dat er zich vanaf de komst van betrokkene en zijn gezin geregeld ernstige problemen voordeden. Zo wordt gemeld dat betrokkene en zijn gezin voor eenvoudige zaken als voor het betalen van huishuur, gas, elektriciteit en schoolrekeningen begeleiding nodig heeft. Ook zou betrokkene regelmatig in aanraking zijn gekomen met het gerecht. Uit de stukken meegestuurd met de brief van 26Jébruari 2001 blijkt dat betrokkene meermaals werd veroordeeld door zowel de politierechtbank van Sint Niklaas, Dendermonde als Antwerpen alsook door de correctionele rechtbank van Dendermonde. Het betreft allen veroordelingen voor de periode 1997-
  16. De gemeente Beveren besluit met te stellen dat betrokkene een manifeste onwil tot integratie vertoont. Rekening houdende met hetgeen hierover werd uiteengezet kan worden geconcludeerd dat betrokkene er noch in slaagt aan te tonen dat hij duurzame sociale bindingen in België heeft ontwikkeld, noch dat er in zijn hoofde humanitaire redenen aanwezig zijn die een toepassing van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 rechtvaardigen. ‘ Verzoekers stellen : De Minister heeft de motiveringsplicht geschonden door in zijn beslissing dd. 02.03.2004 als enige motivering inzake art. 2,4/ te verwijzen naar een schrijven van de Gemeente Beveren dd. 26.02.
  17. Immers - zo het beweerde gebrek aan duurzame sociale bindingen en aan humanitaire redenen al zou bestaan - dan is dit gebaseerd op de feiten van minstens 3 jaar eerder. Alleszins zijn integratie, duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen iets dat men verwerft door de jaren heen. Zelfs al zou het zo zijn geweest dat er geen integratie, geen duurzame sociale bindingen en geen humanitaire redenen waren op het tijdstip van het schrijven van de Gemeente Beveren, quod non, dan kunnen deze ondertussen 3 jaar later - na 9 jaar verblijf in België - wél bestaan. Verzoekers hebben op de korte tijd na kennisname van de bestreden beslissing 65 mensen bereid hebben gevonden om te getuigen dat zij wel degelijk geïntegreerd zijn en ‘van hen mogen blijven’. De beslissing dan ook niet afdoende gemotiveerd is door enkel het aanhalen en citeren van oude vage ‘feiten’ vermeld in een schrijven van 3 jaar eerder. De Minister heeft de motiveringsplicht tevens geschonden door verwijzing naar het (oude) schrijven van de Gemeente Beveren, en door daarbij wat vage, onprecieze zaken aan te halen zoals ‘dat er zich vanaf de aankomst van betrokkene en zijn gezin geregeld ernstige problemen voordeden.’ Aan de motiveringsplicht is niet voldaan door de enkele vermelding van ‘geregelde ernstige problemen’. Er wordt niet omschreven wat deze ernstige problemen zouden inhouden, en voor wie zij een probleem zouden vormen, met welke regelmaat deze zich zouden voordoen, XIV-19.541-5/10 wie juist de problemen veroorzaakt heeft (verzoeker en zijn gezin?, ook de kinderen ?, ook de echtgenote ?)... De motivering is dan ook te vaag. In de volgende zin volgt klaarblijkelijk een voorbeeld van de ‘ernstige problemen’ : ‘Zo wordt gemeld dat betrokkene en zijn gezin voor eenvoudige zaken als voor het betalen van huishuur, gas, elektriciteit en schoolrekeningen begeleiding nodig heeft.’ Verzoekers menen niet dat met hoger vermelde zinsnede op afdoende wijze gemotiveerd wordt waarom verzoekers ernstige problemen zouden veroorzaken in de Gemeente Beveren. Het kan verzoekers onmogelijk verweten worden dat zij zich laten omringen door bereidwillige en bekwame mensen, die hen bijstaan in het dagelijks leven. Het gaat niet om een familie die misbruik wil maken van het systeem en enkel afwacht tot hun zaken voor hen afgehandeld worden. Ze willen actief participeren in onze samenleving en worden daarin gesteund door Belgen die hen louter uit sympathie daarbij helpen. Zoals elke vreemdeling dienen zij daar, in den beginne toch, bij geholpen te worden. De bestreden beslissing is verder als volgt gemotiveerd : ‘Ook zou betrokkene regelmatig in aanraking komen met het gerecht...’ Dat ook hier de motivering vaag en onnauwkeurig is, en niet gespecifieerd wordt waardoor verzoekers niet in aanmerking zouden komen op grond van art. 2,4/. Dat overigens uit de bestreden beslissing blijkt dat : 'Het betreffen alle veroordelingen voor de periode 1997-2000' Dat het alleszins niet zo is, dat de Minister verzoekers uitsluiten uit de regularisatieprocedure op grond van artikel 5 van de wet van 22.12.
  18. De bestreden beslissing vermeldt dat ‘betrokkene meermaals werd veroordeeld zowel door de politierechtbank van Sint-Niklaas, Dendermonde als Antwerpen, alsook door de Correctionele Rechtbank van Dendermonde.’ De Minister gaat niet in op het feit dat de betrokken veroordelingen - zoals terecht gesteld in het advies van de Commissie voor Regularisatie - allen verkeersovertredingen betreffen. Het is uiteraard van belang om te weten over welke veroordelingen, voor welke feiten en welke de tenlasteleggingen en welke de straffen zijn om eventueel - goed gemotiveerd - te kunnen besluiten dat er manifeste onwil tot integratie en dergelijke zou zijn. Dat de bestreden beslissing aldus vaag blijft en niet afdoende werd gemotiveerd. Op geen enkele wijze wordt echter gemotiveerd hoe deze, zij het talloze, verkeersinbreuken verzoeker zouden belet hebben om duurzame sociale bindingen te ontwikkelen of in zijnen hoofde humanitaire redenen te hebben. Dat ook hier de bestreden beslissing niet volledig, en niet afdoende gemotiveerd werd. Op geen enkele wijze wordt aangetoond in de bestreden beslissing hoe de verkeersinbreuken de ‘manifeste onwil tot integratie’ zouden aantonen. De niet nader uiteengezette ‘manifeste onwil tot integratie wordt enkel genoteerd wordt als zogenaamd besluit van de Gemeente Beveren, maar ook zonder te stellen waaruit die manifeste onwil tot integratie zou bestaan. Dat de bestreden beslissing ook hier niet afdoende gemotiveerd werd. Ook werden in de motivering geen enkel belang gehecht aan alle positieve elementen die werden aangehaald in het regularisatieverzoek, en goed bevonden door het onderzoekssecretariaat en door de Commissie voor Regularisatie. Aldus werd volgens de minister al deze elementen weerlegd door dit ene bewuste schrijven van de Gemeente Beveren. Er werd geen rekening gehouden met de inhoud van de stukken dewelke door verzoekers werden neergelegd ter zitting. Verzoekers hebben immers nog 14 stukken neergelegd betreffende het schoollopen van de kinderen van verzoekers, betreffende de medische toestand van verzoekster, betreffende de schuldaflossingen, betreffende de tewerkstelling van verzoeker bij Logisport en zijn inkomen. Al deze stukken wijzen op integratie, duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen (zij kunnen dat alles toch zomaar niet achterlaten) in België en met de Belgische bevolking. De motivering gaat hieraan in zijn geheel voorbij, terwijl deze elementen toch fundamenteel van aard zijn. Zoals hoger gesteld dient de motiveringsverplichting van de Minister in casu, nu hij afwijkt van een gunstig advies, nog strenger worden beoordeeld dan in een andere beslissing waar geen advies aan vooraf is gegaan. De motiveringsverplichting werd aldus ernstig geschonden. De bestreden beslissing is daarenboven niet volledig gemotiveerd daar zij geen rekening houdt met de afkomst van verzoeker, namelijk Roma uit Kosovo. De Minister heeft alleszins kennis van dit gegeven. De regularisatie-aanvraag was gegrond op de lange asielprocedure en verzoeker heeft bij zijn asielaanvraag zijn Roma-afkomst gemeld. Verzoeker verwijst naar de bevestigende beslissing van het CGVS dd. 20.06.1995 waarin uitdrukkelijk vermeld staat dat verzoeker Roma is. Voorzover als nodig verwijst verzoeker naar het aftest van PICO. De bestreden beslissing heeft alleszins geen rekening houdt met de onverwijderbaarheid van verzoeker als Roma-zigeuner uit Kosovo. Tot op de dag van vandaag worden in de beslissingen van het CGVS niet verwijderingsclausules opgenomen betreffende Roma's. XIV-19.541-6/10 Verzoekers verwijzen naar de UNHCR Position on the Continued Protection Needs of lndividuals from Kosovo van januari 2003 en naar de fact-finding missie van de Raad van Europa dd. 28.03.2003 ‘Roma returnees to Serbia and Montenegro. Whose responsebility ?’' waarin de heer Alan Phillips benadrukt dat Roma die afkomstig zijn van Kosovo niet mogen gerepatrieerd worden naar Kosovo en dat er blijvende bescherming moet geboden worden volgens de regels van het UNHCR. Voorts menen verzoekers dat de motiveringsverplichting geschonden werd doordat de Minister zonder geldige motieven afwijkt van zijn standpunt verwoord in de parlementaire voorbereidingen (DOC 50 0234/005, pg. 61): ‘De Minister heeft bevestigd dat een feitelijk verblijf van 5 of 6 jaar in het land een sterk en determinerend vermoeden van een duurzame sociale band vormt.’ Verzoekers verbleven op het ogenblik van de regularisatieaanvraag niet alleen reeds vijf jaar feitelijk, maar zij verbleven zelfs legaal in ons land. De bestreden beslissing is dan ook tegenstrijdig is met het standpunt dat de Minister inzake duurzame sociale bindingen tijdens de parlementaire voorbereidingen heeft ingenomen. De Minister wijkt af van een door hem genomen beleidslijn, met name het aanvaard hebben dat feitelijk verblijf van 5 of 6 jaar een sterk én determinerend vermoeden van duurzame sociale band vormt. De bestreden beslissing rept met geen woord over verzoekster en de drie minderjarige kinderen die na 9 jaar verblijf wel degelijk geïntegreerd zijn en geen strafblad hebben (behalve dan daar waar hij spreekt over niet-nadergenoemde "ernstige problemen" van verzoeker en zijn gezin. Nochtans stelt het advies van de Commissie voor Regularisatie nadrukkelijk het volgende vast: ‘In verband met art. 2,4/ van de Wet dient vastgesteld te worden dat het gezin in ons land verblijft vanaf april 1995, hetzij gedurende bijna 5 jaar op het ogenblik van de aanvraag. De drie kinderen volgen de basisschool in Vrasene. De aanvrager werkt via een interimkantoor bij Logisport als sorteerder sinds november 2000, en nu nog steeds.’ Inderdaad gaan de kinderen alledrie sinds jonge leeftijd in België naar school en zulks tot op heden. Zij zijn volledig aangepast zijn aan ons schoolsysteem, aan onze Belgische gewoonten en spreken de Nederlandse taal. Ook thuis wordt overigens enkel Nederlands gesproken. Verzoekster spreekt tevens de Nederlands en heeft vele contacten heeft met de Belgische bevolking, ondermeer met de scholen van de kinderen, o.m. heeft zij een goede band met de voormalige schooldirectrice van Vrasene... Vele mensen werden op korte tijd bereid gevonden hierover te getuigen. De motivering is dan ook onvolledig is; De formele motiveringsplicht werd geschonden door slechts rekening te houden met bepaalde elementen (niet nadergenoemde ernstige problemen, niet nader uiteengezette manifeste onwil tot integratie, niet nadergenoemde veroordelingen van verzoeker) en niet met andere fundamentele elementen (de onbetwistbare integratie, duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen in hoofde van het gezin, met name minstens de kinderen en de echtgenote van verzoeker en het intussen 9 jaar lange legale verblijf van verzoekers). Alleszins moeten als fundamenteel element in deze regularisatieaanvraag de integratie van de 3 kinderen en de echtgenote en hun 9 jaar lange legale verblijf weerhouden worden, elementen waarmee in de motivering geen rekening werden gehouden. De motiveringsverplichting werd dan ook, overeenkomstig hogervermelde bepalingen, ernstig geschonden.”; 2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook “van het algemeen principe van de motivering door een foute, gebrekkige motivering”; dat zij onder meer kritiek uiten op het onderzoek van de aanvraag tot regularisatie op basis van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet en de daarbij door de minister gehanteerde motivering om hen op basis van voormeld artikel niet te regulariseren; dat de verzoekende partijen onder punt 3.4 van het middel stellen dat de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt doordat de minister bij de beoordeling van het voorhanden zijn van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen alleen rekening houdt met een brief van de gemeente Beveren van 26 februari 2001; dat volgens de verzoekende partijen de motivering “in zijn geheel voorbij” gaat aan de inhoud van de door hen aan de commissie voor Regularisatie voorgelegde stukken; dat deze veertien XIV-19.541-7/10 stukken schoolattesten van de drie kinderen, medische attesten van de tweede verzoekende partij, stukken betreffende schuldaflossingen, en stukken betreffende de tewerkstelling van de eerste verzoekende partij omvatten; dat de verzoekende partijen betogen dat al deze stukken “op integratie, duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen” wijzen; Overwegende dat de verzoekende partijen onder punt 3.7 van het middel kritiek uiten op het feit dat de bestreden beslissing “met geen woord rept over verzoekster en de drie minderjarige kinderen die na 9 jaar verblijf wel degelijk geïntegreerd zijn (...)”; dat volgens de verzoekende partijen “de formele motiveringsplicht (werd) geschonden door slechts rekening te houden met bepaalde elementen (niet nader genoemde ernstige problemen, niet nader uiteengezette manifeste onwil tot integratie, niet nader genoemde veroordelingen van verzoeker) en niet met andere fundamentele elementen (de onbetwistbare integratie, duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen in hoofde van het gezin, met name minstens de kinderen en de echtgenote van verzoeker en het intussen 9 jaar lange legale verblijf van verzoekers)”; dat zij betogen dat nochtans uit de motivering van de bestreden beslissing moet blijken dat met het “fundamenteel element (...) (als) de integratie van de 3 kinderen en de echtgenote en hun 9 jaar lange legale verblijf” rekening werd gehouden; Overwegende dat in de motivering van de bestreden beslissing wordt aangegeven dat uit de aanvraag tot regularisatie blijkt dat de aanvrager, de eerste verzoekende partij, “zich enkel beroept op de categorieën voorzien in artikel 2, 1 van de wet van 22 december 1999" en dat de aanvraag niet werd ingediend “op grond van artikel 2, 4 van de wet van 22 december 1999"; Overwegende dat de Regularisatiewet niet verbiedt dat de aanvraag wordt gewijzigd of uitgebreid; dat uit het gunstig advies van het secretariaat van de commissie voor Regularisatie blijkt dat het secretariaat de aanvraag heeft uitgebreid naar artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet; dat dit eveneens blijkt, hoewel niet expliciet, uit het proces-verbaal van de zitting van de Commissie van 27 november 2001 en uit het gunstig advies van de 2de Kamer van de Commissie; dat bijgevolg de Minister de aanvraag eveneens vanuit dit criterium diende te beoordelen; Overwegende dat uit de aanvraag van de eerste verzoekende partij blijkt dat deze eveneens werd ingediend voor haar echtgenote en hun drie minderjarige kinderen; dat uit het advies blijkt dat de Commissie, met betrekking tot de toepassing van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, kennis heeft genomen van de neergelegde stukken betreffende het schoolgaan van de kinderen en de tewerkstelling van de eerste verzoekende partij en van de brief van de gemeente Beveren van 26 februari 2001; dat zij daarover evenwel geen uitspraak meer heeft gedaan aangezien zij een gunstig advies “betreffende de aanvraag van XXX en zijn echtgenote XXX, alsmede voor de kinderen XIV-19.541-8/10 R. A., B. en V.” verleende op basis van het artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet omdat de eerste verzoekende partij en haar gezin “formeel beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 2, 1/ van de regularisatiewet”; Overwegende dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken bij het nagaan van het al dan niet voorhanden zijn van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen louter verwijst naar de inhoud van en de stukken gevoegd bij de brief van de gemeente Beveren van 26 februari 2001; dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt dat rekening werd gehouden met de door de verzoekende partijen aan de Commissie voorgelegde stukken, met name de schoolattesten van de drie kinderen, de medische attesten van de tweede verzoekende partij, de stukken betreffende de schuldaflossingen en de stukken betreffende de tewerkstelling van de eerste verzoekende partij; dat ook geen enkele melding wordt gemaakt van het lange verblijf van de verzoekende partijen en hun kinderen in België, een verblijf waarbij het attest van immatriculatie tot op 26 april 2004 steeds zou zijn verlengd niettegenstaande de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie van 5 januari 1998; dat evenmin enige specifieke vermelding wordt gemaakt met betrekking tot de integratie van de tweede verzoekende partij en de drie kinderen, terwijl de 2de Kamer van de commissie voor Regularisatie ook ten opzichte van hen specifiek een gunstig advies verleende; Overwegende dat een administratieve beslissing in rechte en in feite dient te worden gemotiveerd; dat deze motivering afdoende moet zijn; dat, hoewel de minister niet in extenso hoefde te antwoorden op alle door de verzoekende partijen ingeroepen argumenten of aangebrachte stukken, uit de bestreden beslissing moet blijken dat die argumentatie en stukken in de besluitvorming werd betrokken en uit de motivering van de beslissing moet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten en de stukken in het algemeen niet werden aanvaard; dat dit des te meer geldt wanneer de minister wenst af te wijken van een gunstig advies en meer nog wanneer de Commissie een gunstig advies heeft verleend op basis van één criterium zonder zich uit te spreken over het andere criterium; dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt dat de verzoekende partij alle relevante gegevens van de zaak en de verschillende gronden van de regularisatieaanvraag heeft onderzocht; dat aldus minstens de formele motiveringsplicht is geschonden; dat het tweede middel in die mate gegrond is en dat die vaststelling volstaat voor de nietigverklaring van de bestreden beslissing;
  20. Overwegende dat de bestreden beslissing wordt vernietigd; dat derhalve de vordering tot schorsing zonder voorwerp is geworden, BESLUIT: XIV-19.541-9/10 Artikel
  21. Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 maart 2004 tot weigering van regularisatie. Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.541-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.