← België

Arrest 164445 - - 07/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.445 Rolnummer: A. 174860/XII-4818 Zaak: Arrest 164445 - - 07/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 08:09 Fiche Arrest nr 164.445 van 7 november 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.445 van 7 november 2006 in de zaak A. 174.860/XII-

  1. In zake : Daniëlle HENDRICKX, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Socquet, kantoor houdende te Tervuren, Merenstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Daniëlle Hendrickx op 13 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 12 mei 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven om haar eindevaluatie “ongunstig” te behouden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor verzoekster, en van advocaat D. Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-4818-1/7 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat verzoekster, assistent-dienstleider in de bibliotheek van de stad Leuven, op 18 maart 2005 in het kader van de periodieke evaluatie ongunstig geëvalueerd wordt voor het jaar 2004; dat haar op 17 maart 2006 ook voor het jaar 2005 de evaluatie “ongunstig” wordt gegeven; dat zij met een brief van 12 april 2006 tegen de ongunstige evaluatie beroep instelt bij het college van burgemeester en schepenen; dat met een schrijven van 20 april 2006 aan verzoekster wordt meegedeeld dat zij op 3 mei 2006 door de evaluatiecommissie zal worden gehoord, dat dan de evaluatiecommissie binnen dertig kalenderdagen advies zal uitbrengen aan het college en dat vervolgens het college zich binnen dertig dagen na ontvangst van het advies over het beroep zal uitspreken bij een met redenen omkleed besluit; dat op 3 mei 2006 de evaluatiecommissie verzoekster hoort en in een gemotiveerd advies voorstelt de beoordeling “ongunstig” te handhaven; dat op 12 mei 2006 het college van burgemeester en schepenen van het advies kennis neemt en beslist om het advies van de evaluatiecommissie te volgen; dat met een schrijven van 16 mei 2006 aan verzoekster wordt meegedeeld : “Het college (beroepsorgaan) nam kennis van het advies van 3 mei 2006 van de evaluatiecommissie over uw beroep tegen de periodieke evaluatie. Het college besliste op 12 mei 2006 om het advies van de evaluatiecommissie te volgen, namelijk om de eindevaluatie ‘ongunstig’ te behouden”;
  4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  5. Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoekster in een enig middel uiteenzet dat de bestreden beslissing op grond van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 81 van het administratief statuut formeel gemotiveerd moest zijn, dat de beslissing daar manifest niet aan voldeed, dat de XII-4818-2/7 verwijzing naar het advies van de evaluatiecommissie dit niet verhelpt “aangezien verzoekende partij geen kennis heeft van het advies en dus zelfs niet kan nagaan of dit advies afdoende gemotiveerd is en de bezwaren van verzoekende partij tegen de ongunstige evaluatie weerlegt”, dat zij zodoende “‘blind’ gehouden [wordt], terwijl de Wet Motivering Bestuurshandelingen precies tot doel heeft ‘blinde’ beroepen te vermijden”; Overwegende dat, in de nota, verwerende partij aangaande de schending van de formele-motiveringsplicht in de eerste plaats doet gelden dat verzoekster zich ten onrechte op de wet van 29 juli 1991 beroept en de schending van artikel 81 van het personeelstatuut had dienen in te roepen; dat zij voorts in essentie betoogt dat verzoekster “perfect tijdig kennis [had] kunnen nemen van de inhoud van het advies van de evaluatiecommissie”, dat zij “uiteraard onmiddellijk” een afschrift van het advies zou hebben verkregen indien zij er om gevraagd had, en dat het niet ernstig is om ruim vijftig dagen na de formele mededeling van de beslissing voor te houden dat zij “geen kennis kon hebben of had van het advies van de evaluatiecommissie”; dat verwerende partij finaal stelt : “Verzoekster heeft zich dientengevolge geenszins ‘blind’ tot uw Raad dienen te wenden, doch beschikte (was hiertoe alleszins in de mogelijkheid) over de vereiste gegevens om met kennis van zaken een annulatieberoep in te leiden”; 3.
  6. Overwegende dat luidens artikel 3, eerste lid, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat artikel 81, eerste lid, van het administratief statuut van verwerende partij inzake de evaluatie voorschrijft dat het college van burgemeester en schepenen zich over het regelmatig ingesteld beroep uitspreekt “bij een met redenen omkleed besluit”; dat volgens de verwerende partij dit voorschrift geen minder strenge verplichtingen oplegt dan de wet van 29 juli 1991, zodat de wet -vanwege het artikel 6 ervan- niet van toepassing is; dat dit voor de oplossing van de zaak zonder belang lijkt; dat namelijk verzoekster zowel de schending van de wet van 29 juli 1991 áls de schending van genoemd artikel 81 aanvoert; Overwegende dat de formele-motiveringsverplichting ertoe strekt om de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij, ten aanzien van die motieven, in staat is om met kennis van zaken voor zijn rechten op te komen; dat dit, concreet, betekent dat verzoekster uit de bestreden XII-4818-3/7 beslissing moet kunnen opmaken waarom haar eindevaluatie “ongunstig” behouden werd en waarom dus haar verweer ertegen verworpen is geworden; Overwegende dat daaraan niet voldaan lijkt; dat de motivering van de beslissing beperkt blijft tot een verwijzing naar het, zonder meer bijgevallen, advies van de evaluatiecommissie; dat, in overeenstemming hiermee, ook de kennisgeving van de beslissing aan verzoekster alleen de mededeling inhoudt dat het college bij de eindevaluatie “ongunstig” blijft, het advies van de evaluatiecommissie achterna; Overwegende dat niet betwist is dat verzoekster het advies van 3 mei 2006 van de evaluatiecommissie niet kende alvorens zij de besproken vordering instelde; dat zij het volgens de verwerende partij echter wel gekend kón hebben als zij er om gevraagd had; dat dit op het eerste gezicht kennelijk niet ter zake doet; dat de formele-motiveringsplicht verzoekster net garandeert dat ze de motieven in de beslissing zelf kan lezen; dat het dan ook de negatie van die verplichting lijkt om van haar te verlangen dat ze na de betekening van de beslissing en dus reeds lopende de termijn onder meer voor het instellen van een vordering tot schorsing of vernietiging, naar voormeld advies op zoek gaat; Overwegende dat het middel ernstig is; 4.
  7. Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoekster wezenlijk een moeilijk te herstellen en ernstige “stresserende en moreel belastende toestand” aanvoert; dat zij toelicht dat zij door de bestreden beslissing niet alleen ongunstig geëvalueerd wordt, maar ook definitief ongeschikt wordt geacht voor de verdere uitoefening van haar functie, dat zij sinds 1974 in dienst is van de stad, dat zij sinds 1985 voltijds medewerker in de stadsbibliotheek is, dat zij nu op 53-jarige leeftijd dus definitief ongeschikt wordt geacht voor de verdere uitoefening van haar functie, dat dit haar zodanig traumatiseert dat ze ziek is geworden, dat ze dreigt ontslagen te worden als ze niet kan worden tewerkgesteld in een andere functie van een gelijke of een lagere graad, dat zij reeds zeer zwaar lijdt door het einde van haar functie en dat het dreigend ontslag en de paniek omtrent haar toekomstige materiële toestand de psychische druk alleen maar doen toenemen; Overwegende dat, in de nota, verwerende partij antwoordt, samengevat, dat een moreel nadeel in beginsel hersteld kan worden door een annulatiearrest, dat het “niet zo onlogisch” is dat verzoekster “enige ‘stress’” ondervindt, maar zulks geen moreel nadeel, laat staan een onherstelbaar moreel nadeel XII-4818-4/7 aantoont, dat zij blijkbaar datzelfde moreel nadeel niet heeft ondervonden bij haar ongunstige evaluatie voor 2004, dat zij in haar verzoekschrift de evaluatie niet “op inhoudelijk vlak” aanvecht, dat zij niet aantoont op welke wijze de samenwerking met haar collega’s bemoeilijkt of onmogelijk wordt, noch dat zij niet meer in de mogelijkheid zou zijn “om haar job -ditmaal- naar behoren uit te oefenen”, dat haar ontslag niet uit de bestreden beslissing zelf voortvloeit, maar uit een andere, toekomstige beslissing die, áls ze al genomen zou worden, alsdan bestreden zal kunnen worden; 4.
  8. Overwegende dat de bestreden beslissing verzoekster voor de tweede opeenvolgende keer de periodieke evaluatie “ongunstig” toebedeelt; dat artikel 72, vierde lid, van het administratief statuut in dat verband bepaalt : “Na twee opeenvolgende periodieke evaluatieresultaten ‘ongunstig’ wordt het personeelslid definitief ongeschikt geacht voor de uitoefening van zijn functie. Als dit personeelslid niet kan tewerkgesteld worden in een andere functie van een gelijke of een lagere graad, kan een einde worden gesteld aan de tewerkstelling bij de stad”; Overwegende dat, anders dan de ongunstige evaluatie van 18 maart 2005, de evaluatie van 12 mei 2006 uitwijst dat verzoekster définitief ongeschikt is voor haar functie en er logischerwijze uit verwijderd moet worden; dat het besluit, begrijpelijk, voor verzoekster een zeer zware morele opdoffer is; dat de opmerking van verwerende partij dat verzoekster de evaluatie niet “op inhoudelijk vlak” bestrijdt, dat hoegenaamd niet tegenspreekt; dat de opmerking misplaatst is; dat, blijkens de bespreking van verzoeksters enig middel, in de huidige stand van de procedure immers moet worden aangenomen dat verzoekster de precieze inhoud of motieven van de evaluatie niet kent; dat het stigma van incompetentie dat de bestreden beslissing verzoekster doet oplopen, des te zwaarder om dragen is nu zij de betrokken functie reeds meer dan twintig jaar uitoefent; dat zij ten gevolge van de beslissing langdurig ziek is geworden; Overwegende, bovendien, dat verzoekster niet ten onrechte vreest om ten gevolge van de bestreden beslissing zelfs ontslagen te worden; dat in de nota weliswaar erop wordt gewezen, eensdeels, dat daarvoor tevens vereist zou zijn dat verzoekster niet in een andere functie van een gelijke of een lagere graad kan worden tewerkgesteld en, anderdeels, dat zelfs dan nog verwerende partij kan beslissen om verzoekster in dienst te houden; dat die uitleg de Raad van State er niet kan van weerhouden om het ontslag van verzoekster als een reële dreiging in te schatten en om haar vrees ervoor als een nadeel te aanzien dat voldoende direct uit de bestreden XII-4818-5/7 beslissing voortvloeit; dat op geen enkel moment verwerende partij er toe is kunnen komen om, al was het maar onder alle voorbehoud, tenminste één andere functie te noemen die aan verzoekster zou kunnen worden gegeven; dat er nochtans intussen, sinds de bestreden beslissing, al meerdere maanden verstreken zijn; dat, voor zoveel verwerende partij meent dat zij zich daarvan ontslagen mag achten zolang verzoeksters ziekte voortduurt, die zienswijze niet wordt gevolgd; dat verzoeksters ziekte geenszins een geldig excuus lijkt om de onzekerheid over een eventuele nieuwe functie voor haar te laten aanslepen, integendeel; dat ten slotte verwerende partij, ter terechtzitting uitdrukkelijk ondervraagd over de beweerde mogelijkheid om verzoekster voort in dienst te houden niettegenstaande haar definitieve ongeschiktheid voor de huidige functie én in de veronderstelling dat er geen andere functie van een gelijke of een lagere graad beschikbaar zou zijn, de Raad van State er niet van heeft kunnen overtuigen dat die mogelijkheid meer dan louter theorie is; Overwegende dat, al het voorgaande bij mekaar genomen, de impact van de bestreden beslissing op verzoekster van die aard is dat de beslissing geacht moet worden haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel te doen lijden;
  9. Overwegende dat de voorwaarden voor een schorsing vervuld zijn, BESLUIT: Artikel
  10. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 mei 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven om de eindevaluatie “ongunstig” van Daniëlle Hendrickx te behouden. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4818-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven november 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4818-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.445 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.