id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.526 Rolnummer: A. 116905/XII-4691 Zaak: Arrest 164526 - - 09/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 08:13 Fiche Arrest nr 164.526 van 9 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.526 van 9 november 2006 in de zaak A. 116.905/XII-
- In zake : de ALGEMENE CENTRALE DER OPENBARE DIENSTEN, met zetel te 1000 Brussel, Fontainasplein 9-11 tegen : de UNIVERSITEIT ANTWERPEN, voorheen de Universitaire Instelling Antwerpen, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD) op 15 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 januari 2002 van de raad van bestuur van de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) “houdende de wijziging van de modaliteiten waaronder de overdracht van het personeel van de dienst medische genetica van de UIA naar het UZA dient te gebeuren”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-4691-1/4 Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2006, op welke datum de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 17 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het, behalve wat de kosten betreft, eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat de ACOD een representatieve vakorganisatie is in de zin van artikel 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; dat hij de nietigverklaring vordert van een beslissing van 23 januari 2002 van de raad van bestuur van de UIA betreffende de wijze van overdracht van personeel aan het universitair ziekenhuis Antwerpen (UZA) omdat die een eerder genomen beslissing daaromtrent wijzigt zonder voorafgaande onderhandeling met de representatieve vakorganisaties, zodat zijn prerogatieven werden geschonden; dat hij daaromtrent één annulatiemiddel aanvoert, geput uit de schending van artikel 2, § 1, 1/, van de genoemde wet van 19 december 1974; Overwegende dat het UZA ten tijde van de bestreden beslissing niet over een eigen rechtspersoonlijkheid beschikte, maar deel uitmaakte van de Universitaire Instelling Antwerpen; dat ondertussen het UZA met ingang van 1 januari 2005 door de raad van bestuur van, thans, de Universiteit Antwerpen is “afgesplitst” van de Universiteit Antwerpen en dienvolgens krachtens artikel 9 van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, zoals vervangen bij decreet van 7 mei 2004, als “instelling zonder winstoogmerk” aparte rechtspersoonlijkheid heeft verworven; XII-4691-2/4 Overwegende dat de wijzigingen in de structuren van het UZA, volgens het auditoraatsverslag de vraag doet rijzen naar het voordeel dat verzoeker nog mag hopen te verkrijgen uit de gevorderde nietigverklaring; dat hij in het auditoraatsverslag wordt uitgenodigd daaromtrent nadere toelichting te verschaffen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie ter staving van zijn belang er aan herinnert dat hij op 16 maart 2005 bij het Arbitragehof een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend van het decreet van 7 mei 2004; dat hij er op wijst dat bij succes de oude situatie zal herleven, terwijl het hem evenmin uitgesloten lijkt dat het Arbitragehof tot de conclusie zou komen dat het UZA een openbare instelling is; dat, samengevat, verzoeker betoogt dat zijn belang “zal afhangen van het resultaat van de procedure die lopende is voor het Arbitragehof”; Overwegende dat de verzoekende partij in het bedoelde beroep voor het Arbitragehof liet gelden (Arbitragehof, arrest nr. 185/2005 van 7 december 2005, A.1.) : “dat zij belang heeft bij het beroep tot vernietiging, aangezien het bestreden decreet [van 7 mei 2004] met zich meebrengt dat zij geen bevoegdheden meer heeft in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : U.Z.A.). Tot vóór het bestreden decreet kon de verzoekende partij haar prerogatieven in het U.Z.A. uitoefenen via sectorcomité 10, in de zin van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; het U.Z.A. was immers een onderdeel van de Universiteit Antwerpen. Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en niet langer de wet van 19 december 1974 toepasselijk is”; Overwegende dat het Arbitragehof vervolgens, om het belang van verzoeker bij het annulatieberoep aan te nemen, in lijn met het eigen betoog van verzoeker heeft vastgesteld (Arbitragehof, arrest nr. 185/2005 van 7 december 2005, B.2.3.) : “Ten gevolge van het bestreden decreet krijgt het U.Z.A. een privaatrechtelijk karakter, waardoor niet langer de voormelde wet van 19 december 1974, maar de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités toepasselijk is”; Overwegende dat het beroep van verzoeker bij het arrest nr. 185/2005 door het Arbitragehof werd verworpen, zodat de “oude situatie” niet zal herleven; dat het Arbitragehof ook niet heeft geconcludeerd dat het UZA een XII-4691-3/4 openbare instelling is; dat dienvolgens geen van beide premissen zijn vervuld op grond waarvan verzoeker luidens zijn uiteenzetting in zijn laatste memorie had gehoopt nog een actueel belang bij het beroep te kunnen doen gelden; dat hij dan ook geen actueel belang meer aantoont; dat het beroep niet langer ontvankelijk is; dat er reden is, nu de onontvankelijkheid van het beroep het gevolg is van de beslissing van verwerende partij om het UZA af te splitsen, om de kosten van de zaak bij de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4691-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.