← België

Arrest 164592 - Examens (onderwijs) - 09/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.592 Rolnummer: A. 178175/XII-4910 Zaak: Arrest 164592 - Examens (onderwijs) - 09/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 08:21 Fiche Arrest nr 164.592 van 9 november 2006 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.592 van 9 november 2006 in de zaak A. 178.175/XII-

  1. In zake : Aislinn PARMENTIER, die woonplaats kiest bij advocaat J. Deridder, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A tegen : de VZW SINT-GABRIËL-COLLEGE. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Aislinn Parmentier, vertegenwoor- digd door haar ouders Paul Parmentier en AnnVansina, op 30 oktober 2006 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 24 oktober 2006 waarbij de delibererende klassenraad 4 Economie-Talen van het Sint-Gabriëlcollege te Boechout haar een B-attest geeft met clausulering voor alle richtingen ASO; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2006, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Deridder, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat Ch. Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-4910-1\10 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  2. Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 162.923 van 28 september 2006 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing beveelt van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 september 2006 van de voorzitter van het schoolbestuur van het Sint-Gabriëlcollege om de over verzoekster delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen; Overwegende dat het schoolbestuur na kennisname van dit arrest de delibererende klassenraad opnieuw samenroept; Overwegende dat verzoekster momenteel als vrij leerling de lessen volgt in het vijfde jaar humane wetenschappen van het koninklijk atheneum te Mortsel; dat zij de delibererende klassenraad vraagt ook rekening te houden met de ondertussen door haar behaalde resultaten; Overwegende dat de delibererende klassenraad op 24 oktober 2006 met de thans bestreden beslissing bevestigt “dat Aislinn Parmentier een B-attest krijgt, met clausulering voor alle ASO-richtingen”; dat de delibererende klassenraad zijn motivering notuleert als volgt : “De delibererende klassenraad heeft opnieuw beraadslaagd ingevolge het arrest van de Raad van State, dd. 28 september 2006, ons betekend op 2 oktober 2006 (zie bijlage). De delibererende klassenraad heeft kennis genomen van de vragen die de ouders van Aislinn Parmentier langs de diverse kanalen (faxen, e-postberichten, al dan niet aangetekende brieven, memoranda, nota’s e.d.) rechtstreeks of via de raadslieden aan de diverse betrokkenen (directie, Interne Beroepscommissie, Schoolbestuur, Raad van State e.d.) gesteld hebben. De delibererende klassenraad beslist autonoom en is dus niet gebonden door de beslissingen van de delibererende klassenraden van de vroegere schooljaren. Hij kan hier echter wel rekening mee houden. Er wordt opgemerkt dat de beraadslaging op het einde van een 4de jaar ogenschijnlijk strenger is dan de voorgaande jaren. Het gaat dan ook niet alleen over een overgang van het 4de naar het 5de jaar, maar eveneens over een overgang van de 2de naar de 3de graad, de zogenaamde determinatiegraad. Bij zijn beraadslaging houdt de delibererende klassenraad niet alleen rekening met de naakte cijfers, maar ook met tal van andere elementen (zoals studiehou- ding, absorptievermogen, inzicht, het kunnen verwerken van grotere gehelen e.d.). Op deze zaken zal worden ingegaan. Een beslissing van de delibererende klassenraad is dus geen kwestie van zuivere wiskunde. De omstandigheden en het traject van iedere leerling is verschillend. Bijgevolg dient iedere leerling ook apart besproken en geëvalueerd te worden. Leerlingen gaan immers met elkaar niet in competitie. XII-4910-2\10 De (prospectieve) deliberatievraag betreft de vraag of de leerling het volgende (en welk volgend) jaar aankan of niet. De delibererende klassenraad hoort dit in eer en geweten uit te maken. Hij steunt zich hierbij op het volledige leerlingen- dossier en de jarenlange ervaring van de deelnemende leerkrachten. De delibererende klassenraad stelt vast dat de ouders van Aislinn in essentie een A-attest zonder meer, of een B-attest waarbij Humane Wetenschappen nog mogelijk blijft, vragen. De delibererende klassenraad merkt daarbij op dat de ouders met hun vraag voorbijgaan aan een belangrijke evolutie in het onderwijs. De richting Humane Wetenschappen van nu mag niet vergeleken worden met de richting Menswetenschappen van weleer (cfr. publicaties van DOVO-departement onderwijs en het VVKSO). Menswetenschappen was een richting die als typevoorbeeld gold voor de laatste stap van het watervalsysteem binnen het ASO. Door de oprichting van de richting Humane Wetenschappen wilden zowel het departement Onderwijs als het VVKSO van het negatieve imago van Menswetenschappen af door de naam van de richting te veranderen, het niveau van de nieuwe richting te verhogen en de inhoud van de vakken aan te passen. Bijgevolg is Humane Wetenschappen een volwaardige ASO-richting geworden. Bijgevolg is de eerste vraag die (prospectief) dient gesteld te worden of de leerling ASO aankan. In tweede orde volgt dan de vraag of de leerling de diverse andere ASO-richtingen (waaronder Humane Wetenschappen) aankan. Het Sint-Gabriëlcollege heeft zich bij de start van Humane Wetenschappen op 1 september 2005 achter deze visie geschaard. Het wil dan ook waken over het ASO-niveau van de opleiding. Dit blijkt ook uit de evaluatie en deliberatie van de bestaande klassen Humane Wetenschappen op het college. Deze richting wordt m.a.w. dus niet als de laagste trap op de ASO-ladder beschouwd. De delibererende klassenraad is van oordeel dat Aislinn te zwak geacht wordt om een 5de jaar ASO aan te kunnen. Dit blijkt uit het globale resultaat, dat behoorlijk zwak is (57 %). Niet alleen zijn er op jaarbasis tekorten (Frans (49 %) en godsdienst (45 %)), maar ook nog diverse zwakkere resultaten (biologie (54 %), chemie (56 %), Duits (51 %), economie (51 %), fysica (50 %), geschiedenis (55 %) en wiskunde (50 %)). Bovendien kan Aislinn grotere gehelen niet aan -zoals vooral uit de trimesterre- sultaten

(1)(voetnoot 1 +tekort: biologie (I: 43 %), economie (I: 46 %), Frans (II: 46 %, III: 49 %), fysica (I: 46 %), godsdienst (I: 46 %, II-III: 45 %) en wiskunde (I, 47 %, II: 46 %) zwak: chemie (I: 54 %, II-III: 58 %), Duits (I: 50 %, II-III: 52 %), economie (II: 52 %, III: 54 %), Frans (I: 51 %), fysica (II-III: 53 %), geschiedenis (I: 56 %, II-III: 54 %) en wiskunde (III: 56 %,) en de examen-resultaten
(2)(voetnoot 2 +enkel de tekorten: 1ste trimester: biologie (37 %), chemie (43 %), Duits (41 %), economie (44 %), Frans (42 %), fysica (44 %), godsdienst (41 %), wiskunde (38 %); 2de trimester (op 4 examens): economie (44 %), Frans (46 %) en wiskunde (48 %); 3de trimester: Duits (49 %), Frans (42 %), geschiedenis (49 %), godsdienst (44 %) en wiskunde (40 %,) blijkt -, wat toch wel essentieel is voor een 3de graad ASO. Dit wordt in de 3de graad nog uitvergroot door het 2-semestersysteem en het in de punten doorwegen van de examens t.o.v. het dagelijks werk. Bovendien beschikt zij niet over de nodige vaardigheden en heeft zij niet het juiste inzicht in de materie en de wijze waarop zij deze materie dient te verwerken. Het klopt weliswaar dat bepaalde vakken (bv. Duits, economie, ...) uit de 2de graad niet meer aan bod komen in bepaalde scholen waar een 5de jaar Humane Wetenschappen aangeboden wordt. Desalniettemin zijn er nog tal van andere algemene (hoofd)vakken die wél nog aan bod komen in een 5de jaar Humane Wetenschappen (bv. Frans, geschiedenis, wiskunde, ...) waarvoor de in het 4de jaar behaalde resultaten zwak zijn. Voor die laatst genoemde vakken behaalde zij de vorige jaren trouwens ook zwakke resultaten. XII-4910-3\10 Er wordt dan ook vastgesteld dat de zwakke resultaten in het 4de jaar een reflectie zijn van het feit dat de leerling zich met een het oog op een 3de graad ASO onvoldoende basis van deze vakken heeft eigen gemaakt. Het laten verder bouwen van een leerling op een niet solide basis zou onverantwoord zijn. Gelet op het gebrek aan voldoende verworven kennis in het voorgaande jaar, dient ervan uitgegaan te worden dat ook in het volgend jaar er zich opnieuw problemen voor deze vakken zullen manifesteren. Bovendien moeten de resultaten voor het 3de trimester in de juiste context worden geplaatst aangezien de leerstof voor de hoofdvakken over een in duur beperkt trimester ging, wat in de 3de graad niet meer het geval is. De delibererende klassenraad stelt vast dat Aislinn Parmentier, ondanks de harde en gewaardeerde inzet die zij toont en de bijzonder sterke begeleiding en opvolging die zij thuis en op school aangeboden kreeg, er niet in slaagt om globaal genomen die prestaties neer te zetten die een overgang naar een graad ASO mogelijk maakt. Aislinn Parmentier werd in de loop van het schooljaar voor diverse vakken voldoende remediëring aangeboden. Dit blijkt uit het relaas én de rapporten van diverse leerkrachten. Daaruit blijkt ook dat Aislinn Parmentier, om welke reden dan ook, niet altijd op dit aanbod is ingegaan. Aislinn Parmentier stond in de loop der jaren onder ‘constante’ begeleiding van de ouders. Die volgden hun dochter minutieus op. Ondanks deze inzet en deze begeleiding en remediëring bleven de resultaten erg zwak. De delibererende klassenraad is er zich terdege van bewust dat Aislinn Parmentier faalangstig is en dat zij hiervoor door de graadcoördinator mevr. Els Pauwels begeleid werd tijdens het 3de jaar. De vader bevestigde t.o.v. de algemeen directeur dat Aislinn hier veel baat bij gehad heeft. Aislinn Parmentier kreeg in het 2de (juni 2004) een A-attest met vakantietaak + controleproef wiskunde. In het 3de jaar (juni 2005) kreeg zij een A-attest met vakantietaak + controleproef Frans. Telkens kreeg zij het uitdrukkelijke advies naar TSO over te schakelen. Ook diverse tussentijdse adviezen spraken zich in die richting uit. Op een bepaald moment -zoals hier, voor de determinatiegraad- moet men echter knopen durven doorhakken in het belang van de leerling, wetende dat in een 3de graad in principe geen B-attesten meer uitgereikt worden. Het is niet in het belang van een leerling -en zeker niet een leerling die te kampen heeft met faalangst- om toegelaten te worden in een ASO-richting 3de graad, waarvoor die bewezen heeft die niet aan te kunnen (cfr. de resultaten van het 4de jaar), waarvan zij dus de basis niet verworven heeft, waarvoor zij niet over de vereiste capaciteiten beschikt om die aan te kunnen. De beslissing om Aislinn Parmentier verder te laten gaan naar een 5de jaar ASO zou impliceren dat de faalangstige leerling zich nog meer zou moeten inzetten - wat onmogelijk is gelet op de enorme inzet die de leerling nu al betoont. Een vijfde jaar ASO zou de druk op Aislinn Parmentier dus enkel nog maar vergroten. Dat dergelijke beslissing niet in het belang zou zijn van de leerling, blijkt uit het feit dat de leerling naar de leerkrachten toe, bij de procedure m.b.t. de studiekeuze voor de 3de graad in mei 2006 de TSO-richting Toerisme als voorkeurrichting heeft opgegeven. De ouders hebben daar de ASO-richting Humane Wetenschappen aan toegevoegd. Wat op dit moment ook de perceptie van de ouders weze over deze richting, de delibererende klassenraad kan de door de leerling geuite studiekeuze niet zomaar naast zich neerleggen en houdt hier dan ook rekening mee. De delibererende klassenraad ziet niet in hoe de vragen m.b.t. bepaalde geplogenheden inzake oudercontacten en het meedelen en becommentariëren van resultaten enige relevantie heeft voor de beslissingen van de delibererende XII-4910-4\10 klassenraad. Deze vragen hebben geen uitstaans met toekennen van een attest. Het komt dan ook de directie toe hier een antwoord op te geven. De delibererende klassenraad kan hic et nunc geen rekening houden met de resultaten die het kind tot nu toe behaald heeft in het 5de jaar Humane Wetenschappen in het Koninklijk Atheneum van Mortsel - schooljaar 2006-2007 (zoals de ouders vragen). Hiervoor zijn er verschillende argumenten.
  1. De delibererende klassenraad dient de draad op te nemen op het ogenblik waarover de schorsing spreekt. Hoewel een delibererende klassenraad van een 4de jaar prospectief hoort te oordelen, kan wat post factum gebeurt, dus niet mee in overweging genomen worden.
  2. De delibererende klassenraad benadrukt de relativiteit van het eerste rapport, dat vaak nog een vertekend beeld geven van de realiteit op jaarbasis (cfr. het 1ste rapport van het 4de jaar).
  3. Het door de ouders voorgelegde rapport is het 1ste rapport, m.a.w. uitgereikt in het begin van het schooljaar en vormt geen enkel bewijs van het aankunnen van grote hoeveelheden door de leerling en het feit dat er een beter inzicht zou verworven zijn. Dit rapport doet dan ook geen enkele afbreuk aan de (vast)stelling van de delibererende klassenraad dat de leerling geen grote hoeveelheden aankan, noch toont het aan dat Aislinn Parmentier nu wel zelfstandig zou kunnen werken. De opmerkingen die over mevr. Els Verhaeghe gemaakt worden, zijn in-correct, onterecht en irrelevant. Een beslissing van een delibererende klassenraad is een collegiale beslissing. Bovendien blijkt uit het relaas van mevr. Els Verhaeghe, gestaafd door de nodige documenten en door getuigenis van de klastitularis, mevr. Goedele Deconinck, dat zij wel degelijk het nodige gedaan heeft om de leerling maximaal te begeleiden voor haar vak, economie. Zowel een A-attest als een B-attest betekenen dat men een schooljaar met vrucht beëindigt. De delibererende klassenraad kan derhalve een B-attest uitspreken als hij van oordeel is dat een leerling voor bepaalde richtingen in het volgende jaar niet klaar staat, zoals dit in casu het geval is. De delibererende klassenraad beschikte over voldoende gegevens om een gefundeerde beslissing te nemen. Daartoe was een vakantietaak met bijkomende proef niet meer nodig.”;
  4. Overwegende dat uit de inleidende vordering blijkt, en verzoek- sters raadsman ter terechtzitting bevestigt, dat de inzet van het geschil voor haar niet is om uiteindelijk een A-attest te krijgen, maar wel een B-attest dat in zijn clausule- ring toch de mogelijkheid biedt aan verzoekster om verder ASO-humane weten- schappen te studeren;
  5. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4910-5\10 4.
  6. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel en van artikel 38 van het organisatiebesluit; dat zij toelicht de voorbije jaren steeds een A-attest te hebben gekregen zonder enige clausulering met resultaten die niet significant van de huidige afwijken, dat een van de jaartekorten zeer beperkt is, dat zij strenger beoordeeld is dan voorheen en zonder mogelijkheid van vakantietaak, dat het organisatiebesluit geenszins een andere afweging oplegt afhankelijk van het jaar of de graad waarover wordt geoordeeld, dat geen rekening wordt gehouden met de concrete studiekeuze die zij voor het volgende jaar had gemaakt, dat zij in haar curriculum geen economie en Duits meer zou hebben en minder uren Frans, dat een B-attest nochtans impliceert dat het jaar met vrucht is beëindigd en dus de slaagkansen in het volgende jaar van belang zijn bij de beslissing zodat met de keuze van de leerling wezenlijk rekening moet worden gehouden, dat de klassenraad daarbij ook rekening moet houden met alle beschik-bare gegevens en derhalve óók met de resultaten die zij ondertussen heeft behaald als vrije leerling in het eerste jaar van de derde graad, dat die punten op toetsen en haar eerste rapport aantonen dat zij kansen tot slagen heeft en dat die cijfers ontkrachten wat de klassenraad argumenteert; 4.
  7. Overwegende dat op het eerste gezicht de hiervoor overgeschreven motivering niet ervan doet blijken dat de delibererende klassenraad slechts een mathematische benadering van verzoeksters schoolresultaten zou hebben gedaan; dat de klassenraad ook specifiek lijkt te repliceren waarom de keuze van verzoekster voor humane wetenschappen naar zijn overtuiging niet haalbaar is; dat hij uiteenzet waarin de richting van de humane wetenschappen thans bestaat, dat tal van algemene hoofdvakken er nog steeds aan bod komen en welke moeilijkheidsgraad zij heeft; dat daaraan concreet de cijfers van verzoekster worden afgewogen, waarbij de klassenraad wijst op de verschillende tekorten en zwakke resultaten voor trimesterre- sultaten, examenresultaten en globale resultaten voor verschillende vakken; dat de klassenraad prima facie geloofwaardig het verschil uiteenzet tussen de derde graad en de vroegere jaren, om te verantwoorden waarom verzoekster zelfs met gelijke of vergelijkbare resultaten niet er op mocht vertrouwen opnieuw een A-attest te krijgen maar haar thans een ander attest wordt gegeven, en dit onder meer door te wijzen op de eigen aard van de zogenaamde determinatiegraad met een semestersysteem en de afwezigheid van B-attestering; dat ook wordt gewezen op het opgebouwde tekort aan verworven kennis in de voorgaande jaren; dat de klassenraad zoals blijkt uit de XII-4910-6\10 notulering nog rekening houdt met andere concrete elementen die samen genomen relevant lijken ter bijkomende ondersteuning van de eindbeoordeling; Overwegende dat de delibererende klassenraad op het eerste gezicht niet kan worden bijgevallen alsof hij, met het oog op een beslissing in het belang van de betrokken leerling, geen rekening zou moeten houden met alle relevante elementen die beschikbaar zijn op het ogenblik van zijn beslissing; dat de Raad van State evenwel in de huidige stand van de procedure aanneemt dat de klassenraad de resultaten van verzoekster als vrije leerling in het eerste jaar van de derde graad niet zomaar heeft terzijde geschoven; dat de klassenraad immers, niettegenstaande eerst te schrijven er “hic et nunc” geen rekening mee te moeten houden, dan toch aangeeft de relativiteit van het eerste rapport te benadrukken omdat het enkel punten zijn voor dagelijks werk en nog geen enkel bewijs vormt van het aankunnen van grote hoeveelheden leerstof door verzoekster; dat precies de inschatting dat verzoekster in de derde graad met een semestersysteem in het ASO geen grote hoeveelheden leerstof zou aankunnen een determinerend motief is voor het uitreiken van het B-attest; dat dan ook vooralsnog wordt aangenomen dat de klassenraad, consequent met dit motief, de ondertussen door verzoekster behaalde resultaten als nieuw gegeven wel mee heeft beoordeeld maar omdat het voor de inschatting van verzoeksters slaagkansen niet kan worden gerelateerd aan een geheel schooljaar of minstens aan semesterexamenresultaten, het als niet overtuigend heeft afgewezen; Overwegende dat de Raad van State zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad mag stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar ASO humane wetenschappen aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken; dat de delibererende klassenraad daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de Raad van State verzoekster derhalve niet kan beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen; dat een strenge beslissing door de betrokken leerling allicht als onredelijk, paternalistisch of onbillijk ervaren kan worden; dat het ook niet uitgesloten is dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen en het risico op een verkeerde studiekeuze aan de leerling of haar ouders zou overlaten; dat een beoordeling door de delibererende klassenraad door de Raad van State echter enkel XII-4910-7\10 voor onwettig kan worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen; dat verzoekster, in de huidige stand van de procedure, er niet in is geslaagd de Raad daarvan te overtuigen; dat de door de delibererende klassenraad gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoekster lijkt gesteund op alle relevante feitelijke gegevens van de zaak en in rechte, zo lijkt, een beslissing om haar het bewuste B-attest te geven vermogen te verantwoorden; Overwegende dat het middel niet ernstig is; 5.
  8. Overwegende dat verzoekster een tweede middel put uit de schending van de materiële motiveringsplicht; dat zij toelicht dat de bestreden beslissing “in belangrijke mate gesteund [is] op de cijfermatige beoordeling”, dat dergelijke werkwijze veronderstelt dat de cijfers waarmee wordt gewerkt correct zijn en dat in casu vastgesteld moet worden dat de verwerking van de cijfers “met de grootste onzorgvuldigheid is gebeurd” en bijgevolg de beoordeling als tekort of zwak niet of onvoldoende materieel gemotiveerd is; 5.
  9. Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift ter adstructie een reeks voorbeelden van dergelijke onzorgvuldigheden opsomt voor de vakken economie, Frans en wiskunde; dat ter terechtzitting de verwerende partij op die aantijgingen een voor een repliceert, daarbij overigens stellende dat ook al te hebben gedaan ten overstaan van de vader van verzoekster tijdens een twee uren durend overleg; dat verwerende partij afschrift voorlegt van de door verzoekster bedoelde toetsen, de quotering toont en de optelling van de gegeven punten om aan te tonen dat niet zij maar verzoekster zich -meestal dan toch- heeft vergist; dat die uitleg op het eerste gezicht overtuigt en overigens door verzoeksters raadsman ter terechtzitting niet meer wordt tegengesproken; dat verwerende partij wél erkent zich vergist te hebben bij een optelling, met slechts verwaarloosbaar verschil en ook bij de verrekening van de cijfers voor wiskunde in het derde trimester, waarvoor verzoekster 66% in plaats van 56% behaalde wat een verschil uitmaakt voor het eindresultaat op jaarbasis van 53% in plaats van de op het rapport vermelde 50%; dat verwerende partij ten slotte over een beweerd wegens ziekte van verzoekster onterecht gegeven nulscore voor een niet gemaakte filmkritiek niet wordt tegen- XII-4910-8\10 gesproken dat die nulscore ook betrekking had op een vrij in te leveren filmrecensie die verzoekster ook niet heeft gemaakt; Overwegende dat uit de stukken en het debat ter terechtzitting wel is gebleken dat verwerende partij enkele te betreuren en te vermijden materiële vergissingen heeft begaan, vooral wat het rapporteren van de punten voor wiskunde voor het derde trimester betreft; dat zij evenwel vooralsnog wordt bijgevallen dat die vergissing niet van aard is de zwakke verdienste van verzoekster voor het vak wiskunde of voor het vak economie in een ander daglicht te moeten zien; dat de meeste overige verwijten van verzoekster niet terecht lijken; dat overigens hiervoor reeds is aangenomen dat de klassenraad zich niet louter op een cijfermatige beoordeling heeft gesteund; dat de Raad in de huidige stand van de procedure niet aanneemt dat een en ander op een verregaande “grootste onzorgvuldigheid” wijst die de motivering van de bestreden beslissing op losse schroeven zou zetten of de beslissing er anders had kunnen laten uitzien; dat het middel niet de vereiste ernst vertoont;
  10. Overwegende dat geen van de aangevoerde middelen ernstig is; Overwegende dat niet voldaan is aan een van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4910-9\10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4910-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.592 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.