id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.595 Rolnummer: A. 152032/XIV-19655 Zaak: Arrest 164595 - - 09/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 08:22 Fiche Arrest nr 164.595 van 9 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.595 van 9 november 2006 in de zaak A. 152.032XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. BENZERFA, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Arenbergstraat 44/
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 18 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 april 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 januari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-19.655-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. BENZERFA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 28 december 2000 en zich een eerste maal vluchteling verklaart op 16 januari 2001; dat op 6 augustus 2002 deze asielaanvraag wordt afgesloten met een beslissing van de commissaris-generaal houdende weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; Overwegende dat de verzoekende partij zich een tweede maal vluchteling verklaart op 20 oktober 2003; dat op 30 oktober 2003 de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing neemt houdende weigering van inoverwegingname van de asielaanvraag van de verzoekende partij; Overwegende dat de verzoekende partij zich een derde maal vluchteling verklaart op 8 december 2003; dat op 6 januari 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 28 april 2004 de commissaris-generaal deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U werd verhoord op 25 maart 2004, op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die het Farsi machtig is en in aanwezigheid van uw advocaat, mr. Benzerfa. Volgens uw verklaringen hebt u de Iraanse nationaliteit en bent u afkomstig uit Teheran. Op 16 februari 2001 vroeg u de eerste maal asiel aan in België. Op 6 augustus 2002 werd door mij een weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen. Op 20 oktober 2003 vroeg u de tweede maal asiel aan in België. Deze asielaanvraag werd door de Dienst Vreemdelingenzaken niet in overweging genomen. Op 8 december 2003 diende u een derde asielaanvraag in. Ter staving van uw derde asielaanvraag, haalde u de volgende elementen aan. In Iran maakte u deel uit van een studentenpartij. U verklaarde dat uw familie aldaar thuis nog altijd het bezoek krijgt van agenten die het huis doorzoeken en naar u vragen. In België nam u van 29 of 30 september 2003 tot 30 oktober 2003 en vanaf 3 december 2003 tot en met 8 december 2003 deel aan de actie op de ULB (Université Libre de Bruxelles). U deelde er soms pamfletten uit. Ter staving van uw derde asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw boekje van burgerlijke stand, een algemene standaardbrief van de Iraanse actievoerders, een medisch attest dd. 11/03/2004 en een aantal algemene krantenartikels over de acties door de Iraniërs in België en over de situatie in Iran. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat in het kader van uw eerste asielaanvraag tegenstrijdigheden werden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen. Aan uw vluchtmotieven kon dan ook geen enkel geloof gehecht worden. Uw verklaringen dat de XIV-19.655-2/5 ordediensten u nog steeds regelmatig thuis zouden komen zoeken zijn dan ook geenszins aannemelijk. Verder dient gewezen te worden op een aantal ongerijmdheden in de motieven die u hebt aangehaald in het kader van uw tweede asielaanvraag. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken en in het begin van het verhoor op het Commissariaat-generaal (gehoorverslag p. 2-3) van oktober tot en met december 2003 heel de tijd deelgenomen te hebben aan de actie op de ULB. Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal werd u gewezen op het feit dat u van 31 oktober 2003 tot en met 2 december 2003 in de gevangenis van Vorst zat. Een kopie van de informatie waarop het Commissariaat-generaal zich baseert, is bij het administratief dossier gevoegd. Hierop hebt u verklaard dat u van 29 of 30 september 2003 tot 30 oktober 2003 en vanaf 3 december 2003 tot en met 8 december 2003 deelnam aan de actie op de ULB. Door op de Dienst Vreemdelingenzaken en in het begin van het verhoor op het Commissariaat-generaal eerst leugenachtige verklaringen af te leggen, komt uw geloofwaardigheid volledig in het gedrang. Verder kon u niet zeggen waar de acties op de ULB hadden plaatsgevonden (gehoorverslag p. 4). Tot slot beschikt u over geen enkel bewijs van uw deelname (gehoorverslag p. 5). Gelet op bovenstaande vaststellingen hebt u niet aannemelijk gemaakt werkelijk aan de acties van de Iraanse actievoerders te hebben deelgenomen. De in de door u neergelegde brief van de Iraanse actievoerders en in krantenartikels beschreven situatie in Iran doet geen afbreuk aan onderhavige beslissing, aangezien het een algemene situatie betreft waaruit niet zonder meer een persoonlijk gerichte vervolging kan worden afgeleid. Het door u neergelegde medisch attest doet geen afbreuk aan de beslissing aangezien het een probleem van medische aard betreft dat als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève ressorteert. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 1, A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal ten onrechte heeft verklaard dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is, dat hij zijn macht heeft overschreden door te stellen dat zij geen nieuw element heeft aangebracht, terwijl zij duidelijk heeft verklaard dat zij van haar ouders heeft vernomen dat zij regelmatig bezoek krijgen van de Iraanse politie en dat de politie hen ondervraagt over haar activiteiten, dat zij tevens heeft verklaard dat zij heeft deelgenomen aan de acties in de gebouwen van de ULB in november 2003, dat deze acties ruime aandacht hebben gekregen in de media, dat de Iraanse diplomatieke vertegenwoordiging in België erbij betrokken was, dat zij zou zijn gefilmd en dat haar foto waarschijnlijk in handen is van de Iraanse geheime diensten, dat zij vreest aangehouden te worden bij een eventuele terugkeer naar Iran, dat de commissaris-generaal geen aandacht heeft geschonken aan haar toestand en de verklaringen die zij heeft afgelegd tijdens de opeenvolgende verhoren, dat hij geen rekening heeft gehouden met haar medische toestanden, dat zij nochtans een medische behandeling volgt in België; XIV-19.655-3/5 2.
- Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993, die artikel 52 van de Vreemdelingenwet heeft gewijzigd, blijkt dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal, dus dat hij in zijn land van herkomst verdrukt wordt en bloot staat aan vervolging of foltering (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 903/5,8); dat de asielaanvrager derhalve in principe moet aantonen dat hij vervolgd wordt; dat dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie (Parl. St.,Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83); dat de verzoekende partij met een algemene bevestiging van haar standpunt, zonder de concrete motieven van de bestreden beslissing te ontkrachten, dat zij wel vervolgd werd en met de verwijzing naar haar medische toestand, zonder concreet aan te toen hoe deze medische toestand in aanmerking had moeten worden genomen bij de beoordeling van haar vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.655-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.655-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.