← België

Arrest 164596 - - 09/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.596 Rolnummer: A. 152156/XIV-19683 Zaak: Arrest 164596 - - 09/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 08:22 Fiche Arrest nr 164.596 van 9 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.596 van 9 november 2006 in de zaak A. 152.156/XIV-19.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 26 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 maart 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet-ontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2006; XIV-19.683-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat N. LUCAS, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat in België binnenkwam op 13 juni 2001, waar zij zich 15 juni 2001 vluchteling verklaarde; dat op 30 juli 2001 de asielaanvraag definitief werd afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris- generaal; dat de Raad van State bij arrest nr. 108.790 van 4 juli 2002 het beroep tot nietigverklaring tegen voornoemde beslissing heeft verworpen; Overwegende dat de verzoekende partij op 17 oktober 2001 een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet indient; dat de verzoekende partij op 7 oktober 2003 aanvullende informatie betreffende haar aanvraag tot regularisatie naar de dienst Vreemdelingenzaken stuurt; dat op 23 maart 2004 de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing neemt waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk wordt verklaard; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt luidt: “De aangehaalde elementen vormen geen uitzonderlijke omstandigheid waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen afgewezen en tevens bedrieglijk verklaard (in casu vaststellingen waaruit tevens blijkt dat betrokkene getracht heeft de Belgische autoriteiten te misleiden door haar wareafkomst te verhullen). Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België te dienen. Wat de medische problematiek betreft, kan geponeerd worden dat uit de tegenexpertise van onze controle-arts blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen naar haar land van oorsprong en dat er tevens geen specifieke behandeling meer nodig is. Het medisch motief waar betrokkene zich aldus baseert in haar aanvraag art. 9.3 wordt aldus niet weerhouden. Het gegeven dat haar zus als vluchteling erkend zou zijn in België, is geen uitzonderlijke omstandigheid om art. 9 van de wet van 15/12/1980 in België in te dienen. Gezien de situatie in Somalië in die zin gewijzigd is dat er op heden wel een terugkeer mogelijk is en de luchthavens opnieuw open zijn voor internationaal luchtverkeer, dient betrokkene dringend gevolg te geven aan het bevel dat haar op 25/06/2001 werd betekend.”; XIV-19.683-2/6 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Formulering en uiteenzetting Dit middel is gesteund op de schending van de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel dat ondermeer wordt gesanctioneerd door artikel 62 van de Vreemdelingenwet, door de motiveringsplicht die is voorgeschreven in artikel 1 t.e.m. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de algemene zorgvuldigheidsplicht, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het feit dat tegenpartij een manifeste beoordelingsfout begaan heeft. Doordat de bestreden beslissing enkel stelt dat verzoekster geen uitzonderlijke omstandigheden aanhaalt waarom de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kon ingediend worden via de gewone procedure. Terwijl tegenpartij de elementen aangehaald door verzoeker punt per punt moest aanhalen om te motiveren waarom ze niet konden weerhouden worden als uitzonderlijke omstandigheden en niet enkel beweren dat het geen uitzonderlijke omstandigheden zijn. Uiteenzetting Tegenpartij haalt vier elementen aan om haar negatieve beslissing te staven: De problemen van verzoekster uiteengezet in het kader van haar asielprocedure kunnen niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden voor de aanvraag tot regularisatie; •De medische problematiek moet afgewezen worden gezien de tegenexpertise van de controle-arts van tegenpartij; •De erkenning als vluchteling van haar zus is geen uitzonderlijke omstandigheid; •Gezien de wijziging van de situatie in Somalië moet verzoekster gevolg geven aan het bevel het grondgebied te verlaten betekend op 25.6.200
  4. De motivering van tegenpartij om te kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden aangehaald worden door verzoekster is niet precies, omschreven en compleet. Het is overduidelijk dat deze vier motieven heel snel over de argumentatie van verzoekster heengaan, zonder zelfs te spreken over de uitvoerige motivatie opgenomen in de bijkomende aangetekende zending van 25.9.2003 rechtstreeks aan tegenpartij overgemaakt met een belangrijk dossier ter staving. Dit schrijven van 25 september 2003, met de stukken, wordt in bijlage gevoegd en moet integraal als hier opgenomen beschouwd worden. Verzoekende partij kan dus enkel vaststellen dat tegenpartij niet antwoordt en de aangehaalde argumenten in de aanvraag tot regularisatie zelfs blijkt te negeren. De uitzonderlijke omstandigheden zijn bijgevolg wel degelijk aanwezig en tegenpartij schendt de wettelijke normen aangehaald in huidig middel door het nemen van deze bestreden beslissing van onontvankelijkheid. Het middel is dus gegrond.”; 2.1.
  5. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-19.683-3/6 Overwegende dat de verzoekende partij in haar aanvraag om machtiging tot verblijf, als reden waarom zij deze aanvraag niet zou kunnen indienen bij de bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging in haar land van herkomst, aanvoert dat zij onmogelijk naar Somalië kan terugkeren, dat haar land sinds 1991 geen centrale overheid meer heeft, dat geen toelating tot terugkeer kan worden verkregen, dat de luchthavens zijn gesloten voor niet-Afrikaans luchtverkeer, dat zij een fysieke handicap heeft waardoor zij zich moeilijk kan verplaatsen en dat zij een zus heeft die in België werd erkend als vluchteling; dat zij in haar bijkomende informatie stelt dat haar regularisatieaanvraag ontvankelijk is om reden dat zij als Somalische onmogelijk kan terugkeren, dat zij medisch wordt behandeld, een prothese aan haar been heeft en dat haar zus een Belgische is; dat zij in de aanvullende informatie er verder op wijst dat zij een asielaanvraag heeft ingediend en dat het beroep dat zij tegen de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal heeft ingesteld bij de Raad van State nog hangende is; dat zij hierbij naar rechtspraak van de Raad van State verwijst die zou stellen dat de omstandigheden die werden ingeroepen ter staving van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid als vluchteling en die als dusdanig werden verworpen, de indiening in België van een aanvraag tot regularisatie kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken op alle door de verzoekende partij in haar aanvraag aangehaalde argumenten is ingegaan, doch dat hij heeft geoordeeld dat deze geen buitengewone omstandigheden vormen in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert , de minister zich niet louter beperkt tot het stellen dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn; dat de verzoekende partij niet aangeeft op welk punt deze motivering “niet precies, omschreven en compleet” is; dat de verzoekende partij zich beperkt tot de loutere bewering dat haar argumenten door de minister werden genegeerd zonder in concreto aan te duiden op welke argumenten niet werd geantwoord; dat derhalve niet kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing onvoldoende werd gemotiveerd; dat uit de weergegeven motieven voldoende blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken afdoende juridische en feitelijke overwegingen heeft gegeven om de bestreden beslissing daarop te steunen; dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of een manifeste appreciatiefout evenmin worden aangetoond; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt : “Formulering en uiteenzetting Dit middel is gesteund op een schending van artikel 9 alinea 3 van de wet van 15 december 1980, van de Ministeriële omzendbrief van 19 februari 2003 en het feit dat tegenpartij een manifeste beoordelingsfout begaan heeft. Doordat tegenpartij van mening is dat er geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald worden in de zin van artikel 9.3 van de wet van 15.12.
  7. XIV-19.683-4/6 Terwijl tegenpartij desbetreffende een manifeste beoordelingsfout begaat en de aangehaalde wettelijke norm schendt. De aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden dwingt verzoekster ertoe aan te tonen dat het voor haar onmogelijk of bijzonder moeilijk is om terug te keren naar zin land van oorsprong om de aanvraag in te dienen (RvS, nr 51.813 van 28.2.1995 en 6.1.2000, Rev. dr. Etr., 2000, 278). Uitzonderlijke omstandigheden zijn geen omstandigheden van overmacht. Verzoekster moet, maar het volstaat, aantonen dat het voor haar bijzonder moeilijk is terug te keren naar haar land van oorsprong om de aanvraag in te dienen. In casu is het in de aanvraag voldoende gemotiveerd om welke redenen een terugkeer, zelfs tijdelijk, naar haar land van oorsprong op zijn minst uiterst moeilijk is. Verzoekster heeft bij het IOM een individueel attest ontvangen dat haar standpunt komt bevestigen, namelijk dat haar terugkeer voor redenen onafhankelijk van haar wil voor het ogenblik onmogelijk is. Het attest opgemaakt door I.O.M. op 17 mei 2004 toont voldoende aan dat verzoekster niet kan terugkeren naar haar land van oorsprong (zie stuk 3 in bijlage). Gezien dit attest het standpunt van verzoekster, weergegeven in haar aanvraag tot regularisatie, komt bevestigen, kan de Raad van State er rekening mee houden in het kader van huidig beroep. De bestreden beslissing schendt bijgevolg de aangehaalde rechtsmiddelen in dit tweede middel.”; 2.2.
  8. Overwegende dat om de redenen vermeld in de bestreden beslissing, de minister van Binnenlandse Zaken heeft geoordeeld dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft aangevoerd die een aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; dat hieraan geen afbreuk kan worden gedaan door het door de verzoekende partij bij haar verzoekschrift gevoegde attest van het IOM, ook al zou dit attest de onmogelijkheid van een terugkeer bevestigen; dat het attest immers na de bestreden beslissing is gedateerd ; dat de minister met dit attest dan ook geen rekening kon houden; dat het de Raad van State niet toekomt dit stuk opnieuw te beoordelen en zich op dit punt en op basis van een nieuw gegeven in de plaats te stellen van de beslissingnemende overheid; dat het tweede middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-19.683-5/6 Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-19.683-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.